Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6441
2026-08-18
Bestuursrecht
ARN 25/4265
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De indicatieperiode is verstreken, waardoor een inhoudelijk oordeel eisers rechtspositie niet meer kan wijzigen. Ook is niet gesteld of gebleken dat eiser door de Wmo-indicatie in plaats van een indicatie op grond van de (verlengde) Jeugdwet financieel of ander concreet nadeel of schade heeft geleden. Ook het beroep tegen de aan de indicatie verbonden voorwaarden is niet-ontvankelijk, nu vast is gesteld dat de indicatie niet is ingetrokken of gewijzigd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel leidt evenmin tot procesbelang. Zelfs indien het college een toezegging moet nakomen, is niet gesteld of gebleken dat eiser schade heeft geleden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2017:1190 Centrale Raad van Beroep 29-03-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.238 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: ARN 25/4265
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
en
het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2] )
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college waarin aan eiser een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) is toegekend, in de vorm van een individuele begeleiding (vier uur per week), begeleiding groep (twaalf uur per week) en vervoer naar Spirare, voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. Aan deze toekenning heeft het college een drietal voorwaarden verbonden. Het beroep van eiser gaat over de aan deze tijdelijke maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden en de beslissing van het college dat deze tijdelijke maatwerkvoorziening is gebaseerd op de Wmo 2015. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit procesbelang ontbreekt. Daarom komt zij niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden en verklaart zij het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 21 februari 2025 heeft het college de aanvraag van eiser om de maatwerkvoorziening individuele begeleiding en groepsbegeleiding bij Spirare in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Met het besluit van 22 juli 2025 heeft het college de aanvraag van eiser om ondersteuning op grond van de verlengde Jeugdwet (Jw) afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 12 augustus 2025 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de onafhankelijke commissie voor bezwaarschriften, het primaire besluit heroverwogen en besloten om aan eiser tijdelijk een maatwerkvoorziening in de vorm van individuele begeleiding (vier uur per week), begeleiding groep (twaalf uur per week) en vervoer naar Spirare, voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026 (te beoordelen periode) toe te kennen. Aan deze toekenning is een drietal voorwaarden verbonden, namelijk: - het uitvoeren van een psychologisch onderzoek;
- het doen van een aanvraag op grond van de Wet langdurige zorg; - en het uitvoeren van een medisch onderzoek.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het college de aan eiser bij het bestreden besluit toegekende maatwerkvoorzieningen met het besluit van 19 februari 2026 verlengd tot en met 16 juli 2026. De indicatie van eiser is gedurende de gehele periode in stand gebleven.
2.5.
In het kader van het vooronderzoek heeft de rechtbank partijen met de brief van 23 april 2026 om een nadere toelichting gevraagd. Eiser heeft hierop met de brief van 24 januari 2026 gereageerd en daarbij aanvullende stukken overgelegd. Daarna heeft het college bij brief van 29 mei 2026 gereageerd en eveneens aanvullende stukken overgelegd.
2.6.
Eiser heeft vervolgens bij brief van 10 juli 2026 opnieuw nadere stukken overgelegd. Het college heeft daarna met de brief van 15 juli 2026 een beslissing op bezwaar met diezelfde datum toegezonden. In de begeleidende brief heeft het college deze beslissing aangeduid als een ‘definitieve beslissing op bezwaar’. Vlak voor de zitting heeft het college bij brief van 20 juli 2026 een gewijzigde ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 15 juli 2026 toegezonden.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De omvang van het geding
3. Alvorens het beroep te beoordelen zal de rechtbank eerst de omvang van het geding afbakenen. Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 12 augustus 2025. Dit besluit ziet op de toekenning van een maatwerkvoorziening voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. Zoals volgt uit het procesverloop, heeft het college tijdens de beroepsprocedure meerdere besluiten genomen, te weten de beslissing van 19 februari 2026 en de ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 15 juli 2026, zoals gewijzigd bij de ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 20 juli 2026. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 15 juli 2026, zoals gewijzigd bij besluit van 20 juli 2026 – anders dan het college heeft betoogd – niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van die bepaling heeft een beroep mede betrekking op een besluit dat tijdens de beroepsprocedure wordt genomen en dat het bestreden besluit wijzigt of vervangt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt, ziet op de toegekende maatwerkvoorziening voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. De besluiten van 15 juli 2026 en 20 juli 2026 hebben betrekking op een nieuwe indicatieperiode, namelijk van 16 juli 2026 tot en met 16 oktober 2027. Het bevat daarom een nieuwe inhoudelijke beoordeling en niet een wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Dit betekent dat dit besluit moet worden aangemerkt als een primair besluit en dus geen onderdeel uitmaakt van deze procedure. Het aan dit besluit ten grondslag liggende (medisch) onderzoek wordt door de rechtbank dan ook evenmin beoordeeld. Voor zover eiser tegen dat onderzoek en de daarop gevolgde besluitvorming bezwaren heeft dient hij die ingevolge artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb eerst bij het college naar voren te brengen.
