Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6401
2026-08-12
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 24/8999
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AWB 24/8999 WOZ
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:878 Hoge Raad 11-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.552 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8999 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026
op het verzet van
de Korpschef van de politie, uit [plaats] , opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2025 in het geding tussen
opposant
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Overbetuwe, de heffingsambtenaar.
Inleiding
Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep van opposant als belanghebbende (met bovengenoemd procedurenummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief door de rechtbank ontvangen op 24 maart 2025, heeft opposant tegen deze uitspraak verzet gedaan als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
Opposant is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord.
De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 4 augustus 2026
Namens opposant is [gemachtigde] is ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten en gronden van het verzet
1. Opposant als belanghebbende heeft op 13 december 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 november 2024.
2. De griffier heeft opposant als belanghebbende bij brief van 14 december 2024 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 21 januari 2025 opposant als belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 24 januari 2025 om 10:44 uur is aangeboden, maar dat bezorging niet is gelukt, waarna de aangetekend verzonden brief opgehaald kon worden bij een PostNL-punt, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank heeft de aangetekende brief vervolgens op 12 februari 2025 retour ontvangen. Vervolgens heeft de griffier deze brief op 14 februari 2025 in het digitale dossier geplaatst met een nieuwe betalingstermijn van twee weken.
3. De nota griffierecht is tenaamgesteld op [gemachtigde] en heeft betalingskenmerk [nummer] .
4. Opposant is van mening dat zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij wel tijdig het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Hij stelt dat hij op
8 januari 2025 een bedrag van € 370 heeft betaald en op 5 maart 2025 een bedrag van € 1. Hij heeft ter onderbouwing een schermprint van de betaling overgelegd met daarbij vermeld het betalingskenmerk. Daarnaast geeft hij aan dat de tenaamstelling van de nota onjuist is. Niet [gemachtigde] heeft beroep ingesteld, maar de Korpschef van de politie. Laatstgenoemde had dus ook de nota griffierecht behoren te krijgen en niet [gemachtigde] . De nota griffierecht heeft [gemachtigde] uiteindelijk ook niet bereikt, hij heeft alleen een e-mail van het secretariaat van het Dienstencentrum gehad dat in onderhavige zaak nog griffierecht verschuldigd was. Hij is er toen met enige moeite in geslaagd om het griffierecht zonder een aan de Korpschef van de politie gerichte nota te laten betalen. Er is in eerste instantie abusievelijk slechts € 370,- overgemaakt, waarna de resterende € 1,- na het vervallen van de betaaltermijn (alsnog) is betaald.
Beoordeling van het verzet
5. In deze verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank het onderzoek heeft kunnen sluiten en zonder zitting uitspraak heeft kunnen doen op de grond dat het beroep kennelijk (dat wil zeggen: in redelijkheid niet betwijfelbaar) niet-ontvankelijk is.
6. Ingevolge artikel 8:41 Awb is de indiener van het beroepschrift het griffierecht verschuldigd. De indiener is degene die voor zichzelf beroep instelt of namens wie beroep wordt ingesteld. In onderhavige zaak is het beroep ingesteld namens de Korpschef van de politie en de Korpschef van de politie is dus het griffierecht verschuldigd. [gemachtigde] treedt slechts op als gemachtigde van de Korpschef van de politie, namelijk op grond van een volmacht als bedoeld in artikel 10:12 Awb, welke zich in het dossier bevindt.
7. Dat de rechtbank de nota heeft verstuurd aan de heer [gemachtigde] is naar het oordeel van de rechtbank, gezien artikel 6:17 Awb, op zichzelf niet onjuist. Dat de nota op de naam van de heer [gemachtigde] is gesteld is dat wel, omdat immers de Korpschef van de politie dat griffierecht is verschuldigd. Daar komt bij dat in het beroepschrift is vermeldt dat post dient te worden gericht aan het Politiedienstencentrum [dienst] t.a.v. [gemachtigde] . Door de nota te versturen aan de heer [gemachtigde] en op zijn naam te stellen is, naar de rechtbank aannemelijk acht, verwarring ontstaan. Uit de door belanghebbende in het geding gebrachte stukken blijkt dat het griffierecht uiteindelijk volledig is betaald, zij het dat € 1,- na de in de nota gegeven termijn is betaald (maar overigens wel nog voordat de rechtbank op 18 maart 2025 uitspraak deed). De rechtbank acht dit alles tenminste van belang voor de vraag of sprake is van een verschoonbaar verzuim.
8. Gezien bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot sluiting van het onderzoek overgegaan.
Conclusie en gevolgen
9. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk (of ongegrond) is.
10. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat opposant voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 12 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Hoge Raad, 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:878.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8999 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026
op het verzet van
de Korpschef van de politie, uit [plaats] , opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2025 in het geding tussen
opposant
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Overbetuwe, de heffingsambtenaar.
Inleiding
Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep van opposant als belanghebbende (met bovengenoemd procedurenummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief door de rechtbank ontvangen op 24 maart 2025, heeft opposant tegen deze uitspraak verzet gedaan als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
Opposant is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord.
De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 4 augustus 2026
Namens opposant is [gemachtigde] is ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten en gronden van het verzet
1. Opposant als belanghebbende heeft op 13 december 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 november 2024.
2. De griffier heeft opposant als belanghebbende bij brief van 14 december 2024 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 21 januari 2025 opposant als belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 24 januari 2025 om 10:44 uur is aangeboden, maar dat bezorging niet is gelukt, waarna de aangetekend verzonden brief opgehaald kon worden bij een PostNL-punt, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank heeft de aangetekende brief vervolgens op 12 februari 2025 retour ontvangen. Vervolgens heeft de griffier deze brief op 14 februari 2025 in het digitale dossier geplaatst met een nieuwe betalingstermijn van twee weken.
3. De nota griffierecht is tenaamgesteld op [gemachtigde] en heeft betalingskenmerk [nummer] .
4. Opposant is van mening dat zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij wel tijdig het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Hij stelt dat hij op
8 januari 2025 een bedrag van € 370 heeft betaald en op 5 maart 2025 een bedrag van € 1. Hij heeft ter onderbouwing een schermprint van de betaling overgelegd met daarbij vermeld het betalingskenmerk. Daarnaast geeft hij aan dat de tenaamstelling van de nota onjuist is. Niet [gemachtigde] heeft beroep ingesteld, maar de Korpschef van de politie. Laatstgenoemde had dus ook de nota griffierecht behoren te krijgen en niet [gemachtigde] . De nota griffierecht heeft [gemachtigde] uiteindelijk ook niet bereikt, hij heeft alleen een e-mail van het secretariaat van het Dienstencentrum gehad dat in onderhavige zaak nog griffierecht verschuldigd was. Hij is er toen met enige moeite in geslaagd om het griffierecht zonder een aan de Korpschef van de politie gerichte nota te laten betalen. Er is in eerste instantie abusievelijk slechts € 370,- overgemaakt, waarna de resterende € 1,- na het vervallen van de betaaltermijn (alsnog) is betaald.
Beoordeling van het verzet
5. In deze verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank het onderzoek heeft kunnen sluiten en zonder zitting uitspraak heeft kunnen doen op de grond dat het beroep kennelijk (dat wil zeggen: in redelijkheid niet betwijfelbaar) niet-ontvankelijk is.
6. Ingevolge artikel 8:41 Awb is de indiener van het beroepschrift het griffierecht verschuldigd. De indiener is degene die voor zichzelf beroep instelt of namens wie beroep wordt ingesteld. In onderhavige zaak is het beroep ingesteld namens de Korpschef van de politie en de Korpschef van de politie is dus het griffierecht verschuldigd. [gemachtigde] treedt slechts op als gemachtigde van de Korpschef van de politie, namelijk op grond van een volmacht als bedoeld in artikel 10:12 Awb, welke zich in het dossier bevindt.
7. Dat de rechtbank de nota heeft verstuurd aan de heer [gemachtigde] is naar het oordeel van de rechtbank, gezien artikel 6:17 Awb, op zichzelf niet onjuist. Dat de nota op de naam van de heer [gemachtigde] is gesteld is dat wel, omdat immers de Korpschef van de politie dat griffierecht is verschuldigd. Daar komt bij dat in het beroepschrift is vermeldt dat post dient te worden gericht aan het Politiedienstencentrum [dienst] t.a.v. [gemachtigde] . Door de nota te versturen aan de heer [gemachtigde] en op zijn naam te stellen is, naar de rechtbank aannemelijk acht, verwarring ontstaan. Uit de door belanghebbende in het geding gebrachte stukken blijkt dat het griffierecht uiteindelijk volledig is betaald, zij het dat € 1,- na de in de nota gegeven termijn is betaald (maar overigens wel nog voordat de rechtbank op 18 maart 2025 uitspraak deed). De rechtbank acht dit alles tenminste van belang voor de vraag of sprake is van een verschoonbaar verzuim.
8. Gezien bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot sluiting van het onderzoek overgegaan.
Conclusie en gevolgen
9. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk (of ongegrond) is.
10. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat opposant voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 12 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Hoge Raad, 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:878.