Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6389

2026-08-12 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 23/4829
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 23/4829
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1674; V-N Vandaag 2026/1705

Inhoudsindicatie

BPM; teruggaaf bij export ‘via’ EU/EER-land naar derde land; een kort tijdsverloop maakt niet dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf BPM. Beroep gegrond. Eén auto is buiten de EU geëxporteerd voordat de registratie in Duitsland inging, voor deze auto is terecht nageheven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.652 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 23/4829



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaatsnaam] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 juni 2023.



De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 7.645.



Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 702 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een vergrijpboete van € 1.911 opgelegd (de boetebeschikking).



De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard voor zover dat op de boetebeschikking ziet. De inspecteur heeft de boetebeschikking vernietigd, de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking heeft hij gehandhaafd.



De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn partner en, namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] .






Feiten

1. In 2016 en 2017 heeft belanghebbende zeven verzoeken om teruggaaf BPM wegens export van een in Nederland geregistreerd motorrijtuig ingediend bij de Belastingdienst. Bij al deze verzoeken heeft belanghebbende een ‘Zulassungsbescheinigung Teil I (Fahrzeugschein)’ en een ‘Zulassungsbescheinigung Teil II (Fahrzeugbrief)’ meegestuurd. Volgens deze stukken zullen alle auto’s in Duitsland op naam van [bedrijf] geregistreerd worden.



Auto 1
Op 8 december 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Skoda Octavia met kenteken [kenteken] en eerste toelatingsdatum 29 juli 2013. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 29 juli 2013. Per 16 november 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 22 november 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 1] geregistreerd worden.




Auto 2

Op 13 april 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Renault Megane Scenic met kenteken [kenteken 2] en eerste toelatingsdatum 12 april 2013. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 12 april 2013. Per 31 maart 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 6 april 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 2] geregistreerd worden.




Auto 3

Op 13 maart 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Renault Megane met kenteken [kenteken 3] en eerste toelatingsdatum 7 maart 2013. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 7 maart 2013. Per 21 februari 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 27 februari 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 3] geregistreerd worden.




Auto 4

Op 20 februari 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Peugeot 5008 met kenteken [kenteken 4] en eerste toelatingsdatum 3 september 2010. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 3 september 2010. Per 13 februari 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 15 februari 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 4] geregistreerd worden.




Auto 5

Op 22 december 2016 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Peugeot Bipper met kenteken [kenteken 5] en eerste toelatingsdatum 19 juli 2012. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 19 juli 2012. Per 28 november 2016 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 30 november 2016 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 5] geregistreerd worden.




Auto 6

Op 8 december 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Ford Focus met kenteken [kenteken 6] en eerste toelatingsdatum 28 februari 2011. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 28 februari 2011. Per 2 november 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 6 november 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 6] geregistreerd worden.




Auto 7

Op 28 juli 2017 heeft de inspecteur een teruggaafverzoek ontvangen voor een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 7] en eerste toelatingsdatum 23 augustus 2010. De auto is voor het eerst in Nederland tenaamgesteld op 23 augustus 2010. Per 15 juli 2017 is de inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd. De Duitse registratie gaat in op 19 juli 2017 en de auto zal met Duits kenteken [Duits kenteken 7] geregistreerd worden.


2. Op verschillende data in 2017 zijn digitale exportaangiften via de expediteur van belanghebbende naar de Douane verstuurd. De Douane heeft deze aangiften binnen een paar dagen na indienen goedgekeurd.

3. Vervolgens zijn de auto’s van het adres van belanghebbende in Nederland naar respectievelijk Kosovo (auto 7), Tunesië (auto 5) en Oekraïne getransporteerd.

