Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6364
2026-08-10
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ARN 26/3649
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening tegen de aan vergunninghouder verleende evenementenvergunning voor het Openlucht Filmfestival 2026. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in deze uitspraak af. Het bezwaar van de stichting heeft namelijk geen redelijke kans van slagen, omdat de burgemeester de eventuele gevolgen van het evenement voor de natuur niet kan en mag betrekken bij de afweging of hij al dan niet de gevraagde evenementenvergunning verleent.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2026:739 Raad van State 11-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2022:571 Raad van State 23-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.368 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3649
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
Stichting werkgroep milieuzorg Apeldoorn, uit Apeldoorn, de stichting
en
de burgemeester van Apeldoorn
(gemachtigden: mr. R.S. Boersma en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende evenementenvergunning voor het Openlucht Filmfestival 2026.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in deze uitspraak af, omdat het bezwaar van de stichting geen redelijke kans van slagen heeft. De stichting voert in bezwaar – kort samengevat – aan dat het evenement (mogelijke) gevolgen heeft voor de natuur en dat onvoldoende duidelijk is hoe de burgemeester het belang van het beschermen van de natuur heeft meegewogen bij zijn besluitvorming. De voorzieningenrechter volgt dat niet, omdat de burgemeester de (mogelijke) gevolgen voor de natuur niet kan en mag betrekken bij de afweging of hij de evenementenvergunning (al dan niet) verleent. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de burgemeester de evenementenvergunning verleend. De stichting heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Bij besluit van 28 juli 2026 heeft de burgemeester de evenementenvergunning gewijzigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit van 28 juli 2026.
2.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens de stichting hebben [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] deelgenomen aan de zitting. De burgemeester heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is ook verschenen, bijgestaan door [persoon 5] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Vervolgens beoordeelt zij of de stichting als belanghebbende is aan te merken bij het bestreden besluit en of zij procesbelang heeft. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, beoordeelt de voorzieningenrechter daarna of er aanleiding bestaat om de verleende evenementenvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van de stichting een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk reden zijn om de evenementenvergunning te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van de stichting.
Waar gaat deze zaak over?
4. Vergunninghouder heeft op 14 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor het Openlucht Filmfestival 2026. Het evenement vindt van 14 tot en met 22 augustus 2026 plaats op [locatie] ( [adres] ) in Apeldoorn.
4.1.
Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de burgemeester de evenementenvergunning verleend. De burgemeester heeft, mede gelet op het ingediende bezwaarschrift, aanleiding gezien om de evenementenvergunning bij besluit van 28 juli 2026 te wijzigen. Gemaakte afspraken met de organisator bleken namelijk niet allemaal even duidelijk en scherp in de vergunning te zijn opgenomen.
4.2.
De stichting is een rechtspersoon die (onder meer) opkomt voor het natuurbelang. [locatie] is gelegen binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe. De stichting voert in de kern aan dat de evenementenvergunning onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de natuurbelangen zijn gewogen bij het nemen van het bestreden besluit.
Is de stichting belanghebbende bij het bestreden besluit?
5. Uit de Awb volgt dat alleen belanghebbenden bezwaar kunnen indienen tegen een besluit. De voorzieningenrechter moet ambtshalve (dat betekent: op eigen initiatief) beoordelen of de stichting belanghebbende is bij de verleende evenementenvergunning.
5.1.
In artikel 1:2 van de Awb staat wie belanghebbende is. Dat is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij rechtspersonen worden als hun belangen ook beschouwd de algemene belangen die zij in het bijzonder behartigen. Daarvoor moet worden gekeken naar 1) hun statutaire doelstellingen en 2) naar hun feitelijke werkzaamheden.
1) Statutaire doelstelling
6. Om een rechtstreeks belang te kunnen aannemen, is het voldoende als het statutaire belang feitelijk door het bestreden besluit wordt geraakt.
6.1.
