Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6292
2026-08-06
Bestuursrecht
ARN 24/9046
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet open overheid. Tussenbeslissing i.v.m. weigering gemachtigde van eiseres (art. 8:25 Awb). Betrokkene gebruikt de zaak van zijn cliënt vooral om een volgens hem bestaande ‘kwestie’ aan de orde te stellen. Hij gebruikt daarbij stelselmatig grensoverschrijdende taal, bemoeilijkt de doelmatige behandeling van het geschil ernstig door lichtvaardig wrakingsverzoeken in te dienen en beschuldigt zonder grond rechters, andere rechtspraakmedewerkers en de rechtspraak als geheel van (wijdverbreide) corruptie en oplichting. Eiseres krijgt acht weken om een nieuwe gemachtigde in te schakelen.
Citeert (22)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3367 Rechtbank Den Haag 15-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4594 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:770 Raad van State 11-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2230 Raad van State 15-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2740 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2741 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:HR:2020:1730 Hoge Raad 06-11-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1730 Hoge Raad 06-11-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1730 Hoge Raad 06-11-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1730 Hoge Raad 06-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:3447 Raad van State 23-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2021:145 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-01-2021
- ECLI:NL:RVS:2025:2230 Raad van State 15-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2740 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2741 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2026:462 Rechtbank Midden-Nederland 03-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2230 Raad van State 15-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2740 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2741 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:HR:2020:1730 Hoge Raad 06-11-2020
- ECLI:NL:HR:2021:141 Hoge Raad 29-01-2021
- ECLI:NL:HR:2020:1730 Hoge Raad 06-11-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.100 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9046
tussenbeslissing tot weigering van een gemachtigde in het beroep van
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
en
de Nationale Ombudsman
(gemachtigde: mr. L.L. Scheppink).
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze tussenbeslissing tot het oordeel dat er ernstige bezwaren bestaan tegen de door eiseres ingeschakelde gemachtigde [betrokkene] (betrokkene). Daarom weigert de rechtbank (verdere) bijstand en vertegenwoordiging door betrokkene. Verder wordt eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen een door de rechtbank genoemde termijn een nieuwe gemachtigde aan te wijzen.
Procesverloop
2. In de hoofdzaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit op bezwaar van 18 november 2024 van de Nationale ombudsman op grond van de Wet open overheid (Woo).
2.1.
Betrokkene heeft namens eiseres beroep ingesteld.
2.2.
De Nationale ombudsman heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Betrokkene heeft de rechtbank verzocht om bijstand of vertegenwoordiging door de gemachtigde van de Nationale ombudsman te weigeren.
2.4.
Met de tussenbeslissing van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het verzoek van betrokkene afgewezen.
2.5.
Betrokkene heeft verzocht tot wraking van de rechter die de tussenbeslissing heeft genomen. Betrokkene heeft het wrakingsverzoek na ontvangst van de schriftelijke reactie van de rechter ingetrokken.
2.6.
Partijen zijn op 12 juni 2026 uitgenodigd voor een zitting op 13 juli 2026 waarbij partijen op de hoogte zijn gesteld van de naam van de behandelend rechter.
2.7.
Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft betrokkene met een brief van 10 juli 2026 laten weten dat zij het voornemen heeft om bijstand of vertegenwoordiging door hem te weigeren. Een afschrift van deze brief is verzonden aan eiseres en de Nationale ombudsman. Eiseres, betrokkene en de Nationale ombudsman zijn in de gelegenheid gesteld om tot en met 31 juli 2026 op het voornemen te reageren.
2.9.
Betrokkene heeft verzocht tot wraking van de behandelend rechter. Betrokkene heeft het wrakingsverzoek na ontvangst van de schriftelijke reactie van de rechter ingetrokken.
2.10.
Eiseres heeft op 19 juli 2026 gereageerd op het (in overweging 2.8. genoemde) voornemen. Betrokkene heeft op 13 juli 2026 gereageerd op het voornemen (door te verwijzen naar wat hij hierover heeft gezegd in zijn in overweging 2.9. genoemde wrakingsverzoek). De Nationale ombudsman heeft op 23 juli 2026 gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek van betrokkene om de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen
3. In de intrekking van zijn (tweede) wrakingsverzoek verzoekt betrokkene om deze zaak naar een andere rechtbank te verwijzen. Betrokkene schrijft daarin dat hij aangifte zal doen tegen de behandelend rechter, waarbij ook de rol van de teamvoorzitter, de griffier en het gerechtsbestuur van de rechtbank Gelderland ter discussie zal worden gesteld. Betrokkene meent dat hierdoor de rechtbank partij is geworden in het geschil dat eiseres en de Nationale ombudsman verdeelt houdt. De rechtbank wijst dit verzoek af. De enkele mededeling van betrokkene dat hij de genoemde aangifte(n) wil doen, betekent niet dat de rechtbank betrokken is geraakt bij deze Woo-procedure tussen eiseres en de Nationale ombudsman. De rechtbank betrekt hierbij dat uit eerdere zaken blijkt dat betrokkene de bevoegdheid om aangifte te doen lichtvaardig inzet. Hij heeft inmiddels al meer dan 20 aangiften gedaan naar aanleiding van een rechterlijke beslissing of uitspraak waarmee betrokkene het niet eens is.
Het beoordelingskader
4. De rechtbank kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.
4.1.
