Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6474

2026-08-17 Strafrecht 05/035010-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05/035010-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel door roekeloosheid en rijden onder invloed tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar. Verder veroordeelt de rechtbank verdachte wegens het rijden zonder rijbewijs tot twee weken hechtenis. Vrijspraak diefstal benzine.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.712 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Arnhem



Parketnummer: 05/035010-26
Datum uitspraak : 17 augustus 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .



Raadsman: mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat in Nijmegen.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


1.hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Diepenheimseweg en/of op meerdere andere wegen in Nederland, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- telkens (gedurende een traject van ongeveer 20 kilometer) heeft gereden met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheden, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of

- ( kort voor de aanrijding) heeft gereden met een snelheid van 128 km/uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem geldende maximumsnelheid van 80 km/uur en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- het door hem bestuurde voertuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of onder controle heeft gehouden, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig in een slip geraakt en/of werd de stabiliteit van het door hem bestuurde voertuig (ernstig) verstoord en/of was de besturing alsmede de beremming van de wielen (op de normale wijze) niet meer mogelijk en/of

- ( vervolgens) aan de linkerzijde van de weg in de berm is geraakt/gereden en/of tot stilstand is gekomen in een droge sloot,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Diepenheimseweg en/of op meerdere andere wegen in Nederland, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet,


- telkens (gedurende een traject van ongeveer 20 kilometer) heeft gereden met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheden, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of

- ( kort voor de aanrijding) heeft gereden met een snelheid van 128 km/uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem geldende maximumsnelheid van 80 km/uur en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- het door hem bestuurde voertuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of onder controle heeft gehouden, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig in een slip geraakt en/of werd de stabiliteit van het door hem bestuurde voertuig (ernstig) verstoord en/of was de besturing alsmede de beremming van de wielen (op de normale wijze) niet meer mogelijk en/of

- ( vervolgens) aan de linkerzijde van de weg in de berm is geraakt/gereden en/of tot stilstand is gekomen in een droge sloot,


en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;



meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland, althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Diepenheimseweg en/of op meerdere andere wegen in Nederland,


- telkens (gedurende een traject van ongeveer 20 kilometer) heeft gereden met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheden, in elk geval met aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of

- ( kort voor de aanrijding) heeft gereden met een snelheid van 128 km/uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem geldende maximumsnelheid van 80 km/uur en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- het door hem bestuurde voertuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of onder controle heeft gehouden, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig in een slip geraakt en/of werd de stabiliteit van het door hem bestuurde voertuig (ernstig) verstoord en/of was de besturing alsmede de beremming van de wielen (op de normale wijze) niet meer mogelijk en/of

- ( vervolgens) aan de linkerzijde van de weg in de berm is geraakt/gereden en/of tot stilstand is gekomen in een droge sloot,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;





2
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, hetgehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol,31 mg/l cocaïne en/of 0,80 mg/ml ethanol/alcohol bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne en/of alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;


3.hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Diepenheimseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

4.hij op of omstreeks 16 februari 2025 te Holten, gemeente Rijssen-Holten 41,97 liter benzine, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Shell Station Struik, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.


2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle feiten zoals zij (primair) ten laste zijn gelegd.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 primair. Op basis van het procesdossier kan niet worden bewezen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, heeft opgelopen. Verder kan niet worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden. Hoewel verdachte zijn telefoon heeft vastgehouden, heeft dit geen relatie met het ongeval. De overige verkeersfouten zijn onvoldoende om van roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) te kunnen spreken.



Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.



Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu verdachte ontkent en er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokkenheid heeft bij dit feit.




Beoordeling door de rechtbank





Feit 4

De bijrijder van een grijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] heeft op 16 februari 2025 benzine getankt zonder te betalen. Een verbalisant heeft de bestuurder van deze Golf op basis van stills van de camerabeelden herkend als verdachte.



De rechtbank constateert dat er geen medeplegen ten laste is gelegd. Nog los van de vraag of verdachte inderdaad de bestuurder was, heeft de bestuurder zelf geen benzine weggenomen. Alleen daarom al zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.




