Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6427

2026-08-12 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/05/452343
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/452343
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Hoofdzaak en vrijwaring, in de hoofdzaak is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, gerechtvaardigd vertrouwen. In de vrijwaring geen onrechtmatige daad en geen regres voor het hele bedrag dat op grond van de vaststellingsovereenkomst verschuldigd is.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.342 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Zutphen



Zaaknummer hoofdzaak: C/05/452343 / HZ ZA 25-144 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/05/459241 / HZ ZA 25-320




Vonnis van 12 augustus 2026




in de hoofdzaak van





1 [eiser 1] ,

te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisers in de hoofdzaak] ,
advocaat: mr. A. Wiltink,



tegen





[de gedaagde in de hoofdzaak]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde in de hoofdzaak] ,
advocaat: mr. J.W.M. Soentjens.



en



in de vrijwaringszaak van





[de gedaagde in de hoofdzaak]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de gedaagde in de hoofdzaak] ,
advocaat: mr. J.W.M. Soentjens,



tegen





[de gedaagde in de vrijwarinszaak]

,

te [woonplaats] ( [land] ),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde in de vrijwarinszaak] ,
advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid.







1De procedure in de hoofdzaak


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juli 2026.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De procedure in de vrijwaringszaak


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juli 2026.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaring


3.1.

[de eisers in de hoofdzaak] hebben op 31 oktober 2024 hun woning aan de [adres] te [plaatsnaam] verkocht aan [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] . [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] waren destijds partners van elkaar.



3.2.
In de koopovereenkomst is bepaald dat de leveringsakte op 28 maart 2025 zou worden gepasseerd. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft een waarborgsom van € 55.500,00 gestort bij Huiskes Notariaat Enschede. In de koopovereenkomst is een contractuele boete van 10% van de koopsom opgenomen.



3.3.
Op 23 januari 2025 hebben [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] aan [de eisers in de hoofdzaak] kenbaar gemaakt dat mogelijk geen medewerking zou worden verleend aan de levering en de overdracht van de woning omdat hun relatie was beëindigd.



3.4.


[de eisers in de hoofdzaak] hebben op 14 februari 2025 bij aangetekende e-mail van
mr. Wiltink een aanbod tot een minnelijke regeling aan [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] toegezonden, inhoudende dat de koopovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt ontbonden en dat [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] € 35.000,00 aan [de eisers in de hoofdzaak] dienen te betalen.




3.5.

[de gedaagde in de hoofdzaak] heeft op 14 februari 2025 het volgende gereageerd:


“Geachte mevr. A. Wiltink, ik ga akkoord met uw voorstel.




Voorstel:



1. De koopovereenkomst met wederzijds goedvinden per direct wordt ontbonden


2. Een gedeelte van de bij de notaris gestorte waarborgsom ad € 35.000,00 rechtstreeks door de notaris aan cliënten wordt voldaan ten compensatie van de schade als gevolg van deze ontbinding, waarbij op voorhand aan de notaris een volmacht wordt verleend voor die overboeking


3. Het restant van de waarborgsom zal door de notaris teruggestort worden


4. Partijen elkaar na betaling van voornoemd bedrag over en weer finale kwijting verlenen.


Graag verneem ik of mevr. [de gedaagde in de vrijwarinszaak] ook akkoord gaat.”



3.6.

[de gedaagde in de vrijwarinszaak] heeft op 18 februari 2025 – voor zover relevant – als volgt gereageerd:


“Goedemorgen mevrouw Wiltink,




Ik ben het ook eens met het schikkingsvoorstel van de verkoper.” […]




3.7.

[de gedaagde in de hoofdzaak] heeft op 18 februari 2025 mr. Wiltink verzocht om de tekst van de vaststellingsovereenkomst te wijzigen. Naar aanleiding van zijn verzoek is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat de waarborgsom van € 55.000,00 is gestort door (enkel) [de gedaagde in de hoofdzaak] en dat een bedrag van € 20.500,00 aan hem zal worden teruggestort door de notaris. Ook heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] mr. Wiltink verzocht om in de vaststellingsovereenkomst op te nemen dat “Mevr. [de gedaagde in de vrijwarinszaak] een uiteindelijk bedrag nog heeft open staan, te betalen een bedrag van € 12.500 aan de heer [de gedaagde in de hoofdzaak] .op 21-02-2025 te voldoen.” Deze passage is niet opgenomen in de vaststellingsovereenkomst.



3.8.
Op 18 februari 2025 heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] mr. Wiltink – voor zover relevant – het volgende gemaild:


“Beste mevrouw Wiltink,




Heeft mevrouw [de gedaagde in de vrijwarinszaak] inmiddels gereageerd op de afspraak voor vrijdag?





