Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6405

2026-08-07 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 23/3362
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 23/3362
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; V-N Vandaag 2026/1704

Inhoudsindicatie

BPM; artikel 10 Wet BPM; schade; huurverleden; historische nieuwprijs; beroep gegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.880 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummers: ARN 23/3362


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,


en




de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.





Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 maart 2023.



De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 12.670 (€ 5.074 voor auto 1 en € 7.596 voor auto 2).



De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.



De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft de zaak op 28 april 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is een kantoorgenoot van gemachtigde verschenen en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .




Feiten


Auto 1

1. Belanghebbende heeft op 3 mei 2022 aangifte bpm gedaan voor een Ford Transit Custom Tourneo met kenteken [kenteken 1] (auto 1). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:







Brandstof


Diesel




CO2-uitstoot


202 gr/km




Datum eerste toelating


17-5-2021




Netto Catalogusprijs


€ 42.260




Historische nieuwprijs


€ 84.434




Handelsinkoopwaarde


€ 26.200




Bruto bpm


€ 34.846




Te betalen bpm


€ 10.812






Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport van [naam 1] van Inovex Taxaties gevoegd. In het taxatierapport worden een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 42.206 (op basis van koerslijst Eurotax), een schadecalculatie van € 14.318 waarvan 100% in aanmerking is genomen, te vermeerderen met € 1.688 voor ex-rental. Aldus resteert een handelsinkoopwaarde met schade van € 26.200.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Een percentage van 72% van het totale bedrag aan schade van € 2.175, te weten € 1.566, is in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 40.061. De historische nieuwprijs heeft DRZ vastgesteld op € 84.434.
Auto 2
4. Belanghebbende heeft op 4 mei 2022 aangifte bpm gedaan voor een Ford Transit Custom Tourneo met kenteken [kenteken 2] (auto 2). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:







Brandstof







CO2-uitstoot


217 gr/km




Datum eerste toelating


18-5-2021




Netto Catalogusprijs


€ 45.960




Historische nieuwprijs


€ 100.254




Handelsinkoopwaarde


€ 23.769




Bruto bpm


€ 42.580




Te betalen bpm


€ 10.095






Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.

5. Bij de aangifte is een taxatierapport van [naam 1] van Inovex Taxaties gevoegd. In het taxatierapport worden een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 43.904 (op basis van koerslijst Eurotax), een schadecalculatie van € 18.379 waarvan 100% in aanmerking is genomen, te vermeerderen met € 1.756 voor ex-rental. Aldus resteert een handelsinkoopwaarde met schade van € 23.769.
6. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij DRZ. In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Een percentage van 72% van het totale bedrag aan schade van € 2.890, te weten € 2.081, is in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 43.742. De historische nieuwprijs heeft DRZ vastgesteld op € 100.254.
7. De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag voor auto 1 en auto 2 opgelegd.



Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. In geschil zijn de bruikbaarheid van het door belanghebbende overgelegde taxatierapport, de waardevermindering wegens schade en ex-rental en de historische nieuwprijs.
10. Ter zitting heeft de gemachtigde de grond met betrekking tot de deskundigheid van DRZ ingetrokken.
11. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag voor zover deze ziet op auto 1 tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat het beroep voor auto 1 gegrond is. Voor auto 2 is het bedrag van de naheffing juist. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waardevermindering wegens schade
12. Belanghebbende heeft aangevoerd dat door de inspecteur de door belanghebbende gecalculeerde schades niet of nauwelijks worden erkend en hij dan ook ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze waardeverminderingen. Nu sprake is van zeer jonge (elf maanden) exclusieve voertuigen met een lage kilometerstand (ongeveer 26.000 kilometer) dient 100% van de schade in mindering worden gebracht. De inspecteur heeft daarentegen betoogd dat de belanghebbende de door haar taxateur vastgestelde schade die een waardevermindering zouden rechtvaardigen niet heeft onderbouwd aan de hand van bijvoorbeeld reparatienota’s, werkplaatsbonnen of inkoopfacturen van onderdelen. De enkele verwijzing naar het taxatierapporten met de daarin opgenomen foto’s is volgens de inspecteur onvoldoende. Bij het herstel van de schade aan delen of onderdelen van de auto is onvermijdelijk dat ook normale sporen van gebruik verdwijnen. De inspecteur heeft dan ook aangesloten bij het wettelijke uitgangspunt voor het percentage van waardevermindering van 72%.
13. De bewijslast inzake de waardeverminderingen door schade ligt, op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad, bij belanghebbende. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat plaats is voor waardeverminderingen door schade in de door haar verdedigde omvang. Uit de door de inspecteur overgelegde DRZ-rapporten, en uit de daarbij horende foto’s van DRZ, volgt dat sprake is van schade (anders dan normale gebruikssporen) tot een bedrag van € 2.175 (auto 1) en € 2.890 (auto 2). De inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag rekening gehouden met een waardevermindering tot 72% van dit bedrag. Het taxatierapport bewijst daartegenover niet dat met meer schade rekening moet worden gehouden of dat met een hogere waardevermindering rekening moet worden gehouden.. De aanwezigheid van een hoger bedrag aan schade bij beide auto’s en een waardevermindering van 100% heeft belanghebbende niet nader onderbouwd. Belanghebbende had aanvullende reparatiefacturen kunnen overleggen.