De Hoge Raad heeft eerder overwogen dat ernstige bezwaren kunnen bestaan als een gemachtigde of bijstandverlener met zijn gedrag schade toebrengt aan de concrete belangen van zijn cliënt, maar daartoe hoeft dit niet beperkt te zijn. Ernstige bezwaren kunnen ook rijzen als het gedrag van een gemachtigde een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar brengt. Een dergelijk geval kan zich voordoen als de gemachtigde zich stelselmatig bedient van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik. Daarvan kan verder sprake zijn als een gemachtigde met zijn gedrag een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt, dan wel het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast. De rechtbank moet de reden tot weigering in beginsel ontlenen aan de gedragingen van de gemachtigde of bijstandverlener in deze beroepszaak. Het staat de rechtbank daarbij vrij in de waardering van die gedragingen te betrekken wat haar overigens bekend is over het gedrag van die gemachtigde of bijstandverlener.
4.2.
Eiseres is het niet eens met dit beoordelingskader. Zij heeft op internet gezocht en AI geraadpleegd en komt tot de conclusie dat weigering van een gemachtigde alleen in een beperkter aantal (door haar genoemde) gevallen mogelijk is. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het hiervoor genoemde beoordelingskader van de Hoge Raad niet toe te passen.
4.3.
De beslissing tot weigering is voorbehouden aan de rechter die is belast met de behandeling van de zaak waarin de in die bepaling genoemde ernstige bezwaren rijzen. Eiseres en betrokkene merken in dit verband nog op dat het voor hen niet duidelijk is wie het (in overweging 2.8. genoemde) voornemen tot weigering heeft geuit. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk. Eiseres en betrokkene hebben hun reacties namelijk (op hoogst ongebruikelijke wijze) aan onder andere het persoonlijk mailadres van de behandelend rechter gestuurd. Alleen al hieruit blijkt dat het voor hen voldoende duidelijk was dat het voornemen van de behandelend rechter afkomstig was.
4.4.
De beginselen van een behoorlijke procesorde brengen met zich mee dat de te weigeren gemachtigde of bijstandverlener en de desbetreffende procespartij in de gelegenheid worden gesteld op het daartoe strekkende voornemen te reageren voordat de beslissing tot weigering wordt genomen. De rechtbank heeft daarnaast de Nationale ombudsman om een reactie gevraagd, omdat hij als partij is betrokken in de hoofdzaak en omdat betrokkene hem van ernstige zaken beschuldigt waarop hij de gelegenheid moet krijgen te reageren.
Gronden voor de weigering
5. In het (in overweging 2.8. genoemde) voornemen staan vier gronden op basis waarvan bij de rechtbank het vermoeden is ontstaan dat er ernstige bezwaren tegen betrokkene waren gerezen. Hierna wordt elke grond weergegeven met daarbij de reacties van eiseres en betrokkene. Daarop volgt per grond het oordeel van de rechtbank. De reactie van de Nationale ombudsman wordt niet per onderdeel genoemd. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar daarbij wel opgemerkt dat betrokkene het gedrag dat aan het voornemen ten grondslag ligt ook in diverse andere procedures heeft vertoond en dat het dus een structureel karakter heeft.
Schade toebrengen aan de concrete belangen van eiseres
5.1.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“Uw beroepschrift bestaat (exclusief bijlagen) uit tien pagina’s. Hoewel het is voorzien van randnummers, bevat het geen duidelijk geformuleerde beroepsgronden en vervolgens een goed te volgen argumentatie wat ter onderbouwing van die gronden wordt aangevoerd tegen het bestreden besluit.
In plaats daarvan gaat het in uw beroepschrift en de nadien door u aan de rechtbank gestuurde brieven wel veel aandacht uit naar een volgens u bestaande misstand die u omschrijft als ‘netwerkcorruptie’, en/of de ‘kwestie Van Zutphen’ en/of een volgens u bestaand omvangrijk netwerk binnen de rechtspraak die de heer Van Zutphen in het zadel houdt.
Voor zover de rechtbank het kan opmaken uit uw stukken, lijkt u te menen dat er sprake is van een schandaal van ongekende omvang waarin de huidige Nationale ombudsman mr. R.F.B. van Zutphen en de voormalige vicepresident van de Raad van State mr. Th.C. de Graaf een centrale rol spelen. Zij zouden zich bezighouden met “allerlei praktijken” en daarmee kunnen doorgaan, omdat de rechterlijke macht door ‘netwerkcorruptie’ wordt beheerst waardoor de burger niet tegen deze praktijken wordt beschermd. De rechtbank begrijpt dat tot deze praktijken behoort het onvoldoende beschermen door de Nationale ombudsman van burgers tegen de overheid tijdens de toeslagenaffaire en het afleggen van onjuiste verklaringen van de Nationale ombudsman tijdens een verhoor van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening.
Als u gegronde vrees heeft dat sprake is van zo’n misstand, dan staat het u vrij daarvoor aandacht te vragen. Een procedure op grond van de Woo is daarvoor niet bedoeld. De rechtbank heeft in het kader van een Woo-procedure ook geen enkele bevoegdheid om iets aan de volgens u bestaande misstand te doen.
Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u deze beroepsprocedure vooral gebruikt om de volgens u bestaande misstand aan de orde te kunnen stellen en dat u onvoldoende aandacht heeft voor het adequaat naar voren brengen van de standpunten van eiseres tegen het bestreden besluit.
