Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6417
2026-08-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
462055
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie. De rechtbank herbeoordeelt de kinderalimentatie over verschillende perioden. Door deze herbeoordeling wordt de man met terugwerkende kracht onderhoudsplichtige in plaats van onderhoudsgerechtigde. De man moet hierdoor de ten onrechte ontvangen kinderalimentatie terugbetalen aan de vrouw. Ook dient de man de achterstallige kinderalimentatie alsnog aan de vrouw te betalen. Beroep op aanvaardbaarheidstoets afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (41.142 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/462055 / FZ RK 26-137
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking kinderalimentatie
in de zaak van:
[naam vrouw],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J. van Elk uit Utrecht,
tegen
[naam man],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.L.J. Wekking uit Apeldoorn.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 14, ingediend op 20 januari 2026;
het bericht van de vrouw met een bijlage, ingediend op 3 februari 2026;
het verweerschrift van de man met bijlagen 1 tot en met 7, ingediend op 17 maart 2026;
het bericht van de vrouw met bijlagen 15 tot en met 26, ingekomen op 19 juni 2026;
het bericht van de man met bijlage, ingekomen op 25 juni 2026;
het bericht van de man met bijlagen, ingekomen op 6 juli 2026.
1.2.
De rechtbank laat het bericht van de vrouw van 19 juni 2026 gedeeltelijk buiten beschouwing. De rechtbank heeft mr. Van Elk bij bericht van 3 juli 2026 aangegeven dat zij tijdens de zitting gelegenheid krijgt om op de standpunten van de man te reageren. Ook is mr. Van Elk in de gelegenheid gesteld om het aanvullende verzoek en de producties alsnog voorafgaand aan de zitting in te dienen. Tijdens de zitting is besproken dat de bijlagen van het bericht van 19 juni 2026 onderdeel blijven uitmaken van het procesdossier. Mr. Van Elk heeft op de zitting de randnummers 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 34 van haar brief voorgedragen, zodat uitsluitend die randnummers van de brief van 19 juni 2026 onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.3.
De rechtbank laat verder het bericht van de man met bijlagen van 6 juli 2026, met uitzondering van de draagkrachtberekening, buiten beschouwing Deze processtukken zijn te laat ingediend. Deze processtukken worden dan door de rechter in beginsel buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat van de uitzonderingsgrond geen sprake is. De door de man ingediende stukken zijn geen recente stukken die pas op 6 juli 2026 hadden kunnen worden overgelegd. Bovendien zorgt een dermate late indiening ervoor dat mr. Van Elk de stukken niet met de moeder heeft kunnen bespreken. De rechtbank neemt dus geen kennis van de processtukken en de processtukken worden niet toegevoegd aan het procesdossier.
1.4.
Op 7 juli 2026 is de zaak op de zitting van de rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.5.
De rechtbank heeft aan [kind 1], de dochter van partijen, gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [kind 1] heeft dat per brief laten weten.
2Waar gaat het over?
2.1.
Partijen zijn op 14 mei 2005 in Driebergen-Rijsenburg met elkaar getrouwd. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 juli 2018 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 25 juli 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
2.2.
Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen:
[kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats];
[kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4.
In voormelde beschikking van 13 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw per 1 oktober 2017 een bedrag van € 225 per kind per maand aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) aan de vader moet betalen.
2.5.
Als gevolg van de wettelijke indexering bedraagt de door de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 306,56 per kind per maand.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2019 is de zorgregeling gewijzigd en is bepaald dat de kinderen in de even weken van maandag 10:00 uur tot woensdag 10:00 uur bij de man verblijven, en van vrijdagavond na het eten, omstreeks 19:00 uur, tot de daaropvolgende woensdagochtend 10:00 uur in de oneven weken.
3Wat ligt voor?
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank, na aanvulling, om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 13 juli 2018 te wijzigen in die zin, dat wordt bepaald dat de man met ingang van primair 28 april 2023, subsidiair per 1 december 2023 en meer subsidiair per 1 augustus 2024 een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen zal betalen aan de vrouw van € 1.500 per maand.
3.2.
De man is het niet eens met het verzoek en vraagt om afwijzing daarvan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.
4De beoordeling
ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Daarvan is sprake. Hoewel tussen partijen in geschil is of het niet uitvoeren van de zorgregeling een wijziging van omstandigheden vormt, is door de man niet weersproken dat de inkomens van partijen zijn gewijzigd. Zoals hierna zal blijken, zijn deze wijzigingen ook rechtens relevant. Zij leiden er namelijk toe dat de man kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen.
uitgangspunt
4.2.
Bij de herbeoordeling neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt en rondt de rechtbank in haar berekening(en) hierna de eindbedragen, voor zover nodig, telkens af op hele euro’s.
ingangsdatum
4.3.
Om proceseconomische redenen stelt de rechtbank eerst de ingangsdatum vast.
4.4.
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
4.5.
De rechtbank sluit aan bij het meer subsidiaire verzoek van de vrouw en hanteert als ingangsdatum 1 augustus 2024. Zij legt hierna uit waarom.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat partijen een kinderalimentatie zijn overeengekomen voor de situatie dat de man geen inkomen uit arbeid heeft, maar wel contact heeft met de kinderen. De vrouw betaalt dan ook een kinderalimentatie aan de man voor de verblijfskosten van de kinderen als zij bij de man zijn.
4.7.
Het is de rechtbank gebleken dat de zorgregeling tussen de man en [kind 2] sinds 1 december 2023 feitelijk niet meer wordt uitgevoerd. De rechtbank acht het redelijk dat partijen gedurende een periode daarna eerst hebben geprobeerd om de zorgregeling te herstellen, waardoor een wijziging van de kinderalimentatie vanaf die datum niet voor de hand ligt.
Sinds 1 maart 2024 heeft de man inkomen uit arbeid bij zijn huidige werkgever. Niet weersproken is dat het contact met [kind 1] sinds 1 augustus 2024 ook beduidend is verminderd. Dit samen met het nieuwe dienstverband van de man, maakt dat de rechtbank het redelijk vindt om met ingang van 1 augustus 2024, zoals meer subsidiair door de vrouw verzocht de kinderalimentatie te wijzigen. De redenen waarom partijen destijds een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie waren overeengekomen (te weten: geen inkomen uit arbeid aan de zijde van de man en een vergoeding voor de verblijfskosten van de kinderen bij de man) hielden immers toen (grotendeels) op te bestaan. Vanaf dat moment had de man dus kunnen verwachten dat de vrouw op grond van het ouderschapsplan geen kinderalimentatie meer aan de man verschuldigd zou zijn. Dat de vrouw eerder een procedure had kunnen starten doet daaraan niet af. Daar komt bij dat is gebleken dat de vrouw na 2018 is gestopt met het betalen van kinderalimentatie, waarna het LBIO in het kader van de bijstandsuitkering van de man voor enige periode de kinderalimentatie heeft geïncasseerd. Dat betekent dat als de rechtbank een ingangsdatum zonder terugwerkende kracht zou vastleggen, dit ondanks de gedeeltelijke incassatie van het LBIO alsnog tot een terugbetalingsverplichting van de vrouw zou leiden. Dat vindt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet redelijk. De rechtbank realiseert zich dat deze datum met terugwerkende kracht ertoe leidt dat de man met een betalingsachterstand wordt geconfronteerd. In hoeverre van de man kan worden gevergd dat hij met terugwerkende kracht kinderalimentatie betaalt, komt hierna aan de orde. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het verweer van de man.
