Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6306
2026-07-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/05/459495
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige overheidsdaad; verkeerde partij gedaagvaard; niet-ontvankelijk; overweging ten overvloede.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.732 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459495 / HA ZA 25-484
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
tegen
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE RHEDEN,
te De Steeg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het college,
advocaat: mr. J.H.M. Spanjaard.
1De procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 4 maart 2026 was een datum bepaald voor de mondelinge behandeling. Daags voor de mondelinge behandeling hebben beide partijen de rechtbank e-mailberichten gestuurd, waaruit volgde dat [de eiser] niet ter zitting zou verschijnen. Naar aanleiding van deze berichten heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het in de reden ligt de mondelinge behandeling niet door te laten gaan, tenzij [de eiser] de rechtbank alsnog laat weten dat hij zelf ter zitting zal verschijnen of zich daar zal laten vertegenwoordigen door een advocaat. Een dergelijk bericht is uitgebleven. De mondelinge behandeling is daarom niet doorgegaan. Vervolgens is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst.
2De zaak in het kort
2.1.
Op 30 januari 2001 heeft het college aan Reinbouw BV een vergunning verleend voor de bouw van 16 woningen op het terrein Jeugdland in Ellecom. Deze vergunning is op 2 september 2004 overgegaan op Inventief Beheer B.V. Inventief is inmiddels ontbonden. [de eiser] was (mede)bestuurder van Inventief. Op 29 juni 2011 heeft het college de vergunning gedeeltelijk ingetrokken, namelijk voor acht nog niet gerealiseerde woningen.
2.2.
In deze procedure vordert [de eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat het intrekkingsbesluit van het college van 29 juni 2011 onrechtmatig is en het college veroordeelt tot betaling aan hem van een schadevergoeding van € 25.000,00, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vorderingen legt [de eiser] ten grondslag dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is, omdat het college dat besluit heeft genomen zonder behoorlijke belangenafweging en in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder voert hij aan dat het college een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Volgens [de eiser] bedraagt zijn schade in totaal € 1.177.744,00. In deze procedure maakt hij echter slechts aanspraak op vergoeding van een deel van die schade, namelijk het gevorderde bedrag van € 25.000,00.
2.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat [de eiser] om meerdere redenen niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Verder betwist het college dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is en dat zij een onrechtmatige daad (jegens [de eiser] ) heeft gepleegd. Tot slot voert het college verweer tegen (de hoogte van) de door [de eiser] gestelde schade.
2.4.
De rechtbank zal [de eiser] niet ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen. Dit licht de rechtbank hierna toe.
3De beoordeling
3.1.
Het meest verstrekkende verweer van het college komt erop neer dat [de eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Daartoe voert het college onder meer aan dat [de eiser] de verkeerde partij, namelijk het college in plaats van de gemeente, in rechte heeft betrokken.
3.2.
Dit verweer slaagt. De bevoegdheid om als partij in een civielrechtelijke procedure als deze op te treden, komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. [de eiser] heeft (enkel) het college van de gemeente gedagvaard. Het college is geen natuurlijk persoon en beschikt ook niet over rechtspersoonlijkheid zoals bedoeld in artikel 2:1 BW. De gemeente beschikt wel over de hiervoor bedoelde rechtspersoonlijkheid. [de eiser] had dan ook de gemeente zelf en niet het college moeten dagvaarden. Dit heeft hij niet gedaan. [de eiser] zal reeds hierom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.
3.3.
Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Ook indien het voorgaande anders zou zijn en [de eiser] wel de juiste partij, te weten de gemeente, had gedagvaard, kunnen zijn vorderingen niet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.4.
De vorderingen die [de eiser] in deze procedure heeft ingesteld, houden verband met het besluit van het college van 29 juni 2011 om de vergunning in te trekken. Het besluit van het college om de vergunning in te trekken, was niet gericht aan [de eiser] , maar aan Inventief als houder van die vergunning. Dit betekent dat (in beginsel) alleen Inventief tegen het intrekkingsbesluit kan opkomen en vorderingen kan instellen die met (de rechtmatigheid van) dat besluit verband houden. [de eiser] heeft niet gesteld waarom hem met betrekking tot dat besluit in persoon een vorderingsrecht toekomt.
3.5.
