Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6408

2026-08-07 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 23/5085
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 23/5085
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM; artikel 10 BPM; taxatiemethode; koerslijst; beroep ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.238 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummers: ARN 23/5085, 23/5090 en 23/7755



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 august 2026


in de zaken tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,


en




de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van, 21 juni 2023 en 30 oktober 2023.



De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.511, € 3.238 en € 8.337.



De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende in de zaak met 23/5085 gegrond verklaard en de bezwaren in de zaken met nummer 23/5090 en 23/7755 ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.



De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft de beroepen op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en, namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] .





Feiten



Auto 1 (23/5085)


1. Belanghebbende heeft op 7 april 2022 aangifte BPM gedaan voor een BMW 318i Touring met kenteken [kenteken 1] (auto 1). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:







Brandstof


Benzine




CO2-uitstoot


140 gr/km




Datum eerste toelating


23-9-2019




Netto Catalogusprijs


€ 30.784




Historische nieuwprijs


€ 44.562




Handelsinkoopwaarde


€ 1.266




Bruto bpm


€ 7.921




Te betalen bpm


€ 225






Belanghebbende heeft de te betalen Bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van registertaxateur [persoon 3] , van waardetaxaties.nl, gevoegd. In het taxatierapport worden een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 17.002 (op basis van de koerslijst Xray), een schadecalculatie van € 15.736 (95% van de gecalculeerde schade van € 16.565,06) en een handelsinkoopwaarde na aftrek van de schade van € 1.266 vermeld. Auto 2 (23/5090)
3. Belanghebbende heeft op 29 november 2021 aangifte BPM gedaan voor een BMW 116i met kenteken [kenteken 2] (auto 2). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:







Brandstof


Benzine




CO2-uitstoot


135 gr/km




Datum eerste toelating


30-8-2019




Netto Catalogusprijs


€ 22.080




Historische nieuwprijs


€ 33.768




Handelsinkoopwaarde


€ 1.289




Bruto bpm


€ 7.182




Te betalen bpm


€ 274






Belanghebbende heeft de te betalen Bpm op aangifte voldaan.
4. Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van registertaxateur [persoon 4] , van waardetaxaties.nl, gevoegd. In het taxatierapport worden een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 15.618 (op basis van de koerslijst Xray), een schadecalculatie van € 14.329 (95% van de gecalculeerde schade van € 15.083,71) en een handelsinkoopwaarde na aftrek van de schade van € 1.289 vermeld. Auto 3 (23/7755)
5. Belanghebbende heeft op 29 november 2021 aangifte BPM gedaan voor een Porsche Macan met kenteken [kenteken 3] (auto 3). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:







Brandstof


Benzine




CO2-uitstoot


183 gr/km




Datum eerste toelating


20-1-2020




Netto Catalogusprijs


€ 67.974




Historische nieuwprijs


€ 107.970




Handelsinkoopwaarde


€ 18.745




Bruto bpm


€ 22.944




Te betalen bpm


€ 1.911






Belanghebbende heeft de te betalen Bpm op aangifte voldaan
6. Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van registertaxateur [persoon 4] , van waardetaxaties.nl, gevoegd. In het taxatierapport worden een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 51.619 (op basis van de koerslijst Xray), een schadecalculatie van € 32.874, waarvan 100% in aanmerking is genomen, en de handelsinkoopwaarde na aftrek van de schade op € 18.745 vermeld.
7. Bij brieven van 18 maart 2022, 12 april 2022 en 20 mei 2022 heeft de inspecteur een kennisgeving naheffingsaanslag Bpm aan belanghebbende gestuurd. Na ontvangst van een nadere toelichting van belanghebbende op de kennisgeving heeft de inspecteur gereageerd in de mededeling naheffingsaanslag Bpm waarin hij uiteen heeft gezet dat hij in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding ziet zijn standpunt te herzien.
8. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd.



Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. In geschil zijn de bruikbaarheid van de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten, de waardevermindering wegens schade, de toepassing van de Xray koerslijst, de CO2-uitstoot ten gevolge van de invoering van de WLP/NEDC methode en de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar.
11. Ter zitting heeft de gemachtigde de gronden met betrekking tot de deskundigheid van DRZ, de schending van het mandaatverbod, de dwangsom en de waardevermindering wegens het schadeverleden (auto 1) ingetrokken.
12. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. De beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Bruikbaarheid taxatierapporten en essentiële gebreken