4.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de kinderalimentatie zal herberekenen over verschillende perioden.
behoefte [kind 2] en [kind 1]
4.9.
Partijen zijn in het ouderschapsplan een behoefte in 2017 van € 696 per kind per maand overeengekomen. Met de jaarlijkse indexatie bedraagt de behoefte afgerond:
in 2024: € 851 per kind per maand;
in 2025: € 907 per kind per maand en
in 2026: € 948 per kind per maand.
draagkracht ouders
4.10.
Bij de herbeoordeling van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
4.11.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er voor de jaren 2024, 2025 en 2026 er als volgt uit:
2024: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1270)];
2025: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)];
2026: 70% [NBI – (NBI x 0,3 + 1365)].
draagkracht man 2024
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat de man heeft nagelaten financiële gegevens over 2024 te over leggen. Dat de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 op dit moment nog niet gereed is, staat er niet aan in de weg om andere inkomensgegevens te verstrekken, zoals een bijvoorbeeld een salarisspecificatie en/of een uitkeringsspecificatie of een jaaropgave. Het niet verstrekken van de benodigde financiële gegevens komt voor rekening en risico van de man. Bij gebreke van financiële stukken over het jaar 2024 gaat de rechtbank, net als de vrouw, voor het bepalen van de draagkracht van de man in 2024 uit van de door hem overlegde jaaropgaaf over 2025. Hieruit volgt een brutoloon van € 34.992.
4.13.
Tussen partijen bestaat discussie over het meenemen van de pensioenpremie. Hoewel de man maandelijks een pensioentoeslag ontvangt, is gebleken dat hij maandelijks geen pensioenvoorziening treft. Daarom houdt de rechtbank geen rekening met een voorziening voor pensioenopbouw en beschouwt de ontvangen toeslag als inkomen zoals al verdisconteerd in de jaaropgave 2025.
4.14.
De rechtbank overweegt verder dat op de zitting is gebleken dat de man gedurende de afgelopen jaren onterecht kindgebonden budget heeft ontvangen. Omdat dit in de toekomst tot een terugbetalingsverplichting kan leiden, acht de rechtbank het niet reëel om voor de draagkracht van de man rekening te houden met het ontvangen kindgebonden budget. De rechtbank zal dit bedrag dus niet meenemen in haar berekening.
4.15.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de man recht op heeft, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 2.513.
4.16.
Tussen partijen is verder in geschil of het forfaitaire woonbudget moet worden gehanteerd of dat moet worden uitgegaan van de werkelijke woonlasten van de man. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat zij rekening kan houden met de werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige als deze woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn en er kan worden vastgesteld dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. Zo is niet gebleken dat de man zich heeft ingespannen om een andere woning te vinden. Dat de gemeente in 2023 in het kader van de aflossing van een schuld hem niet heeft verzocht om een andere woning te zoeken, staat los van zijn verplichting als onderhoudsplichtige om ervoor zorg te dragen dat hij voldoende draagkrachtig is. De rechtbank zal dan ook niet afwijken van de forfaitaire woonlasten aan de zijde van de man.
4.17.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man in de periode van 1 augustus 2024 tot 31 december 2024 een draagkracht van € 342 per maand.
4.18.
De man heeft, naar de rechtbank begrijpt vanaf 2024, een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. De man stelt dat naast de kosten van levensonderhoud waarmee in de berekening van de draagkracht rekening wordt gehouden, rekening moet worden gehouden met maandelijkse lasten van € 2.174. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
4.19.
Een onderhoudsplichtige die zich niet van een verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, kan zich op de aanvaardbaarheidstoets beroepen. Het tremarapport gaat ervan uit dat in het algemeen sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien.
4.20.
Voor een geslaagd beroep op de aanvaardbaarheidstoets dient de man te stellen en te onderbouwen dat sprake is van lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dit specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de man, de noodzaak van de lasten en de mogelijkheid zich van die lasten te bevrijden. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met stukken – stellen (en bij een betwisting, onderbouwen) dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.
4.21.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat de man zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft een inkomsten- en uitgavenoverzicht met onderliggende afschrijvingen en facturen overgelegd. In zijn alimentatieberekening voert de man, zonder toelichting, de kosten uit dat overzicht op die al voor een deel uitmaken van het forfaitaire bedrag voor de noodzakelijke lasten van (onder meer) levensonderhoud. Daarmee wordt dus (gedeeltelijk) twee keer rekening gehouden met dezelfde kosten. Daarnaast is niet duidelijk in hoeverre sprake is van lasten die niet te bekostigen zijn van het bedrag aan noodzakelijke lasten waar rekening mee wordt gehouden in de alimentatieberekening en ook heeft de man niet toegelicht waarom hij zich niet van deze lasten kan bevrijden. Tot slot heeft de man nagelaten om stukken over te leggen waaruit zijn vermogen blijkt. Ter zitting is aan de orde gebleken dat hij het kindsdeel van een erfenis heeft opgeëist, grond in Griekenland heeft gekocht en meerdere auto’s bezit. Weliswaar heeft de man vervolgens toegelicht dat die erfenis nagenoeg op is, de grond weinig waard is en de auto’s niet meer in gebruik zijn, maar gelet op de betwisting door de vrouw, kan de man niet volstaan met die mondelinge toelichting.
draagkracht man 2025
4.22.
Voor de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 gaat de rechtbank eveneens uit van de overlegde jaaropgave over 2025. Uitgaande van een bruto loon van € 34.992, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 2.544.
4.23.
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.13., 4.14. en 4.16. en op dezelfde gronden houdt de rechtbank geen rekening met een voorziening voor pensioenopbouw, het kindgebonden budget en de werkelijke woonlasten.
4.24.
Op de zitting is de schuld van de man bij de gemeente [woongemeente] aan de orde gekomen. De vrouw heeft deze schuld niet weersproken. Uit de brief van 9 juli 2025 van de gemeente [woongemeente] blijkt dat de man een totale schuld had van € 10.517. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de man deze schuld met € 892 per maand aflost, wat leidt tot een aflossingsduur van 11,8 maanden. Dit betekent dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026 de schuld heeft afbetaald. De rechtbank zal daarom uitsluitend gedurende deze periode rekening houden met deze schuld.
4.25.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025 een draagkracht van € 330 per maand. Door het meenemen van de schuld van de man in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025, heeft de man gedurende deze periode geen draagkracht.