Graag zou ik vaststellingsovereenkomst vandaag ontvangen zodat ik dit morgen met mijn advocaat kan bespreken.”
[…]




3.9.

Als reactie heeft mr. Wiltink – voor zover relevant – het volgende gemaild op
18 februari 2025:



“Geachte heer [de gedaagde in de hoofdzaak] ,




Hierbij stuur ik u de VSO toe waarvan ik een ieder zou willen vragen deze te accorderen vrijdag.” […]




3.10.


[de gedaagde in de hoofdzaak] heeft op 19 februari 2025 aan mr. Wiltink – voor zover relevant – het volgende gemaild:
“Beste mevrouw Wiltink,




€12.500,00 euro is het bedrag waar het om draait. Dit bedrag is mevrouw [de gedaagde in de vrijwarinszaak] uiteindelijk nog verschuldigd.Dit had ik graag in het VSO vermeld.”
[…]




3.11.
Op 19 februari 2025 heeft [de gedaagde in de vrijwarinszaak] mr. Wiltink – voor zover relevant – het volgende gemaild als reactie op de gewijzigde vaststellingsovereenkomst:


“Hallo mevrouw Wiltink,




Ik ben het ook eens met de formulering in het contract.” […]




3.12.
Op 20 februari 2025, om 03:04 uur, heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] – voor zover relevant – het volgende aan mr. Wiltink gemaild als reactie op de gewijzigde vaststellingsovereenkomst:


“Hallo Frau Wiltink,




het Concept VSO is verder zo akkoord.” […]




3.13.

Op 20 februari 2025, om 17:19 uur, heeft mr. Soentjens namens [de gedaagde in de hoofdzaak] aan
mr. Wiltink gemaild dat [de gedaagde in de hoofdzaak] niet akkoord gaat met het concept van de vaststellingsovereenkomst en deze niet zal ondertekenen.




3.14.
Op 21 februari 2025 heeft mr. Wiltink [de gedaagde in de hoofdzaak] gesommeerd om de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst na te komen.



3.15.
Op 27 februari 2025 heeft mr. Soentjens een beroep gedaan op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Tevens heeft hij [de gedaagde in de vrijwarinszaak] verzocht om haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning.



3.16.
Op 28 maart 2025 is [de gedaagde in de vrijwarinszaak] niet verschenen voor de notaris en heeft de levering niet plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft mr. Wiltink [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] in gebreke gesteld om binnen acht dagen na dagtekening van haar brief aan hun verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst te voldoen. [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] hebben dit niet gedaan.



3.17.
Op 4 april 2025 hebben [de eisers in de hoofdzaak] een beroep gedaan op ontbinding van de koopovereenkomst en aanspraak gemaakt op de contractuele boete van € 55.500,00.



3.18.

Op 8 april 2025 heeft mr. Wiltink de notaris verzocht om de waarborgsom aan

[de eisers in de hoofdzaak] uit te keren. Dit heeft de notaris op 9 april 2026 geweigerd.




3.19.

[de eisers in de hoofdzaak] hebben op 14 mei 2025 conservatoir beslag gelegd op gelden van [de gedaagde in de hoofdzaak] die zich onder de notaris bevinden.



3.20.


[de gedaagde in de vrijwarinszaak] heeft op 18 januari 2025 € 5.000,00 betaald aan [de gedaagde in de hoofdzaak] . Op
15 februari 2025 heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] [de gedaagde in de vrijwarinszaak] gesommeerd tot betaling van € 12.500,00. Op
19 februari 2025 heeft [de gedaagde in de vrijwarinszaak] € 5.000,00 betaald aan [de gedaagde in de hoofdzaak] en 20 februari 2025
€ 2.500,00.






4Het geschil



in de hoofdzaak




4.1.

[de eisers in de hoofdzaak] vorderen na vermeerdering van eis, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:





Primair:




I. te verklaren voor recht dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tussen partijen (zoals overgelegd bij dagvaarding als productie 9);
II. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen om – binnen een week na het in deze te wijzen vonnis – op grond van die vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 35.000,00 aan [de eisers in de hoofdzaak] te betalen, door de notaris onverwijld na het in dezen te wijzen vonnis onherroepelijk te machtigen om een bedrag groot € 35.000,00 aan [de eisers in de hoofdzaak] te voldoen;
III. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling aan [de eisers in de hoofdzaak] van de wettelijke rente over voornoemde bedragen, vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling en wel binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis de integrale advocaatkosten ad € 15.778,22, althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag aan (buitengerechtelijke) kosten;
V. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de beslaglegging alsmede de nakosten van deze procedure.




