Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6430

2026-08-14 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 24_2462
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 24_2462
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1680; V-N Vandaag 2026/1720

Inhoudsindicatie

BPM. Belanghebbende maakt hogere historische nieuwprijs in verband met hogere CO2-uitstoot aannemelijk. De inspecteur maakt hogere handelsinkoopwaarde dan volgt uit het rapport van DRZ niet aannemelijk. Anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en ECLI:NL:GHARL:2024:3914) is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogend effect op de handelsinkoopwaarde zal hebben.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.062 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 24/2462



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 augustus 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,



en




de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.





Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 december 2023.



De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 10.487.



Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 51 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.



De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft op 24 juni 2026 een pleitnota in het geding gebracht.



De rechtbank heeft partijen voor een zitting op 26 juni 2026 uitgenodigd. De zitting is niet doorgegaan vanwege code rood door extreme hitte. De rechtbank heeft partijen nadien laten weten dat zij het niet nodig vond om de zaak op een zitting te behandelen, maar dat partijen voor 14 juli 2026 konden laten weten of zij hun standpunten wilden toelichten op een zitting. Geen van de partijen heeft laten weten dat zij van deze gelegenheid gebruik wilde maken, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten op 20 juli 2026.





Feiten

1. Belanghebbende heeft op 5 oktober 2022 aangifte BPM gedaan voor een BMW 2-serie cabrio (de auto) met een VIN eindigend op [nummer] . Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 101.287 en de handelsinkoopwaarde als volgt:








De bruto BPM heeft belanghebbende bepaald op € 45.252 (op basis van een CO2-uitstoot van 235 gr/km) en de verschuldigde BPM op € 1.853 (€ 4.149 / € 101.287 * € 45.252). Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van [naam 1] gevoegd met datum 27 september 2022.


2. De datum van eerste toelating van de auto is 20 februari 2018. Inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022. Het kenteken van de auto is [kenteken] .

3. Bij e-mailbericht van 12 oktober 2022 is belanghebbende uitgenodigd de auto te komen tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) voor een hertaxatie. De hertaxatie heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2022. DRZ heeft een bruto schadecalculatie gemaakt van € 3.030 en hiervan € 2.182 als waardeverminderend aangemerkt. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 18.062 (€ 20.244 minus € 2.182).

4. Bij brief van 2 maart 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving naheffingsaanslag gestuurd. De inspecteur heeft de verschuldigde BPM berekend op € 12.340 en de na te heffen BPM op € 10.487 (€ 12.340 minus € 1.853). Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 66.229 en een bruto BPM van € 45.252.

5. Bij brief van 24 maart 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een mededeling naheffingsaanslag toegezonden.

6. Met dagtekening 20 april 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd in overeenstemming met zijn kennisgeving en mededeling. Daarbij heeft de inspecteur € 51 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 21 april 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking.

7. Als bijlagen 13 en 14 bij het verweerschrift heeft de inspecteur e-mails van AutotelexPro en XRAY, beide van 15 oktober 2024, overgelegd waaruit volgt dat een correctie/waardevermindering vanwege ‘geen oordeel kilometerstand’ niet aan de orde dan wel discutabel is.

8. Als productie 2 bij het beroepschrift heeft belanghebbende een factuur van [naam 2] met factuurdatum 7 oktober 2022 en een bedrag van € 4.336,18 overgelegd. De factuur is op naam van [naam 3] gesteld met adres [adres] in [plaats] .

9. Als productie 4 bij het beroepschrift heeft belanghebbende een schermprint van de site van de ANWB Koerslijst overgelegd. Op de schermprint is het volgende vermeld:


“Waar moet ik op letten bij een import auto?



Deze auto is geïmporteerd. We zien in de praktijk dat geïmporteerde auto’s minder waard kunnen zijn, bijvoorbeeld door onduidelijkheid over de onderhouds- en schadehistorie en over de juistheid van de kilometerstand. Bij geïmporteerde auto’s staat bij de teller registratie NAP ook altijd en blijvend ‘geen oordeel’.



In deze waardebepaling is geen rekening gehouden met een mogelijke waarde-correctie vanwege import.
(…)”




Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:



Wat is de historische nieuwprijs?


Wat is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat?


Wat is de omvang van de schade?


Wat is het percentage waardevermindering als gevolg van de schade?


Is er reden voor een correctie wegens schadeverleden?


Is er reden voor een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand?