13. Belanghebbende is van mening dat de door hem overgelegde taxatierapporten voldoen aan de daaraan gestelde voorwaarden en moeten worden gevolgd bij de berekening van de verschuldigde Bpm. De auto’s zijn beschadigd maar er is geen sprake van een WOK-status dus volgens belanghebbende is ook geen sprake essentiële gebreken. Door de inspecteur wordt de wet- en regelgeving voor wat betreft de essentiële gebreken op onjuiste wijze uitgelegd.
13. De inspecteur heeft gesteld dat de taxatierapporten buiten beschouwing moeten worden gelaten vanwege diverse formele en materiële gebreken. Door de taxateur is geen onderzoek ingesteld naar de schade aan de auto’s. Bij auto 1 is sprake van essentiële gebreken omdat de airbags eruit hangen en onder andere de bumperversterker, stuurkolom, intercooler en radiateur beschadigd zijn. Volgens de inspecteur kan de auto in deze toestand niet zijn goedgekeurd door de RDW. Dat auto 1 door de RDW op 7 april 2022 wel is goedgekeurd kan niet anders betekenen dan dat de auto in een andere toestand verkeerde dan weergegeven in het taxatierapport. Ditzelfde geldt voor auto 2. Uit de foto’s en de calculatie van de schade blijkt volgens de inspecteur dat de wielophanging, airbags, linker koplamp, voorbumper, motorkap en voorruit gerepareerd dan wel vervangen moeten worden. Voor wat betreft auto 3 is de inspecteur van mening dat uitsluitend met een taxatie ná herstel van de essentiële gebreken een vermindering van de BPM op grond van een taxatierapport kan worden toegepast. Daarnaast kan op basis van de door belanghebbende overgelegde inkoopfacturen worden geconcludeerd dat de door de inspecteur vastgestelde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat niet te hoog zijn.
13. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn standpunt dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast voor auto 1 en 2 omdat aan de hand van de foto’s en schadelijsten in de taxatierapporten moet worden vastgesteld dat sprake is van (herstelde) essentiële gebreken. Bij auto 1 zijn verschillende airbags zichtbaar en allemaal geactiveerd en blijkt uit de schadecalculatie dat de bumper zwaar beschadigd is en onder andere de stuurkolom, aandrijfas, intercooler en radiateur vervangen dienen te worden. Op de foto’s van auto 2 is zware aanrijdingsschade aan de voorzijde van de auto zichtbaar, waarbij een voorwiel volledig ontzet is en de voorruit dusdanig gebarsten is dat deze vervangen dient te worden, daarnaast zijn de airbags aan zowel de bestuurders- als bijrijders geactiveerd.
13. Voor wat betreft auto 3 overweegt de rechtbank dat het taxatierapport eveneens niet kan dienen en dat voor het opstellen van het taxatierapport de auto hersteld is. Een bevestiging hiervan vindt de rechtbank in het beroepschrift waarin belanghebbende heeft gesteld dat uit de beschikbare stukken blijkt dat de auto beschadigd was en dat rekening mag worden gehouden met een waardevermindering wegens ernstige schade. Daarnaast is heeft de taxateur in het rapport vermeld “de in de fotoreportage geconstateerde schade in verschillende gradaties van herstel is opgenomen in bijbehorende schadecalculatie”. Het moment van het afronden van het afschrijvingsonderzoek door de RDW is bepalend voor de hoogte van de vermindering wegens schade. De door belanghebbende overgelegde facturen van de schade zijn door de inspecteur gemotiveerd betwist. De eerste factuur betreft herstel voor de keuring door de RDW, facturen 2 en 6 lijken te zien op een andere auto, de facturen 3,5,7, 8 en 10 zijn niet te herleiden naar de auto, factuur 4 dateert van een half jaar na aangifte en factuur 9 ziet op meerdere auto’s. Belanghebbende heeft, naar het oordeel van de rechtbank, de omvang van de schade op het moment van keuring door de RDW onvoldoende onderbouwd. Het rapport is derhalve niet bruikbaar.Toepassen koerslijstmethoden (auto 2)
13. In het nader stuk van belanghebbende van 16 april 2026 wenst hij naar de koerslijstmethode te switchen. Dit verzoek heeft hij onderbouwd met een uitdraai van de Xray koerslijst.
13. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat moet worden uitgegaan van de koerslijst van Xray. In deze koerslijst is een bedrag van € 2.169 voor fabrieksopties opgenomen. Nu, zoals door de inspecteur tijdens de zitting gesteld, de typegoedkeuring in de koerslijst verschilt van de gegevens van auto 2 en het geboortekaartje ontbreekt heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in de nieuwe koerslijst van het juiste bedrag aan opties is uitgegaan. Belanghebbende heeft tijdens de zitting aangeboden de gegevens met betrekking tot de opties alsnog te overleggen. De rechtbank acht het bewijsaanbod tardief en heeft het daarom afgewezen. Van een professioneel gemachtigde mag verwacht worden dat dergelijke informatie tijdig wordt overgelegd. Gelet op vorenstaande slaagt het beroep van belanghebbende op de koerslijst van Xray niet. Koerslijst Xray (auto 3)
13. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur een onjuiste werkwijze heeft gehanteerd door bij het opleggen van de naheffingsaanslag voor auto 3 uit te gaan van de forfaitaire afschrijvingstabel. De berekening van de afschrijving op basis van de koerslijst Xray verminderd met de reparatiefacturen is volgens belanghebbende voordeliger.
13. Zoals onder punt 16. is overwogen heeft belanghebbende de schade aan de auto, met behulp van de door haar overgelegde facturen, niet onderbouwd. In de naheffingsfase heeft de inspecteur een berekening op basis van de koerslijst gemaakt terwijl de forfaitaire afschrijvingstabel voor belanghebbende gunstiger bleek. Daarom heeft de inspecteur de naheffingsaanslag op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel opgelegd. De naheffingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot de juiste hoogte vastgesteld.