De rechtbank wijst in dit verband ook op uw brief van 16 februari 2026 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (van 35 pagina’s) die u in kopie in deze procedure overlegt. U sluit deze brief af met de vraag: “Vindt ook u trouwens niet dat het in zekere zin toch ook pleit voor onze rechtsstaat dat een man vanuit een boerderijtje in Midden-Frankrijk zoveel poppen aan het dansen heeft kunnen brengen?”
Hierdoor is bij de rechtbank het vermoeden gerezen dat u schade toebrengt aan de concrete belangen van uw cliënt.”
5.2.
Eiseres vindt betrokkene een briljant jurist en wijst erop dat betrokkene ook een master bestuurskunde heeft en zowel historicus als psycholoog is. Hij beschikt over veel kennis en ervaring, doorziet daardoor verbanden die een ander mens ontgaan en is een zeer aangenaam mens. Eiseres zegt dat zij een burger zonder juridische achtergrond is en vindt betrokkene een bekwaam gemachtigde die haar met zijn gedag geen schade toebrengt. Eiseres vindt de beroepsgronden van betrokkene duidelijk en de rechter had ook even kunnen bellen als hij dat niet vond. Betrokkene wijst erop dat eiseres en ook anderen die hij heeft bijgestaan heel tevreden zijn over de door hem verleende rechtsbijstand. Verder vindt betrokkene dat zijn beroepsgronden volstrekt helder zijn geformuleerd en sluitend zijn beargumenteerd. Betrokkene wijst er ook op dat hij het beroepschrift 1,5 jaar geleden heeft ingediend en niet eerder te horen heeft gekregen dat hij een verzuim daarin moest herstellen. Tot slot klopt de samenvatting van de rechtbank over de ‘kwestie Van Zutphen’ niet.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres en betrokkene weerspreken niet dat betrokkene de zaak van eiseres vooral gebruikt om aandacht te vragen voor zijn ‘kwestie Van Zutphen’. Een Woo-procedure is daarvoor niet bedoeld en de rechtbank heeft daarbinnen ook geen bevoegdheden om iets aan deze ‘kwestie’ te doen. In een Woo-procedure gaat het erover of de beslissing van de Nationale ombudsman op het Woo-verzoek van eiseres rechtmatig is. Wat betrokkene daartegen namens eiseres aanvoert komt niet goed uit de verf. Betrokkene zegt daarover dat als dit ondermaats was, dat de rechtbank betrokkene eerder in de gelegenheid had moeten stellen dit verzuim te herstellen. De rechtbank volgt hen daarin niet, omdat de rechtbank die bevoegdheid alleen heeft als het beroepschrift geen gronden bevat. Het beroepschrift bevat wel gronden, maar die zijn onduidelijk en wat ter onderbouwing wordt aangevoerd is niet goed te volgen. Anders dan eiseres meent, is het dan niet aan de rechtbank om met betrokkene te bellen voor een nadere toelichting. Een gemachtigde moet uit eigen beweging adequaat procederen. Samengevat komt het er dus op neer dat betrokkene te veel tijd steekt en daarmee aandacht vraagt voor iets waar de rechtbank niets mee kan – de volgens betrokkene bestaande ‘kwestie Van Zutphen’ – en dat onvoldoende zorg wordt besteed aan waar het in deze zaak wel om gaat. Hiermee schaadt betrokkene de belangen van eiseres in deze beroepszaak.
Stelselmatig bedienen van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik
5.4.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“In reactie op uw brief van 6 juli 2026 heeft de rechtbank u in haar brief van 6 juli 2026 aangesproken op uw taalgebruik, specifiek op het door u gebruikte #RanzigeReinier als typering van de Nationale ombudsman. De rechtbank heeft u opgeroepen om u verder te onthouden van taalgebruik dat niet in overeenstemming is met maatschappelijk algemeen aanvaarde fatsoensnormen.
In uw brief van 7 juli 2026 (van 5 pagina’s) zet u omstandig uiteen dat het voor discussie vatbaar is of met uw taalgebruik een maatschappelijk algemeen aanvaarde fatsoensnorm is overschreden en blijft u de term gebruiken.
Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u zich niet alleen stelselmatig bedient van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik, maar dat u ook niet van zins bent daarmee op te houden.”
5.5.
Eiseres vindt dat de alliteratie ‘ranzige Reinier’ niet verkeerd is, omdat die bij de rechtbank verkeerd valt. De rechtbank moet tegen een grapje kunnen. Volgens haar neemt betrokkene geen blad voor de mond, wat ook niet hoeft omdat hij niet bang hoeft te zijn voor zijn baan of het missen van promotiekansen. Dat is een groot voordeel, want hierdoor kan hij eerlijk, integer en oprecht zijn. Daarnaast zegt eiseres dat overheidsmedewerkers en leden van de Tweede Kamer zich ook van dergelijk taalgebruik bedienen en dat het dus is genormaliseerd. Betrokkene wijst erop dat de rechtbank slechts één voorbeeld kan noemen van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik waarvoor hij verder een goede reden heeft. Daarnaast is in de rechtspraak aanvaard dat pas in veel ernstigere gevallen sprake is van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik.