4.26.
De rechtbank gaat op dezelfde gronden als hiervoor overwogen onder 4.21. voorbij aan het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets.
draagkracht man 2026
4.27.
Voor de periode vanaf 1 januari 2026 gaat de rechtbank uit van de loonstroken over januari en februari 2026, waaruit een bruto-inkomen van € 2.615 per maand volgt. Daarbij neemt de rechtbank de ontvangen pensioentoeslag van € 225,94 per maand mee als inkomen, nu is gebleken dat de man deze pensioentoeslag niet inzet voor een pensioenvoorziening. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4.13. Het voorgaande leidt tot een NBI van € 2.642 in 2026.
4.28.
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.14. en 4.16. en op dezelfde gronden houdt de rechtbank geen rekening het kindgebonden budget en de werkelijke woonlasten.
4.29.
Zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 4.16. houdt de rechtbank in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 juni 2026 rekening met de schuld die de man heeft bij de gemeente [woongemeente]. Door het meenemen van de schuld van de man in de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026, heeft de man gedurende deze periode geen draagkracht.Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man in de periode vanaf 1 juli 2026 een draagkracht van € 339 per maand.
4.30.
De rechtbank gaat op dezelfde gronden als hiervoor overwogen onder 4.21. voorbij aan het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets.
draagkracht vrouw
4.31.
De vrouw is werkzaam als zelfstandig ondernemer. Voor het bepalen van de draagkracht van een ondernemer moet beoordeeld worden welke jaren representatief zijn voor de huidige en in de nabije toekomst te verwachten financiële positie van de onderneming. In de praktijk wordt daarvoor regelmatig aangesloten bij het gemiddelde van de winst uit onderneming in de laatste drie boekjaren. Tussen partijen is in geschil of dit ook in deze zaak het uitgangspunt moet zijn.
4.32.
De rechtbank stelt voorop dat zij over de jaren 2024, 2025 en 2026 de kinderalimentatie herbeoordeelt. Over 2024 en 2025 staat het bedrijfsresultaat van de vrouw vast. Voor die jaren is het niet (meer) nodig om een inschatting te maken en gaat de rechtbank uit van het bedrijfsresultaat in dat betreffende jaar. Het hanteren van een gemiddeld bedrijfsresultaat over alleen deze jaren zoals de man voorstaat, vindt de rechtbank dan ook niet reëel. Ook vindt de rechtbank het niet redelijk om uitsluitend voor het jaar 2024 uit te gaan van de privé-onttrekkingen van de vrouw. Door de man is onvoldoende onderbouwd waarom voor het jaar 2024 de privé-onttrekkingen maatgevend zouden moeten zijn en voor het jaar 2025 dan weer niet.
4.33.
Uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 volgt een brutoresultaat uit onderneming van € 49.218, zodat de rechtbank daarmee rekening houdt. Voor het jaar 2025 rekent de rechtbank met een brutoresultaat uit onderneming van € 32.014, zoals uit de aangifte inkomstenbelasting 2025 volgt.
4.34.
Voor het jaar 2026 zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022, 2023 en 2024. De vrouw heeft namelijk onvoldoende (met stukken) onderbouwd dat in de branche waar zij werkzaam is, sprake is van een (ver)slechte(rde) arbeidsmarkt waardoor de rechtbank uitsluitend zou moeten rekenen met de cijfers over 2025. Daarbij komt dat er geen sprake meer is van een verminderde arbeidscapaciteit door ziekte bij de vrouw, hetgeen in 2025 bij de vrouw heeft geleid tot een verminderde verdiencapaciteit en een verminderd inkomen. Gelet op de ziekte van de vrouw in 2025 vindt de rechtbank het bedrijfsresultaat over 2025 niet representatief voor de huidige en in de nabije toekomst te verwachten financiële positie van de onderneming van de vrouw. De rechtbank acht de fiscale cijfers over de jaren 2022, 2023 en 2024 dus het meest representatief. Dat de vrouw in het jaar 2023 een goed betaalde opdracht heeft gehad waardoor het bedrijfsresultaat in dat jaar hoger is uitgevallen dan in de jaren ervoor of erna, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat dit jaar niet representatief is voor de huidige en in de nabije toekomst te verwachten financiële positie van de onderneming van de vrouw.
4.35.
De rechtbank houdt dan rekening met een gemiddeld brutoresultaat uit onderneming van € 82.066.
4.36.
Ook ten aanzien van de vrouw bestaat er tussen partijen discussie over het meenemen van premie voor pensioenvoorziening. Uit de stukken van de vrouw is onvoldoende gebleken dat de vrouw structureel pensioenvoorzieningen treft. Alleen uit de aangifte inkomstenbelasting over 2025 blijkt dat de vrouw een bedrag van € 7.000 aan premie voor lijfrente heeft ingelegd. Daarom houdt de rechtbank geen rekening met een voorziening voor pensioenopbouw.
4.37.
De rechtbank constateert aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting over 2024 en 2025 dat de vrouw over een banktegoed beschikte van respectievelijk € 208.401 en € 228.304. Zij heeft daarmee geen recht op een kindgebonden budget. De rechtbank houdt daarom, evenals partijen, in haar berekening geen rekening met een kindgebonden budget.
draagkracht vrouw 2024
4.38.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 3.323. Volgens de hiervoor genoemde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw voor 2024 dan € 739 per maand.
draagkracht vrouw 2025
4.39.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.486. Volgens de hiervoor genoemde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw voor geheel 2025 dan € 301 per maand.
draagkracht vrouw 2026
4.40.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 4.684. Volgens de hiervoor genoemde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw voor geheel 2026 dan € 1.340 per maand.
draagkrachtvergelijking
4.41.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024
4.42.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.081 per maand (€ 342 + € 739), terwijl de kosten van de kinderen € 1.702 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 621 per maand tekort. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 310,50 per maand.
periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025
4.43.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 2] en [kind 1]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 631 per maand (€ 330 + € 301), terwijl de kosten van de kinderen (geïndexeerd naar 1 juli 2025) € 1.814 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 1.183 per maand tekort. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 591,50 per maand.
periode vanaf 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025
4.44.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man geen draagkracht heeft. De vrouw heeft een draagkracht van € 301. De kosten van de kinderen zijn, zoals hiervoor overwogen, € 1.814 per maand, zodat sprake is van een tekort van € 1.513 per maand. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 756,50 per maand.
periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 juli 2026
4.45.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man geen draagkracht heeft. De vrouw heeft een draagkracht van € 1.340. De kosten van de kinderen zijn (geïndexeerd) € 1.896, zodat sprake is van een tekort van € 556. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 278 per maand.
periode vanaf 1 juli 2026
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 2] en [kind 1]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.679 per maand (€ 339 + € 1.340), terwijl de kosten van de kinderen (geïndexeerd naar 1 juli 2026) € 1.896 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 217 per maand tekort. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, want neerkomt op € 109 per maand.
zorgkorting
4.46.