De stichting heeft op grond van haar statuten ten doel om te waken tegen de aantasting van onder meer natuur in de gemeente Apeldoorn en aangrenzende gemeenten. De stichting stelt dat het houden van het evenement (mogelijk) gevolgen heeft voor beschermde soorten en Natura 2000-gebied de Veluwe. Omdat het evenement wordt gehouden in een bosrijke omgeving midden op de Veluwe, acht de voorzieningenrechter het niet op voorhand uitgesloten dat het houden van het evenement gevolgen kan hebben voor de natuur. Ook de burgemeester heeft op zitting erkend dat gevolgen voor de natuur zich (in theorie) zouden kunnen voordoen.
6.2.
Nu het evenement alleen doorgang kan vinden met deze evenementenvergunning, heeft stichting naar het oordeel van de voorzieningenrechter een belang waar zij krachtens haar statuten voor opkomt (het beschermen van de natuur) dat rechtstreeks wordt of in ieder geval kan worden geraakt door de verleende evenementenvergunning.
2) Feitelijke werkzaamheden
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Evenmin kunnen als zodanig worden aangemerkt werkzaamheden die daarmee direct verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures.
7.1.
De stichting heeft op verzoek van de voorzieningenrechter een lijst met feitelijke werkzaamheden aangeleverd. Daaruit blijk dat door en namens de stichting verschillende activiteiten worden uitgevoerd, zoals het geven van voorlichting over natuur, overleg met overheden en tweemaal per jaar deelname aan een bosschouw van de bossen van Apeldoorn-West onder leiding van gemeentelijke ecologen. Met het oog op de behartiging van haar algemene doelstelling heeft de stichting naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voldoende relevante feitelijke werkzaamheden verricht om haar als belanghebbende aan te kunnen merken.
Heeft de stichting procesbelang?
8. De burgemeester voert aan dat de stichting geen procesbelang heeft. De stichting wil namelijk in de kern bewerkstelligen dat er aan de natuurwetgeving wordt voldaan, maar dat kan niet worden bereikt met toewijzing van het verzoek. Op zitting heeft de burgemeester wel erkend dat de stichting met schorsing van de evenementenvergunning (indirect) kan bereiken dat eventuele gevolgen voor de natuur als gevolg van het houden van het evenement voorkomen kunnen worden, maar dat dit oneigenlijk is omdat het natuurbelang geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader voor het verlenen van een evenementenvergunning.
8.1.
Procesbelang is het belang dat een partij heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat die partij voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stichting wel procesbelang heeft. Zij kan met schorsing van de verleende evenementenvergunning namelijk bereiken dat het evenement geen doorgang kan vinden. Het doel dat de stichting voor ogen staat, namelijk het voorkomen van (eventuele) negatieve gevolgen voor de natuur als gevolg van het houden van het evenement, kan daarmee ook worden bereikt. Voor het aannemen van procesbelang is verder, anders dan de burgemeester betoogt, niet relevant of de belangen waar de stichting zich op beroept ook worden beschermd door de regeling waarop het besluit steunt. Of sprake is van procesbelang, is dus niet afhankelijk van de vraag of natuurbelangen een rol spelen bij de evenementenvergunning. Voldoende is dat de stichting (eventuele) gevolgen van het evenement voor de natuur kan voorkomen wanneer het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd?
