Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6402
2026-08-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 23/1369
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM; artikel 10 wet BPM; schade; historische nieuwprijs; beroep gegrond
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2020:63 Hoge Raad 17-01-2020
- ECLI:NL:HR:2023:1703 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2026:132 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.838 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1369
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 november 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.453.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur.
De rechtbank heeft de zaak aangehouden in verband met het ontbreken van het verweerschrift in het digitale dossier. Op 12 februari 2026 heeft de inspecteur het verweerschrift gedagtekend op 20 juni 2023 samen met de op de zaak betrekking hebbende stukken in het digitale dossier geplaatst.
De rechtbank heeft de zaak op 28 april 2026 opnieuw op zitting behandeld. Namens belanghebbende is een kantoorgenoot van gemachtigde [persoon 1] verschenen en namens de inspecteur [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 4 maart 2020 aangifte bpm gedaan voor een Volkswagen Tiguan 2.0 TDI 4Motion met kenteken [kenteken] (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Brandstof
Diesel
CO2-uitstoot
153 gr/km
Datum eerste toelating
22-8-2018
Netto Catalogusprijs
€ 31.700
Historische nieuwprijs
€ 56.753
Handelsinkoopwaarde
€ 3.150
Bruto bpm
€ 18.396
Te betalen bpm
€ 1.020
Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport opgemaakt door [taxateur] , register taxateur, van 2 maart 2020, de auto is fysiek opgenomen op 22 februari 2020, gevoegd. In het taxatierapport worden een historische nieuwprijs van € 57.321, een CO2-uitstoot van 153 gr/km, een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 22.892 (op basis van een koerslijst XRAY), een schadecalculatie van € 19.742 (circa 90% van € 21.945,49) en een handelsinkoopwaarde met schade van € 3.150 vermeld.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Een percentage van 72% van het totale bedrag aan schade € 7.508, te weten € 5.406, is in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 25.578, wat leidt tot een handelsinkoopwaarde met schade van € 20.172. De historische nieuwprijs heeft DRZ vastgesteld op € 57.321.
4. De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd.
5. In het dossier bevinden zich de volgende twee facturen:
een factuur met datum 24 juni 2020 van Autoschade Center Amersfoort gericht aan belanghebbende van € 2.200 en € 462 btw voor het herstellen, vervangen en spuiten van diverse onderdelen waaronder de motorkap;
een factuur van 27 november 2020 van [bedrijf] gericht aan Star Automaterialen van € 376,20 (0% btw) voor een airbag.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. In geschil zijn de handelsinkoopwaarde, in het bijzonder of de taxatiemethode kan worden toegepast en of met een hogere waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden, de historische nieuwprijs en de berekening van de verschuldigde Bpm aan de hand van de herrekening bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode).
8. Ter zitting heeft de gemachtigde de gronden met betrekking tot het in de branche ontwikkelde beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en schade alsmede de deskundigheid van de taxateur van DRZ ingetrokken.
9. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld en het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Waardevermindering wegens schade
10. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur de door belanghebbende in het door hem overgelegde taxatierapport gecalculeerde schade niet of nauwelijks heeft erkend en de inspecteur dan ook ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze waardeverminderingen. De inspecteur heeft daarentegen betoogd dat de door belanghebbende overgelegde facturen van de schade met een totaalbedrag van € 4.000 de door de taxateur vastgestelde schade van € 21.945 weerspreken. Daarnaast heeft DRZ met een hoger bedrag aan schade rekening gehouden dan het bedrag dat belanghebbende aan de hand van de facturen heeft aangetoond.
11. De bewijslast inzake de waardevermindering door schade ligt, op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad, bij belanghebbende. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat plaats is voor waardevermindering door schade in de door hem verdedigde omvang. Uit het door de inspecteur overgelegde DRZ-rapport, en uit de daarbij horende foto’s van DRZ, volgt dat sprake is van schade (anders dan normale gebruikssporen) tot een bedrag van € 7.508. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag rekening gehouden met een waardevermindering van 72% van dit bedrag. Het taxatierapport bewijst daartegenover niet dat met meer schade rekening moet worden gehouden of dat met een hogere waardevermindering rekening moet worden gehouden. De aanwezigheid van een hoger bedrag aan schade dan vermeld op de door belanghebbende overgelegde facturen wordt door hem niet nader onderbouwd. Belanghebbende had aanvullende reparatiefacturen kunnen overleggen.
12. Gelet op het bovenstaande kan de vraag of en in hoeverre sprake is formele en materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde
13. Belanghebbende bepleit een historische nieuwprijs van € 58.586 op basis van een CO2-uitstoot van 153 gr/km en een bedrag van € 18.396 aan bruto Bpm. Dit in tegenstelling tot de inspecteur die bij het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt voor de historische nieuwprijs het meest vergelijkbare Nederlandse referentievoertuig heeft genomen.
13. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Hogere handelsinkoopwaarde door hogere CO2-uitstoot
15. Tijdens de zitting heeft de inspecteur betoogd dat indien een hogere historische nieuwprijs in aanmerking dient te worden genomen ook de handelsinkoopwaarde naar boven moet worden bijgesteld, omdat daar een deel van de bruto Bpm is inbegrepen. Het is volgens de inspecteur logisch dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde met elkaar samenhangen.
15. De A-G [naam] heeft in haar conclusie van 30 januari 2026 geconcludeerd dat indien door de inspecteur in de beroepsfase een nieuw standpunt wordt ingenomen inhoudende dat het eerder door hem ingebrachte DRZ-rapport, dat hij naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft laten opstellen, niet langer bruikbaar is het op zijn weg ligt om het vermoeden van juistheid van dat eerdere DRZ-rapport te ontzenuwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet gesteld om welke redenen het eerder door hem ingebrachte DRZ-rapport onbruikbaar is. Hij heeft uitsluitend in algemene bewoordingen uiteengezet dat een hogere historische nieuwprijs logischerwijs moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde. Daarmee heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het DRZ-rapport niet bruikbaar is. In dit rapport is de handelsinkoopwaarde met schade vastgesteld op een bedrag van € 20.172. Voor de berekening van de verschuldigde Bpm heeft dit bedrag dan ook als uitgangspunt te gelden.
17. Gelet op het voorgaande dient de Bpm als volgt te worden berekend.
Handelsinkoopwaarde € 20.172
Historische nieuwprijs € 58.586
Bruto bpm € 18.396
Verschuldigde bpm € 6.334
Op aangifte voldaan € 1.020
Na te heffen € 5.314
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 5.314.
Herleidingsmethode
18. Belanghebbende heeft betoogd dat de toepassing van artikel 110 VWEU ertoe verplicht om aan te sluiten bij de herrekende BPM, de zogenoemde herleidingsmethode. In het arrest van 11 juli 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de herleidingsmethode niet is toegestaan als waarderingsmethode voor de verschuldigde BPM, omdat dit geen wettelijke toegestane methoden is.
Redelijke termijn
19. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
20. Het bezwaarschrift is ontvangen op 30 november 2021. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 32 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 3.000. De inspecteur heeft op 18 november 2022 uitspraak gedaan. Dat is afgerond 6 maanden langer dan de voor hem geldende termijn van 6 maanden. De inspecteur moet € 562,50 betalen. De Staat moet € 2.437,50 betalen.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond, dit betekent dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot een bedrag van € 5.314.
21. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken
21. Belanghebbende ontvangt het door hem betaalde bedrag aan griffierecht retour.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.314;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.437,50;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 562,50;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 3.200;
draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 184 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 7 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad, 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
ECLI:NL:PHR:2026:132, onderdeel 4.2.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1369
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 november 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.453.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur.
De rechtbank heeft de zaak aangehouden in verband met het ontbreken van het verweerschrift in het digitale dossier. Op 12 februari 2026 heeft de inspecteur het verweerschrift gedagtekend op 20 juni 2023 samen met de op de zaak betrekking hebbende stukken in het digitale dossier geplaatst.
De rechtbank heeft de zaak op 28 april 2026 opnieuw op zitting behandeld. Namens belanghebbende is een kantoorgenoot van gemachtigde [persoon 1] verschenen en namens de inspecteur [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 4 maart 2020 aangifte bpm gedaan voor een Volkswagen Tiguan 2.0 TDI 4Motion met kenteken [kenteken] (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Brandstof
Diesel
CO2-uitstoot
153 gr/km
Datum eerste toelating
22-8-2018
Netto Catalogusprijs
€ 31.700
Historische nieuwprijs
€ 56.753
Handelsinkoopwaarde
€ 3.150
Bruto bpm
€ 18.396
Te betalen bpm
€ 1.020
Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport opgemaakt door [taxateur] , register taxateur, van 2 maart 2020, de auto is fysiek opgenomen op 22 februari 2020, gevoegd. In het taxatierapport worden een historische nieuwprijs van € 57.321, een CO2-uitstoot van 153 gr/km, een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 22.892 (op basis van een koerslijst XRAY), een schadecalculatie van € 19.742 (circa 90% van € 21.945,49) en een handelsinkoopwaarde met schade van € 3.150 vermeld.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Een percentage van 72% van het totale bedrag aan schade € 7.508, te weten € 5.406, is in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 25.578, wat leidt tot een handelsinkoopwaarde met schade van € 20.172. De historische nieuwprijs heeft DRZ vastgesteld op € 57.321.
4. De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd.
5. In het dossier bevinden zich de volgende twee facturen:
een factuur met datum 24 juni 2020 van Autoschade Center Amersfoort gericht aan belanghebbende van € 2.200 en € 462 btw voor het herstellen, vervangen en spuiten van diverse onderdelen waaronder de motorkap;
een factuur van 27 november 2020 van [bedrijf] gericht aan Star Automaterialen van € 376,20 (0% btw) voor een airbag.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. In geschil zijn de handelsinkoopwaarde, in het bijzonder of de taxatiemethode kan worden toegepast en of met een hogere waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden, de historische nieuwprijs en de berekening van de verschuldigde Bpm aan de hand van de herrekening bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode).