Feiten 1 en 2





De bewijsmiddelen

Op 2 maart 2025 omstreeks 15:40 uur vond op de Diepenheimseweg in Neede een eenzijdig verkeersongeval plaats. Hierbij was een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] betrokken. Verdachte bestuurde deze auto. De verdere inzittenden waren [getuige 1] , [slachtoffer] en [getuige 2] . Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur.



Volgens de politie kwam verdachte in een bocht naar links met de rechterzijde van de auto in de grasberm aan de rechterzijde en de auto raakte in een slip. Verdachte raakte de macht over het stuur kwijt. Hij botste eerst met de rechtervoorzijde en daarna met de rechterachterzijde in de wal van de sloot aan de linkerzijde van de weg. De auto spinde eenmaal om zijn as en kwam in een droge sloot aan de linkerzijde van de weg tot stilstand.



De telefoon van verdachte is onderzocht. Verdachte heeft tijdens de rit een traject van ongeveer twintig kilometer afgelegd. Op verschillende delen van het traject bleek hij boven de maximumsnelheid te hebben gereden.



Ter hoogte van de kruising Langestraat met de N346 reed verdachte de N346 op in de richting van Diepenheim. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Verdachte reed op dit traject over een afstand van 922 meter met een gemiddelde snelheid van 104 kilometer per uur en over een afstand van 330 meter met een gemiddelde snelheid van 118,6 kilometer per uur.



Verdachte sloeg via de Deldensestraat linksaf de Lindelaan in, waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur gold. De snelheid van verdachte liep op tot een maximumsnelheid van 79 kilometer per uur in de buurt van een schoolzone. Over een afstand van 461 meter bedroeg zijn snelheid gemiddeld 47 kilometer per uur.



Aan het eind van de Stationslaan sloeg verdachte linksaf de Diepenheimseweg op, in de richting van Diepenheim. De toegestane maximumsnelheid bedroeg 30 kilometer per uur. Over een afstand van 312 meter reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 68 kilometer per uur.



Op de Diepenheimseweg gold een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Over een afstand van 448 meter reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 84,6 kilometer per uur. Over een volgend traject van 1.314 meter reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 89 kilometer per uur.



Vervolgens reed verdachte op de Goorseweg die over ging in de Wilsonweg en vervolgens in de Needseweg in de richting van Neede. Hier gold een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Over een afstand van 218 meter reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 73 kilometer per uur. Over een volgend traject van 508 meter reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 59 kilometer per uur.



Tot slot reed verdachte op de Diepenheimseweg in de richting van Neede. Hier gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. De 3.420 meter voor het ongeval reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 109 kilometer per uur. De 1.470 meter voor het ongeval reed hij met een gemiddelde snelheid van 132 kilometer per uur. Op een afstand van 550 meter voor het ongeval liep de snelheid op tot een maximum van 152 kilometer per uur. Vlak voordat de auto in de slip raakte, reed verdachte met een snelheid van 128 kilometer per uur.



Verder is op de telefoon van verdachte een video aangetroffen die op 2 maart 2025 om 15:15:44 uur was gemaakt en om 15:15:50 uur via Snapchat werd verstuurd. Op deze tijdstippen reed verdachte op de Irisstraat in Goor. Het scherm van de telefoon van verdachte werd om 15:27:44 uur ingeschakeld en om 15:27:52 uur weer uitgeschakeld. Vervolgens werd het scherm om 15:29:40 uur weer ingeschakeld en om 15:29:56 uur weer uitgeschakeld.



In het bloed van verdachte werd 0.80 milligram alcohol per milliliter bloed aangetroffen en 31 microgram cocaïne per liter bloed.




[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte met van alles bezig was, behalve met de weg. Verdachte was ook met zijn telefoon bezig. [slachtoffer] had het gevoel dat de auto overdwars ging en daarna links/rechts ergens tegen aan is gebotst. Door het ongeval heeft [slachtoffer] een gebroken nekwervel opgelopen, waarvoor hij zeven weken een nekbrace heeft gekregen. [slachtoffer] had ongeveer drie tot vier maanden last van zijn nek en kon niet werken. Op 3 april 2026 hoopte hij dat hij binnenkort weer kon werken.