Voor de momenten waarop de niet-verzorgende ouder de zorg voor de kinderen draagt, heeft die ouder in beginsel recht op een zogenaamde zorgkorting. Die ouder draagt op dat moment kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet die ouder – deels – aan de onderhoudsverplichting. Tussen partijen is in geschil of er rekening moet worden gehouden met deze zorgkorting. De rechtbank maakt hiervoor onderscheid tussen [kind 2] en [kind 1] en tussen de hiervoor genoemde perioden.
[kind 2]
4.47.
Voor [kind 2] houdt de rechtbank in de jaren 2024 en 2025 geen rekening met een zorgkorting. De zorgregeling tussen de vader en [kind 2] wordt sinds 1 december 2023 feitelijk niet meer uitgevoerd, hoezeer de man dat ook anders had gezien. Sindsdien hebben de man en [kind 2] geen structureel contact gehad. De man heeft daardoor geen verblijfskosten gehad en is er geen sprake geweest van een besparing in de kosten van [kind 2] die de vrouw maakt.
4.48.
Voor 2026 en verder overweegt de rechtbank dat de man heeft uitgesproken dat hij graag contactherstel met [kind 2] wil. Hij heeft daartoe ook een beroep op de vrouw gedaan. Ook zijn er weer kleine contactmomenten tussen de man en [kind 2] geweest. De rechtbank sluit daarom voor de periode vanaf 1 juli 2026 aan bij het uitgangspunt van het Rapport Alimentatienormen en houdt rekening met een zorgkorting van 5% van de behoefte. Dat komt neer op een bedrag van € 47 in 2026.
[kind 1]
4.49.
Gelet op de lopende zorgregeling tussen de man en [kind 1], acht de rechtbank het redelijk om voor de zorgkorting aan te sluiten bij 15% van de behoefte. De man heeft daarom in beginsel recht op een zorgkorting van € 128 in 2024, € 136 in 2025 en € 142 in 2026. De vermindering van het contact tussen de man en [kind 1] in 2026 is gelegen in de reis naar Japan die [kind 1] heeft gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat het contact tussen de man en [kind 1] weer wordt hervat.
voor de periode van 1 augustus 2024 tot 1 juli 2026
4.50.
In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Als de rechtbank de kosten die de man al voor de kinderen maakt in mindering zou brengen op de alimentatie, zou het hele tekort op de schouders van de vrouw komen te rusten. Daarom past bij de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de man zijn volledige draagkracht moet aanwenden voor [kind 2] en [kind 1].
voor de periode vanaf 1 juli 2026
4.51.
De zorgkorting die hiervoor is berekend voor beide kinderen bedraagt € 142 ([kind 1]) + € 47 ([kind 2]) = € 189 per maand. Omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij niet kan dragen. In dat geval moet ieder de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van € 109 per maand. Dit betekent dat de man een zorgkorting van (189-/- 109 =) € 80 per maand krijgt. Er blijft dan een bedrag van (339 -/- 80=) € 259 per maand over dat de man aan kinderalimentatie moet betalen. Dit komt neer op € 129,50 per kind per maand.
conclusie
periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024
4.52.
De door de man te betalen bijdrage voor [kind 2] en [kind 1] bedraagt voor de periode van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 342 per maand. Dit komt neer op € 171 per kind per maand.
periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025
4.53.
De door de man te betalen bijdrage voor [kind 2] en [kind 1] bedraagt voor de periode van 1 januari 2025 tot 30 juni 2025 € 330 per maand. Dit komt neer op € 165 per kind per maand.
periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025
4.54.
Gelet op het gebrek aan draagkracht gedurende deze periode is de man geen kinderalimentatie aan de vrouw verschuldigd.
periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026
4.55.
Gelet op het gebrek aan draagkracht gedurende deze periode is de man geen kinderalimentatie aan de vrouw verschuldigd.
periode vanaf 1 juli 2026
4.56.
De bijdrage voor [kind 2] en [kind 1] bedraagt voor de periode vanaf 1 juli 2026 € 259 per maand. Dit komt neer op € 129,50 per kind per maand.
(Terug)betalingsverplichting van de man
4.57.
De rechtbank heeft in deze zaak de kinderalimentatie met terugwerkende kracht beoordeeld. De man was onderhoudsgerechtigde, maar is door de wijziging sinds 1 augustus 2024 onderhoudsplichtige geworden. Dit heeft twee gevolgen.
4.58.
Ten eerste leidt dat in beginsel voor de man tot een verplichting om de kinderalimentatie die hij vanaf 1 augustus 2024 ten onrechte van de vrouw heeft ontvangen, terug te betalen. Ten tweede komt op de man, als onderhoudsplichtige, vanaf 1 augustus 2024 een betalingsverplichting ten opzichte van de vrouw te rusten.
4.59.
De rechtbank moet op basis van de omstandigheden van het geval beoordelen of en in hoeverre het redelijk is dat de man de in die periode ontvangen kinderalimentatie moet terugbetalen en de achterstallige kinderalimentatie alsnog aan de vrouw moet betalen.
4.60.
De rechtbank is van oordeel dat een (terug)betaling van de man kan worden verlangd, omdat de wijziging – zoals overwogen onder 4.7. – voor hem voorzienbaar was en hij hiermee rekening had kunnen houden. Daar komt bij dat de man geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie en de rechtbank niet kan beoordelen in hoeverre (terug)betaling in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Ten aanzien van de terugbetalingsverplichting geldt dat dit nog meer dan anders van de man had mogen worden verwacht. Vast staat namelijk dat de man de teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de kinderen heeft besteed.
Toekomstige en achterstallige termijnen
4.61.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
4.62.
Ten aanzien van de achterstallige termijnen geeft de rechtbank partijen in overweging om een betalingsregeling te treffen.
uitvoerbaar bij voorraad
4.63.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
proceskosten
4.64.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijzigt de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2018, en bepaalt dat de man voor de minderjarige [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], als bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding moet betalen:
met ingang van 1 augustus 2024: € 171 per kind per maand;
met ingang van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025: € 165 per kind per maand;
met ingang van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026: nihil;
met ingang van 1 juli 2026: € 129,50 per kind per maand;
voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat de man en de man allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
5.4.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. van Spanje, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Rutgers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage(n):
[ Bijlagen verwijderd ter anonimisatie. ]
Artikel 279 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 87 lid 6 Rv.
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:402 BW.
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bijlage 1: NBI en draagkracht man 2024.
Productie 8 van de man.
Productie 7 van de man.
Bijlage 2: NBI en draagkracht man 2025-1.
Bijlage 3: NBI en draagkracht man 2025-2.
Bijlage 4: NBI en draagkracht man 2026-1.
Bijlage 5: NBI en draagkracht man 2026-2.
Bijlage 4: NBI en draagkracht vrouw 2024.