9. De stichting voert – kort samengevat – aan dat de evenementenvergunning onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De burgemeester heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de natuurbelangen zijn gewogen bij het nemen van het bestreden besluit. Zo is bijvoorbeeld niet uit het bestreden besluit af te leiden welke ecologische informatie aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd en of een beoordeling heeft plaatsgevonden van mogelijke effecten op natuurwaarden en beschermde soorten. Ook is niet kenbaar afgewogen op welke wijze de ligging van het evenemententerrein binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe in de besluitvorming is betrokken.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. In artikel 1:8 en artikel 2:25b van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn (APV) staan de weigeringsgronden voor een evenementenvergunning. De weigeringsgronden zijn de redenen waarom de burgemeester een evenementenvergunning zou kunnen weigeren. In de APV is geen weigeringsgrond opgenomen die ertoe strekt dat de burgemeester de evenementenvergunning kan weigeren als zich nadelige gevolgen voor de natuur voordoen. In artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder d, van de APV is wel de weigeringsgrond ‘de bescherming van het milieu’ opgenomen, maar de burgemeester heeft daar op zitting over toegelicht dat die bepaling ziet op bescherming van het woon- en leefmilieu en dat natuurbelangen hier niet onder vallen. De voorzieningenrechter acht deze uitleg begrijpelijk, omdat het belang bij het beschermen van de natuur onvoldoende relatie heeft met de openbare orde en het vergunningenstelsel voor evenementen juist is opgenomen in de APV met het oog op de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid.
9.2.
De burgemeester kan en mag daarom de natuurbelangen niet betrekken bij zijn afweging om de evenementenvergunning (al dan niet) te verlenen. Dat betekent dat, zelfs als het evenement (negatieve) gevolgen zou hebben voor natura 2000-gebied de Veluwe en/of voor beschermde soorten, de burgemeester niet om die reden de evenementenvergunning kan en mag weigeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester daarom de (mogelijke) gevolgen voor de natuur terecht niet betrokken bij de beoordeling van de gevraagde evenementenvergunning en is het besluit op dat punt ook niet onzorgvuldig voorbereid of onvoldoende gemotiveerd.
9.3.
De stichting heeft daar nog tegen ingebracht dat in de evenementenvergunning voorschriften zijn opgenomen die juist dienen ter bescherming van de natuur. Zo is in de evenementenvergunning bijvoorbeeld opgenomen dat vergunninghouder een scherm moet plaatsen om te voorkomen dat de dassenburcht wordt verstoord door verlichting en geluid. Daaruit leidt de stichting af dat het aspect natuur daarom wel een rol speelt in het toetsingskader. Dit volgt de voorzieningenrechter niet. De burgemeester heeft op zitting toegelicht dat de gemeente eigenaar van de grond is en dat op haar een zorgplicht rust om nadelige gevolgen voor de natuur zo veel mogelijk te voorkomen. Daarom zijn afspraken gemaakt tussen de gemeente en vergunninghouder en zijn die voor de volledigheid opgenomen in het bestreden besluit. Deze afspraken maken echter geen onderdeel uit van de evenementenvergunning, omdat de natuurbelangen – zoals hiervoor onder 9.1 en 9.2 is overwogen – daarbij niet kunnen en mogen worden betrokken. Omdat de voorzieningenrechter de verwarring bij de stichting enigszins kan voorstellen, raadt zij de burgemeester aan om bijvoorbeeld een nadere toelichting over de achtergrond van deze afspraken op te nemen of de afspraken niet langer onderdeel uit te laten maken van de nog te nemen beslissing op bezwaar, maar op te nemen in een apart document.
9.4.
Ten slotte merkt de voorzieningenrechter nog op dat het voorgaande niet betekent dat de stichting in zijn geheel geen mogelijkheden heeft om eventuele nadelige gevolgen voor de natuur als gevolg van het evenement te voorkomen. De bescherming van gebieden en soorten is in de Omgevingswet uitputtend geregeld en Gedeputeerde Staten is in die wet als bevoegd gezag aangewezen. De stichting kan daar een handhavingsverzoek indienen mocht zij menen dat er verbodsbepalingen (dreigen te) worden overtreden. De stichting is van deze mogelijkheid overigens ook op de hoogte, nu zij reeds vóór de behandeling van deze zaak op zitting al een handhavingsverzoek had ingediend.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van de stichting geen redelijke kans van slagen heeft.
10.1.
Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
In hetzelfde document zijn ook nog een aantal andere toestemmingen verleend, waaronder een ontheffing op grond van de Alcoholwet door het college van burgemeester en wethouders. Omdat de stichting opkomt tegen de evenementenvergunning en de burgemeester daarover gaat, is in deze zaak alleen de burgemeester als verweerder aangemerkt.
Dat volgt uit artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld ABRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:739, r.o. 5.3.
ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:571.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3649
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
Stichting werkgroep milieuzorg Apeldoorn, uit Apeldoorn, de stichting
en
de burgemeester van Apeldoorn
(gemachtigden: mr. R.S. Boersma en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende evenementenvergunning voor het Openlucht Filmfestival 2026.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in deze uitspraak af, omdat het bezwaar van de stichting geen redelijke kans van slagen heeft. De stichting voert in bezwaar – kort samengevat – aan dat het evenement (mogelijke) gevolgen heeft voor de natuur en dat onvoldoende duidelijk is hoe de burgemeester het belang van het beschermen van de natuur heeft meegewogen bij zijn besluitvorming. De voorzieningenrechter volgt dat niet, omdat de burgemeester de (mogelijke) gevolgen voor de natuur niet kan en mag betrekken bij de afweging of hij de evenementenvergunning (al dan niet) verleent. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de burgemeester de evenementenvergunning verleend. De stichting heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Bij besluit van 28 juli 2026 heeft de burgemeester de evenementenvergunning gewijzigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit van 28 juli 2026.
2.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens de stichting hebben [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] deelgenomen aan de zitting. De burgemeester heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is ook verschenen, bijgestaan door [persoon 5] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Vervolgens beoordeelt zij of de stichting als belanghebbende is aan te merken bij het bestreden besluit en of zij procesbelang heeft. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, beoordeelt de voorzieningenrechter daarna of er aanleiding bestaat om de verleende evenementenvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van de stichting een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk reden zijn om de evenementenvergunning te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van de stichting.
Waar gaat deze zaak over?
4. Vergunninghouder heeft op 14 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor het Openlucht Filmfestival 2026. Het evenement vindt van 14 tot en met 22 augustus 2026 plaats op [locatie] ( [adres] ) in Apeldoorn.
4.1.
Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de burgemeester de evenementenvergunning verleend. De burgemeester heeft, mede gelet op het ingediende bezwaarschrift, aanleiding gezien om de evenementenvergunning bij besluit van 28 juli 2026 te wijzigen. Gemaakte afspraken met de organisator bleken namelijk niet allemaal even duidelijk en scherp in de vergunning te zijn opgenomen.
4.2.
De stichting is een rechtspersoon die (onder meer) opkomt voor het natuurbelang. [locatie] is gelegen binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe. De stichting voert in de kern aan dat de evenementenvergunning onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de natuurbelangen zijn gewogen bij het nemen van het bestreden besluit.
Is de stichting belanghebbende bij het bestreden besluit?
5. Uit de Awb volgt dat alleen belanghebbenden bezwaar kunnen indienen tegen een besluit. De voorzieningenrechter moet ambtshalve (dat betekent: op eigen initiatief) beoordelen of de stichting belanghebbende is bij de verleende evenementenvergunning.
5.1.
In artikel 1:2 van de Awb staat wie belanghebbende is. Dat is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij rechtspersonen worden als hun belangen ook beschouwd de algemene belangen die zij in het bijzonder behartigen. Daarvoor moet worden gekeken naar 1) hun statutaire doelstellingen en 2) naar hun feitelijke werkzaamheden.
1) Statutaire doelstelling
6. Om een rechtstreeks belang te kunnen aannemen, is het voldoende als het statutaire belang feitelijk door het bestreden besluit wordt geraakt.
6.1.