3.2.
De rechtbank zal zich in deze procedure evenmin uitspreken over het besluit van 19 februari 2026, omdat ook dit besluit ziet op toegekende indicaties voor een andere periode dan die in geding aan de orde is. Bovendien heeft eiser tegen dit besluit ook geen bezwaar gemaakt.
3.3.
Voorgaande maakt dat aan de rechtbank in dit geding alleen voorligt de door het college toegekende indicatie op grond van de Wmo voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026, waaraan de hiervoor genoemde drie voorwaarden zijn verbonden.
Relevante feiten
4. Eiser, geboren op [geboortedatum] 2006, is een hoogbegaafde en hoogsensitieve jonge man. Uit de dossierstukken blijkt dat bij eiser sprake lijkt te zijn van een pervasieve drang naar autonomie, een Jekyll en Hyde-persoonlijkheid, een angststoornis en stemmingswisselingen. Voorts blijkt uit het dossier dat eiser een moeizame schoolcarrière heeft gehad en is hij vanuit 3 gymnasium vrijgesteld van de leerplicht.
4.1.
Sinds 2000 werd eiser, voor zover hier van belang, drie uur per week begeleid door een psycholoog, werkzaam bij YouDid, die is gespecialiseerd in de behandeling van kinderen met een hoogbegaafdheid- en hoogsensitief profiel. Sinds december 2022 ontving hij tweemaal per week individuele begeleiding en begeleiding groep bij Spirare. In verband daarmee vergoedde het college ook het taxivervoer naar Spirare. De hiervoor genoemde indicaties werden toegekend op grond van de Jw.
4.2.
Met het besluit van 13 mei 2024 heeft het college de aan eiser op grond van de Jw verleende jeugdhulp in de vorm van een pgb verlengd tot 2 december 2024, namelijk tot zijn achttiende verjaardag. Op 3 december 2024 heeft eiser een aanvraag op grond van de Wmo ingediend voor voortzetting van de begeleiding bij psycholoog (drie uur per week), de individuele begeleiding (drie uur) en begeleiding groep bij Spirare (drie dagdelen). Hierna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder het procesverloop.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert - kort samengevat - aan dat het college ten onrechte aan de toegekende tijdelijke maatwerkvoorziening voorwaarden heeft verbonden, zonder de noodzaak daarvan deugdelijk te motiveren. Eiser voert verder aan dat het college de maatwerkvoorziening ten onrechte heeft verleend op grond van de Wmo 2015 en niet op grond van de (verlengde) Jw. Op grond van de Jw wordt namelijk een hoger tarief pgb voor Spirare toegekend, dan op grond van de Wmo 2015, aldus eiser. Volgens eiser zijn in het bestreden besluit structureel lagere tarieven toegekend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Dat leidt volgens eiser ertoe dat de continuïteit van de begeleiding onder druk staat. Het college had dan ook met toepassing van de hardheidsclausule op grond van de Verordening moeten afwijken van de reguliere tarieven en maatwerk moeten bieden. Tot slot doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat aan hem is toegezegd dat de begeleiding bij Spirare vooralsnog voor twee maanden na zijn achttiende verjaardag zou worden verlengd ten behoeve van nader onderzoek.