4. De inspecteur heeft goedkeurende BPM teruggaafbeschikkingen afgegeven voor de volgende bedragen:


Teruggaaf Dagtekening beschikking
Auto 1 € 916 29 december 2017
Auto 2 € 1.885 11 mei 2017
Auto 3 € 339 5 april 2017
Auto 4 € 1.095 15 maart 2017
Auto 5 € 1.383 24 januari 2017
Auto 6 € 905 29 december 2017
Auto 7 € 1.122 22 augustus 2017


5. Met dagtekening 10 november 2022 heeft de inspecteur een vooraankondiging naheffing BPM en kennisgeving vergrijpboete naar belanghebbende gestuurd. In die brief heeft de inspecteur onder meer het volgende vermeld:


“Geachte heer/mevrouw,



In 2017 heeft u de inspecteur verzocht om op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) teruggaaf van belasting te verlenen vanwege het buiten Nederland brengen van een of meer motorrijtuigen. U heeft in uw verzoek(en) aangegeven dat het betreffende motorrijtuig is uitgeschreven uit het kentekenregister en vervolgens is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EU/EER-lidstaat). Op grond van deze verklaring heeft de inspecteur u teruggaaf van bpm verleend.



Artikel 14a, eerste lid, van de Wet bpm, in samenhang bezien met de wetsgeschiedenis en gelet op doel en strekking van de bepaling, gaat er vanuit dat het voertuig (ook) feitelijk buiten Nederland wordt gebracht en wel naar het EU/EER-land waar het (export)kentekenbewijs wordt afgegeven. Hierbij is van belang dat het betreffende voertuig ook feitelijk is geëxporteerd en overgebracht naar een EU/EER-lidstaat.



Onlangs is gebleken dat u in 2017 een of meer motorrijtuigen (aantal: 7) waarvoor u teruggaaf van bpm heeft ontvangen, tevens bij de Douane ten uitvoer heeft aangegeven vanwege export buiten de EU/EER. Met andere woorden deze motorrijtuigen zijn vanwege export buiten de EU/EER gebracht. Dit is duidelijk in strijd met doel en strekking van artikel 14a Wet bpm. U heeft dan ook voor deze motorrijtuigen ten onrechte teruggaaf van bpm gevraagd en ontvangen.




Naheffing bpm

Ik heb dan ook het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen voor een totaal bedrag van € 7.645 vanwege ten onrechte ontvangen teruggaven van bpm.
Voor een gespecificeerd overzicht van de betreffende motorrijtuigen en ontvangen teruggaven verwijs ik u naar de bijlage bij deze brief.
(…)”


6. Belanghebbende heeft op de vooraankondiging/kennisgeving niet gereageerd. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 31 december 2022 een naheffingsaanslag BPM van € 7.645, alsmede een belastingrentebeschikking van € 702 en een vergrijpboete van € 1.911 aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

7. Met dagtekening 5 juni 2023 heeft de inspecteur een voorgenomen uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. De inspecteur vermeldt dat hij voornemens is de naheffingsaanslag te handhaven en de vergrijpboete te verminderen naar nihil.

8. De inspecteur heeft op 16 juni 2023 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Belanghebbende heeft daarbij gereageerd op de voorgenomen uitspraak en te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord.

9. Met dagtekening 16 juni 2023 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de boetebeschikking verminderd naar nihil en de naheffingsaanslag BPM en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.




Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

11. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op teruggaaf van BPM, omdat het tot 1 maart 2021 voldoende was de EU-lidstaat of het EER-land van nieuwe registratie te vermelden. Aan dat vereiste heeft belanghebbende voldaan. De auto’s zijn gefactureerd volgens Europese normen. Belanghebbende zegt naar eer en geweten te hebben gehandeld en conform de instructies op het formulier de verzoeken om teruggaaf te hebben ingediend. Belanghebbende stelt verder dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet had mogen opleggen, omdat de vijfjaarstermijn voor het opleggen van een naheffingsaanslag is verstreken.