8. Ter zitting heeft de gemachtigde de gronden met betrekking tot het in de branche ontwikkelde beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en schade alsmede de deskundigheid van de taxateur van DRZ ingetrokken.
9. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld en het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Waardevermindering wegens schade
10. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur de door belanghebbende in het door hem overgelegde taxatierapport gecalculeerde schade niet of nauwelijks heeft erkend en de inspecteur dan ook ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze waardeverminderingen. De inspecteur heeft daarentegen betoogd dat de door belanghebbende overgelegde facturen van de schade met een totaalbedrag van € 4.000 de door de taxateur vastgestelde schade van € 21.945 weerspreken. Daarnaast heeft DRZ met een hoger bedrag aan schade rekening gehouden dan het bedrag dat belanghebbende aan de hand van de facturen heeft aangetoond.
11. De bewijslast inzake de waardevermindering door schade ligt, op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad, bij belanghebbende. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat plaats is voor waardevermindering door schade in de door hem verdedigde omvang. Uit het door de inspecteur overgelegde DRZ-rapport, en uit de daarbij horende foto’s van DRZ, volgt dat sprake is van schade (anders dan normale gebruikssporen) tot een bedrag van € 7.508. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag rekening gehouden met een waardevermindering van 72% van dit bedrag. Het taxatierapport bewijst daartegenover niet dat met meer schade rekening moet worden gehouden of dat met een hogere waardevermindering rekening moet worden gehouden. De aanwezigheid van een hoger bedrag aan schade dan vermeld op de door belanghebbende overgelegde facturen wordt door hem niet nader onderbouwd. Belanghebbende had aanvullende reparatiefacturen kunnen overleggen.
12. Gelet op het bovenstaande kan de vraag of en in hoeverre sprake is formele en materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde
13. Belanghebbende bepleit een historische nieuwprijs van € 58.586 op basis van een CO2-uitstoot van 153 gr/km en een bedrag van € 18.396 aan bruto Bpm. Dit in tegenstelling tot de inspecteur die bij het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt voor de historische nieuwprijs het meest vergelijkbare Nederlandse referentievoertuig heeft genomen.
13. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Hogere handelsinkoopwaarde door hogere CO2-uitstoot
15. Tijdens de zitting heeft de inspecteur betoogd dat indien een hogere historische nieuwprijs in aanmerking dient te worden genomen ook de handelsinkoopwaarde naar boven moet worden bijgesteld, omdat daar een deel van de bruto Bpm is inbegrepen. Het is volgens de inspecteur logisch dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde met elkaar samenhangen.
15. De A-G [naam] heeft in haar conclusie van 30 januari 2026 geconcludeerd dat indien door de inspecteur in de beroepsfase een nieuw standpunt wordt ingenomen inhoudende dat het eerder door hem ingebrachte DRZ-rapport, dat hij naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft laten opstellen, niet langer bruikbaar is het op zijn weg ligt om het vermoeden van juistheid van dat eerdere DRZ-rapport te ontzenuwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet gesteld om welke redenen het eerder door hem ingebrachte DRZ-rapport onbruikbaar is. Hij heeft uitsluitend in algemene bewoordingen uiteengezet dat een hogere historische nieuwprijs logischerwijs moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde. Daarmee heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het DRZ-rapport niet bruikbaar is. In dit rapport is de handelsinkoopwaarde met schade vastgesteld op een bedrag van € 20.172. Voor de berekening van de verschuldigde Bpm heeft dit bedrag dan ook als uitgangspunt te gelden.
17. Gelet op het voorgaande dient de Bpm als volgt te worden berekend.
Handelsinkoopwaarde € 20.172
Historische nieuwprijs € 58.586
Bruto bpm € 18.396
Verschuldigde bpm € 6.334
Op aangifte voldaan € 1.020
Na te heffen € 5.314
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 5.314.
Herleidingsmethode
18. Belanghebbende heeft betoogd dat de toepassing van artikel 110 VWEU ertoe verplicht om aan te sluiten bij de herrekende BPM, de zogenoemde herleidingsmethode. In het arrest van 11 juli 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de herleidingsmethode niet is toegestaan als waarderingsmethode voor de verschuldigde BPM, omdat dit geen wettelijke toegestane methoden is.
Redelijke termijn
19. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
20. Het bezwaarschrift is ontvangen op 30 november 2021. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 32 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 3.000. De inspecteur heeft op 18 november 2022 uitspraak gedaan. Dat is afgerond 6 maanden langer dan de voor hem geldende termijn van 6 maanden. De inspecteur moet € 562,50 betalen. De Staat moet € 2.437,50 betalen.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond, dit betekent dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot een bedrag van € 5.314.
21. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken
21. Belanghebbende ontvangt het door hem betaalde bedrag aan griffierecht retour.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.314;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.437,50;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 562,50;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 3.200;
draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 184 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 7 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad, 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
ECLI:NL:PHR:2026:132, onderdeel 4.2.