[getuige 2] heeft verklaard dat verdachte gedurende de hele rit sportief heeft gereden. Verdachte reed te hard, verloor de macht over het stuur en vloog uit de bocht. Vervolgens heeft verdachte bijgestuurd.



Verdachte heeft verklaard dat hij met vernoemde personen naar Neede is gereden. Verdachte is plaatselijk bekend. Onderweg heeft verdachte meerdere malen Bacardi met sinas gedronken, vier tot vijf bekertjes. De auto kwam met het achterwiel in de berm en is iets gaan glijden. Hierdoor verloor verdachte de controle over het stuur. Hij heeft uit schrik aan het stuur getrokken, waardoor de auto rond draaide en in de sloot is beland. Verdachte heeft de rem ingetrapt en de handrem aangetrokken om zo snel mogelijkheid zijn snelheid te verminderen. Verdachte had een dag van tevoren cocaïne gesnoven.



Verder heeft verdachte verklaard dat hij zich er niet helemaal van bewust was dat hij zo hard reed. Hij wist wat de maximumsnelheid was. Hij heeft af en toe zijn mobiel gebruikt. Voordat hij in de auto stapte, had hij drie biertjes gedronken. Verdachte denkt dat hij de macht over het stuur is verloren door te hard te rijden.




Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft aangevoerd dat de snelheid van verdachte onvoldoende vast is komen te staan.



De rechtbank constateert dat op de telefoon van getuige [getuige 1] een applicatie stond waaruit bleek dat verdachte met een topsnelheid van 127 kilometer per uur heeft gereden en dat hij kort voor het ongeluk met een snelheid van 118 kilometer per uur heeft gereden. De politie heeft verder geen concretere informatie gerelateerd, zoals om welke applicatie het gaat en hoe deze applicatie de snelheid van de auto heeft bepaald. Daarom zal de rechtbank deze gegevens niet gebruiken voor het bewijs, maar enkel uitgaan van de snelheidsberekening van de politie op basis van de gegevens uit de telefoon van verdachte.



Ten aanzien van deze gegevens heeft de verdediging aangevoerd dat de nauwkeurigheid van de gps-punten in de onderzochte trajecten verschilt. De rechtbank vindt dat niet opmerkelijk, nu het gaat om verschillende trajecten van verschillende afstanden met een verschillend verloop van de weg (bijvoorbeeld bochten versus een rechte weg). De rechtbank ziet niet in waarom dit zou afdoen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmiddel en zal dit daarom gebruiken voor het bewijs.



Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte tijdens een rit van 20 kilometer regelmatig veel harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheden. De overschrijdingen variëren van meer dan twintig kilometer te hard tot meer dan twee keer zo hard als toegestaan. Kort voor de aanrijding reed verdachte 128 kilometer per uur waar 80 kilometer per uur is toegestaan.



Verdachte is met een wiel in de berm gekomen en daardoor in een slip geraakt. Verdachte heeft geprobeerd te remmen, maar reed zo hard dat hij zijn auto niet meer tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was. Vervolgens is de auto aan de linkerzijde van de weg in de berm geraakt/gereden en tot stilstand gekomen in een droge sloot. Daarmee heeft hij zijn auto niet met de nodige voorzichtigheid bestuurd en onder controle gehouden.



Verder heeft verdachte op meerdere momenten zijn telefoon vastgehouden, waaronder om een filmpje te maken.



Tot slot was verdachte onder invloed van 0.80 milligram alcohol per milliliter bloed en 31 microgram cocaïne per liter bloed.




De mate van schuld van verdachte

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Bij de beantwoording van deze vraag komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.



Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld. Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.



Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid WVW 1994 bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW 1994 kan worden aangemerkt.