12. De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden, omdat voor auto 1 ( [kenteken] ) en auto 5 ( [kenteken 5] ) onterecht is nageheven. Gelet op het tijdsverloop tussen de registratie in Duitsland en de exportaangifte kan er voor deze auto’s sprake zijn van een duurzame registratie en een terechte teruggaaf van BPM. Voor de overige auto’s is de teruggegeven BPM terecht nagevorderd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf bij uitvoer uit artikel 14a Wet BPM en artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM. Uit de wettekst en parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid dat de teruggaafregeling uitsluitend geldt bij export naar een EU/EER-land. Het is niet de bedoeling geweest om ook teruggaaf te verlenen voor auto’s die via EU-landen naar een derde land worden uitgevoerd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet voldaan aan het vereiste dat de auto is uitgevoerd naar een EU/EER-land om daar duurzaam op de openbare weg te worden gebruikt. Belanghebbende had niet de bedoeling de auto’s in Duitsland te gebruiken, laat staan duurzaam te gebruiken. De auto’s zijn direct vanuit Nederland naar de eindbestemmingen buiten de EU geëxporteerd en belanghebbende wist deze eindbestemmingen al op het moment dat de registratie in Nederland beëindigd werd. Daarnaast stelt de inspecteur dat de naheffingsaanslag, gelet op de dagtekening van de teruggaafbeschikkingen, tijdig is opgelegd.



Is de naheffingsaanslag tijdig opgelegd?


13. Belanghebbende is van mening dat de termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag verlopen is, omdat er meer dan vijf jaar is verstreken tussen de aangiften en de naheffingsaanslag.

14. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Voor alle auto’s is in 2017 teruggaaf verleend. Dit betekent dat de naheffingsaanslag uiterlijk op 31 december 2022 aan belanghebbende moet zijn opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 31 december 2022. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag binnen de wettelijke naheffingstermijn opgelegd.



Heeft de inspecteur de eerder verleende teruggaaf van BPM terecht nageheven?


15. Met ingang van 1 februari 2007 is de teruggaafregeling BPM van artikel 14a van de Wet BPM in werking getreden. Artikel 14a van de Wet BPM is als volgt toegelicht:


“(…)
Het nieuwe voorstel behelst een volledige heffing van BPM voor buitenlands gekentekende voertuigen, gehuurd door inwoners van Nederland, bij aanvang van het gebruik van de weg in Nederland. De vrijstelling voor kortstondig gebruik uit het oorspronkelijke voorstel wordt uitgebreid van één week naar een maand. Tegelijkertijd is voorzien in een teruggaaf van BPM bij export, waarbij rekening zal worden gehouden met een bij ministeriële regeling vast te stellen afschrijvingspercentage dat van de gebruiksduur afhankelijk is. Deze teruggaaf zal ook gaan gelden voor Nederlandse motorvoertuigen. De teruggaafregeling zal gelden voor motorvoertuigen met een registratiedatum of datum van aanvang van het gebruik van de weg in Nederland op of na 16 oktober 2006 en uitsluitend bij export naar een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: EU-lidstaten en EER-staten).
(…)”


16. Per 1 januari 2016 is de teruggaafregeling gewijzigd. Vanaf dat moment wordt een teruggaaf van BPM verleend indien:


de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht; en


het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (de kentekenbewijzenrichtlijn) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER); en


als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn.