Procesbelang
6. De rechtbank stelt voorop dat zij een beroep alleen mag behandelen als de indiener van het beroep daar een belang (procesbelang) bij heeft. Naar vaste rechtspraak is voor het aannemen van procesbelang vereist dat het resultaat dat de indiener van het beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren daarvan voor de betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit en overweegt daartoe als volgt.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit, dat in dit geding ter beoordeling voorligt, ziet op een maatwerkvoorziening voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. Deze indicatieperiode is inmiddels verstreken. Nu deze indicatieperiode is verstreken, kan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit de rechtspositie van eiser niet meer wijzigen; simpel gezegd, ook al zou de rechtbank beslissen dat eiser aanspraak maakt op een andere maatwerkvoorziening dan kan eiser die maatwerkvoorziening niet meer met terugwerkende kracht ontvangen. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser schade heeft geleden, zodat ook daarin geen procesbelang ligt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser, desgevraagd op de zitting heeft verklaard dat hij in de periode van 3 december 2024 tot 18 augustus 2025, waarin hij geen individuele begeleiding en begeleiding groep van Spirare heeft gehad, geen extra kosten heeft gemaakt, bijvoorbeeld door de benodigde begeleiding of een andere vorm van hulp en ondersteuning zelf te bekostigen. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat eiser schade heeft geleden.
6.3.
Voor wat betreft het geschil tussen partijen over de vraag of de indicatie had moeten worden verleend op grond van de (verlengde) Jw in plaats van op grond van de Wmo 2015 overweegt de rechtbank allereerst dat het college hierover een afzonderlijk besluit heeft genomen. Hierin is gemotiveerd waarom eiser na zijn achttiende verjaardag niet meer in aanmerking komt voor jeugdhulp op grond van de Jw. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
6.4.
Tijdens de zitting heeft eiser aanvullend verklaard dat de individuele begeleiding door de psycholoog voor hem een reden was om aanspraak te willen blijven maken op (verlengde) jeugdhulp. De betreffende psycholoog beschikt niet over een BIG-registratie, waardoor de door haar verleende zorg niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt vergoed. Binnen de aan hem verleende indicatie op grond van de Jw is deze zorg wel vergoed tegen het daarvoor geldende tarief. Hoewel deze zorg bij het bestreden besluit niet als zodanig op grond van de Wmo 2015 is toegekend, heeft eiser tijdens de zitting verklaard dat de begeleiding door de psycholoog na zijn achttiende verjaardag feitelijk is voortgezet en dat de kosten daarvan door het college zijn betaald. Niet is gebleken dat eiser in dit verband zelf kosten heeft moeten dragen of dat de psycholoog hem hiervoor alsnog kosten in rekening zal brengen. Gelet hierop is niet gebleken dat het bestreden besluit waarbij aan eiser zorg is verleend op grond van de Wmo 2015 in plaats van op grond van de (verlengde) Jw voor eiser daadwerkelijk tot financieel of ander concreet nadeel heeft geleid. Een inhoudelijk oordeel over de vraag of eiser aanspraak had moeten krijgen op (verlengde) jeugdhulp kan hem daarom ook op dit punt niet in een gunstiger positie brengen. Eiser heeft in zoverre geen procesbelang bij een beoordeling van deze beroepsgrond. Dit geldt eveneens voor eisers beroepsgrond dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, voor zover eiser dit beroep heeft onderbouwd met een verwijzing naar de hiervoor genoemde verschillen tussen de Jw en de Wmo 2015. Nu niet is gebleken dat deze verschillen voor eiser daadwerkelijk tot financieel of ander concreet nadeel hebben geleid, heeft eiser ook bij de beoordeling van deze beroepsgrond in zoverre geen procesbelang. Dit oordeel geldt ook ten aanzien van eisers beroepsgrond dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, omdat eiser dat beroep eveneens heeft onderbouwd met een verwijzing naar de verschillende tarieven onder de Jw en de Wmo 2015.
6.5.