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres wijst er op zich terecht op dat omgangsvormen in de maatschappij verruwen. Maar ondanks die verruwing is het nog altijd niet normaal om een ander aan te spreken met ‘ranzig’, zeker niet in een rechterlijke procedure waarin van een gemachtigde een professionele en zakelijke opstelling mag worden verwacht. Dit alles wordt niet anders doordat eiseres dit afdoet als een grapje. Betrokkene noemt het immers zelf geen grapje en meent juist dat hij een goede reden heeft om de wederpartij zo aan te spreken. Maar dat laatste klopt niet, want dat is niet nodig om een inhoudelijk punt te maken. Betrokkene heeft gelijk dat er in de rechtspraak ernstigere gevallen van normoverschrijdend taalgebruik door een gemachtigde zijn te vinden waarop door de rechter is ingegrepen, maar dat wil niet zeggen dat tegen minder ernstige vormen niet kan worden opgetreden. De rechtbank weegt verder mee dat zij betrokkene eerst (schriftelijk) heeft aangesproken op het gebruik van de (in overweging 5.4. genoemde) typering en hem heeft verzocht hiermee op te houden. Betrokkene heeft daarop in essentie laten weten dat niet te willen en heeft vervolgens de typering diverse keren herhaald. Ook weegt mee dat betrokkene al in eerdere procedures is aangesproken op grensoverschrijdend taalgebruik, wat ook toen leidde tot de beslissing om hem te weigeren als gemachtigde. Hiermee staat voor de rechtbank voldoende vast dat betrokkene zich stelselmatig bedient van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik.
De doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijken
5.7.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“In uw eerdergenoemde brief van 6 juli 2026 stelt u dat u nogal bent geschrokken van de lijntjes die de behandelend rechter met de Nationale ombudsman verbinden, waarbij u al aangeeft dat u dat op de zitting (van 13 juli 2026) wil bespreken en dat de bespreking daarover mogelijk deels ten overstaan van de wrakingskamer zal moeten worden gevoerd.
De rechtbank heeft daarop in haar brief van 6 juli 2026 aangegeven dat u niet toelicht wat deze ‘lijntjes’ zijn en dat uw brief daarom niet als wrakingsverzoek wordt opgevat. U bent er verder op gewezen dat als u namens eiseres een wrakingsverzoek wilt indienen, u dit gemotiveerd en op korte termijn moet doen. Als u daarmee wacht tot aan de zitting van 13 juli 2026, loopt u het risico dat de wrakingskamer uw verzoek buiten behandeling stelt (omdat het niet is ingediend zodra de daarvoor van belang zijnde feiten of omstandigheden aan eiseres bekend zijn geworden). De rechtbank heeft u ook laten weten dat er op de zitting van 13 juli 2026 geen gelegenheid zal zijn om hierover in gesprek te gaan met de behandelend rechter, omdat daarvoor de wrakingsprocedure is bedoeld.
In uw eerdergenoemde brief van 7 juli 2026 laat u weten – zo begrijpt de rechtbank – dat u geen boodschap heeft aan de mededeling van de rechtbank. Volgens u staat de rechtbank met deze mededeling zelfs “zo’n 3-0 achter” en herhaalt u uw aankondiging dat u op de zitting van 13 juli 2026 de door u veronderstelde ‘lijntjes’ tussen de behandelend rechter en de Nationale ombudsman aan de orde zult stellen. Ook geeft u aan dat u niet de persoon bent om zomaar naar de wrakingskamer te stappen.
De rechtbank is bekend met de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 15 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:3367) en de (in hoger beroep gewezen) uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4594). In deze procedure heeft u opgetreden als eiser (in eerste aanleg) en appellant (in hoger beroep). Bij zowel de rechtbank als de Afdeling heeft u diverse wrakingsverzoeken ingediend. Ten aanzien van een groot deel van deze verzoeken oordeelde de rechtbank dat het wrakingsmiddel met een ander doel is gebruikt dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren en daarmee sprake is van misbruik van het wrakingsmiddel. De Afdeling heeft ten aanzien van twee wrakingsverzoeken geoordeeld dat sprake is van evident misbruik van het wrakingsmiddel, zodat die verzoeken niet in behandeling zijn genomen.
De rechtbank is ook bekend met de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:770) waarin u als gemachtigde van de appellant in die zaak heeft opgetreden. In deze procedure zijn door en namens appellant vijf wrakingsverzoeken ingediend. Uit de uitspraak blijkt dat u als gemachtigde in ieder geval twee van deze wrakingsverzoeken heeft ingediend. Beide wrakingsverzoeken zijn niet in behandeling genomen vanwege evident misbruik van het wrakingsmiddel.
Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u – anders dan u zegt – lichtvaardig gebruikmaakt van het wrakingsmiddel en dat ervoor is te vrezen dat u dat ook in deze procedure zult doen. Daardoor is tevens het vermoeden gerezen dat u met uw gedrag een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt.”
5.8.
Eiseres zegt dat het voor haar niet duidelijk is met welk gedrag betrokkene de doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt. Betrokkene zegt dat deze beroepszaak al anderhalf jaar op de plank ligt en – zo begrijpt de rechtbank – dat hij niet inziet hoe het indienen van wrakingsverzoeken de doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt. Betrokkene vindt de verwijzing naar de hiervoor (in overweging 5.7. genoemde) uitspraken selectief, omdat hierbij zijn (in overweging 5.1. genoemde) brief van 16 februari 2026 niet wordt betrokken.
