Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6407
2026-08-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 23/4636
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM; artikel 10 Wet BPM; beroep gegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:2023:1703 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:HR:2024:653 Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2046 Rechtbank Noord-Nederland 22-05-2025
- ECLI:NL:HR:2024:653 Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:HR:2016:2078 Hoge Raad 16-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2020:154 Hoge Raad 31-01-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.916 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/4636, 23/4637, 23/6021 en 23/6965
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 juni 2023, 20 juli 2023 en 11 oktober 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.473 (€ 1.861 + € 612), € 1.083 en € 1.618.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende in de zaken met nummer 23/4636 en 24/4637 gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd van € 2.473 tot een bedrag van € 1.857. De bezwaren in de zaken met nummer 23/6021 en 23/6965 heeft de inspecteur ongegrond verklaard en hij heeft daarbij de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en de op de zaken betrekking hebben stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 april 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is een kantoorgenoot van gemachtigde verschenen en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Belanghebbende heeft aangiften belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ingediend voor onderstaande voertuigen en de bijbehorende bedragen aan BPM op aangifte voldaan.
Zaaknr.
Auto
Merk
Kenteken
Datum 1e toelating
Bruto
Bpm
Afgedr.
Bpm
23/4636
1
Skoda Superb 1.5 TSI sportl.
[kenteken 1]
10-03-20
€ 5.600
€ 2.221
23/4637
2
Nisssan Qashqai 1.3 DIG-T
[kenteken 2]
09-01-20
€ 6.658
€ 2.268
23/6021
3
Peugeot 508 1.6 Puretech
[kenteken 3]
09-07-20
€ 5.084
€ 1.739
23/6965
4
Nissan Juke 1.6 N-Connecta
[kenteken 4]
31-10-18
€ 7.706
€ 1.977
2. Bij de aangiften heeft belanghebbende taxatierapporten, inclusief foto’s, van
Waardetaxaties.nl, [naam] , gevoegd. Daarin zijn de volgende bedragen opgenomen.
Zaaknr.
Auto
HNP
HIW
onbesch.
Schade
HIW besch.
23/4636
1
€ 43.195
€ 22.910
€ 5.776
€ 17.134
23/4637
2
€ 41.125
€ 19.600
€ 5.589
€ 14.011
23/6021
3
€ 40.844
€ 19.280
€ 5.313
€ 13.967
23/6965
4
€ 28.940
€ 12.350
€ 4.926 (90%)
€ 7.424
3. Bij brieven van 2 juni 2022, 10 juni 2022 en 1 september 2022 heeft de inspecteur een kennisgeving naheffingsaanslag Bpm aan belanghebbende gestuurd. Nadat belanghebbende niet op deze brieven heeft gereageerd heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. In geschil zijn de bruikbaarheid van de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten, de waardevermindering wegens schade, de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de CO2-uitstoot ten gevolge van de invoering van de WLP/NEDC methode en de historische nieuwprijs.
6. Ter zitting heeft de gemachtigde de grond met betrekking tot de deskundigheid van DRZ ingetrokken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de nageheven bedragen aan Bpm voor de auto’s 2 en 4 te hoog zijn vastgesteld en de beroepen gegrond zijn. De nageheven bedragen aan Bpm voor de auto’s 1 en 3 zijn tot de juiste hoogte vastgesteld. Het beroep inzake auto1 is echter gegrond omdat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Naheffingsaanslag (auto 2)
8. De inspecteur is van mening dat hij de nageheven Bpm van auto 2 ten onrechte heeft verhoogd naar € 904 en verminderd de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.565 (auto 1: € 953 + auto 2: € 612). De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Bruikbaarheid taxatierapport
9. De inspecteur is primair van mening dat de taxatierapporten niet kunnen dienen omdat niet wordt voldaan aan de één maandstermijn. Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat de taxatierapporten buiten beschouwing moeten worden gelaten vanwege diverse formele en materiele gebreken. De taxateur van belanghebbende kan niet binnen 15 minuten de gehele auto kan zijn beoordelen, hij heeft geen onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de schade aan de auto’s dan wel de reden van de afwezigheid van gedemonteerde delen en hij heeft geen rekening gehouden met gebruikssporen.
10. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde worden bepaald indien de opgaaf bestaat uit het bij de aangifte gebruikte taxatierapport dat is opgemaakt door een onafhankelijk, erkende taxateur en waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is het inschrijvingsonderzoek door de RDW. Uit de door de inspecteur overgelegde voertuigbeelden van de RDW en informatie over het belastbare feit onderstaande gegevens worden afgeleid.
Auto
Keuring RDW
Taxatierapport
1
17-01-2022
18-01-2022
2
13-01-2022
14-01-2022
3
15-12-2021
21-12-2021
4
29-09-2021
24-09-2021
Op grond van bovenstaande gegevens stelt de rechtbank vervolgens vast dat het afschrijvingsmoment van de auto’s 1 tot en met 3 op 17 januari 2022, 13 januari 2022 respectievelijk 15 december 2021 is en dat de fysieke schouw van de auto’s na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden en de taxatierapporten ook daarna zijn opgemaakt. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde dat de fysieke opname door de taxateur ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de taxatierapporten niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van de vermindering.
11. Bovenstaande heeft tot gevolg dat de vermindering van de Bpm moet worden vastgesteld op grond van de tabel. Bij afschrijving aan de hand van de wettelijke tabel is geen plaats voor een vermindering wegens schade of het schadeverleden van de auto’s. De nageheven bedragen aan Bpm zijn dan ook eerdere te laag dan te hoog vastgesteld. De overige stellingen van de inspecteur behoeven dan ook geen bespreking meer.
12. De fysieke schouw van auto 4 heeft plaatsgevonden voor de keuring bij de RDW, waardoor de rechtbank de stelling van de inspecteur voor deze auto niet zal volgen. De rechtbank volgt de inspecteur ook niet in zijn standpunt dat het taxatierapport materiële en essentiële gebreken vertoond omdat de inspecteur zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd en hij er voor gekozen heeft om auto 4 niet op te roepen voor controle bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en daarmee zelf geen onderzoek heeft gedaan naar de schade aan auto 4. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij de door belanghebbende gestelde schade.
13. Dat de verschuldigde Bpm voor auto 4 volgens de inspecteur op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend had moeten worden omdat de auto op de datum eerste toelating niet in Nederland geleverd is en daardoor hem een beroep op interne compensatie toekomt onderschrijft de rechtbank niet. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur immers rekening gehouden met een bedrag aan schade waardoor niet als nog een beroep op de forfaitaire tabel en daarmee interne compensatie kan worden gedaan. CO2-uitstoot juist ingevuld door belanghebbende (auto 3)
13. Belanghebbende heeft gesteld dat hij is uitgegaan van een verkeerde CO2-uitstoot en de CO2-uitstoot op 116 gr/km moet worden vastgesteld in plaats van de gehanteerde 207 gr/km.
13. De rechtbank is van oordeel dat, zoals door de inspecteur gesteld, de CO2-uitstoot zoals opgenomen in het kentekenregister leidend is. Nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de CO2-uitstoot voor de NEDC1-methode is deze in het kentekenregister aangepast naar 121 gr/km. De geregistreerde CO2-uitstoot op grond van de WLTP-methode is gelijk gebleven op 165 gr/km. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag voor auto 3 hiervan uitgegaan. Belanghebbende heeft een andere, lagere CO2-uitstoot voor de NEDC1-meetmethode dan wel de WLTP-meetmethode, naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd en dan ook niet aannemelijk gemaakt. Historische nieuwprijs (auto 4)
16. Belanghebbende bepleit voor auto 4 een historische nieuwprijs van € 36.048 op basis van een CO2-uitstoot van 202 gr/km en een bedrag van € 34.846 aan bruto Bpm. Dit in tegenstelling tot de inspecteur die bij het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt voor de historische nieuwprijs van het meest vergelijkbare Nederlandse referentievoertuig heeft genomen.
16. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur tijdens de zitting betoogd dat indien een hogere historische nieuwprijs in aanmerking dient te worden genomen ook de handelsinkoopwaarde naar boven moet worden bijgesteld, omdat daar een deel van de bruto Bpm is inbegrepen. Het is volgens de inspecteur logisch dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde met elkaar samenhangen. Daarmee heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan uit het taxatierapport van belanghebbende blijkt.
18. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank onderstaande berekening van belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde € 6.992Historische nieuwprijs € 36.048Bruto Bpm € 14.883Verschuldigde bpm € 2.887
Op aangifte voldaan € 1.977
Na te heffen € 910
De naheffingsaanslag voor auto 4 wordt verminderd tot een bedrag van € 910.WLTP/NEDC2 (auto 4)
20. Belanghebbende stelt dat auto 4 door de invoering van de WLTP/NEDC2-methode een hogere uitstoot hebben gekregen en daardoor zwaarder belast wordt dan wanneer deze auto zou zijn getest overeenkomstig de NEDC1-methode. Dit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 van het VWEU. In het arrest van 26 april 2024 heeft de Hoge Raad volgens belanghebbende een toetsingskader gegeven met een temporele beperking tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Hij verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025 ter onderbouwing van zijn standpunt dat de voornoemde temporele beperking is toegespitst op de zaak waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen hierover heeft beantwoord.
21. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving geregistreerd. De bewijslast dat bij gelijksoortige auto’s het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een andere CO2-meetmethode ligt bij belanghebbende. Het in algemene zin stellen dat de CO2-uitstoot hoger is bij auto’s die met de WLTP-methode zijn getest dan wanneer met de NEDC-methode zijn getest is daartoe onvoldoende.
21. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2024 een feitelijke toelichting gegeven op de Europees- en nationaalrechtelijke aspecten van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in de in dat arrest bedoelde zin in nieuwe staat is geregistreerd.
23. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd omdat hij geen gegevens van referentievoertuigen heeft overgelegd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd.Kostenvergoeding bezwaar
23. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor het bezwaar voor auto 1 en 2. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 16 september 2016 komt de onjuiste registratie van de CO2-uitstoot door de RDW voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor risico van de inspecteur. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te oordelen. Immateriële schadevergoeding
25. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
26. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 21 juli 2022. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 25 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zes keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.000. De laatste uitspraak op bezwaar dateert van 11 oktober 2023. Dit is afgerond 16 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 1.920. De Staat moet de rest betalen, dus € 1.080. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
27. In dit geval is sprake van beroepen inzake meerdere auto’s van één belanghebbende, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de gronden met betrekking tot de auto’s 1 tot en met 3 in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen, namelijk de bruikbaarheid van het taxatierapport en de waardevermindering wegens schade, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk twee keer het bedrag van € 3.000, totaal € 6.000.
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen die zien op auto 1, 2 en 4 zijn gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag voor auto 1 en 2 wordt verminderd tot een bedrag van € 1.565. De naheffingsaanslag voor auto 4 wordt verminderd tot een bedrag van € 910. Het beroep inzake auto 3 is ongegrond.
28. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 en factor 1). Aan de gegronde beroepen die zien op auto 1 en 2 (proceskostenvergoeding in bezwaar en het schenden van het beginsel van reformatio in peius) en auto 4 stelt de rechtbank in verband met samenhang de factor op 1. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
28. Belanghebbende ontvangt het door haar betaalde bedrag aan griffierecht retour.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen inzake auto 1, 2 en 4 gegrond;
verklaart het beroep inzake auto 3 ongegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar voorzover deze auto 1, 2 en 4 betreffen;
vermindert de naheffingsaanslag voor de auto’s 1 en 2 tot een bedrag van € 1.565;
vermindert de naheffingsaanslag voor auto 4 tot een bedrag van € 910;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.080;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.920;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 3.200;
draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht in alle zaken van € 365, totaal € 1.095, te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 7 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
HNP staat voor Historische Nieuwprijs.
HIW staat voor Handelsinkoopwaarde.
Artikel 8, vierde lid, aanhef en onder b, van de uitvoeringregeling Bpm.
Artikel 8, vijfde lid, van de uitvoeringregeling Bpm
Artikel 10, zevende lid, onder a, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm).
Artikel 9 van de Wet Bpm in samenhang met artikel 6a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
Hoge Raad, 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
ECLI:NL:RBNNE:2025:2046.
ECLI:NL:HR:2024:653.