Zelfs al zou [de eiser] wel een vorderingsrecht toekomen, dan kan hij het intrekkingsbesluit niet (met succes) aanvechten. Ten aanzien van dat besluit heeft namelijk een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan om daar tegen op te komen. Die rechtsgang heeft [de eiser] vergeefs benut. Zowel het beroep als het hoger beroep van [de eiser] tegen het intrekkingsbesluit zijn door de bestuursrechter ongegrond verklaard en de nadien door [de eiser] gedane verzoeken om herziening van de uitspraak zijn afgewezen. Volgens de regel van de formele rechtskracht dient de civiele rechter in dat geval ervan uit te gaan dat het intrekkingsbesluit zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Op het beginsel van de formele rechtskracht kan slechts in zeer klemmende gevallen een uitzondering worden gemaakt. [de eiser] heeft echter geen omstandigheden aangevoerd die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het intrekkingsbesluit formele rechtskracht heeft en dus rechtmatig is, zoals het college ook heeft aangevoerd. Dit betekent dat het intrekkingsbesluit niet meer (met succes) kan worden aangevochten, ook niet bij de civiele rechter op de grond dat het betreffende besluit onrechtmatig is, ook niet door een verklaring voor recht te vorderen die daarop ziet.
3.6.
Hier komt nog bij dat [de eiser] de stellingen waarop zijn vorderingen berusten onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. De dagvaarding van [de eiser] is zeer summier. Hij verwijst daarin (met name) in algemene zin naar de producties die zijn aangehecht. Daarmee kan [de eiser] niet volstaan. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat producties kunnen dienen ter ondersteuning van stellingen, maar niet ter vervanging daarvan. [de eiser] dient als eiser zijn vorderingen te gronden op heldere en toetsbare stellingen en deze te onderbouwen met producties, waarvan hij concreet moet aanduiden welke delen daarvan relevant zijn en waarom die delen relevant zijn. Het is niet aan de rechtbank of het college als gedaagde om zelf (verder) in de producties te gaan zoeken. Het staat de rechtbank ook niet vrij om een meer dan geringe vertaalslag te maken of uit de producties te destilleren welke stellingen [de eiser] had kunnen en moeten innemen ter motivering van zijn vorderingen en welke feiten daarbij ondersteuning kunnen leveren. Gelet op de uitgebreide en gemotiveerde betwisting van het college dat het intrekkingsbesluit niet onrechtmatig is en zij niet onrechtmatig heeft gehandeld, had het op de weg van [de eiser] gelegen zijn vorderingen nader te onderbouwen en niet enkel naar producties te verwijzen. Dat heeft [de eiser] niet gedaan, zodat zijn vorderingen ook om die reden niet toewijsbaar zijn.
3.7.
De conclusie is dan dat, ook in het geval [de eiser] wel de juiste partij had gedagvaard, de door [de eiser] aangevoerde gronden niet tot toewijzing van zijn vorderingen hadden kunnen leiden.
Proceskosten
3.8.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het college worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.020,00
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
verklaart [de eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
4.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 4.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
822 / 1787
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459495 / HA ZA 25-484
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
tegen
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE RHEDEN,
te De Steeg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het college,
advocaat: mr. J.H.M. Spanjaard.
1De procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 4 maart 2026 was een datum bepaald voor de mondelinge behandeling. Daags voor de mondelinge behandeling hebben beide partijen de rechtbank e-mailberichten gestuurd, waaruit volgde dat [de eiser] niet ter zitting zou verschijnen. Naar aanleiding van deze berichten heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het in de reden ligt de mondelinge behandeling niet door te laten gaan, tenzij [de eiser] de rechtbank alsnog laat weten dat hij zelf ter zitting zal verschijnen of zich daar zal laten vertegenwoordigen door een advocaat. Een dergelijk bericht is uitgebleven. De mondelinge behandeling is daarom niet doorgegaan. Vervolgens is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst.
2De zaak in het kort
2.1.
Op 30 januari 2001 heeft het college aan Reinbouw BV een vergunning verleend voor de bouw van 16 woningen op het terrein Jeugdland in Ellecom. Deze vergunning is op 2 september 2004 overgegaan op Inventief Beheer B.V. Inventief is inmiddels ontbonden. [de eiser] was (mede)bestuurder van Inventief. Op 29 juni 2011 heeft het college de vergunning gedeeltelijk ingetrokken, namelijk voor acht nog niet gerealiseerde woningen.
2.2.
In deze procedure vordert [de eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat het intrekkingsbesluit van het college van 29 juni 2011 onrechtmatig is en het college veroordeelt tot betaling aan hem van een schadevergoeding van € 25.000,00, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vorderingen legt [de eiser] ten grondslag dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is, omdat het college dat besluit heeft genomen zonder behoorlijke belangenafweging en in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder voert hij aan dat het college een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Volgens [de eiser] bedraagt zijn schade in totaal € 1.177.744,00. In deze procedure maakt hij echter slechts aanspraak op vergoeding van een deel van die schade, namelijk het gevorderde bedrag van € 25.000,00.
2.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat [de eiser] om meerdere redenen niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Verder betwist het college dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is en dat zij een onrechtmatige daad (jegens [de eiser] ) heeft gepleegd. Tot slot voert het college verweer tegen (de hoogte van) de door [de eiser] gestelde schade.
2.4.