5.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Betrokkene zegt in zijn brief van 6 juli 2026 slechts dat er ‘lijntjes’ zijn tussen de behandelend rechter en de Nationale ombudsman. Dat was een blote stelling die op dat moment op geen enkele manier werd toegelicht. Uit het door betrokkene ingediende (tweede) wrakingsverzoek blijkt dat dit een bewuste keuze was, en wel om de behandelend rechter met “psychologisch trucjes (…) uit de tent te gaan lokken” (volgens randnummer 9 van het wrakingsverzoek). Maar een wrakingsprocedure is bedoeld om een concrete zorgen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de behandelend rechter aan de orde te stellen, en niet om trucjes uit te halen. Betrokkene maakt daarmee oneigenlijk gebruik van het wrakingsmiddel. Dat blijkt bovendien uit de brief waarmee betrokkene het (tweede) wrakingsverzoek intrekt. Daarin staat (in randnummer 12): “Voor mij is een wrakingsverzoek uiteindelijk niets anders dan dossieropbouw, want de wrakingsprocedure als zodanig beschouw ik als een toneelstuk dat zich op geen enkele manier nog serieus laat nemen.” Verder blijkt uit de hiervoor (in overweging 5.7. genoemde) uitspraken dat betrokkene in diverse eerdere rechterlijke procedures bij herhaling oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het wrakingsmiddel. Dat gebruik is zelfs in een aantal gevallen gekwalificeerd als evident misbruik. Met dit alles staat vat voor de rechtbank voldoende vast dat betrokkene stelselmatig het wrakingsmiddel op oneigenlijke gronden inzet. Het spreekt voor zich dat hierdoor de doelmatige behandeling van het geschil ernstig wordt bemoeilijkt. Dat deze beroepszaak al geruime tijd loopt, maakt dat niet anders.
Het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantasten
5.10.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“In uw eerdergenoemde brief van 7 juli 2026 staat onder andere het volgende:
U heeft het over “wijdverbreide corruptie die blijkt te heersen binnen de rechterlijke macht en bij die rare instantie die nog altijd als onze hoogste algemene bestuursrechter heeft te gelden” (randnummer 4).
“U dacht dat Nederland een rechtsstaat was, u meende dat onze Nationale ombudsman deugde en u was er altijd trots op dat er ook voor u een bescheiden rol is weggelegd bij een rechterlijke macht die nu opeens van corruptie aan elkaar blijkt te hangen.” (randnummer 5).
U heeft het verder over de “tot op het bot corrupte Haagse rechtbank” en een binnen die rechtbank werkzame rechter als “een regelrechte oplichter” (randnummer 9).
U stelt de behandelend rechter “de vraag of hij in deze zo ranzige context – en vergeef me dat ik dit woord nog maar even gebruik – de aangewezen persoon is om de zaak van cliënte te behandelen (randnummer 10).”
Deze beschuldigingen van (wijdverbreide) corruptie en oplichting zijn verder niet onderbouwd. Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast.”
5.11.
Betrokkene wijst op zijn (in overweging 5.1. genoemde) brief van 16 februari 2026 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal. Hij wijst er verder op dat deze brief (van 35 pagina’s) meer dan honderd voetnoten bevat. Volgens hem staat hierin het bewijs van wat hij in zijn brief van 7 juli 2026 zegt. Overigens is betrokkene het er niet mee eens dat hij een beschuldiging van (wijdverbreide) corruptie en oplichting heeft geuit.
5.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Betrokkene gaat in zijn brief van 16 februari 2026 inderdaad (uitvoerig) in op zijn ‘kwestie Van Zutphen’. Maar dat een brief lang is en meer dan honderd voetnoten bevat, betekent niet dat wat erin staat dus waar is. Verder blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland dat het college van procureurs-generaal al op 17 oktober 2025 aan betrokkene heeft laten weten niet meer te zullen reageren op zijn brieven over deze ‘kwestie’. Kennelijk heeft betrokkene daar vaker met het college van procureurs-generaal over gecorrespondeerd en is daarin wat het college van procureurs-generaal betreft een eindpunt bereikt. Uit openbare informatie blijkt verder dat betrokkene over zijn ‘kwestie’ eerder contact heeft gezocht met de koning en de minister-president en onder andere de voorzitter van de Tweede Kamer. Uit deze stukken lijkt te volgen dat ook dit niet heeft geleid tot enig daarmee door betrokkene beoogd resultaat. En nu wordt betrokkene er ook nog mee geconfronteerd dat hij de beroepszaak van eiseres niet kan gebruiken om aandacht te vragen voor zijn ‘kwestie’. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit alles voor betrokkene teleurstellend is. Maar dat geeft hem niet het recht om dan maar met zeer ernstige beschuldigingen te strooien over (wijdverbreide) corruptie en oplichting binnen de rechtspraak dan wel dat individuele rechters zich daaraan schuldig zouden maken. Door het op deze wijze ongefundeerd uiten van genoemde beschuldigingen, tast betrokkene het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aan. Betrokkene mag er inmiddels bekend mee zijn dat het op deze lichtvaardige wijze strooien met dergelijke ernstige verwijten tot het gevolg kan leiden dat hij als gemachtigde wordt geweigerd. Dit is namelijk ook tegen hem gezegd in eerdere procedures waarin hij is geweigerd als gemachtigde.
Slotsom
5.13.