Artikel 5a WVW 1994

Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet de rechtbank beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.


a. schending van de verkeersregelsIn artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Overschrijding van de maximumsnelheid en een mobiel elektronisch apparaat vasthouden tijdens het rijden zijn dergelijke verkeersregels en worden uitdrukkelijk genoemd in het eerste lid, onder (respectievelijk) g en k van het artikel.


Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt dat verdachte tijdens een rit van 20 kilometer regelmatig veel harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheden. De overschrijdingen variëren van meer dan twintig kilometer te hard tot meer dan twee keer zo hard als toegestaan. Kort voor de aanrijding reed verdachte 128 kilometer per uur waar 80 kilometer per uur is toegestaan. Bovendien heeft hij zijn snelheid niet aangepast om veilig de bocht door te kunnen rijden, want hij is met een wiel in de berm terecht gekomen en daardoor in een slip geraakt die uiteindelijk heeft geleid tot het ongeval.



Verder heeft verdachte tijdens de rit meerdere keren zijn mobiele telefoon vastgehouden. Hij heeft er zelfs een filmpje mee gemaakt terwijl hij aan het rijden was.



Daarbij komt dat verdachte onder invloed was van 0.80 milligram alcohol per milliliter bloed en 31 microgram cocaïne per liter bloed. Hij verkeerde dus in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de WVW 1994.


b. in ernstige mate
Het in artikel 5a WVW 1994 vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt de rechtbank af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels.


De verdediging heeft aangevoerd dat alleen moet worden gekeken naar de specifieke momenten vóór het ongeval. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het gehele samenstel van gedragingen van verdachte, in samenhang bezien, kan worden gebruikt om te beoordelen of sprake is van roekeloosheid (zoals bijvoorbeeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni 2025, ECLI:NL:HR:2015:1656, waar sprake was van verkeersovertredingen over een afstand van ruim 25 kilometer).



De rechtbank stelt vast dat verdachte meerdere verkeersregels heeft overtreden. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij over een afstand van 20 kilometer overwegend met een te hoge snelheid gereden. De snelheidsoverschrijdingen variëren van ongeveer 20 kilometer per uur te hard tot meer dan het dubbele van wat ter plaatse is toegestaan, waaronder in de buurt van een schoolzone waar 30 kilometer per uur was toegestaan.



Hij heeft dus een lange afstand met op sommige momenten meer dan de dubbele snelheid gereden dan ter plaatse was toegestaan, terwijl verdachte onder invloed was van vier keer zoveel alcohol en drie keer zoveel cocaïne als bij gecombineerd gebruik toegestaan is. Bovendien heeft verdachte ook nog eens zijn mobiele telefoon meerdere keren vastgehouden tijdens deze rit.



Daarmee heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden.


c. opzet
Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.


In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2018/19, 35086, 3, p. 12) bij artikel 5a WVW 1994 is opgenomen dat een aantal gedragingen – waaronder overschrijding van de maximumsnelheid en het vasthouden van een mobiele telefoon – niet anders dan opzettelijk kunnen worden gepleegd.



De rechtbank is van oordeel dat de wil van verdachte gelet op de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op het langdurig en in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid en het meerdere keren vasthouden van een mobiele telefoon. Het procesdossier bevat verder geen aanwijzingen voor het tegendeel. Het ging hier telkens om bewuste acties die niet anders dan opzettelijk kunnen zijn verricht. Verdachte heeft daarmee zowel opzet gehad op het schenden van de verkeersregels, als op de ernstige mate van schending daarvan.


d. gevaar te duchtenOm vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.


De rechtbank is van oordeel dat het voorzienbaar is dat er zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan of mensen zelfs kunnen overlijden wanneer iemand, die onder invloed is van veel te veel alcohol en cocaïne, gedurende een traject van 20 kilometer regelmatig veel te hard rijdt, waarbij de snelheidsoverschrijdingen variëren van ongeveer 20 kilometer per uur te hard tot meer dan het dubbele van wat ter plaatse is toegestaan, waaronder in de buurt van een schoolzone waar 30 kilometer per uur was toegestaan. Zeker als hij ook nog eens meerdere keren zijn mobiele telefoon vasthoudt en gebruikt.