17. De wijziging van de teruggaafregeling is in de memorie van toelichting als volgt toegelicht:


“(…)
De teruggaafregeling bij export van motorrijtuigen van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) wordt zodanig aangepast dat de BPM-teruggaaf alleen wordt verleend indien het geëxporteerde motorrijtuig, overeenkomstig de Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (Richtlijn 1999/37/EG), duurzaam is ingeschreven in een andere EU-lidstaat of in een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte (EER). Dit werpt een drempel op tegen het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf bij export naar een land buiten de EU/EER via een bijvoorbeeld tijdelijke registratie in een land binnen de EU/EER.
(…)
De Belastingdienst heeft namelijk geconstateerd dat een deel van de uit Nederland naar een ander land binnen de EU/EER geëxporteerde motorrijtuigen direct nadat deze motorrijtuigen kortdurend waren geregistreerd in dat andere land van de EU/EER, wordt geëxporteerd naar een land buiten de EU/EER. Deze kortdurende registratie in dat andere land binnen de EU/EER dient dan uitsluitend het doel een teruggave van BPM te verkrijgen. Op basis van een steekproef voor het jaar 2012 blijkt het te gaan om naar schatting enkele tientallen miljoenen euro’s aan teruggaaf van BPM (bij een export van circa 84.000 motorrijtuigen en een totale teruggaaf in 2012 van € 276 miljoen), louter op basis van een tijdelijke registratie in een ander land van de EU/EER gevolgd door export naar een land buiten de EU/EER. Dit spoort met geluiden uit de branche op dit punt. Als gevolg van de wijziging van artikel 14a van de Wet BPM 1992 wordt een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn voortaan niet meer geaccepteerd als basis voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen. Het gaat hierbij om tijdelijke registraties – in de richtlijn «tijdelijke inschrijving» genoemd – ten blijke waarvan documenten worden afgegeven dan wel gebruikt die niet in alle opzichten voldoen aan de voorschriften van die richtlijn. Bij een export naar een ander land binnen de EU/EER, waar een motorrijtuig duurzaam ingeschreven wordt, zal in dat land geen tijdelijke maar een permanent kenteken worden aangevraagd en kan teruggave worden verkregen. In de gevallen waarin toch een tijdelijk kenteken wordt aangevraagd omdat het motorrijtuig bijvoorbeeld via Duitsland naar een ander EU-land wordt geëxporteerd, moet degene op wiens naam het motorrijtuig in Nederland was geregistreerd wachten met het terugvragen van de BPM tot het motorrijtuig in het definitieve EU-land van bestemming permanent is ingeschreven. Een teruggave van BPM blijft in die gevallen mogelijk.
(…)”


18. In het advies van de afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport is over wijziging van de teruggaafregeling onder meer het volgende vermeld:


“(…)
De Afdeling merkt op dat er niet wordt ingegaan op de situatie waarin – ook met de opzet om te exporteren naar een land buiten de EU/EER – eerst sprake is van een duurzame inschrijving in een ander land van de EU/EER (hetgeen leidt tot een teruggaaf van BPM), kort daarna alsnog gevolgd door een export naar een land buiten de EU/EER. Door eerst duurzaam in te schrijven (en kort daarna toch te exporteren) kan derhalve nog steeds een teruggaaf van BPM worden verkregen. Naar het de Afdeling voorkomt zijn daarmee vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van het voorstel omdat niet bedoeld gebruik aldus mogelijk blijft.
(…)
Het onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM doet zich met name voor bij export op basis van een tijdelijke kentekenregistratie in een ander land dan Nederland binnen de EU/EER. Een dergelijk gebruik van de regeling wordt veroorzaakt doordat een tijdelijke kentekenregistratie vaak op eenvoudige wijze, tegen lage kosten en met weinig administratieve lasten in dat andere land binnen de EU/EER is te verkrijgen. Zo is het mogelijk op grond van een dergelijk, tijdelijk kenteken een teruggaaf van BPM te krijgen, terwijl het motorrijtuig – al dan niet rechtstreeks – geëxporteerd wordt naar een land buiten de EU/EER. Met deze maatregel wordt een drempel opgeworpen tegen dit onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM. Uiteraard blijft het – zoals de Afdeling terecht opmerkt – mogelijk om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER.
(…)”