Bijlage 5: NBI en draagkracht vrouw 2025.
((66.715 + 130.266 + 49.218) : 3).
Bijlage 6: NBI en draagkracht vrouw 2026.
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/462055 / FZ RK 26-137
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking kinderalimentatie
in de zaak van:
[naam vrouw],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J. van Elk uit Utrecht,
tegen
[naam man],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.L.J. Wekking uit Apeldoorn.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 14, ingediend op 20 januari 2026;
het bericht van de vrouw met een bijlage, ingediend op 3 februari 2026;
het verweerschrift van de man met bijlagen 1 tot en met 7, ingediend op 17 maart 2026;
het bericht van de vrouw met bijlagen 15 tot en met 26, ingekomen op 19 juni 2026;
het bericht van de man met bijlage, ingekomen op 25 juni 2026;
het bericht van de man met bijlagen, ingekomen op 6 juli 2026.
1.2.
De rechtbank laat het bericht van de vrouw van 19 juni 2026 gedeeltelijk buiten beschouwing. De rechtbank heeft mr. Van Elk bij bericht van 3 juli 2026 aangegeven dat zij tijdens de zitting gelegenheid krijgt om op de standpunten van de man te reageren. Ook is mr. Van Elk in de gelegenheid gesteld om het aanvullende verzoek en de producties alsnog voorafgaand aan de zitting in te dienen. Tijdens de zitting is besproken dat de bijlagen van het bericht van 19 juni 2026 onderdeel blijven uitmaken van het procesdossier. Mr. Van Elk heeft op de zitting de randnummers 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 34 van haar brief voorgedragen, zodat uitsluitend die randnummers van de brief van 19 juni 2026 onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.3.
De rechtbank laat verder het bericht van de man met bijlagen van 6 juli 2026, met uitzondering van de draagkrachtberekening, buiten beschouwing Deze processtukken zijn te laat ingediend. Deze processtukken worden dan door de rechter in beginsel buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat van de uitzonderingsgrond geen sprake is. De door de man ingediende stukken zijn geen recente stukken die pas op 6 juli 2026 hadden kunnen worden overgelegd. Bovendien zorgt een dermate late indiening ervoor dat mr. Van Elk de stukken niet met de moeder heeft kunnen bespreken. De rechtbank neemt dus geen kennis van de processtukken en de processtukken worden niet toegevoegd aan het procesdossier.
1.4.
Op 7 juli 2026 is de zaak op de zitting van de rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.5.
De rechtbank heeft aan [kind 1], de dochter van partijen, gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [kind 1] heeft dat per brief laten weten.
2Waar gaat het over?
2.1.
Partijen zijn op 14 mei 2005 in Driebergen-Rijsenburg met elkaar getrouwd. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 juli 2018 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 25 juli 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
2.2.
Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen:
[kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats];
[kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4.
In voormelde beschikking van 13 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw per 1 oktober 2017 een bedrag van € 225 per kind per maand aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) aan de vader moet betalen.
2.5.
Als gevolg van de wettelijke indexering bedraagt de door de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 306,56 per kind per maand.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2019 is de zorgregeling gewijzigd en is bepaald dat de kinderen in de even weken van maandag 10:00 uur tot woensdag 10:00 uur bij de man verblijven, en van vrijdagavond na het eten, omstreeks 19:00 uur, tot de daaropvolgende woensdagochtend 10:00 uur in de oneven weken.
3Wat ligt voor?
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank, na aanvulling, om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 13 juli 2018 te wijzigen in die zin, dat wordt bepaald dat de man met ingang van primair 28 april 2023, subsidiair per 1 december 2023 en meer subsidiair per 1 augustus 2024 een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen zal betalen aan de vrouw van € 1.500 per maand.
3.2.
De man is het niet eens met het verzoek en vraagt om afwijzing daarvan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.
4De beoordeling
ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Daarvan is sprake. Hoewel tussen partijen in geschil is of het niet uitvoeren van de zorgregeling een wijziging van omstandigheden vormt, is door de man niet weersproken dat de inkomens van partijen zijn gewijzigd. Zoals hierna zal blijken, zijn deze wijzigingen ook rechtens relevant. Zij leiden er namelijk toe dat de man kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen.
uitgangspunt
4.2.
Bij de herbeoordeling neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt en rondt de rechtbank in haar berekening(en) hierna de eindbedragen, voor zover nodig, telkens af op hele euro’s.
ingangsdatum
4.3.
Om proceseconomische redenen stelt de rechtbank eerst de ingangsdatum vast.
4.4.
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
4.5.
De rechtbank sluit aan bij het meer subsidiaire verzoek van de vrouw en hanteert als ingangsdatum 1 augustus 2024. Zij legt hierna uit waarom.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat partijen een kinderalimentatie zijn overeengekomen voor de situatie dat de man geen inkomen uit arbeid heeft, maar wel contact heeft met de kinderen. De vrouw betaalt dan ook een kinderalimentatie aan de man voor de verblijfskosten van de kinderen als zij bij de man zijn.
4.7.
Het is de rechtbank gebleken dat de zorgregeling tussen de man en [kind 2] sinds 1 december 2023 feitelijk niet meer wordt uitgevoerd. De rechtbank acht het redelijk dat partijen gedurende een periode daarna eerst hebben geprobeerd om de zorgregeling te herstellen, waardoor een wijziging van de kinderalimentatie vanaf die datum niet voor de hand ligt.
Sinds 1 maart 2024 heeft de man inkomen uit arbeid bij zijn huidige werkgever. Niet weersproken is dat het contact met [kind 1] sinds 1 augustus 2024 ook beduidend is verminderd. Dit samen met het nieuwe dienstverband van de man, maakt dat de rechtbank het redelijk vindt om met ingang van 1 augustus 2024, zoals meer subsidiair door de vrouw verzocht de kinderalimentatie te wijzigen. De redenen waarom partijen destijds een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie waren overeengekomen (te weten: geen inkomen uit arbeid aan de zijde van de man en een vergoeding voor de verblijfskosten van de kinderen bij de man) hielden immers toen (grotendeels) op te bestaan. Vanaf dat moment had de man dus kunnen verwachten dat de vrouw op grond van het ouderschapsplan geen kinderalimentatie meer aan de man verschuldigd zou zijn. Dat de vrouw eerder een procedure had kunnen starten doet daaraan niet af. Daar komt bij dat is gebleken dat de vrouw na 2018 is gestopt met het betalen van kinderalimentatie, waarna het LBIO in het kader van de bijstandsuitkering van de man voor enige periode de kinderalimentatie heeft geïncasseerd. Dat betekent dat als de rechtbank een ingangsdatum zonder terugwerkende kracht zou vastleggen, dit ondanks de gedeeltelijke incassatie van het LBIO alsnog tot een terugbetalingsverplichting van de vrouw zou leiden. Dat vindt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet redelijk. De rechtbank realiseert zich dat deze datum met terugwerkende kracht ertoe leidt dat de man met een betalingsachterstand wordt geconfronteerd. In hoeverre van de man kan worden gevergd dat hij met terugwerkende kracht kinderalimentatie betaalt, komt hierna aan de orde. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het verweer van de man.