De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.




Conclusie

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere in artikel 5a WVW 1994 genoemde gedragingen, namelijk overschrijding van de maximumsnelheid en het gebruiken van zijn mobiele telefoon tijdens het rijden. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte reed onder invloed van vier keer zo veel alcohol en drie keer zoveel cocaïne als is toegestaan bij gecombineerd gebruik. Omdat ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW 1994 is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW 1994.




De kwalificatie van het letsel van [slachtoffer]

Door het ongeval heeft [slachtoffer] een gebroken nekwervel opgelopen, waarvoor hij zeven weken een nekbrace heeft gekregen. [slachtoffer] had ongeveer drie tot vier maanden last van zijn nek en kon niet werken.



De rechtbank is van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.




Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.



Ook acht de rechtbank het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen.




Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.



Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 126-127;
- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 136 en
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 augustus 2026.




3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


1. primairhij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Diepenheimseweg en/of op meerdere andere wegen in Nederland, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- telkens (gedurende een traject van ongeveer 20 kilometer) heeft gereden met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheden, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of

- (kort voor de aanrijding) heeft gereden met een snelheid van 128 km/uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem geldende maximumsnelheid van 80 km/uur en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- het door hem bestuurde voertuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of onder controle heeft gehouden, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig in een slip geraakt en/of werd de stabiliteit van het door hem bestuurde voertuig (ernstig) verstoord en/of was de besturing alsmede de beremming van de wielen (op de normale wijze) niet meer mogelijk en/of

- (vervolgens) aan de linkerzijde van de weg in de berm is geraakt/gereden en/of tot stilstand is gekomen in een droge sloot,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;





2primairhij op of omstreeks2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen)als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, hetgehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol, 31 mg/l cocaïne en/of0,80 mg/ml ethanol/alcohol bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;


3.hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Neede, gemeente Berkelland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Diepenheimseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.



Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:



eendaadse samenloop van




feit 1 primair:


overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet




en




feit 2 primair:


overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994




en




feit 3:


overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.






5De strafbaarheid van de feiten


De feiten zijn strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.





7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feiten 1 primair, 2 primair en 4 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar.



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 3 zal worden veroordeeld tot 2 weken hechtenis.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.




De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag door tijdens een dollemansrit van ongeveer twintig kilometer veel harder te rijden dan ter plaatse was toegestaan, waaronder 79 kilometer per uur in een schoolzone, 128 kilometer per uur vlak voor de plaats van het ongeval en op enig moment een snelheid van 152 kilometer per uur waar 80 kilometer per uur was toegestaan. Verdachte heeft tijdens deze rit meerdere keren zijn mobiele telefoon vastgehouden en daar op enig moment zelfs een filmpje mee gemaakt. Verdachte was onder invloed van vier keer zo veel alcohol en drie keer zo veel cocaïne als toegestaan bij gecombineerd gebruik. Verdachte heeft bovendien geen rijbewijs en heeft dat ook nooit gehad. Uiteindelijk is de auto van verdachte in een slip geraakt en in een droge sloot tot stilstand gekomen.



Verdachte heeft meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan. Daarmee heeft hij niet alleen zichzelf en de overige weggebruikers in gevaar gebracht, maar ook de personen die bij hem in de auto zaten. Verdachte lijkt zich hier geen enkele rekenschap van te hebben gegeven, sterker nog, hij leek het te zien als de eigen keuze, en daarmee dus ook de eigen verantwoordelijkheid, van zijn passagiers.



Verdachte heeft met zijn handelen letsel toegebracht aan het slachtoffer, dat hierdoor meerdere maanden niet kon werken. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Dat de gevolgen niet ernstiger zijn, is enkel aan geluk te danken.