De rechtbank zal de vragen hierna behandelen.


11. De bruto BPM van € 45.252 is niet in geschil. Ook is niet in geschil dat de auto op het moment van hertaxatie door DRZ schade, anders dan normale gebruikssporen, had. Dat laatste betekent dat de taxatiemethode is toegestaan voor de berekening van de verschuldigde BPM.



Historische nieuwprijs


12. Belanghebbende bepleit een historische nieuwprijs van de auto van € 101.287. Die prijs is als volgt opgebouwd:


Historische nieuwprijs volgens Autotelex: € 63.476
Bruto BPM op basis van 138 gr/km (NEDC) € 7.441 -/-
€ 56.035
Bruto BPM op basis van 235 gr/km (NEDC) € 45.252 +/+
Historische nieuwprijs van de auto € 101.287


13. In zijn arrest van 22 december 2023 heeft de Hoge Raad bepaalt dat voor de Wet BPM de afschrijving/waardevermindering van een motorrijtuig wordt bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de som van de catalogusprijs van het te registreren motorrijtuig en het bedrag aan BPM dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen.

14. De rechtbank is van oordeel dat de historische nieuwprijs op € 101.287 vastgesteld dient te worden. Uit het hiervoor genoemde arrest volgt namelijk dat voor de bepaling van de bruto BPM als onderdeel van de historische nieuwprijs van de CO2-uitstoot van de te registreren auto in kwestie dient te worden uitgegaan, en dus niet van een lagere CO2-uitstoot van een Nederlands referentiemodel. Het gelijk wat betreft de historische nieuwprijs is dus aan belanghebbende.



Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat


15. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 20.471.

16. De inspecteur is van mening dat belanghebbende de bewijslast van de afschrijving c.q. waardedaling van de auto draagt. Belanghebbende moet tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur aannemelijk maken dat de hogere CO2-uitstoot van de auto (ten opzichte van het Nederlandse referentiemodel) niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde. Hierin is belanghebbende niet geslaagd, aldus de inspecteur.

17. De rechtbank stelt vast dat DRZ een onderzoek waardebepaling van de auto heeft verricht. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 20.244. De inspecteur heeft in beroep geen concrete hogere waarde genoemd, laat staan onderbouwd.

18. Naar het oordeel van de rechtbank bedraagt de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat € 20.244. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Weliswaar geldt in zijn algemeenheid dat belanghebbende de bewijslast van de afschrijving/waardedaling van de auto draagt, maar dat vindt haar grens in het rapport van DRZ. DRZ heeft namens de inspecteur een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 20.244 vastgesteld. Waarom daar in het nadeel van belanghebbende van moet worden afgeweken ziet de rechtbank, zonder overtuigende redenering van de zijde van inspecteur, die door hem niet is gegeven, niet in. Anders dan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld is het zeker niet zo “(…) dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. (…)” Een hogere CO2-uitstoot betekent primair een hoger brandstofverbruik en dat kan bezwaarlijk worden gezien als een waardeverhogend aspect van de auto. Het gelijk wat betreft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is dus aan belanghebbende.





Omvang schade en waardevermindering door schade


19. Belanghebbende is van mening dat de schadecalculatie € 9.222 beloopt en die schade, op € 400 na, waardeverminderend is. Dit betekent een percentage waardevermindering door schade van 95,66%. Hij wijst op de overgelegde factuur van schadeherstel (zie punt 8.) Verder wijst hij er op dat onduidelijk is waar de 72%-norm vandaan komt.

20. De inspecteur is van mening dat de bewijslast inzake waardevermindering door schade bij belanghebbende ligt. Dit geldt voor zowel de omvang van de schade als voor wat betreft de afwijking van de 72%-norm. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering meer dan € 2.182 bedraagt (72% van € 3.030 zijnde het door DRZ gecalculeerde schadebedrag, zie punt 3.).

21. In de bijlage, paragraaf 3.5, bij de Uitvoeringsregeling BPM is het volgende bepaald (tekst 2022):


“De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”


22. De bewijslast inzake waardevermindering door schade ligt op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad bij belanghebbende. Dit geldt ook voor de afwijking van de 72%-norm. Ook daarvan ligt de bewijslast bij belanghebbende. Die bewijslastverdeling is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU.

23. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade dan door DRZ vastgesteld, rekening moet worden gehouden. Aan de door belanghebbende overgelegde factuur [naam 2] (zie punt 8.) kent de rechtbank geen betekenis toe omdat die niet op naam van belanghebbende staat. Ook het adres als vermeld op de factuur wijkt af van het adres van belanghebbende. Verder geldt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gronden zijn om van de 72%-norm af te wijken. De auto is niet jong (de datum van eerste toelating van de auto is 20 februari 2018 en de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022) en ook niet exclusief. Waar de norm van 72% vandaan komt acht de rechtbank irrelevant. De norm heeft een wettelijke basis en dat volstaat. Het gelijk wat deze punten betreft is dus aan de inspecteur.



Waardevermindering wegens schadeverleden


24. Belanghebbende is van mening dat met een waardevermindering wegens schadeverleden van de auto van € 4.000 rekening moet worden gehouden.

25. De inspecteur is van mening dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest.

26. In zijn arrest van 2 februari 2024 heeft de Hoge Raad het volgende bepaald (r.o. 3.6.2.):


“Het op zich adequate wettelijke systeem laat onverlet dat de belastingplichtige in een concreet geval met succes een beroep kan doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet de belastingplichtige – zo volgt ook uit het arrest Mihai Manea – ter weerlegging van een naheffingsaanslag aannemelijk kunnen maken dat het geheven bedrag aan bpm hoger is dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet de belastingplichtige de werkelijke handelswaarde van de te registreren personenauto aantonen. Om dat te staven moet de belastingplichtige op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende.”


27. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat met enige waardevermindering wegens schadeverleden rekening dient te worden gehouden. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest.



Waardevermindering vanwege geen oordeel kilometerstand


28. Belanghebbende is van mening dat rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering van € 3.500 omdat de RDW geen oordeel over de kilometerstand van de auto heeft gegeven. Het ‘stigma’ ‘geen oordeel’ drukt de waarde, aldus belanghebbende onder verwijzing naar een bericht van de ANWB (zie punt 9.)

29. De inspecteur is van mening dat dat de bewijslast inzake de gestelde waardevermindering andermaal bij belanghebbende ligt. Daarin slaagt hij niet. De inspecteur wijst ter onderbouwing van zijn stelling op de e-mails van Xray en Autotelexpro (zie punt 7.)

30. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbend er tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand op haar plaats is, laat staan dat dit € 3.500 moet zijn. De verwijzing naar de site van de ANWB Koerslijst (zie punt 9.) maakt dit niet anders omdat niet de ANWB Koerslijst is gebruikt bij de taxatie van de auto, maar de XRAY Koerslijst. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.



Tussenconclusie


31. De tussenconclusie luidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto dient te worden bepaald op € 18.062, de historische nieuwprijs op € 101.287 en de verschuldigde BPM op
€ 8.069 (€ 18.062 / € 101.287 * € 45.252). Op aangifte is voldaan € 1.853. Dit betekent dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd naar € 6.216. (€ 8.069 minus € 1.853).



Belastingrente


32. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.



Vergoeding van immateriële schade


33. Belanghebbende heeft in de pleitnota een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade (IMSV) vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

34. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 21 april 2023 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 22 december 2023. De redelijke termijn is overschreden met zestien maanden, waardoor belanghebbende naar vaste rechtspraak aanspraak heeft op een vergoeding van (afgerond naar boven) € 1.500. Omdat de redelijke termijn is aangevangen op 21 april 2023 is de beperking van de IMSV op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen en bpm niet van toepassing.




Conclusie en gevolgen

35. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de naheffingsaanslag BPM verminderen naar € 6.216. De belastingrentebeschikking zal zij dienovereenkomstig verminderen.

36. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het bezwaar, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor van 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

37. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De griffier heeft geconstateerd dat abusievelijk het hoge tarief in rekening is gebracht in plaats van het midden tarief. De griffier zal het teveel betaalde (€ 365 minus € 184 is € 181) aan belanghebbende laten restitueren.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de naheffingsaanslag BPM tot een bedrag van € 6.216;


vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 187,50;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.312,50;




veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 14 augustus 2026.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





ECLI:NL:HR:2023:1703.


Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 (r.o. 4.4.) en 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:391 (r.o. 4.20.).


Zie onder meer Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.


Vergelijk Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, r.o. 3.2.


Vergelijk onder andere Hoge Raad, 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.


ECLI:NL:HR:2024:147.


Stb. 507.