19. In de nota naar aanleiding van het verslag is over de wijziging van de teruggaafregeling het volgende opgenomen:


“(…)
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de teruggaafregeling van de BPM exact wordt aangescherpt. In de huidige situatie geeft elke inschrijving van een motorrijtuig (export) in een andere lidstaat respectievelijk land binnen de EU/EER recht op een teruggaaf van BPM. De voorgestelde aanscherping van de teruggaafregeling BPM beperkt deze teruggaaf van BPM tot die situaties waarin sprake is van een duurzame inschrijving in een andere lidstaat of ander land binnen de EU/EER. Dit sluit beter aan bij de Europese regelgeving van inschrijving van het kentekenbewijs, te weten Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen (PbEG 1999, L 138). Het gevolg van de aanscherping is dat een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving in andere EU-lidstaat of ander EER-land niet wordt geaccepteerd als grond voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen.
(…)
De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet verwacht dat naar aanleiding van de voorgestelde maatregel het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf zal worden teruggedrongen. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie en het lid [naam] vragen naar onbedoeld gebruik van de BPM-teruggaaf regeling door via een duurzame inschrijving van een motorrijtuig in een andere EU-/EER-staat het motorrijtuig alsnog te exporteren naar een derde staat buiten de EU/EER. De leden van de fractie van het CDA en het lid [naam] vragen daarbij tevens wat een duurzame inschrijving in een EU-/EER (lid)staat inhoudt. Met de genomen maatregel wordt een drempel opgeworpen om onbedoeld gebruik van de teruggaafregeling BPM bij export van motorrijtuigen zo veel mogelijk te voorkomen. Ik realiseer mij dat deze drempel geen muur is, maar maatwerk binnen het Europese vrije verkeer. De teruggaafregeling van BPM bij export sluit op deze wijze beter aan bij de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Op 8 juni jl. heb ik aangegeven dat het uiteraard mogelijk blijft om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een andere EU-lidstaat of ander EER-land het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER en dat met de aanpassing van artikel 14a Wet BPM 1992 een drempel wordt opgeworpen tegen onbedoeld gebruik van de teruggaafregeling BPM.
Met een duurzame inschrijving wordt bedoeld dat het motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. In de praktijk betekent dit het kunnen overleggen van een permanent kentekenbewijs dat voldoet aan de voorwaarden van de Richtlijn kentekenbewijzen. Hierdoor zullen tijdelijke kentekenregistraties (een kentekenregistratie met een beperkte geldigheidsduur of een kentekenregistratie die niet voldoet aan de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen) geen recht meer geven op een teruggaaf van BPM bij export.
(…)
De leden van de fractie van de PvdA vragen of er een minimumperiode van toepassing is voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig op een buitenlands kenteken. Verder vragen deze leden of de BPM direct bij export wordt teruggegeven en later wordt teruggevorderd als het motorrijtuig niet duurzaam ingeschreven staat. Er geldt geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in het EER-land waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Als in een later stadium blijkt dat ten onrechte BPM is teruggegeven dan zal de Belastingdienst dat bedrag aan BPM naheffen van de indiener van het verzoek om teruggaaf.
(…)”


20. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer zijn nadere vragen gesteld over een minimumperiode van een duurzame inschrijving:


“(…)
Ten aanzien van de aanpassing van de teruggaafregeling van BPM bij export van motorrijtuigen vragen de leden van de fractie van D66 waarom geen minimumperiode van een duurzame inschrijving is opgenomen. Er geldt op grond van recht van de Europese Unie (EU) geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in een land van de Europese Economische Ruimte (EER) waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. Van belang voor de teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) is dat het motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan, verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Het invoeren van een minimumperiode zou betekenen dat de Belastingdienst deze motorrijtuigen in het buitenland gedurende een bepaalde periode zou moeten blijven volgen. Dit is voor de Belastingdienst praktisch ondoenlijk. Het is bovendien de vraag of een minimumperiode Europeesrechtelijk houdbaar is.
(…)”


21. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM (wettekst 2017), luidt als volgt:


“Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.”


22. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 stelt nadere voorwaarden aan de teruggaaf van belasting. Het motorrijtuig mag op het moment van het vervallen van de tenaamstelling geen schadevoertuig zijn, bestemd zijn voor de sloop, of de status ‘wachten op keuring’ hebben.

23. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 17 maart 2026 beslist dat de inschrijving in het andere EU/EER-land (Duitsland) geen duurzaam, in de zin van lang durend, karakter hoeft te hebben. Hiermee zou een verdergaande eis worden gesteld dan volgt uit de tekst van artikel 14a van de Wet BPM en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. Verder heeft het gerechtshof beslist dat niet vereist is dat het te exporteren voertuig naar het andere EU/EER-land is gebracht. De hiervoor genoemde bepalingen schrijven niet méér voor dan dat het voertuig buiten Nederland wordt gebracht, aldus het gerechtshof. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

24. De inspecteur heeft ter zitting nog aangevoerd dat de uitspraak van het gerechtshof niet van toepassing is, omdat de casus in deze zaak anders is dan de zaak waarover het gerechtshof heeft geoordeeld. De inspecteur wijst erop dat er voor de vijf overgebleven auto’s in deze zaak minder tijd zit tussen de registratie in Duitsland en de exportaangifte, waardoor het bijna niet anders kan dan dat de koper buiten de EU al bekend was. Daarnaast is er in de zaak van het gerechtshof nageheven op basis van een boekenonderzoek, voor deze auto’s is nageheven op basis van gegevens van de Douane, waardoor we ook weten wanneer de auto’s de EU verlaten hebben. De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt van de inspecteur. Het korte tijdsverloop is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Zoals belanghebbende op zitting heeft beschreven is het mogelijk dat de auto’s al langere tijd zijn verkocht aan een Duitse koper, maar nog niet konden worden geëxporteerd, omdat de kentekenregistratie in Duitsland nog niet rond was. In de tussentijd kan de Duitse koper de auto al hebben doorverkocht. Dit maakt niet dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM.

25. De inspecteur heeft al aangegeven dat voor auto 1 ( [kenteken] ) en auto 5 ( [kenteken 5] ) onterecht is nageheven. Dat de naheffingsaanslag voor deze auto’s verminderd moet worden is niet meer in geschil. De rechtbank is met betrekking tot auto 2 en auto’s 4, 6 en 7 ook van oordeel dat belanghebbende voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM. Gesteld noch gebleken is dat de Duitse inschrijving een tijdelijke inschrijving is. Dat het tijdsverloop kort is, maakt niet dat de inschrijving niet duurzaam is geweest. Niet in geschil is dat van een schadevoertuig geen sprake is, de auto buiten Nederland is gebracht, en dat bij het teruggaafverzoek een kopie van het kentekenbewijs is overgelegd.

26. De rechtbank constateert dat auto 3 ( [kenteken 3] ) een exportdatum heeft van 24 februari 2017, dat betekent dat deze auto buiten de EU is geëxporteerd voordat de registratie in Duitsland op 27 februari 2017 inging. Voor deze auto kan daarom niet worden gezegd dat sprake is van doorvoer. Naar het oordeel van de rechtbank is voor auto 3 niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM. De inspecteur heeft voor auto 3 terecht BPM nageheven.

27. De conclusie luidt dat de inspecteur over zes auto’s ten onrechte BPM heeft nageheven en de naheffingsaanslag BPM verminderd dient te worden tot € 339.



Belastingrente


28. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.




Conclusie en gevolgen

29. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de naheffingsaanslag wordt verminderd. De belastingrentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

30. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft vier facturen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overgelegd van in totaal € 3.015,92 (908,41 + 1061,78 + 501,23 (excl. griffierecht) + 544,50). Belanghebbende vraagt daarnaast om € 28 reiskosten en € 200 verletkosten. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat hij instemt met een vergoeding van de werkelijke proceskosten zoals deze volgen uit het proceskostenformulier. De rechtbank zal de proceskosten daarom vaststellen op € 3.243,92. Belanghebbende krijgt ook het griffierecht terug.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de naheffingsaanslag tot € 339;


vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;


veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.243,92;


bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 vergoedt.






Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 12 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).


Artikel 20, derde lid, van de AWR.


Stb. 2006, 682, artikel X, E.


Kamerstukken II 2006/07, 30804, nr. 9, p. 9/10 en 17.


Stb. 2015, 455, artikel VII, B.


Kamerstukken 2014/15, 34.220, nr. 3, p. 5 en 18.


Kamerstukken II 2014/15, 34.220, nr. 4, p. 3 en 6.


Kamerstukken II 2014/15, 34.220, nr. 6, p. 11-13.


Kamerstukken I 2015/16, 34.220, nr. B, p 2-3.


ECLI:NL:GHARL:2026:1651.


Zie r.o. 4.8.


Zie r.o. 4.9.