Verder heeft eiser de door het college aan de indicatie verbonden voorwaarden bestreden. Voorop staat dat het college de voorwaarde, dat eiser een aanvraag moet indienen op grond van de Wet langdurige zorg, heeft laten vallen. Eiser is het al dan niet houden aan deze voorwaarde niet meer tegengeworpen. Voor eiser blijft dan staan de voorwaarden dat hij moet meewerken aan een psychologisch en/of medisch onderzoek. Desgevraagd heeft het college tijdens de zitting verklaard dat wanneer een betrokkene niet aan – door het college noodzakelijk geachte – onderzoeken meewerkt, dit gevolgen kan hebben voor een verleende indicatie. Vast staat dat de bij het bestreden besluit verleende indicatie niet is ingetrokken of gewijzigd. Bovendien is de indicatieperiode inmiddels verstreken. Het al dan niet meewerken aan deze voorwaarden zou dan alleen gevolgen kunnen hebben voor de (gewijzigde) ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 20 juli 2026. Eiser kan zich in die procedure hierover dan beklagen. Overigens is het de rechtbank gebleken dat aan die (gewijzigde) ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 20 juli 2026 diverse onderzoeken ten grondslag liggen en dat eiser daar ook gewoon zijn medewerking aan heeft verleend.
6.6.
Tot slot kan ook het beroep op het vertrouwensbeginsel niet leiden tot het oordeel dat eiser procesbelang heeft. Eiser heeft tijdens de zitting een e-mail van 3 december 2024 voorgelezen, waarin een Wmo-consulent van de gemeente aan hem heeft toegezegd dat de begeleiding bij Spirare voor twee maanden zal worden verlengd. Zelfs indien wordt aangenomen dat het college deze toezegging moet nakomen, kan dit niet meer tot een voor eiser relevant resultaat leiden, omdat de toegezegde periode van twee maanden na 3 december 2024 is verstreken en – zoals hiervoor in punt 6.4 al is overwogen – niet gesteld noch gebleken is dat eiser schade heeft geleden.
6.7.
De rechtbank begrijpt dat de gang van zaken voor eiser belastend is geweest. Uit de dossierstukken en hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, blijkt dat de onduidelijkheid rondom de (voortzetting) van de maatwerkvoorziening hem veel onzekerheid heeft bezorgd en hem veel tijd en energie heeft gekost. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank alleen een inhoudelijk oordeel kan geven als sprake is van een actueel procesbelang. Nu dat ontbreekt, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling niet toekomt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In verschillende gedingstukken ook aangeduid als dagbesteding.
Aan deze afwijzing heeft het college artikel 12, aanhef en onder c van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe (Verordening) ten grondslag gelegd.
Voor zover eiser deze procedure wegens een spoedeisend belang niet kan afwachten, kan hij de voorzieningenrechter hangende de bezwaarprocedure om een voorlopige voorziening vragen. Dit heeft de rechtbank op de zitting ook met partijen besproken.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1190
Bestuursrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: ARN 25/4265
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
en
het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2] )
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college waarin aan eiser een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) is toegekend, in de vorm van een individuele begeleiding (vier uur per week), begeleiding groep (twaalf uur per week) en vervoer naar Spirare, voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. Aan deze toekenning heeft het college een drietal voorwaarden verbonden. Het beroep van eiser gaat over de aan deze tijdelijke maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden en de beslissing van het college dat deze tijdelijke maatwerkvoorziening is gebaseerd op de Wmo 2015. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit procesbelang ontbreekt. Daarom komt zij niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden en verklaart zij het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 21 februari 2025 heeft het college de aanvraag van eiser om de maatwerkvoorziening individuele begeleiding en groepsbegeleiding bij Spirare in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Met het besluit van 22 juli 2025 heeft het college de aanvraag van eiser om ondersteuning op grond van de verlengde Jeugdwet (Jw) afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 12 augustus 2025 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de onafhankelijke commissie voor bezwaarschriften, het primaire besluit heroverwogen en besloten om aan eiser tijdelijk een maatwerkvoorziening in de vorm van individuele begeleiding (vier uur per week), begeleiding groep (twaalf uur per week) en vervoer naar Spirare, voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026 (te beoordelen periode) toe te kennen. Aan deze toekenning is een drietal voorwaarden verbonden, namelijk: - het uitvoeren van een psychologisch onderzoek;
- het doen van een aanvraag op grond van de Wet langdurige zorg; - en het uitvoeren van een medisch onderzoek.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het college de aan eiser bij het bestreden besluit toegekende maatwerkvoorzieningen met het besluit van 19 februari 2026 verlengd tot en met 16 juli 2026. De indicatie van eiser is gedurende de gehele periode in stand gebleven.