WLTP/NEDC2 (auto 2)
21. Belanghebbende stelt dat auto 2 door de invoering van de WLTP/NEDC2-methode een hogere uitstoot heeft gekregen en daardoor zwaarder belast wordt dan wanneer deze auto zou zijn getest overeenkomstig de NEDC1-methode. Dit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 van het VWEU. In het arrest van 26 april 2024 heeft de Hoge Raad volgens belanghebbende een toetsingskader gegeven met een temporele beperking tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Hij verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025 ter onderbouwing van zijn standpunt dat de voornoemde temporele beperking is toegespitst op de zaak waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen hierover heeft beantwoord.

22. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving geregistreerd. Uit de door belanghebbende overgelegde technische gegevens blijkt volgens de inspecteur dat de EG-typegoedkeuring van de importauto’s afwijkt van de EG-typegoedkeuring van de referentieauto’s. De referentieauto zijn dan ook niet als gelijksoortig aan te merken. Verder is op basis van de overige verschillen tussen de onderhavige auto en de referentievoertuigen ook geen sprake van gelijksoortigheid.
22. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2024 een feitelijke toelichting gegeven op de Europees- en nationaalrechtelijke aspecten van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in de in dat arrest bedoelde zin in nieuwe staat is geregistreerd.


24. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd omdat hij geen gegevens van referentievoertuigen heeft overgelegd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd.Kostenvergoeding in bezwaar
24. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de kostenvergoeding in bezwaar voor auto 1 op een te laag bedrag heeft vastgesteld.
24. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de vergoeding in bezwaar te laag heeft vastgesteld en de vergoeding berekend moet worden naar het hoge tarief van het jaar 2026, te weten € 666. Belanghebbende heeft recht op een kostenvergoeding in bezwaar van € 1.332. Op dit bedrag dient het door de inspecteur reeds betaalde bedrag aan kostenvergoeding in mindering worden gebracht. Immateriële schadevergoeding

27. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.

28. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 9 juni 2022. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 26 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vijf keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.500. De laatste uitspraak op bezwaar dateert van 30 oktober 2023. Dit is afgerond 11 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 1.100. De Staat moet de rest betalen, dus € 1.400. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
29. In dit geval is sprake van beroepen inzake meerdere auto’s van één belanghebbende, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de gronden met betrekking tot de auto’s 1 tot en met 3 in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen, namelijk de bruikbaarheid van het taxatierapport en de waardevermindering wegens schade, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk één keer het bedrag van € 2.500 toe.Conclusie en gevolgen


30. Het beroep inzake auto 1 is voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar gegrond. De beroepen inzake auto 2 en 3 zijn ongegrond. Dat betekent dat alle naheffingsaanslagen gehandhaafd worden.
30. Omdat de rechtbank het beroep inzake auto 1 voor inzake de kostenvergoeding in bezwaar en het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur en de Staat te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.167,50 (voor auto 1: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5; voor auto 2 en 3: 1 punt voor het indienen van het verzoek immateriële schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 en factor 1 in verband met samenhangende zaken). De rechtbank past een wegingsfactor van 0,50 in plaats van 0,25 toe omdat de vergoeding in beroep ziet op de kostenvergoeding in bezwaar voor auto 1 en het verzoek om immateriële schadevergoeding. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de inspecteur en de Staat voldaan te worden. De inspecteur dient een bedrag van € 1.050,75 te voldoen en de Staat een bedrag van € 116,75.
30. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank:



verklaart de het beroep inzake auto 1 voor wat betreft de kostenvergoeding in bezwaar gegrond;


verklaart de beroepen inzake auto 2 en 3 ongegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar voor auto 1 voorzover deze ziet op de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar;


handhaaft de naheffingsaanslagen;


stelt de kostenvergoeding in bezwaar vast op € 1.332;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar voor auto 1;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.100;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.400;


veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 1.050,75;


veroordeelt de Staat in de proceskosten ten bedrage van € 116,75;


draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht in alle zaken van € 365, totaal € 1.095, te vergoeden.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 7 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Hoge Raad, 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.


ECLI:NL:RBNNE:2025:2046.


ECLI:NL:HR:2024:653.


Hoe Raad, 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.


ECLI:NL:HR:2016:252.


Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.


5 keer een half jaar van € 500.


11 maanden / 26 maanden * € 2.500.


Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.