Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6390

2026-08-12 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 25/2190
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/2190
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026081707; V-N Vandaag 2026/1717; FutD 2026-1500

Inhoudsindicatie

IB/PVV; verzending verzoek tot uitstel van betaling niet aannemelijk gemaakt; kosten dwangbevel zijn terecht in rekening gebracht. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.153 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 25/2190



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,


en




de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de ontvanger.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 24 april 2025.



De inspecteur heeft voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie Volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd.



De ontvanger heeft ter zake van deze aanslagen op 26 juni 2024 aanmaningsbrieven naar belanghebbende verzonden, waarbij per aanmaning € 19 aanmaningskosten in rekening zijn gebracht.



De ontvanger heeft op 17 juli 2024 dwangbevelen aan belanghebbende verzonden. Voor de aanslag inkomstenbelasting zijn € 3.733 aan dwangbevelkosten in rekening gebracht en voor de aanslag zorgverzekeringswet zijn € 341 aan dwangbevelkosten in rekening gebracht.



De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de dwangbevelkosten ongegrond verklaard.



De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de ontvanger [persoon 1] en [persoon 2] deelgenomen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving vooraf, niet verschenen.



Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 10 maart 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 1 april 2026 De rechtbank heeft op 10 maart 2026 om 15:42 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 10 maart 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.





Feiten

1. De inspecteur heeft met dagtekening 26 april 2024 de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2022 aan belanghebbende opgelegd. De bedragen moesten uiterlijk 7 juni 2024 betaald zijn.

2. Vanwege het uitblijven van betaling heeft de ontvanger op 26 juni 2024 voor beide aanslagen een aanmaning naar belanghebbende gestuurd. Het verschuldigde bedrag is niet betaald.

3. Op 9 juli 2024 is aan belanghebbende een schuldenoverzicht verzonden.

4. De ontvanger heeft vervolgens met dagtekening 17 juli 2024 twee dwangbevelen aan belanghebbende verzonden. Voor de aanslag inkomstenbelasting zijn € 3.733 aan betekeningskosten in rekening gebracht en voor de aanslag zorgverzekeringswet zijn € 341 aan betekeningskosten in rekening gebracht.

5. Met dagtekening 26 juli 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de dwangbevelen. Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de ontvanger het bezwaar ongegrond verklaard.




Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger terecht dwangbevelkosten in rekening heeft gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

8. Belanghebbende stelt dat hij op 2 juni 2024 al om uitstel van betaling van de aanslagen heeft verzocht. De Belastingdienst heeft pas op 18 maart 2025 inhoudelijk gereageerd, deze lange behandelduur is volgens belanghebbende in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende geeft aan dat hij het uitstelverzoek aangetekend heeft verzonden, maar dat het aannemelijk is dat het verzendbewijs negen maanden later niet meer vindbaar is. Belanghebbende wordt zo de dupe van de lange behandelduur. Daarnaast bevindt zijn groeiende onderneming zich in een cruciale fase waardoor de oplegging van vervolgingskosten een onevenredig zware impact heeft met disproportionele gevolgen. Belanghebbende wijst er ook op dat de Belastingdienst in een vergelijkbare situatie in een eerder jaar coulance heeft toegepast en de vervolgingskosten heeft verlaagd naar € 0. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat soortgelijke gevallen gelijk worden behandeld, de Belastingdienst heeft niet gemotiveerd waarom nu wordt afgeweken. Belanghebbende vraagt subsidiair om de hardheidsclausule uit artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen.

9. De ontvanger is van mening dat de dwangbevelkosten terecht in rekening zijn gebracht. De Belastingdienst heeft geen uitstelverzoek ontvangen. Belanghebbende heeft meerdere signalen gekregen waaruit bleek dat het verzoek niet was ontvangen en belanghebbende heeft verzuimd te controleren of het uitstelverzoek correct was ontvangen. Dat het verzendbewijs is weggegooid zonder dit te controleren, komt voor rekening en risico van belanghebbende, aldus de ontvanger. Het is niet aan de Belastingdienst om rekening te houden met de impact van de vervolgingskosten op de liquiditeit van de onderneming van belanghebbende. Het gelijkheidsbeginsel is niet van toepassing omdat de vergelijkbare situatie die belanghebbende noemt, zijn eigen beslissing op bezwaar van een aantal jaar eerder betreft.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende betwist niet dat hij de aanslagen niet heeft betaald. Hij stelt dat hij op 2 juni 2024 om uitstel van betaling van de aanslagen heeft verzocht. De ontvanger betwist de ontvangst van het verzoek tot uitstel van betaling. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om de verzending van dit verzoek aannemelijk te maken. Hierin is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van belanghebbende dat het niet meer beschikken over het verzendbewijs hem niet kan worden toegerekend. De ontvanger heeft het uitstelverzoek niet ontvangen en dus ook niet in behandeling genomen. Belanghebbende heeft bovendien na het indienen van het uitstelverzoek nog een aanmaning en een schuldenoverzicht ontvangen, waaruit belanghebbende had kunnen afleiden dat geen uitstel van betaling was verleend. Dat belanghebbende vervolgens geen contact heeft opgenomen met de Belastingdienst en het verzendbewijs niet heeft bewaard, komt voor zijn rekening en risico. De ontvanger heeft terecht dwangbevelen aan belanghebbende opgelegd en de kosten hiervan in rekening gebracht.



Gelijkheidsbeginsel


11. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat de ontvanger voor een eerder jaar wel coulance heeft toegepast en voor dit jaar niet. De rechtbank overweegt dat het gelijkheidsbeginsel niet ziet op een consistente behandeling van een belastingplichtige, maar op gelijke behandeling van de ene belastingplichtige ten opzichte van een of meer andere belastingplichtigen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dus niet slagen.

12. Voor zover belanghebbende met zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel (ook) heeft bedoeld om een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de ontvanger in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld waarmee aannemelijk is gemaakt dat de ontvanger in het latere jaar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft opgewekt dat hij ook voor dit belastingjaar coulance zou toepassen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.



Hardheidsclausule


13. Belanghebbende heeft subsidiair verzocht om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank overweegt dat artikel 4:84 van de Awb ziet op het afwijken van beleidsregels en is gericht tot bestuursorganen. Belanghebbende heeft niet gespecificeerd over welke beleidsregel het in dit geval gaat. Voor zover belanghebbende doelt op de hardheidsclausule op grond van artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen, komt de toepassing daarvan niet aan de rechter toe. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de Minister van Financiën. De rechtbank kan en mag dan ook geen oordeel geven over de toepassing van de hardheidsclausule. Voor een eventueel beroep op de hardheidsclausule moet belanghebbende zich richten tot de Minister van Financiën.




Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ontvanger terecht kosten bij de dwangbevelen in rekening heeft gebracht. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 12 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0398.