Gelet op het voorgaande bestaan er ernstige bezwaren tegen de wijze waarop betrokkene als gemachtigde in deze zaak bij de rechtbank optreedt. De vermenging door betrokkene van zijn eigen belangen met die van eiseres draagt daar extra aan bij. Dat geldt ook voor het feit dat betrokkene (door middel van eerdere weigeringen als gemachtigde) meermaals op zijn gedrag is aangesproken, maar daar desondanks mee blijft doorgaan. Dit alles is voldoende rechtvaardiging om betrokkene voor lange duur als gemachtigde (en dus ook in andere zaken) te weigeren, maar de wet biedt die ruimte niet. De rechtbank kan betrokkene slechts alleen voor deze ene zaak als gemachtigde weigeren. Wel kan de rechtbank in andere zaken eerder in de procedure en zonder voorafgaande waarschuwing ervoor kiezen om betrokkene als gemachtigde te weigeren als zijn gedrag in die zaak daartoe weer aanleiding geeft. Betrokkene is inmiddels een vaak gewaarschuwd mens en moet daarmee dus nadrukkelijk rekening houden.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank weigert bijstand en vertegenwoordiging door betrokkene ten behoeve van eiseres in deze beroepsprocedure. Het gevolg van deze beslissing is dat betrokkene in deze zaak niet meer mag optreden als gemachtigde van eiseres.
7. Eiseres moet een redelijke termijn krijgen om een andere gemachtigde of bijstandverlener in te inschakelen. Gelet op de vakantieperiode stelt de rechtbank deze termijn op acht weken. Deze termijn gaat in op de dag volgend op de dag waarop deze tussenbeslissing is verzonden. Als de rechtbank binnen genoemde termijn geen reactie van eiseres ontvangt, dan zal de rechtbank ervan uitgaan dat zij de procedure zonder gemachtigde of bijstand wil voortzetten. Als eiseres informatie wil over het inschakelen van een andere gemachtigde en over de mogelijkheden voor gefinancierde rechtsbijstand door een advocaat, dan kan zij die vinden op de website van de rechtspraak.
Beslissing
De rechtbank:
weigert bijstand en vertegenwoordiging door [betrokkene] ten behoeve van eiseres in deze beroepsprocedure;
stelt eiseres in de gelegenheid om binnen acht weken een andere gemachtigde aan te wijzen voor het vervolg van deze beroepsprocedure.
Deze beslissing is gegeven op 6 augustus 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
griffier
rechter
Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder hoger beroep worden ingesteld, dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op:
Op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2230, overweging 9, Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2740, overweging 9, en Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2741, overweging 9.
Artikel 8:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.2.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.5.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.3.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.4.
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.
Afdeling 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, overweging 11 tot en met 14.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:145, overweging 2.3.
Afdeling 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2230, overweging 12, Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2740, overweging 12, en Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2741, overweging 12.
Rechtbank Midden-Nederland 3 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:462, overweging 1.
https://open.overheid.nl/documenten/801b6e53-99f4-493f-8936-b9bbd2b4be66/file.
https://www.tweedekamer.nl/sites/default/files/2025-05/W2025012%20documenten.pdf.
Afdeling 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2230, overweging 13, Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2740, overweging 13, en Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2741, overweging 13.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.3., en Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:141, overweging 5.2.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.4.
https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/contact/juridisch-advies.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9046
tussenbeslissing tot weigering van een gemachtigde in het beroep van
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
en
de Nationale Ombudsman
(gemachtigde: mr. L.L. Scheppink).
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze tussenbeslissing tot het oordeel dat er ernstige bezwaren bestaan tegen de door eiseres ingeschakelde gemachtigde [betrokkene] (betrokkene). Daarom weigert de rechtbank (verdere) bijstand en vertegenwoordiging door betrokkene. Verder wordt eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen een door de rechtbank genoemde termijn een nieuwe gemachtigde aan te wijzen.
Procesverloop
2. In de hoofdzaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit op bezwaar van 18 november 2024 van de Nationale ombudsman op grond van de Wet open overheid (Woo).
2.1.
Betrokkene heeft namens eiseres beroep ingesteld.
2.2.
De Nationale ombudsman heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Betrokkene heeft de rechtbank verzocht om bijstand of vertegenwoordiging door de gemachtigde van de Nationale ombudsman te weigeren.
2.4.
Met de tussenbeslissing van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het verzoek van betrokkene afgewezen.
2.5.
Betrokkene heeft verzocht tot wraking van de rechter die de tussenbeslissing heeft genomen. Betrokkene heeft het wrakingsverzoek na ontvangst van de schriftelijke reactie van de rechter ingetrokken.
2.6.
Partijen zijn op 12 juni 2026 uitgenodigd voor een zitting op 13 juli 2026 waarbij partijen op de hoogte zijn gesteld van de naam van de behandelend rechter.
2.7.
Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft betrokkene met een brief van 10 juli 2026 laten weten dat zij het voornemen heeft om bijstand of vertegenwoordiging door hem te weigeren. Een afschrift van deze brief is verzonden aan eiseres en de Nationale ombudsman. Eiseres, betrokkene en de Nationale ombudsman zijn in de gelegenheid gesteld om tot en met 31 juli 2026 op het voornemen te reageren.
2.9.
Betrokkene heeft verzocht tot wraking van de behandelend rechter. Betrokkene heeft het wrakingsverzoek na ontvangst van de schriftelijke reactie van de rechter ingetrokken.
2.10.