De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte d.d. 24 juli 2026 blijkt dat hij voorafgaand aan dit feit meerdere keren is veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs. Verdachte heeft hier kennelijk weinig van geleerd, want het heeft hem er op 2 maart 2025 niet van weerhouden om opnieuw in de auto te stappen, met alle gevolgen van dien. Maar zelfs het veroorzaken van een ongeval lijkt weinig indruk op verdachte te hebben gemaakt, want hij is daarna nog twee keer achter het stuur betrapt en veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Sterker nog, een maand na het ongeval heeft de politie verdachte alweer achter het stuur aangetroffen. Blijkbaar is verdachte ontzettend hardleers als het hierop aankomt. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Verder stelt de rechtbank vast dat artikel 63 Sr van toepassing is.



Het Leger des Heils heeft op 30 juni 2026 een reclasseringsadvies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering legt verdachte een deel van de verantwoordelijkheid bij de slachtoffers.



Als beschermende factoren noemt de reclassering dat verdachte huisvesting en dagbesteding heeft bij Humanitas. Hij heeft goed contact met zijn begeleiders. Er is een indicatie afgegeven voor beschermd wonen en er is een bijstandsuitkering aangevraagd. Verdachte wordt ondersteund door zijn moeder.



De reclassering ziet problemen ten aanzien van het middelengebruik, het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. Deze zijn tevens delictgerelateerd. Verdachte zou zelfstandig zijn gestopt met het gebruiken van drugs. De reclassering vindt het belangrijk dat zijn middelengebruik wordt gemonitord en dat een behandeling gericht op terugvalpreventie kan worden ingezet als de reclassering dit nodig vindt. Verdachte kan impulsief handelen en zich negatief laten beïnvloeden. Mogelijk was hiervan sprake tijdens onderhavige verdenking. De reclassering vindt dat behandeling daarvoor van meerwaarde kan zijn, evenals het aanleren van juiste copingsvaardigheden.



De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld.



De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen.



De reclassering adviseert verder om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:



meldplicht bij de reclassering;


(diagnostiek en) ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende opname;


verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;


beheersing van het middelengebruik.




Volgens de reclassering doorkruist een detentie de reeds ingezette hulpverlening.




De beslissing

De rechtbank past, overeenkomstig het advies van de reclassering, het volwassenenstrafrecht toe.



Gelet op de ernst van de feiten is in principe enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank zal een deel van deze gevangenisstraf echter in voorwaardelijke vorm opleggen, omdat zij het van belang vindt dat de ingezette hulpverlening wordt voortgezet. De rechtbank vindt het, ondanks het advies van de reclassering, te ver gaan om helemaal geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat de feiten zo ernstig zijn en verdachte in de fout blijft gaan als het aankomt op rijden zonder rijbewijs.



De rechtbank veroordeelt verdachte wegens feiten 1 primair en 2 primair tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar.



Dit is een hogere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist, maar de rechtbank legt een groot deel van deze straf in voorwaardelijke vorm op. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat zij verdachte van feit 4 vrij heeft gesproken.



De rechtbank veroordeelt verdachte wegens feit 3 tot 2 weken hechtenis.





8De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 55, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 8, 107, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;





9De beslissing


De rechtbank:



 spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;



 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;


 veroordeelt verdachte wegens feiten 1 primair en 2 primair tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;



bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:


stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;



 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

- verdachte zich gedurende de proeftijd laat onderzoeken en behandelen door Justact, Transfore en/of Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek zoals deze uit onderzoek blijkt. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.


Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;


- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Humanitas of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;


geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.



Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:



meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;


meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;



 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feiten 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren;

 veroordeelt verdachte wegens feit 3 tot twee weken hechtenis.









Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en
mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2026.














































Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025096049, gesloten op 22 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 23.


Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 170.


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 63; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 67 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 74.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 28.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 48 en proces-verbaal Aanrijding misdrijf, p. 13.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 101 en 105-106.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 107.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 108.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 110.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 112-114.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 115-116.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 118.


Proces-verbaal FO Verkeer, p. 120.


Proces-verbaal, p. 124.


Rapport, opgemaakt door dr. [arts] van het Maasstad ziekenhuis, p. 145.


Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 68 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1 (aanvullend).


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 74-75.


Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 170-171 en 173.


Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 augustus 2026.