Subsidiair:




I. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen om – binnen een week na het in dezen te wijzen vonnis – tot betaling van de contractuele boete van € 55.500,00 aan [de eisers in de hoofdzaak] , althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag aan [de eisers in de hoofdzaak] , door de notaris onverwijld na het in deze te wijzen vonnis onherroepelijk te machtigen dit bedrag aan [de eisers in de hoofdzaak] te voldoen;
II. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling van de aanvullende schadevergoeding, een en ander binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis, in het geval de daadwerkelijke schade van [de eisers in de hoofdzaak] hoger zal blijken, nader aan te vullen en vast te stellen in rechte;
III. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente aan [de eisers in de hoofdzaak] over de voornoemde bedragen, een en ander vanaf het moment van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling en wel binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis van de integrale advocaatkosten ad € 15.778,22 althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag aan (buitengerechtelijke) kosten;
V. [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de beslaglegging alsmede de nakosten van deze procedure.




4.2.

[de gedaagde in de hoofdzaak] voert verweer. [de gedaagde in de hoofdzaak] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [de eisers in de hoofdzaak] , subsidiair tot matiging van de contractuele boete tot nihil, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eisers in de hoofdzaak] in de kosten van deze procedure.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






in de vrijwaringszaak





4.4.

[de gedaagde in de hoofdzaak] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [de gedaagde in de vrijwarinszaak] te veroordelen tot betaling aan [de gedaagde in de hoofdzaak] van al datgene waartoe [de gedaagde in de hoofdzaak] als gedaagde in de hoofdzaak tegen [de eisers in de hoofdzaak] mocht worden veroordeeld, inclusief kostenveroordeling, kosten rechtens en de nakosten ter hoogte van € 178,00 zonder betekening, verhoogd met € 92,00 in geval van betekening van het in deze zaak te verkrijgen vonnis.



4.5.

[de gedaagde in de vrijwarinszaak] voert verweer. [de gedaagde in de vrijwarinszaak] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in de hoofdzaak] , met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van deze procedure.



4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



in de hoofdzaak




5.1.

[de eisers in de hoofdzaak] vorderen primair een verklaring voor recht dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tussen partijen en nakoming van die vaststellingsovereenkomst. [de gedaagde in de hoofdzaak] betwist dat er tussen hem en [de eisers in de hoofdzaak] een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair voert [de gedaagde in de hoofdzaak] aan dat hij de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling.



Er is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen





5.2.
Op grond van artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en aanvaarding daarvan. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten begrijpen (artikelen 3:33 en 3:35 BW). Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in onderlinge samenhang bezien. De vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW is verder vormvrij. De ondertekening van de overeenkomst is geen vereiste voor de totstandkoming hiervan. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] aangevoerd dat hij – als leek op juridisch gebied – heeft begrepen dat de vaststellingsovereenkomst pas daadwerkelijk tot stand zou komen bij de ondertekening op het kantoor van mr. Wiltink op 21 februari 2025. Verder wist mr. Wiltink dat [de gedaagde in de hoofdzaak] een advocaat ging raadplegen en was er ongelijkheid van kennis tussen [de gedaagde in de hoofdzaak] en mr. Wiltink.



5.3.
De rechtbank is van oordeel dat er een vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Daartoe is het volgende redengevend. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft mr. Wiltink zelf benaderd met het voorstel om de koopovereenkomst te ontbinden en gewijzigde afspraken te maken. Vervolgens heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] het voorstel van mr. Wiltink, inhoudende dat vanuit de gestorte waarborgsom een bedrag van € 35.000,00 aan [de eisers in de hoofdzaak] diende te worden betaald, geaccordeerd en het gehele voorstel herhaald in zijn e-mail, waaruit blijkt dat hij dit voorstel begreep. Nadat de tekst van de conceptvaststellingsovereenkomst op verzoek van [de gedaagde in de hoofdzaak] was gewijzigd, heeft hij nogmaals zijn akkoord gegeven. Van belang is hierbij dat [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn tweede akkoord heeft gegeven nadat hij de vaststellingsovereenkomst met zijn advocaat zou bespreken, zodat hij de indruk heeft gewekt dat dit was gebeurd. In het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden, in samenhang bezien, heeft mr. Wiltink er (namens [de eisers in de hoofdzaak] ) gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [de gedaagde in de hoofdzaak] akkoord was met de door haar opgestelde vaststellingsovereenkomst (artikel 3:35 BW). Er is dus een (vaststellings)overeenkomst tot stand gekomen op grond van artikel 6:217 BW.