Eiseres heeft op 19 juli 2026 gereageerd op het (in overweging 2.8. genoemde) voornemen. Betrokkene heeft op 13 juli 2026 gereageerd op het voornemen (door te verwijzen naar wat hij hierover heeft gezegd in zijn in overweging 2.9. genoemde wrakingsverzoek). De Nationale ombudsman heeft op 23 juli 2026 gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek van betrokkene om de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen
3. In de intrekking van zijn (tweede) wrakingsverzoek verzoekt betrokkene om deze zaak naar een andere rechtbank te verwijzen. Betrokkene schrijft daarin dat hij aangifte zal doen tegen de behandelend rechter, waarbij ook de rol van de teamvoorzitter, de griffier en het gerechtsbestuur van de rechtbank Gelderland ter discussie zal worden gesteld. Betrokkene meent dat hierdoor de rechtbank partij is geworden in het geschil dat eiseres en de Nationale ombudsman verdeelt houdt. De rechtbank wijst dit verzoek af. De enkele mededeling van betrokkene dat hij de genoemde aangifte(n) wil doen, betekent niet dat de rechtbank betrokken is geraakt bij deze Woo-procedure tussen eiseres en de Nationale ombudsman. De rechtbank betrekt hierbij dat uit eerdere zaken blijkt dat betrokkene de bevoegdheid om aangifte te doen lichtvaardig inzet. Hij heeft inmiddels al meer dan 20 aangiften gedaan naar aanleiding van een rechterlijke beslissing of uitspraak waarmee betrokkene het niet eens is.
Het beoordelingskader
4. De rechtbank kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.
4.1.
De Hoge Raad heeft eerder overwogen dat ernstige bezwaren kunnen bestaan als een gemachtigde of bijstandverlener met zijn gedrag schade toebrengt aan de concrete belangen van zijn cliënt, maar daartoe hoeft dit niet beperkt te zijn. Ernstige bezwaren kunnen ook rijzen als het gedrag van een gemachtigde een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar brengt. Een dergelijk geval kan zich voordoen als de gemachtigde zich stelselmatig bedient van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik. Daarvan kan verder sprake zijn als een gemachtigde met zijn gedrag een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt, dan wel het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast. De rechtbank moet de reden tot weigering in beginsel ontlenen aan de gedragingen van de gemachtigde of bijstandverlener in deze beroepszaak. Het staat de rechtbank daarbij vrij in de waardering van die gedragingen te betrekken wat haar overigens bekend is over het gedrag van die gemachtigde of bijstandverlener.
4.2.
Eiseres is het niet eens met dit beoordelingskader. Zij heeft op internet gezocht en AI geraadpleegd en komt tot de conclusie dat weigering van een gemachtigde alleen in een beperkter aantal (door haar genoemde) gevallen mogelijk is. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het hiervoor genoemde beoordelingskader van de Hoge Raad niet toe te passen.
4.3.
De beslissing tot weigering is voorbehouden aan de rechter die is belast met de behandeling van de zaak waarin de in die bepaling genoemde ernstige bezwaren rijzen. Eiseres en betrokkene merken in dit verband nog op dat het voor hen niet duidelijk is wie het (in overweging 2.8. genoemde) voornemen tot weigering heeft geuit. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk. Eiseres en betrokkene hebben hun reacties namelijk (op hoogst ongebruikelijke wijze) aan onder andere het persoonlijk mailadres van de behandelend rechter gestuurd. Alleen al hieruit blijkt dat het voor hen voldoende duidelijk was dat het voornemen van de behandelend rechter afkomstig was.
4.4.
De beginselen van een behoorlijke procesorde brengen met zich mee dat de te weigeren gemachtigde of bijstandverlener en de desbetreffende procespartij in de gelegenheid worden gesteld op het daartoe strekkende voornemen te reageren voordat de beslissing tot weigering wordt genomen. De rechtbank heeft daarnaast de Nationale ombudsman om een reactie gevraagd, omdat hij als partij is betrokken in de hoofdzaak en omdat betrokkene hem van ernstige zaken beschuldigt waarop hij de gelegenheid moet krijgen te reageren.
Gronden voor de weigering
5. In het (in overweging 2.8. genoemde) voornemen staan vier gronden op basis waarvan bij de rechtbank het vermoeden is ontstaan dat er ernstige bezwaren tegen betrokkene waren gerezen. Hierna wordt elke grond weergegeven met daarbij de reacties van eiseres en betrokkene. Daarop volgt per grond het oordeel van de rechtbank. De reactie van de Nationale ombudsman wordt niet per onderdeel genoemd. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar daarbij wel opgemerkt dat betrokkene het gedrag dat aan het voornemen ten grondslag ligt ook in diverse andere procedures heeft vertoond en dat het dus een structureel karakter heeft.
Schade toebrengen aan de concrete belangen van eiseres
5.1.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“Uw beroepschrift bestaat (exclusief bijlagen) uit tien pagina’s. Hoewel het is voorzien van randnummers, bevat het geen duidelijk geformuleerde beroepsgronden en vervolgens een goed te volgen argumentatie wat ter onderbouwing van die gronden wordt aangevoerd tegen het bestreden besluit.
In plaats daarvan gaat het in uw beroepschrift en de nadien door u aan de rechtbank gestuurde brieven wel veel aandacht uit naar een volgens u bestaande misstand die u omschrijft als ‘netwerkcorruptie’, en/of de ‘kwestie Van Zutphen’ en/of een volgens u bestaand omvangrijk netwerk binnen de rechtspraak die de heer Van Zutphen in het zadel houdt.
Voor zover de rechtbank het kan opmaken uit uw stukken, lijkt u te menen dat er sprake is van een schandaal van ongekende omvang waarin de huidige Nationale ombudsman mr. R.F.B. van Zutphen en de voormalige vicepresident van de Raad van State mr. Th.C. de Graaf een centrale rol spelen. Zij zouden zich bezighouden met “allerlei praktijken” en daarmee kunnen doorgaan, omdat de rechterlijke macht door ‘netwerkcorruptie’ wordt beheerst waardoor de burger niet tegen deze praktijken wordt beschermd. De rechtbank begrijpt dat tot deze praktijken behoort het onvoldoende beschermen door de Nationale ombudsman van burgers tegen de overheid tijdens de toeslagenaffaire en het afleggen van onjuiste verklaringen van de Nationale ombudsman tijdens een verhoor van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening.