4.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de kinderalimentatie zal herberekenen over verschillende perioden.
behoefte [kind 2] en [kind 1]
4.9.
Partijen zijn in het ouderschapsplan een behoefte in 2017 van € 696 per kind per maand overeengekomen. Met de jaarlijkse indexatie bedraagt de behoefte afgerond:
in 2024: € 851 per kind per maand;
in 2025: € 907 per kind per maand en
in 2026: € 948 per kind per maand.
draagkracht ouders
4.10.
Bij de herbeoordeling van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
4.11.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er voor de jaren 2024, 2025 en 2026 er als volgt uit:
2024: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1270)];
2025: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)];
2026: 70% [NBI – (NBI x 0,3 + 1365)].
draagkracht man 2024
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat de man heeft nagelaten financiële gegevens over 2024 te over leggen. Dat de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 op dit moment nog niet gereed is, staat er niet aan in de weg om andere inkomensgegevens te verstrekken, zoals een bijvoorbeeld een salarisspecificatie en/of een uitkeringsspecificatie of een jaaropgave. Het niet verstrekken van de benodigde financiële gegevens komt voor rekening en risico van de man. Bij gebreke van financiële stukken over het jaar 2024 gaat de rechtbank, net als de vrouw, voor het bepalen van de draagkracht van de man in 2024 uit van de door hem overlegde jaaropgaaf over 2025. Hieruit volgt een brutoloon van € 34.992.
4.13.
Tussen partijen bestaat discussie over het meenemen van de pensioenpremie. Hoewel de man maandelijks een pensioentoeslag ontvangt, is gebleken dat hij maandelijks geen pensioenvoorziening treft. Daarom houdt de rechtbank geen rekening met een voorziening voor pensioenopbouw en beschouwt de ontvangen toeslag als inkomen zoals al verdisconteerd in de jaaropgave 2025.
4.14.
De rechtbank overweegt verder dat op de zitting is gebleken dat de man gedurende de afgelopen jaren onterecht kindgebonden budget heeft ontvangen. Omdat dit in de toekomst tot een terugbetalingsverplichting kan leiden, acht de rechtbank het niet reëel om voor de draagkracht van de man rekening te houden met het ontvangen kindgebonden budget. De rechtbank zal dit bedrag dus niet meenemen in haar berekening.
4.15.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de man recht op heeft, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 2.513.
4.16.
Tussen partijen is verder in geschil of het forfaitaire woonbudget moet worden gehanteerd of dat moet worden uitgegaan van de werkelijke woonlasten van de man. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat zij rekening kan houden met de werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige als deze woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn en er kan worden vastgesteld dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. Zo is niet gebleken dat de man zich heeft ingespannen om een andere woning te vinden. Dat de gemeente in 2023 in het kader van de aflossing van een schuld hem niet heeft verzocht om een andere woning te zoeken, staat los van zijn verplichting als onderhoudsplichtige om ervoor zorg te dragen dat hij voldoende draagkrachtig is. De rechtbank zal dan ook niet afwijken van de forfaitaire woonlasten aan de zijde van de man.
4.17.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man in de periode van 1 augustus 2024 tot 31 december 2024 een draagkracht van € 342 per maand.
4.18.
De man heeft, naar de rechtbank begrijpt vanaf 2024, een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. De man stelt dat naast de kosten van levensonderhoud waarmee in de berekening van de draagkracht rekening wordt gehouden, rekening moet worden gehouden met maandelijkse lasten van € 2.174. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
4.19.
Een onderhoudsplichtige die zich niet van een verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, kan zich op de aanvaardbaarheidstoets beroepen. Het tremarapport gaat ervan uit dat in het algemeen sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien.
4.20.
Voor een geslaagd beroep op de aanvaardbaarheidstoets dient de man te stellen en te onderbouwen dat sprake is van lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dit specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de man, de noodzaak van de lasten en de mogelijkheid zich van die lasten te bevrijden. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met stukken – stellen (en bij een betwisting, onderbouwen) dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.
4.21.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat de man zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft een inkomsten- en uitgavenoverzicht met onderliggende afschrijvingen en facturen overgelegd. In zijn alimentatieberekening voert de man, zonder toelichting, de kosten uit dat overzicht op die al voor een deel uitmaken van het forfaitaire bedrag voor de noodzakelijke lasten van (onder meer) levensonderhoud. Daarmee wordt dus (gedeeltelijk) twee keer rekening gehouden met dezelfde kosten. Daarnaast is niet duidelijk in hoeverre sprake is van lasten die niet te bekostigen zijn van het bedrag aan noodzakelijke lasten waar rekening mee wordt gehouden in de alimentatieberekening en ook heeft de man niet toegelicht waarom hij zich niet van deze lasten kan bevrijden. Tot slot heeft de man nagelaten om stukken over te leggen waaruit zijn vermogen blijkt. Ter zitting is aan de orde gebleken dat hij het kindsdeel van een erfenis heeft opgeëist, grond in Griekenland heeft gekocht en meerdere auto’s bezit. Weliswaar heeft de man vervolgens toegelicht dat die erfenis nagenoeg op is, de grond weinig waard is en de auto’s niet meer in gebruik zijn, maar gelet op de betwisting door de vrouw, kan de man niet volstaan met die mondelinge toelichting.
draagkracht man 2025
4.22.
Voor de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 gaat de rechtbank eveneens uit van de overlegde jaaropgave over 2025. Uitgaande van een bruto loon van € 34.992, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 2.544.
4.23.
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.13., 4.14. en 4.16. en op dezelfde gronden houdt de rechtbank geen rekening met een voorziening voor pensioenopbouw, het kindgebonden budget en de werkelijke woonlasten.
4.24.
Op de zitting is de schuld van de man bij de gemeente [woongemeente] aan de orde gekomen. De vrouw heeft deze schuld niet weersproken. Uit de brief van 9 juli 2025 van de gemeente [woongemeente] blijkt dat de man een totale schuld had van € 10.517. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de man deze schuld met € 892 per maand aflost, wat leidt tot een aflossingsduur van 11,8 maanden. Dit betekent dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026 de schuld heeft afbetaald. De rechtbank zal daarom uitsluitend gedurende deze periode rekening houden met deze schuld.
4.25.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025 een draagkracht van € 330 per maand. Door het meenemen van de schuld van de man in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025, heeft de man gedurende deze periode geen draagkracht.
4.26.
De rechtbank gaat op dezelfde gronden als hiervoor overwogen onder 4.21. voorbij aan het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets.
draagkracht man 2026
4.27.