De rechtbank zal [de eiser] niet ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen. Dit licht de rechtbank hierna toe.
3De beoordeling
3.1.
Het meest verstrekkende verweer van het college komt erop neer dat [de eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Daartoe voert het college onder meer aan dat [de eiser] de verkeerde partij, namelijk het college in plaats van de gemeente, in rechte heeft betrokken.
3.2.
Dit verweer slaagt. De bevoegdheid om als partij in een civielrechtelijke procedure als deze op te treden, komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. [de eiser] heeft (enkel) het college van de gemeente gedagvaard. Het college is geen natuurlijk persoon en beschikt ook niet over rechtspersoonlijkheid zoals bedoeld in artikel 2:1 BW. De gemeente beschikt wel over de hiervoor bedoelde rechtspersoonlijkheid. [de eiser] had dan ook de gemeente zelf en niet het college moeten dagvaarden. Dit heeft hij niet gedaan. [de eiser] zal reeds hierom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.
3.3.
Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Ook indien het voorgaande anders zou zijn en [de eiser] wel de juiste partij, te weten de gemeente, had gedagvaard, kunnen zijn vorderingen niet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.4.
De vorderingen die [de eiser] in deze procedure heeft ingesteld, houden verband met het besluit van het college van 29 juni 2011 om de vergunning in te trekken. Het besluit van het college om de vergunning in te trekken, was niet gericht aan [de eiser] , maar aan Inventief als houder van die vergunning. Dit betekent dat (in beginsel) alleen Inventief tegen het intrekkingsbesluit kan opkomen en vorderingen kan instellen die met (de rechtmatigheid van) dat besluit verband houden. [de eiser] heeft niet gesteld waarom hem met betrekking tot dat besluit in persoon een vorderingsrecht toekomt.
3.5.
Zelfs al zou [de eiser] wel een vorderingsrecht toekomen, dan kan hij het intrekkingsbesluit niet (met succes) aanvechten. Ten aanzien van dat besluit heeft namelijk een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan om daar tegen op te komen. Die rechtsgang heeft [de eiser] vergeefs benut. Zowel het beroep als het hoger beroep van [de eiser] tegen het intrekkingsbesluit zijn door de bestuursrechter ongegrond verklaard en de nadien door [de eiser] gedane verzoeken om herziening van de uitspraak zijn afgewezen. Volgens de regel van de formele rechtskracht dient de civiele rechter in dat geval ervan uit te gaan dat het intrekkingsbesluit zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Op het beginsel van de formele rechtskracht kan slechts in zeer klemmende gevallen een uitzondering worden gemaakt. [de eiser] heeft echter geen omstandigheden aangevoerd die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het intrekkingsbesluit formele rechtskracht heeft en dus rechtmatig is, zoals het college ook heeft aangevoerd. Dit betekent dat het intrekkingsbesluit niet meer (met succes) kan worden aangevochten, ook niet bij de civiele rechter op de grond dat het betreffende besluit onrechtmatig is, ook niet door een verklaring voor recht te vorderen die daarop ziet.
3.6.
Hier komt nog bij dat [de eiser] de stellingen waarop zijn vorderingen berusten onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. De dagvaarding van [de eiser] is zeer summier. Hij verwijst daarin (met name) in algemene zin naar de producties die zijn aangehecht. Daarmee kan [de eiser] niet volstaan. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat producties kunnen dienen ter ondersteuning van stellingen, maar niet ter vervanging daarvan. [de eiser] dient als eiser zijn vorderingen te gronden op heldere en toetsbare stellingen en deze te onderbouwen met producties, waarvan hij concreet moet aanduiden welke delen daarvan relevant zijn en waarom die delen relevant zijn. Het is niet aan de rechtbank of het college als gedaagde om zelf (verder) in de producties te gaan zoeken. Het staat de rechtbank ook niet vrij om een meer dan geringe vertaalslag te maken of uit de producties te destilleren welke stellingen [de eiser] had kunnen en moeten innemen ter motivering van zijn vorderingen en welke feiten daarbij ondersteuning kunnen leveren. Gelet op de uitgebreide en gemotiveerde betwisting van het college dat het intrekkingsbesluit niet onrechtmatig is en zij niet onrechtmatig heeft gehandeld, had het op de weg van [de eiser] gelegen zijn vorderingen nader te onderbouwen en niet enkel naar producties te verwijzen. Dat heeft [de eiser] niet gedaan, zodat zijn vorderingen ook om die reden niet toewijsbaar zijn.
3.7.
De conclusie is dan dat, ook in het geval [de eiser] wel de juiste partij had gedagvaard, de door [de eiser] aangevoerde gronden niet tot toewijzing van zijn vorderingen hadden kunnen leiden.
Proceskosten
3.8.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het college worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.020,00
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
verklaart [de eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
4.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 4.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
822 / 1787