2.5.
In het kader van het vooronderzoek heeft de rechtbank partijen met de brief van 23 april 2026 om een nadere toelichting gevraagd. Eiser heeft hierop met de brief van 24 januari 2026 gereageerd en daarbij aanvullende stukken overgelegd. Daarna heeft het college bij brief van 29 mei 2026 gereageerd en eveneens aanvullende stukken overgelegd.
2.6.
Eiser heeft vervolgens bij brief van 10 juli 2026 opnieuw nadere stukken overgelegd. Het college heeft daarna met de brief van 15 juli 2026 een beslissing op bezwaar met diezelfde datum toegezonden. In de begeleidende brief heeft het college deze beslissing aangeduid als een ‘definitieve beslissing op bezwaar’. Vlak voor de zitting heeft het college bij brief van 20 juli 2026 een gewijzigde ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 15 juli 2026 toegezonden.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De omvang van het geding
3. Alvorens het beroep te beoordelen zal de rechtbank eerst de omvang van het geding afbakenen. Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 12 augustus 2025. Dit besluit ziet op de toekenning van een maatwerkvoorziening voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. Zoals volgt uit het procesverloop, heeft het college tijdens de beroepsprocedure meerdere besluiten genomen, te weten de beslissing van 19 februari 2026 en de ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 15 juli 2026, zoals gewijzigd bij de ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 20 juli 2026. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 15 juli 2026, zoals gewijzigd bij besluit van 20 juli 2026 – anders dan het college heeft betoogd – niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van die bepaling heeft een beroep mede betrekking op een besluit dat tijdens de beroepsprocedure wordt genomen en dat het bestreden besluit wijzigt of vervangt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt, ziet op de toegekende maatwerkvoorziening voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. De besluiten van 15 juli 2026 en 20 juli 2026 hebben betrekking op een nieuwe indicatieperiode, namelijk van 16 juli 2026 tot en met 16 oktober 2027. Het bevat daarom een nieuwe inhoudelijke beoordeling en niet een wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Dit betekent dat dit besluit moet worden aangemerkt als een primair besluit en dus geen onderdeel uitmaakt van deze procedure. Het aan dit besluit ten grondslag liggende (medisch) onderzoek wordt door de rechtbank dan ook evenmin beoordeeld. Voor zover eiser tegen dat onderzoek en de daarop gevolgde besluitvorming bezwaren heeft dient hij die ingevolge artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb eerst bij het college naar voren te brengen.
3.2.
De rechtbank zal zich in deze procedure evenmin uitspreken over het besluit van 19 februari 2026, omdat ook dit besluit ziet op toegekende indicaties voor een andere periode dan die in geding aan de orde is. Bovendien heeft eiser tegen dit besluit ook geen bezwaar gemaakt.
3.3.
Voorgaande maakt dat aan de rechtbank in dit geding alleen voorligt de door het college toegekende indicatie op grond van de Wmo voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026, waaraan de hiervoor genoemde drie voorwaarden zijn verbonden.
Relevante feiten
4. Eiser, geboren op [geboortedatum] 2006, is een hoogbegaafde en hoogsensitieve jonge man. Uit de dossierstukken blijkt dat bij eiser sprake lijkt te zijn van een pervasieve drang naar autonomie, een Jekyll en Hyde-persoonlijkheid, een angststoornis en stemmingswisselingen. Voorts blijkt uit het dossier dat eiser een moeizame schoolcarrière heeft gehad en is hij vanuit 3 gymnasium vrijgesteld van de leerplicht.
4.1.
Sinds 2000 werd eiser, voor zover hier van belang, drie uur per week begeleid door een psycholoog, werkzaam bij YouDid, die is gespecialiseerd in de behandeling van kinderen met een hoogbegaafdheid- en hoogsensitief profiel. Sinds december 2022 ontving hij tweemaal per week individuele begeleiding en begeleiding groep bij Spirare. In verband daarmee vergoedde het college ook het taxivervoer naar Spirare. De hiervoor genoemde indicaties werden toegekend op grond van de Jw.
4.2.