Voor de periode vanaf 1 januari 2026 gaat de rechtbank uit van de loonstroken over januari en februari 2026, waaruit een bruto-inkomen van € 2.615 per maand volgt. Daarbij neemt de rechtbank de ontvangen pensioentoeslag van € 225,94 per maand mee als inkomen, nu is gebleken dat de man deze pensioentoeslag niet inzet voor een pensioenvoorziening. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4.13. Het voorgaande leidt tot een NBI van € 2.642 in 2026.
4.28.
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.14. en 4.16. en op dezelfde gronden houdt de rechtbank geen rekening het kindgebonden budget en de werkelijke woonlasten.
4.29.
Zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 4.16. houdt de rechtbank in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 juni 2026 rekening met de schuld die de man heeft bij de gemeente [woongemeente]. Door het meenemen van de schuld van de man in de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026, heeft de man gedurende deze periode geen draagkracht.Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man in de periode vanaf 1 juli 2026 een draagkracht van € 339 per maand.
4.30.
De rechtbank gaat op dezelfde gronden als hiervoor overwogen onder 4.21. voorbij aan het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets.
draagkracht vrouw
4.31.
De vrouw is werkzaam als zelfstandig ondernemer. Voor het bepalen van de draagkracht van een ondernemer moet beoordeeld worden welke jaren representatief zijn voor de huidige en in de nabije toekomst te verwachten financiële positie van de onderneming. In de praktijk wordt daarvoor regelmatig aangesloten bij het gemiddelde van de winst uit onderneming in de laatste drie boekjaren. Tussen partijen is in geschil of dit ook in deze zaak het uitgangspunt moet zijn.
4.32.
De rechtbank stelt voorop dat zij over de jaren 2024, 2025 en 2026 de kinderalimentatie herbeoordeelt. Over 2024 en 2025 staat het bedrijfsresultaat van de vrouw vast. Voor die jaren is het niet (meer) nodig om een inschatting te maken en gaat de rechtbank uit van het bedrijfsresultaat in dat betreffende jaar. Het hanteren van een gemiddeld bedrijfsresultaat over alleen deze jaren zoals de man voorstaat, vindt de rechtbank dan ook niet reëel. Ook vindt de rechtbank het niet redelijk om uitsluitend voor het jaar 2024 uit te gaan van de privé-onttrekkingen van de vrouw. Door de man is onvoldoende onderbouwd waarom voor het jaar 2024 de privé-onttrekkingen maatgevend zouden moeten zijn en voor het jaar 2025 dan weer niet.
4.33.
Uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 volgt een brutoresultaat uit onderneming van € 49.218, zodat de rechtbank daarmee rekening houdt. Voor het jaar 2025 rekent de rechtbank met een brutoresultaat uit onderneming van € 32.014, zoals uit de aangifte inkomstenbelasting 2025 volgt.
4.34.
Voor het jaar 2026 zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022, 2023 en 2024. De vrouw heeft namelijk onvoldoende (met stukken) onderbouwd dat in de branche waar zij werkzaam is, sprake is van een (ver)slechte(rde) arbeidsmarkt waardoor de rechtbank uitsluitend zou moeten rekenen met de cijfers over 2025. Daarbij komt dat er geen sprake meer is van een verminderde arbeidscapaciteit door ziekte bij de vrouw, hetgeen in 2025 bij de vrouw heeft geleid tot een verminderde verdiencapaciteit en een verminderd inkomen. Gelet op de ziekte van de vrouw in 2025 vindt de rechtbank het bedrijfsresultaat over 2025 niet representatief voor de huidige en in de nabije toekomst te verwachten financiële positie van de onderneming van de vrouw. De rechtbank acht de fiscale cijfers over de jaren 2022, 2023 en 2024 dus het meest representatief. Dat de vrouw in het jaar 2023 een goed betaalde opdracht heeft gehad waardoor het bedrijfsresultaat in dat jaar hoger is uitgevallen dan in de jaren ervoor of erna, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat dit jaar niet representatief is voor de huidige en in de nabije toekomst te verwachten financiële positie van de onderneming van de vrouw.
4.35.
De rechtbank houdt dan rekening met een gemiddeld brutoresultaat uit onderneming van € 82.066.
4.36.
Ook ten aanzien van de vrouw bestaat er tussen partijen discussie over het meenemen van premie voor pensioenvoorziening. Uit de stukken van de vrouw is onvoldoende gebleken dat de vrouw structureel pensioenvoorzieningen treft. Alleen uit de aangifte inkomstenbelasting over 2025 blijkt dat de vrouw een bedrag van € 7.000 aan premie voor lijfrente heeft ingelegd. Daarom houdt de rechtbank geen rekening met een voorziening voor pensioenopbouw.
4.37.
De rechtbank constateert aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting over 2024 en 2025 dat de vrouw over een banktegoed beschikte van respectievelijk € 208.401 en € 228.304. Zij heeft daarmee geen recht op een kindgebonden budget. De rechtbank houdt daarom, evenals partijen, in haar berekening geen rekening met een kindgebonden budget.
draagkracht vrouw 2024
4.38.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 3.323. Volgens de hiervoor genoemde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw voor 2024 dan € 739 per maand.
draagkracht vrouw 2025
4.39.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.486. Volgens de hiervoor genoemde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw voor geheel 2025 dan € 301 per maand.
draagkracht vrouw 2026
4.40.
Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 4.684. Volgens de hiervoor genoemde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw voor geheel 2026 dan € 1.340 per maand.
draagkrachtvergelijking
4.41.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024
4.42.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.081 per maand (€ 342 + € 739), terwijl de kosten van de kinderen € 1.702 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 621 per maand tekort. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 310,50 per maand.
periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025
4.43.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 2] en [kind 1]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 631 per maand (€ 330 + € 301), terwijl de kosten van de kinderen (geïndexeerd naar 1 juli 2025) € 1.814 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 1.183 per maand tekort. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 591,50 per maand.
periode vanaf 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025
4.44.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man geen draagkracht heeft. De vrouw heeft een draagkracht van € 301. De kosten van de kinderen zijn, zoals hiervoor overwogen, € 1.814 per maand, zodat sprake is van een tekort van € 1.513 per maand. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 756,50 per maand.
periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 juli 2026
4.45.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man geen draagkracht heeft. De vrouw heeft een draagkracht van € 1.340. De kosten van de kinderen zijn (geïndexeerd) € 1.896, zodat sprake is van een tekort van € 556. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, wat neerkomt op € 278 per maand.
periode vanaf 1 juli 2026
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 2] en [kind 1]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.679 per maand (€ 339 + € 1.340), terwijl de kosten van de kinderen (geïndexeerd naar 1 juli 2026) € 1.896 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 217 per maand tekort. Dit tekort wordt aan ieder van partijen voor de helft toegerekend, want neerkomt op € 109 per maand.
zorgkorting
4.46.