14. Gelet op het bovenstaande kan de vraag of en in hoeverre sprake is formele en materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Waardevermindering wegens huurverleden
14. Belanghebbende heeft gesteld dat bij de auto’s een waardevermindering van 4% (€ 1.688 en € 1.756) wegens het huurverleden moet worden toegepast omdat onderdelen zoals remmen, banden en motor sneller kunnen slijten. Daarnaast kunnen huurauto’s meer vatbaar zijn voor toekomstig problemen vanwege het intensieve gebruik. Inmiddels kent het koerslijstprogramma van X-ray de mogelijkheid om een waardecorrectie door te voeren vanwege het huurverleden van de auto, deze correctie bedraagt volgens belanghebbende gemiddeld 3%.
14. Uit de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten kan worden afgeleid dat de waarde van de auto’s met een totaal percentage van 4% voor de factoren afwijking CO2 t.o.v. vergelijkbaar NL voertuig, marktbijstelling, voormalig huurauto en/of schadeverleden is verminderd. Met welk percentage dan wel bedrag voor een eventueel schadeverleden rekening is gehouden wordt door belanghebbende niet onderbouwd. Het is de rechtbank dan ook volstrekt onduidelijk of en in welke mate met een eventuele waardevermindering voor het huurverleden van de auto’s rekening moet worden gehouden. Deze beroepsgrond slaagt niet.



Historische nieuwprijs (auto 1)


17. Belanghebbende bepleit voor auto 1 een historische nieuwprijs van € 85.981 op basis van een CO2-uitstoot van 202 gr/km en een bedrag van € 34.846 aan bruto Bpm. Dit in tegenstelling tot de inspecteur die bij het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt voor de historische nieuwprijs het meest vergelijkbare Nederlandse referentievoertuig heeft genomen.
17. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.


19. Tijdens de zitting heeft de inspecteur betoogd dat indien een hogere historische nieuwprijs in aanmerking dient te worden genomen ook de handelsinkoopwaarde naar boven moet worden bijgesteld, omdat daar een deel van de bruto Bpm is inbegrepen. Het is volgens de inspecteur logisch dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde met elkaar samenhangen.
19. De A-G [naam 2] heeft in haar conclusie van 30 januari 2026 geconcludeerd dat indien door de inspecteur in de beroepsfase een nieuw standpunt wordt ingenomen inhoudende dat het eerder door hem ingebrachte taxatierapport, dat hij naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft laten opstellen, niet langer bruikbaar is het op zijn weg ligt om het vermoeden van juistheid van dat eerdere taxatierapport te ontzenuwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet gesteld om welke redenen het eerder door hem ingebrachte taxatierapport onbruikbaar is. Hij heeft uitsluitend in algemene bewoordingen uiteengezet dat een hogere historische nieuwprijs logischerwijs moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde. Daarmee heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het DRZ-rapport niet bruikbaar is. In dit rapport is de handelsinkoopwaarde met schade vastgesteld op een bedrag van € 38.495. Voor de berekening van de verschuldigde Bpm heeft dit bedrag dan ook als uitgangspunt te gelden.

21. Gelet op het voorgaande dient de Bpm voor auto 1 als volgt te worden berekend.


Handelsinkoopwaarde € 38.495
Historische nieuwprijs € 85.981
Bruto bpm € 34.846Verschuldigde bpm € 15.604
Op aangifte voldaan € 10.812
Na te heffen € 4.792



22. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd met een bedrag van € 282.Immateriële schadevergoeding
22. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.


24. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 15 augustus 2022. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 22 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vier keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.000. De uitspraak op bezwaar dateert van 17 maart 2023. Dit is afgerond twee maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 182. De Staat moet de rest betalen, dus € 1.818. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.


Conclusie en gevolgen


25. Het beroep is gegrond omdat de naheffing voor auto 1 te hoog is. Dit betekent dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot een bedrag van € 12.388.
25. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken
25. Belanghebbende ontvangt het door haar betaalde bedrag aan griffierecht retour.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 12.388;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.818;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 182;


veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 3.200;


draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 184 te vergoeden.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 7 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Hoge Raad, 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.


Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.


ECLI:NL:PHR:2026:132, onderdeel 4.2.


ECLI:NL:HR:2016:252.


Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.


4 keer een half jaar van € 500.


2 maanden / 22 maanden * € 2.000.