Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6385

2026-07-24 Strafrecht 05/066992-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05/066992-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art 530 Sv: verhaal kosten rechtsbijstand inzake consultatie- en verhoorbijstand bij eerste verhoor na uitnodiging. Verschil tussen piketadvocaat, die de kosten niet kan declareren bij cliënt en dus ook niet verhalen via art 530 Sv, en voorkeursadvocaat die tevoren financiële afspraken maakt met cliënt over de kosten. Niet doorslaggevend is de benaming die de politie hieraan geeft in het dossier.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.429 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht


Zittingsplaats Arnhem



parketnummer : 05/066992-26
raadkamernummer : 26-011722
datum zitting : 10 juli 2026
datum uitspraak : 24 juli 2026




beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:






[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [adres] [woonplaats] ,
mr. L.S. Wachters, advocaat te Arnhem,



hierna te noemen: verzoeker.





1Feiten
De officier van justitie heeft beslist verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 9 april 2026 aan verzoeker meegedeeld. Deze beslissing is onherroepelijk geworden.




2Procedure

2.1
Het verzoekschrift is op 21 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Vervolgens zijn in tweede termijn nogmaals schriftelijke standpunten uitgewisseld. Voorafgaand aan de openbare raadkamer ontving de rechtbank de schriftelijke pleitaantekeningen van de raadsvrouw.



2.2
De rechtbank heeft op 10 juli 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker, mr. L.S. Wachters en de officier van justitie gehoord. Verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.





3Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 4.736.93 wegens:
- de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak. Door verzoeker is een factuur en urenspecificatie van mr. L.S. Wachters overgelegd tot een bedrag van € 3.911,93;
- de kosten van rechtsbijstand voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek tot een bedrag van € 825,00.




4Standpunt van het openbaar ministerie

In de voorbereidende stukken heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor het verlenen van rechtsbijstand voorafgaande en tijdens het verhoor niet toewijsbaar zijn omdat de raadsvrouw toen optrad als piketadvocaat en de daarmee gemoeide kosten alleen bij de Raad voor de Rechtsbijstand kunnen worden gedeclareerd.
De officier van justitie heeft in raadkamer dit standpunt verlaten en geconcludeerd dat het verzoek in zijn geheel kan worden toegewezen.





5Beoordeling

5.1
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.



5.2
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verzoeker een vaste cliënt is, dat hij na het ontvangen van de oproeping voor verhoor zich tot haar heeft gewend met verzoek haar bij te staan en dat zij dat heeft toegezegd. Er zijn toen financiële afspraken gemaakt voor de werkzaamheden van de raadsvrouw, die per e-mail zijn bevestigd. Op het bureau stuurde de politie een (voorkeurs)piketmelding, die de raadsvrouw heeft geaccepteerd maar niet gedeclareerd. Dat de advocaat in het dossier is aangemerkt als ‘piketadvocaat’ is daarom onjuist en berust slechts op de vaste werkwijze van de politie. Verzoeker was echter niet van zijn vrijheid beroofd en zij was zijn voorkeursadvocaat. In die omstandigheden staat het de advocaat vrij de kosten van verleende rechtsbijstand rechtstreeks te declareren bij de cliënt (en kan de advocaat die kosten uiteraard niet tegelijkertijd declareren bij de Raad voor de Rechtsbijstand, maar dat is ook niet gebeurd).



5.3
De rechtbank komt dit juist voor. In die zin onderscheidt onderhavige zaak zich van de casus in de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2026 (ECLI:NL:GHAL:2026:1366), waarnaar de officier van justitie had verwezen en waarin de raadsman een piketmelding kreeg tijdens een reguliere piketdienst van een onbekende client. Die melding is vervolgens gedeclareerd bij zijn cliënt, waarna gepoogd is die kosten te verhalen via artikel 530 Sv. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, mede omdat de advocaat op alle fronten in gebreke was gebleven opheldering te verschaffen over de gang van zaken.



5.4
In deze zaak heeft mr. Wachters echter volledige openheid van zaken gegeven en het systeem van toevoeging en piketregeling en het verschil met de positie van een voorkeursadvocaat duidelijk en correct uiteengezet.



5.5
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 3.911,93 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor.



5.6
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 2.12 lid 2 van de Inschrijvingsvoorwaarden (en artikel 1.1. Reglement Piket Rechtsbijstand eveneens) niet van toepassing is nu de raadsvrouw niet de piketadvocaat was van verzoeker, maar zijn voorkeursadvocaat. Voorafgaand aan de “piketfase” zijn financiële afspraken gemaakt tussen raadsvrouw en verzoeker. Dit betekent dat als de zaak niet was geseponeerd, en verdachte was veroordeeld, de kosten voor rekening van verzoeker zouden komen



5.7
Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding zoals verzocht.



5.8
Alles bij elkaar zal de rechtbank een vergoeding toekennen voor:



kosten rechtsbijstand strafzaak € 3.911,93


forfaitaire vergoeding € 825,00


---------------------------------------------------------------


Totaal € 4.736.93




Beslissing




De rechtbank kent aan verzoeker toe een vergoeding ten laste van de Staat € 4.736,93 (vierduizendzevenhonderdzesendertig euro en drieënnegentig cent)



Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Verbeek (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van Geemen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.








Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.






































BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 4.736.93 (zegge: vierduizendzevenhonderdzesendertig euro en drieënnegentig cent), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [stichting] te Arnhem onder vermelding van dossiernummer [nummer] .