Voor de momenten waarop de niet-verzorgende ouder de zorg voor de kinderen draagt, heeft die ouder in beginsel recht op een zogenaamde zorgkorting. Die ouder draagt op dat moment kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet die ouder – deels – aan de onderhoudsverplichting. Tussen partijen is in geschil of er rekening moet worden gehouden met deze zorgkorting. De rechtbank maakt hiervoor onderscheid tussen [kind 2] en [kind 1] en tussen de hiervoor genoemde perioden.
[kind 2]
4.47.
Voor [kind 2] houdt de rechtbank in de jaren 2024 en 2025 geen rekening met een zorgkorting. De zorgregeling tussen de vader en [kind 2] wordt sinds 1 december 2023 feitelijk niet meer uitgevoerd, hoezeer de man dat ook anders had gezien. Sindsdien hebben de man en [kind 2] geen structureel contact gehad. De man heeft daardoor geen verblijfskosten gehad en is er geen sprake geweest van een besparing in de kosten van [kind 2] die de vrouw maakt.
4.48.
Voor 2026 en verder overweegt de rechtbank dat de man heeft uitgesproken dat hij graag contactherstel met [kind 2] wil. Hij heeft daartoe ook een beroep op de vrouw gedaan. Ook zijn er weer kleine contactmomenten tussen de man en [kind 2] geweest. De rechtbank sluit daarom voor de periode vanaf 1 juli 2026 aan bij het uitgangspunt van het Rapport Alimentatienormen en houdt rekening met een zorgkorting van 5% van de behoefte. Dat komt neer op een bedrag van € 47 in 2026.
[kind 1]
4.49.
Gelet op de lopende zorgregeling tussen de man en [kind 1], acht de rechtbank het redelijk om voor de zorgkorting aan te sluiten bij 15% van de behoefte. De man heeft daarom in beginsel recht op een zorgkorting van € 128 in 2024, € 136 in 2025 en € 142 in 2026. De vermindering van het contact tussen de man en [kind 1] in 2026 is gelegen in de reis naar Japan die [kind 1] heeft gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat het contact tussen de man en [kind 1] weer wordt hervat.
voor de periode van 1 augustus 2024 tot 1 juli 2026
4.50.
In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Als de rechtbank de kosten die de man al voor de kinderen maakt in mindering zou brengen op de alimentatie, zou het hele tekort op de schouders van de vrouw komen te rusten. Daarom past bij de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de man zijn volledige draagkracht moet aanwenden voor [kind 2] en [kind 1].
voor de periode vanaf 1 juli 2026
4.51.
De zorgkorting die hiervoor is berekend voor beide kinderen bedraagt € 142 ([kind 1]) + € 47 ([kind 2]) = € 189 per maand. Omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij niet kan dragen. In dat geval moet ieder de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van € 109 per maand. Dit betekent dat de man een zorgkorting van (189-/- 109 =) € 80 per maand krijgt. Er blijft dan een bedrag van (339 -/- 80=) € 259 per maand over dat de man aan kinderalimentatie moet betalen. Dit komt neer op € 129,50 per kind per maand.
conclusie
periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024
4.52.
De door de man te betalen bijdrage voor [kind 2] en [kind 1] bedraagt voor de periode van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 342 per maand. Dit komt neer op € 171 per kind per maand.
periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025
4.53.
De door de man te betalen bijdrage voor [kind 2] en [kind 1] bedraagt voor de periode van 1 januari 2025 tot 30 juni 2025 € 330 per maand. Dit komt neer op € 165 per kind per maand.
periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025
4.54.
Gelet op het gebrek aan draagkracht gedurende deze periode is de man geen kinderalimentatie aan de vrouw verschuldigd.
periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026
4.55.
Gelet op het gebrek aan draagkracht gedurende deze periode is de man geen kinderalimentatie aan de vrouw verschuldigd.
periode vanaf 1 juli 2026
4.56.
De bijdrage voor [kind 2] en [kind 1] bedraagt voor de periode vanaf 1 juli 2026 € 259 per maand. Dit komt neer op € 129,50 per kind per maand.
(Terug)betalingsverplichting van de man
4.57.
De rechtbank heeft in deze zaak de kinderalimentatie met terugwerkende kracht beoordeeld. De man was onderhoudsgerechtigde, maar is door de wijziging sinds 1 augustus 2024 onderhoudsplichtige geworden. Dit heeft twee gevolgen.
4.58.
Ten eerste leidt dat in beginsel voor de man tot een verplichting om de kinderalimentatie die hij vanaf 1 augustus 2024 ten onrechte van de vrouw heeft ontvangen, terug te betalen. Ten tweede komt op de man, als onderhoudsplichtige, vanaf 1 augustus 2024 een betalingsverplichting ten opzichte van de vrouw te rusten.
4.59.
De rechtbank moet op basis van de omstandigheden van het geval beoordelen of en in hoeverre het redelijk is dat de man de in die periode ontvangen kinderalimentatie moet terugbetalen en de achterstallige kinderalimentatie alsnog aan de vrouw moet betalen.
4.60.
De rechtbank is van oordeel dat een (terug)betaling van de man kan worden verlangd, omdat de wijziging – zoals overwogen onder 4.7. – voor hem voorzienbaar was en hij hiermee rekening had kunnen houden. Daar komt bij dat de man geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie en de rechtbank niet kan beoordelen in hoeverre (terug)betaling in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Ten aanzien van de terugbetalingsverplichting geldt dat dit nog meer dan anders van de man had mogen worden verwacht. Vast staat namelijk dat de man de teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de kinderen heeft besteed.
Toekomstige en achterstallige termijnen
4.61.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
4.62.
Ten aanzien van de achterstallige termijnen geeft de rechtbank partijen in overweging om een betalingsregeling te treffen.
uitvoerbaar bij voorraad
4.63.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
proceskosten
4.64.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijzigt de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2018, en bepaalt dat de man voor de minderjarige [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], als bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding moet betalen:
met ingang van 1 augustus 2024: € 171 per kind per maand;
met ingang van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025: € 165 per kind per maand;
met ingang van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026: nihil;
met ingang van 1 juli 2026: € 129,50 per kind per maand;
voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat de man en de man allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
5.4.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. van Spanje, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Rutgers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage(n):
[ Bijlagen verwijderd ter anonimisatie. ]
Artikel 279 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 87 lid 6 Rv.
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:402 BW.
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bijlage 1: NBI en draagkracht man 2024.
Productie 8 van de man.
Productie 7 van de man.
Bijlage 2: NBI en draagkracht man 2025-1.
Bijlage 3: NBI en draagkracht man 2025-2.
Bijlage 4: NBI en draagkracht man 2026-1.
Bijlage 5: NBI en draagkracht man 2026-2.
Bijlage 4: NBI en draagkracht vrouw 2024.
Bijlage 5: NBI en draagkracht vrouw 2025.
((66.715 + 130.266 + 49.218) : 3).
Bijlage 6: NBI en draagkracht vrouw 2026.