De stichting heeft op grond van haar statuten ten doel om te waken tegen de aantasting van onder meer natuur in de gemeente Apeldoorn en aangrenzende gemeenten. De stichting stelt dat het houden van het evenement (mogelijk) gevolgen heeft voor beschermde soorten en Natura 2000-gebied de Veluwe. Omdat het evenement wordt gehouden in een bosrijke omgeving midden op de Veluwe, acht de voorzieningenrechter het niet op voorhand uitgesloten dat het houden van het evenement gevolgen kan hebben voor de natuur. Ook de burgemeester heeft op zitting erkend dat gevolgen voor de natuur zich (in theorie) zouden kunnen voordoen.
6.2.
Nu het evenement alleen doorgang kan vinden met deze evenementenvergunning, heeft stichting naar het oordeel van de voorzieningenrechter een belang waar zij krachtens haar statuten voor opkomt (het beschermen van de natuur) dat rechtstreeks wordt of in ieder geval kan worden geraakt door de verleende evenementenvergunning.
2) Feitelijke werkzaamheden
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Evenmin kunnen als zodanig worden aangemerkt werkzaamheden die daarmee direct verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures.
7.1.
De stichting heeft op verzoek van de voorzieningenrechter een lijst met feitelijke werkzaamheden aangeleverd. Daaruit blijk dat door en namens de stichting verschillende activiteiten worden uitgevoerd, zoals het geven van voorlichting over natuur, overleg met overheden en tweemaal per jaar deelname aan een bosschouw van de bossen van Apeldoorn-West onder leiding van gemeentelijke ecologen. Met het oog op de behartiging van haar algemene doelstelling heeft de stichting naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voldoende relevante feitelijke werkzaamheden verricht om haar als belanghebbende aan te kunnen merken.
Heeft de stichting procesbelang?
8. De burgemeester voert aan dat de stichting geen procesbelang heeft. De stichting wil namelijk in de kern bewerkstelligen dat er aan de natuurwetgeving wordt voldaan, maar dat kan niet worden bereikt met toewijzing van het verzoek. Op zitting heeft de burgemeester wel erkend dat de stichting met schorsing van de evenementenvergunning (indirect) kan bereiken dat eventuele gevolgen voor de natuur als gevolg van het houden van het evenement voorkomen kunnen worden, maar dat dit oneigenlijk is omdat het natuurbelang geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader voor het verlenen van een evenementenvergunning.
8.1.
Procesbelang is het belang dat een partij heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat die partij voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stichting wel procesbelang heeft. Zij kan met schorsing van de verleende evenementenvergunning namelijk bereiken dat het evenement geen doorgang kan vinden. Het doel dat de stichting voor ogen staat, namelijk het voorkomen van (eventuele) negatieve gevolgen voor de natuur als gevolg van het houden van het evenement, kan daarmee ook worden bereikt. Voor het aannemen van procesbelang is verder, anders dan de burgemeester betoogt, niet relevant of de belangen waar de stichting zich op beroept ook worden beschermd door de regeling waarop het besluit steunt. Of sprake is van procesbelang, is dus niet afhankelijk van de vraag of natuurbelangen een rol spelen bij de evenementenvergunning. Voldoende is dat de stichting (eventuele) gevolgen van het evenement voor de natuur kan voorkomen wanneer het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd?
9. De stichting voert – kort samengevat – aan dat de evenementenvergunning onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De burgemeester heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de natuurbelangen zijn gewogen bij het nemen van het bestreden besluit. Zo is bijvoorbeeld niet uit het bestreden besluit af te leiden welke ecologische informatie aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd en of een beoordeling heeft plaatsgevonden van mogelijke effecten op natuurwaarden en beschermde soorten. Ook is niet kenbaar afgewogen op welke wijze de ligging van het evenemententerrein binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe in de besluitvorming is betrokken.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. In artikel 1:8 en artikel 2:25b van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn (APV) staan de weigeringsgronden voor een evenementenvergunning. De weigeringsgronden zijn de redenen waarom de burgemeester een evenementenvergunning zou kunnen weigeren. In de APV is geen weigeringsgrond opgenomen die ertoe strekt dat de burgemeester de evenementenvergunning kan weigeren als zich nadelige gevolgen voor de natuur voordoen. In artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder d, van de APV is wel de weigeringsgrond ‘de bescherming van het milieu’ opgenomen, maar de burgemeester heeft daar op zitting over toegelicht dat die bepaling ziet op bescherming van het woon- en leefmilieu en dat natuurbelangen hier niet onder vallen. De voorzieningenrechter acht deze uitleg begrijpelijk, omdat het belang bij het beschermen van de natuur onvoldoende relatie heeft met de openbare orde en het vergunningenstelsel voor evenementen juist is opgenomen in de APV met het oog op de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid.