Het beroep op dwaling slaagt niet





5.4.
Subsidiair beroept [de gedaagde in de hoofdzaak] zich op dwaling. Op grond van artikel 6:228 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar: (a) indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, (b) indien de wederpartij de dwalende had behoren in te lichten en (c) indien sprake is van wederzijdse dwaling.



5.5.


[de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat [de eisers in de hoofdzaak] , via mr. Wiltink, hem ten onrechte hebben medegedeeld dat de contractuele boete verschuldigd was en hierbij niet hebben gewezen op matiging. De rechtbank gaat hier niet in mee. [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] hebben op
23 januari 2025 aan [de eisers in de hoofdzaak] kenbaar gemaakt dat mogelijk geen medewerking aan de levering en overdracht van de woning zou worden verleend. In reactie hierop heeft mr. Wiltink hen erop gewezen dat zij in dat geval de contractuele boete van
€ 55.500,00 verschuldigd zouden zijn. Op grond van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst waren [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] een contractuele boete van tien procent van de koopprijs verschuldigd indien zij hun verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst zouden schenden. In zoverre is dus geen sprake van een onjuiste inlichting door mr. Wiltink (a). De rechtbank oordeelt verder dat mr. Wiltink [de gedaagde in de hoofdzaak] niet had behoren in te lichten over de mogelijkheid van matiging van de contractuele boete (b). Het klopt dat de rechter op grond van artikel 6:94 BW de mogelijkheid heeft om een contractuele boete te matigen – het gaat hier overigens om een uitzondering, namelijk dat zonder matiging het boetebeding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leid –, maar een rechtsdwaling behoort op grond van de geldende verkeersopvattingen voor rekening van de dwalende te blijven. Van mr. Wiltink – als advocaat van [de eisers in de hoofdzaak] – kan niet worden verwacht dat zij [de gedaagde in de hoofdzaak] tijdens de schikkingsonderhandelingen diende te wijzen op iedere mogelijke grond om gedeeltelijk te ontkomen aan de contractuele boete. Het beroep van [de gedaagde in de hoofdzaak] op dwaling slaagt daarom niet.




5.6.
De conclusie is dat de door [de eisers in de hoofdzaak] gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tussen partijen, zal worden toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde nakoming van deze overeenkomst, inhoudende dat [de gedaagde in de hoofdzaak] een bedrag van € 35.000,00 dient te betalen aan [de eisers in de hoofdzaak] . Nu [de gedaagde in de hoofdzaak] vanaf de datum van dagvaarding in verzuim is ten aanzien van de betaling van € 35.000,00, zal de gevorderde wettelijke rente vanaf deze datum ook worden toegewezen. De rechtbank komt met toewijzing van de primaire vordering niet toe aan de beoordeling van de subsidiair gevorderde contractuele boete.



De integrale advocaatkosten en buitengerechtelijke incassokosten





5.7.

[de eisers in de hoofdzaak] vorderen [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling van de integrale advocaatkosten van € 15.778,22 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan (buitengerechtelijke) kosten. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door [de gedaagde in de hoofdzaak] . Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is, zodat de vordering van [de eisers in de hoofdzaak] voor dit gedeelte niet toewijsbaar is. Ten aanzien van de – zo begrijpt de rechtbank – subsidiair gevorderde buitengerechtelijke incassokosten geldt het volgende. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [de gedaagde in de hoofdzaak] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking. Er is namelijk niet gebleken dat aan [de gedaagde in de hoofdzaak] voor wat betreft de betaling van € 35.000,00 een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.



De beslagkosten





5.8.


[de eisers in de hoofdzaak] vorderen [de gedaagde in de hoofdzaak] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen. Uit artikel 721 Rv volgt immers dat

[de eisers in de hoofdzaak] op straffe van nietigheid van het gelegde derdenbeslag verplicht zijn om een afschrift van de dagvaarding aan de betreffende derde te betekenen. Er is gesteld noch gebleken dat de overbetekening van de dagvaarding aan de notaris heeft plaatsgevonden.




De proceskosten





5.9.

[de gedaagde in de hoofdzaak] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eisers in de hoofdzaak] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


145,45







- griffierecht


€


1.043,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


3.957,45












in de vrijwaringszaak





De onrechtmatige daad is onvoldoende onderbouwd





5.10.