Met het besluit van 13 mei 2024 heeft het college de aan eiser op grond van de Jw verleende jeugdhulp in de vorm van een pgb verlengd tot 2 december 2024, namelijk tot zijn achttiende verjaardag. Op 3 december 2024 heeft eiser een aanvraag op grond van de Wmo ingediend voor voortzetting van de begeleiding bij psycholoog (drie uur per week), de individuele begeleiding (drie uur) en begeleiding groep bij Spirare (drie dagdelen). Hierna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder het procesverloop.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert - kort samengevat - aan dat het college ten onrechte aan de toegekende tijdelijke maatwerkvoorziening voorwaarden heeft verbonden, zonder de noodzaak daarvan deugdelijk te motiveren. Eiser voert verder aan dat het college de maatwerkvoorziening ten onrechte heeft verleend op grond van de Wmo 2015 en niet op grond van de (verlengde) Jw. Op grond van de Jw wordt namelijk een hoger tarief pgb voor Spirare toegekend, dan op grond van de Wmo 2015, aldus eiser. Volgens eiser zijn in het bestreden besluit structureel lagere tarieven toegekend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Dat leidt volgens eiser ertoe dat de continuïteit van de begeleiding onder druk staat. Het college had dan ook met toepassing van de hardheidsclausule op grond van de Verordening moeten afwijken van de reguliere tarieven en maatwerk moeten bieden. Tot slot doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat aan hem is toegezegd dat de begeleiding bij Spirare vooralsnog voor twee maanden na zijn achttiende verjaardag zou worden verlengd ten behoeve van nader onderzoek.
Procesbelang
6. De rechtbank stelt voorop dat zij een beroep alleen mag behandelen als de indiener van het beroep daar een belang (procesbelang) bij heeft. Naar vaste rechtspraak is voor het aannemen van procesbelang vereist dat het resultaat dat de indiener van het beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren daarvan voor de betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit en overweegt daartoe als volgt.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit, dat in dit geding ter beoordeling voorligt, ziet op een maatwerkvoorziening voor de periode van 18 augustus 2025 tot en met 17 februari 2026. Deze indicatieperiode is inmiddels verstreken. Nu deze indicatieperiode is verstreken, kan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit de rechtspositie van eiser niet meer wijzigen; simpel gezegd, ook al zou de rechtbank beslissen dat eiser aanspraak maakt op een andere maatwerkvoorziening dan kan eiser die maatwerkvoorziening niet meer met terugwerkende kracht ontvangen. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser schade heeft geleden, zodat ook daarin geen procesbelang ligt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser, desgevraagd op de zitting heeft verklaard dat hij in de periode van 3 december 2024 tot 18 augustus 2025, waarin hij geen individuele begeleiding en begeleiding groep van Spirare heeft gehad, geen extra kosten heeft gemaakt, bijvoorbeeld door de benodigde begeleiding of een andere vorm van hulp en ondersteuning zelf te bekostigen. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat eiser schade heeft geleden.
6.3.
Voor wat betreft het geschil tussen partijen over de vraag of de indicatie had moeten worden verleend op grond van de (verlengde) Jw in plaats van op grond van de Wmo 2015 overweegt de rechtbank allereerst dat het college hierover een afzonderlijk besluit heeft genomen. Hierin is gemotiveerd waarom eiser na zijn achttiende verjaardag niet meer in aanmerking komt voor jeugdhulp op grond van de Jw. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
6.4.