9.2.
De burgemeester kan en mag daarom de natuurbelangen niet betrekken bij zijn afweging om de evenementenvergunning (al dan niet) te verlenen. Dat betekent dat, zelfs als het evenement (negatieve) gevolgen zou hebben voor natura 2000-gebied de Veluwe en/of voor beschermde soorten, de burgemeester niet om die reden de evenementenvergunning kan en mag weigeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester daarom de (mogelijke) gevolgen voor de natuur terecht niet betrokken bij de beoordeling van de gevraagde evenementenvergunning en is het besluit op dat punt ook niet onzorgvuldig voorbereid of onvoldoende gemotiveerd.
9.3.
De stichting heeft daar nog tegen ingebracht dat in de evenementenvergunning voorschriften zijn opgenomen die juist dienen ter bescherming van de natuur. Zo is in de evenementenvergunning bijvoorbeeld opgenomen dat vergunninghouder een scherm moet plaatsen om te voorkomen dat de dassenburcht wordt verstoord door verlichting en geluid. Daaruit leidt de stichting af dat het aspect natuur daarom wel een rol speelt in het toetsingskader. Dit volgt de voorzieningenrechter niet. De burgemeester heeft op zitting toegelicht dat de gemeente eigenaar van de grond is en dat op haar een zorgplicht rust om nadelige gevolgen voor de natuur zo veel mogelijk te voorkomen. Daarom zijn afspraken gemaakt tussen de gemeente en vergunninghouder en zijn die voor de volledigheid opgenomen in het bestreden besluit. Deze afspraken maken echter geen onderdeel uit van de evenementenvergunning, omdat de natuurbelangen – zoals hiervoor onder 9.1 en 9.2 is overwogen – daarbij niet kunnen en mogen worden betrokken. Omdat de voorzieningenrechter de verwarring bij de stichting enigszins kan voorstellen, raadt zij de burgemeester aan om bijvoorbeeld een nadere toelichting over de achtergrond van deze afspraken op te nemen of de afspraken niet langer onderdeel uit te laten maken van de nog te nemen beslissing op bezwaar, maar op te nemen in een apart document.
9.4.
Ten slotte merkt de voorzieningenrechter nog op dat het voorgaande niet betekent dat de stichting in zijn geheel geen mogelijkheden heeft om eventuele nadelige gevolgen voor de natuur als gevolg van het evenement te voorkomen. De bescherming van gebieden en soorten is in de Omgevingswet uitputtend geregeld en Gedeputeerde Staten is in die wet als bevoegd gezag aangewezen. De stichting kan daar een handhavingsverzoek indienen mocht zij menen dat er verbodsbepalingen (dreigen te) worden overtreden. De stichting is van deze mogelijkheid overigens ook op de hoogte, nu zij reeds vóór de behandeling van deze zaak op zitting al een handhavingsverzoek had ingediend.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van de stichting geen redelijke kans van slagen heeft.
10.1.
Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
In hetzelfde document zijn ook nog een aantal andere toestemmingen verleend, waaronder een ontheffing op grond van de Alcoholwet door het college van burgemeester en wethouders. Omdat de stichting opkomt tegen de evenementenvergunning en de burgemeester daarover gaat, is in deze zaak alleen de burgemeester als verweerder aangemerkt.
Dat volgt uit artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld ABRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:739, r.o. 5.3.
ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:571.