[de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat [de gedaagde in de vrijwarinszaak] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat zij de koopovereenkomst voor de woning niet is nagekomen. Als [de gedaagde in de vrijwarinszaak] had meegewerkt aan de nakoming, was er geen contractuele boete geweest. In dat geval was er ook geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, zodat [de gedaagde in de hoofdzaak] geen € 35.000,00 had hoeven te betalen.



5.11.
Van onrechtmatig handelen door [de gedaagde in de vrijwarinszaak] jegens [de gedaagde in de hoofdzaak] is sprake wanneer het handelen (of nalaten) van [de gedaagde in de vrijwarinszaak] in strijd is met de wet, het recht of hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt in dat kader dat [de gedaagde in de vrijwarinszaak] haar rechtsplicht tot nakoming van de koopovereenkomst heeft geschonden. [de gedaagde in de vrijwarinszaak] was volgens [de gedaagde in de hoofdzaak] op grond van de hoofdelijkheid uit de koopovereenkomst ook jegens hem gehouden om de koopovereenkomst na te komen. De rechtbank volgt [de gedaagde in de hoofdzaak] niet in zijn standpunt. [de gedaagde in de hoofdzaak] en [de gedaagde in de vrijwarinszaak] hebben zich hoofdelijk jegens [de eisers in de hoofdzaak] verbonden tot nakoming van de koopovereenkomst. De hoofdelijkheid uit artikelen 6:6 en 6:7 BW strekt zich niet uit tot de verhouding tussen schuldenaren onderling. In het licht hiervan heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] onvoldoende onderbouwd dat [de gedaagde in de vrijwarinszaak] op grond van de wet, het recht of hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens hem gehouden was de koopovereenkomst na te komen.



Het regresrecht





5.12.

Verder stelt [de gedaagde in de hoofdzaak] dat hij op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht heeft op [de gedaagde in de vrijwarinszaak] . Op grond van artikel 6:10 lid 1 BW zijn hoofdelijke schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht om in de schuld bij te dragen. [de gedaagde in de hoofdzaak] voert aan dat hij meer heeft betaald dan hem aangaat in de onderlinge verhouding omdat [de gedaagde in de vrijwarinszaak] niet meewerkte aan de levering van de woning en hij daartoe wel bereid was. Ook hierin wordt [de gedaagde in de hoofdzaak] niet gevolgd. De grootte van ieders bijdrageplicht hangt in de eerste plaats af van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding van de schuldenaren. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft [de gedaagde in de vrijwarinszaak] op 15 februari 2025 gesommeerd om tot betaling van € 12.500,00 over te gaan was ( [de gedaagde in de vrijwarinszaak] had op dat moment al € 5.000,00 aan hem betaald). Op 19 februari 2025 heeft [de gedaagde in de hoofdzaak]
mr. Wiltink verzocht om in de vaststellingsovereenkomst op te nemen dat [de gedaagde in de vrijwarinszaak] nog € 12.500,00 aan hem verschuldigd. Beide partijen – dus ook [de gedaagde in de hoofdzaak] – zijn ervan uitgegaan dat ieder de helft van het aan [de eisers in de hoofdzaak] te betalen bedrag zou voldoen. In het licht hiervan heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] naar het oordeel van de rechtbank geen regresvordering op [de gedaagde in de vrijwarinszaak] voor het gehele bedrag van € 35.000,00.




5.13.
Partijen zijn het erover eens dat [de gedaagde in de vrijwarinszaak] € 12.500,00 aan [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft betaald en dat zij nog € 5.000,00 aan hem verschuldigd is. De vordering van [de gedaagde in de hoofdzaak] zal daarom, als het mindere, worden toegewezen voor een bedrag van € 5.000,00.



De proceskosten





5.14.
Gelet op de (voormalige) relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.












6De beslissing


De rechtbank




in de hoofdzaak




6.1.
verklaart voor recht dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingovereenkomst tussen partijen (zoals overgelegd als productie 9 bij dagvaarding),



6.2.
veroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] om, binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis, aan [de eisers in de hoofdzaak] te betalen een bedrag van € 35.000,00, door de notaris onverwijld na de betekening van dit vonnis onherroepelijk te machtigen om een bedrag van € 35.000,00 aan [de eisers in de hoofdzaak] te voldoen,


6.3.
veroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het in beslissing 6.2 toegewezen bedrag, met ingang van 27 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,



6.4.
veroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] in de proceskosten van € 3.957,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde in de hoofdzaak] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in de vrijwaringszaak





6.7.
veroordeelt [de gedaagde in de vrijwarinszaak] tot betaling van € 5.000,00 aan [de gedaagde in de hoofdzaak] ,



6.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,



6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.












































JV/KH