Hoge Raad, 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2078.
ECLI:NL:HR:2016:252.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
6 keer een half jaar van € 500.
16 maanden / 25 maanden * € 3.000.
Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/4636, 23/4637, 23/6021 en 23/6965
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 juni 2023, 20 juli 2023 en 11 oktober 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.473 (€ 1.861 + € 612), € 1.083 en € 1.618.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende in de zaken met nummer 23/4636 en 24/4637 gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd van € 2.473 tot een bedrag van € 1.857. De bezwaren in de zaken met nummer 23/6021 en 23/6965 heeft de inspecteur ongegrond verklaard en hij heeft daarbij de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en de op de zaken betrekking hebben stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 april 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is een kantoorgenoot van gemachtigde verschenen en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Belanghebbende heeft aangiften belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ingediend voor onderstaande voertuigen en de bijbehorende bedragen aan BPM op aangifte voldaan.
Zaaknr.
Auto
Merk
Kenteken
Datum 1e toelating
Bruto
Bpm
Afgedr.
Bpm
23/4636
1
Skoda Superb 1.5 TSI sportl.
[kenteken 1]
10-03-20
€ 5.600
€ 2.221
23/4637
2
Nisssan Qashqai 1.3 DIG-T
[kenteken 2]
09-01-20
€ 6.658
€ 2.268
23/6021
3
Peugeot 508 1.6 Puretech
[kenteken 3]
09-07-20
€ 5.084
€ 1.739
23/6965
4
Nissan Juke 1.6 N-Connecta
[kenteken 4]
31-10-18
€ 7.706
€ 1.977
2. Bij de aangiften heeft belanghebbende taxatierapporten, inclusief foto’s, van
Waardetaxaties.nl, [naam] , gevoegd. Daarin zijn de volgende bedragen opgenomen.
Zaaknr.
Auto
HNP
HIW
onbesch.
Schade
HIW besch.
23/4636
1
€ 43.195
€ 22.910
€ 5.776
€ 17.134
23/4637
2
€ 41.125
€ 19.600
€ 5.589
€ 14.011
23/6021
3
€ 40.844
€ 19.280
€ 5.313
€ 13.967
23/6965
4
€ 28.940
€ 12.350
€ 4.926 (90%)
€ 7.424
3. Bij brieven van 2 juni 2022, 10 juni 2022 en 1 september 2022 heeft de inspecteur een kennisgeving naheffingsaanslag Bpm aan belanghebbende gestuurd. Nadat belanghebbende niet op deze brieven heeft gereageerd heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. In geschil zijn de bruikbaarheid van de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten, de waardevermindering wegens schade, de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de CO2-uitstoot ten gevolge van de invoering van de WLP/NEDC methode en de historische nieuwprijs.
6. Ter zitting heeft de gemachtigde de grond met betrekking tot de deskundigheid van DRZ ingetrokken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de nageheven bedragen aan Bpm voor de auto’s 2 en 4 te hoog zijn vastgesteld en de beroepen gegrond zijn. De nageheven bedragen aan Bpm voor de auto’s 1 en 3 zijn tot de juiste hoogte vastgesteld. Het beroep inzake auto1 is echter gegrond omdat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Naheffingsaanslag (auto 2)
8. De inspecteur is van mening dat hij de nageheven Bpm van auto 2 ten onrechte heeft verhoogd naar € 904 en verminderd de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.565 (auto 1: € 953 + auto 2: € 612). De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Bruikbaarheid taxatierapport
9. De inspecteur is primair van mening dat de taxatierapporten niet kunnen dienen omdat niet wordt voldaan aan de één maandstermijn. Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat de taxatierapporten buiten beschouwing moeten worden gelaten vanwege diverse formele en materiele gebreken. De taxateur van belanghebbende kan niet binnen 15 minuten de gehele auto kan zijn beoordelen, hij heeft geen onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de schade aan de auto’s dan wel de reden van de afwezigheid van gedemonteerde delen en hij heeft geen rekening gehouden met gebruikssporen.
10. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde worden bepaald indien de opgaaf bestaat uit het bij de aangifte gebruikte taxatierapport dat is opgemaakt door een onafhankelijk, erkende taxateur en waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is het inschrijvingsonderzoek door de RDW. Uit de door de inspecteur overgelegde voertuigbeelden van de RDW en informatie over het belastbare feit onderstaande gegevens worden afgeleid.
Auto
Keuring RDW
Taxatierapport
1
17-01-2022
18-01-2022
2
13-01-2022
14-01-2022
3
15-12-2021
21-12-2021
4
29-09-2021
24-09-2021
Op grond van bovenstaande gegevens stelt de rechtbank vervolgens vast dat het afschrijvingsmoment van de auto’s 1 tot en met 3 op 17 januari 2022, 13 januari 2022 respectievelijk 15 december 2021 is en dat de fysieke schouw van de auto’s na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden en de taxatierapporten ook daarna zijn opgemaakt. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde dat de fysieke opname door de taxateur ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de taxatierapporten niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van de vermindering.
11. Bovenstaande heeft tot gevolg dat de vermindering van de Bpm moet worden vastgesteld op grond van de tabel. Bij afschrijving aan de hand van de wettelijke tabel is geen plaats voor een vermindering wegens schade of het schadeverleden van de auto’s. De nageheven bedragen aan Bpm zijn dan ook eerdere te laag dan te hoog vastgesteld. De overige stellingen van de inspecteur behoeven dan ook geen bespreking meer.
12. De fysieke schouw van auto 4 heeft plaatsgevonden voor de keuring bij de RDW, waardoor de rechtbank de stelling van de inspecteur voor deze auto niet zal volgen. De rechtbank volgt de inspecteur ook niet in zijn standpunt dat het taxatierapport materiële en essentiële gebreken vertoond omdat de inspecteur zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd en hij er voor gekozen heeft om auto 4 niet op te roepen voor controle bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en daarmee zelf geen onderzoek heeft gedaan naar de schade aan auto 4. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij de door belanghebbende gestelde schade.
13. Dat de verschuldigde Bpm voor auto 4 volgens de inspecteur op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend had moeten worden omdat de auto op de datum eerste toelating niet in Nederland geleverd is en daardoor hem een beroep op interne compensatie toekomt onderschrijft de rechtbank niet. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur immers rekening gehouden met een bedrag aan schade waardoor niet als nog een beroep op de forfaitaire tabel en daarmee interne compensatie kan worden gedaan. CO2-uitstoot juist ingevuld door belanghebbende (auto 3)
13. Belanghebbende heeft gesteld dat hij is uitgegaan van een verkeerde CO2-uitstoot en de CO2-uitstoot op 116 gr/km moet worden vastgesteld in plaats van de gehanteerde 207 gr/km.
13. De rechtbank is van oordeel dat, zoals door de inspecteur gesteld, de CO2-uitstoot zoals opgenomen in het kentekenregister leidend is. Nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de CO2-uitstoot voor de NEDC1-methode is deze in het kentekenregister aangepast naar 121 gr/km. De geregistreerde CO2-uitstoot op grond van de WLTP-methode is gelijk gebleven op 165 gr/km. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag voor auto 3 hiervan uitgegaan. Belanghebbende heeft een andere, lagere CO2-uitstoot voor de NEDC1-meetmethode dan wel de WLTP-meetmethode, naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd en dan ook niet aannemelijk gemaakt. Historische nieuwprijs (auto 4)
16. Belanghebbende bepleit voor auto 4 een historische nieuwprijs van € 36.048 op basis van een CO2-uitstoot van 202 gr/km en een bedrag van € 34.846 aan bruto Bpm. Dit in tegenstelling tot de inspecteur die bij het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt voor de historische nieuwprijs van het meest vergelijkbare Nederlandse referentievoertuig heeft genomen.
16. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur tijdens de zitting betoogd dat indien een hogere historische nieuwprijs in aanmerking dient te worden genomen ook de handelsinkoopwaarde naar boven moet worden bijgesteld, omdat daar een deel van de bruto Bpm is inbegrepen. Het is volgens de inspecteur logisch dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde met elkaar samenhangen. Daarmee heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan uit het taxatierapport van belanghebbende blijkt.
18. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank onderstaande berekening van belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde € 6.992Historische nieuwprijs € 36.048Bruto Bpm € 14.883Verschuldigde bpm € 2.887
Op aangifte voldaan € 1.977
Na te heffen € 910
De naheffingsaanslag voor auto 4 wordt verminderd tot een bedrag van € 910.WLTP/NEDC2 (auto 4)
20. Belanghebbende stelt dat auto 4 door de invoering van de WLTP/NEDC2-methode een hogere uitstoot hebben gekregen en daardoor zwaarder belast wordt dan wanneer deze auto zou zijn getest overeenkomstig de NEDC1-methode. Dit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 van het VWEU. In het arrest van 26 april 2024 heeft de Hoge Raad volgens belanghebbende een toetsingskader gegeven met een temporele beperking tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Hij verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025 ter onderbouwing van zijn standpunt dat de voornoemde temporele beperking is toegespitst op de zaak waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen hierover heeft beantwoord.
21. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving geregistreerd. De bewijslast dat bij gelijksoortige auto’s het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een andere CO2-meetmethode ligt bij belanghebbende. Het in algemene zin stellen dat de CO2-uitstoot hoger is bij auto’s die met de WLTP-methode zijn getest dan wanneer met de NEDC-methode zijn getest is daartoe onvoldoende.
21. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2024 een feitelijke toelichting gegeven op de Europees- en nationaalrechtelijke aspecten van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in de in dat arrest bedoelde zin in nieuwe staat is geregistreerd.
23. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd omdat hij geen gegevens van referentievoertuigen heeft overgelegd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd.Kostenvergoeding bezwaar
23. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor het bezwaar voor auto 1 en 2. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 16 september 2016 komt de onjuiste registratie van de CO2-uitstoot door de RDW voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor risico van de inspecteur. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te oordelen. Immateriële schadevergoeding
25. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
26. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 21 juli 2022. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 25 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zes keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.000. De laatste uitspraak op bezwaar dateert van 11 oktober 2023. Dit is afgerond 16 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 1.920. De Staat moet de rest betalen, dus € 1.080. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
27. In dit geval is sprake van beroepen inzake meerdere auto’s van één belanghebbende, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de gronden met betrekking tot de auto’s 1 tot en met 3 in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen, namelijk de bruikbaarheid van het taxatierapport en de waardevermindering wegens schade, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk twee keer het bedrag van € 3.000, totaal € 6.000.
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen die zien op auto 1, 2 en 4 zijn gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag voor auto 1 en 2 wordt verminderd tot een bedrag van € 1.565. De naheffingsaanslag voor auto 4 wordt verminderd tot een bedrag van € 910. Het beroep inzake auto 3 is ongegrond.
28. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 en factor 1). Aan de gegronde beroepen die zien op auto 1 en 2 (proceskostenvergoeding in bezwaar en het schenden van het beginsel van reformatio in peius) en auto 4 stelt de rechtbank in verband met samenhang de factor op 1. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
28. Belanghebbende ontvangt het door haar betaalde bedrag aan griffierecht retour.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen inzake auto 1, 2 en 4 gegrond;
verklaart het beroep inzake auto 3 ongegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar voorzover deze auto 1, 2 en 4 betreffen;
vermindert de naheffingsaanslag voor de auto’s 1 en 2 tot een bedrag van € 1.565;
vermindert de naheffingsaanslag voor auto 4 tot een bedrag van € 910;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.080;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.920;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 3.200;
draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht in alle zaken van € 365, totaal € 1.095, te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 7 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
HNP staat voor Historische Nieuwprijs.
HIW staat voor Handelsinkoopwaarde.
Artikel 8, vierde lid, aanhef en onder b, van de uitvoeringregeling Bpm.
Artikel 8, vijfde lid, van de uitvoeringregeling Bpm
Artikel 10, zevende lid, onder a, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm).
Artikel 9 van de Wet Bpm in samenhang met artikel 6a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
Hoge Raad, 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
ECLI:NL:RBNNE:2025:2046.
ECLI:NL:HR:2024:653.
Hoge Raad, 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2078.
ECLI:NL:HR:2016:252.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
6 keer een half jaar van € 500.
16 maanden / 25 maanden * € 3.000.
Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.