Tijdens de zitting heeft eiser aanvullend verklaard dat de individuele begeleiding door de psycholoog voor hem een reden was om aanspraak te willen blijven maken op (verlengde) jeugdhulp. De betreffende psycholoog beschikt niet over een BIG-registratie, waardoor de door haar verleende zorg niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt vergoed. Binnen de aan hem verleende indicatie op grond van de Jw is deze zorg wel vergoed tegen het daarvoor geldende tarief. Hoewel deze zorg bij het bestreden besluit niet als zodanig op grond van de Wmo 2015 is toegekend, heeft eiser tijdens de zitting verklaard dat de begeleiding door de psycholoog na zijn achttiende verjaardag feitelijk is voortgezet en dat de kosten daarvan door het college zijn betaald. Niet is gebleken dat eiser in dit verband zelf kosten heeft moeten dragen of dat de psycholoog hem hiervoor alsnog kosten in rekening zal brengen. Gelet hierop is niet gebleken dat het bestreden besluit waarbij aan eiser zorg is verleend op grond van de Wmo 2015 in plaats van op grond van de (verlengde) Jw voor eiser daadwerkelijk tot financieel of ander concreet nadeel heeft geleid. Een inhoudelijk oordeel over de vraag of eiser aanspraak had moeten krijgen op (verlengde) jeugdhulp kan hem daarom ook op dit punt niet in een gunstiger positie brengen. Eiser heeft in zoverre geen procesbelang bij een beoordeling van deze beroepsgrond. Dit geldt eveneens voor eisers beroepsgrond dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, voor zover eiser dit beroep heeft onderbouwd met een verwijzing naar de hiervoor genoemde verschillen tussen de Jw en de Wmo 2015. Nu niet is gebleken dat deze verschillen voor eiser daadwerkelijk tot financieel of ander concreet nadeel hebben geleid, heeft eiser ook bij de beoordeling van deze beroepsgrond in zoverre geen procesbelang. Dit oordeel geldt ook ten aanzien van eisers beroepsgrond dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, omdat eiser dat beroep eveneens heeft onderbouwd met een verwijzing naar de verschillende tarieven onder de Jw en de Wmo 2015.
6.5.
Verder heeft eiser de door het college aan de indicatie verbonden voorwaarden bestreden. Voorop staat dat het college de voorwaarde, dat eiser een aanvraag moet indienen op grond van de Wet langdurige zorg, heeft laten vallen. Eiser is het al dan niet houden aan deze voorwaarde niet meer tegengeworpen. Voor eiser blijft dan staan de voorwaarden dat hij moet meewerken aan een psychologisch en/of medisch onderzoek. Desgevraagd heeft het college tijdens de zitting verklaard dat wanneer een betrokkene niet aan – door het college noodzakelijk geachte – onderzoeken meewerkt, dit gevolgen kan hebben voor een verleende indicatie. Vast staat dat de bij het bestreden besluit verleende indicatie niet is ingetrokken of gewijzigd. Bovendien is de indicatieperiode inmiddels verstreken. Het al dan niet meewerken aan deze voorwaarden zou dan alleen gevolgen kunnen hebben voor de (gewijzigde) ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 20 juli 2026. Eiser kan zich in die procedure hierover dan beklagen. Overigens is het de rechtbank gebleken dat aan die (gewijzigde) ‘definitieve beslissing op bezwaar’ van 20 juli 2026 diverse onderzoeken ten grondslag liggen en dat eiser daar ook gewoon zijn medewerking aan heeft verleend.
6.6.
Tot slot kan ook het beroep op het vertrouwensbeginsel niet leiden tot het oordeel dat eiser procesbelang heeft. Eiser heeft tijdens de zitting een e-mail van 3 december 2024 voorgelezen, waarin een Wmo-consulent van de gemeente aan hem heeft toegezegd dat de begeleiding bij Spirare voor twee maanden zal worden verlengd. Zelfs indien wordt aangenomen dat het college deze toezegging moet nakomen, kan dit niet meer tot een voor eiser relevant resultaat leiden, omdat de toegezegde periode van twee maanden na 3 december 2024 is verstreken en – zoals hiervoor in punt 6.4 al is overwogen – niet gesteld noch gebleken is dat eiser schade heeft geleden.
6.7.
De rechtbank begrijpt dat de gang van zaken voor eiser belastend is geweest. Uit de dossierstukken en hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, blijkt dat de onduidelijkheid rondom de (voortzetting) van de maatwerkvoorziening hem veel onzekerheid heeft bezorgd en hem veel tijd en energie heeft gekost. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank alleen een inhoudelijk oordeel kan geven als sprake is van een actueel procesbelang. Nu dat ontbreekt, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling niet toekomt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In verschillende gedingstukken ook aangeduid als dagbesteding.
Aan deze afwijzing heeft het college artikel 12, aanhef en onder c van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe (Verordening) ten grondslag gelegd.
Voor zover eiser deze procedure wegens een spoedeisend belang niet kan afwachten, kan hij de voorzieningenrechter hangende de bezwaarprocedure om een voorlopige voorziening vragen. Dit heeft de rechtbank op de zitting ook met partijen besproken.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1190