Als u gegronde vrees heeft dat sprake is van zo’n misstand, dan staat het u vrij daarvoor aandacht te vragen. Een procedure op grond van de Woo is daarvoor niet bedoeld. De rechtbank heeft in het kader van een Woo-procedure ook geen enkele bevoegdheid om iets aan de volgens u bestaande misstand te doen.
Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u deze beroepsprocedure vooral gebruikt om de volgens u bestaande misstand aan de orde te kunnen stellen en dat u onvoldoende aandacht heeft voor het adequaat naar voren brengen van de standpunten van eiseres tegen het bestreden besluit.
De rechtbank wijst in dit verband ook op uw brief van 16 februari 2026 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (van 35 pagina’s) die u in kopie in deze procedure overlegt. U sluit deze brief af met de vraag: “Vindt ook u trouwens niet dat het in zekere zin toch ook pleit voor onze rechtsstaat dat een man vanuit een boerderijtje in Midden-Frankrijk zoveel poppen aan het dansen heeft kunnen brengen?”
Hierdoor is bij de rechtbank het vermoeden gerezen dat u schade toebrengt aan de concrete belangen van uw cliënt.”
5.2.
Eiseres vindt betrokkene een briljant jurist en wijst erop dat betrokkene ook een master bestuurskunde heeft en zowel historicus als psycholoog is. Hij beschikt over veel kennis en ervaring, doorziet daardoor verbanden die een ander mens ontgaan en is een zeer aangenaam mens. Eiseres zegt dat zij een burger zonder juridische achtergrond is en vindt betrokkene een bekwaam gemachtigde die haar met zijn gedag geen schade toebrengt. Eiseres vindt de beroepsgronden van betrokkene duidelijk en de rechter had ook even kunnen bellen als hij dat niet vond. Betrokkene wijst erop dat eiseres en ook anderen die hij heeft bijgestaan heel tevreden zijn over de door hem verleende rechtsbijstand. Verder vindt betrokkene dat zijn beroepsgronden volstrekt helder zijn geformuleerd en sluitend zijn beargumenteerd. Betrokkene wijst er ook op dat hij het beroepschrift 1,5 jaar geleden heeft ingediend en niet eerder te horen heeft gekregen dat hij een verzuim daarin moest herstellen. Tot slot klopt de samenvatting van de rechtbank over de ‘kwestie Van Zutphen’ niet.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres en betrokkene weerspreken niet dat betrokkene de zaak van eiseres vooral gebruikt om aandacht te vragen voor zijn ‘kwestie Van Zutphen’. Een Woo-procedure is daarvoor niet bedoeld en de rechtbank heeft daarbinnen ook geen bevoegdheden om iets aan deze ‘kwestie’ te doen. In een Woo-procedure gaat het erover of de beslissing van de Nationale ombudsman op het Woo-verzoek van eiseres rechtmatig is. Wat betrokkene daartegen namens eiseres aanvoert komt niet goed uit de verf. Betrokkene zegt daarover dat als dit ondermaats was, dat de rechtbank betrokkene eerder in de gelegenheid had moeten stellen dit verzuim te herstellen. De rechtbank volgt hen daarin niet, omdat de rechtbank die bevoegdheid alleen heeft als het beroepschrift geen gronden bevat. Het beroepschrift bevat wel gronden, maar die zijn onduidelijk en wat ter onderbouwing wordt aangevoerd is niet goed te volgen. Anders dan eiseres meent, is het dan niet aan de rechtbank om met betrokkene te bellen voor een nadere toelichting. Een gemachtigde moet uit eigen beweging adequaat procederen. Samengevat komt het er dus op neer dat betrokkene te veel tijd steekt en daarmee aandacht vraagt voor iets waar de rechtbank niets mee kan – de volgens betrokkene bestaande ‘kwestie Van Zutphen’ – en dat onvoldoende zorg wordt besteed aan waar het in deze zaak wel om gaat. Hiermee schaadt betrokkene de belangen van eiseres in deze beroepszaak.
Stelselmatig bedienen van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik
5.4.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“In reactie op uw brief van 6 juli 2026 heeft de rechtbank u in haar brief van 6 juli 2026 aangesproken op uw taalgebruik, specifiek op het door u gebruikte #RanzigeReinier als typering van de Nationale ombudsman. De rechtbank heeft u opgeroepen om u verder te onthouden van taalgebruik dat niet in overeenstemming is met maatschappelijk algemeen aanvaarde fatsoensnormen.
In uw brief van 7 juli 2026 (van 5 pagina’s) zet u omstandig uiteen dat het voor discussie vatbaar is of met uw taalgebruik een maatschappelijk algemeen aanvaarde fatsoensnorm is overschreden en blijft u de term gebruiken.
Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u zich niet alleen stelselmatig bedient van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik, maar dat u ook niet van zins bent daarmee op te houden.”
5.5.
Eiseres vindt dat de alliteratie ‘ranzige Reinier’ niet verkeerd is, omdat die bij de rechtbank verkeerd valt. De rechtbank moet tegen een grapje kunnen. Volgens haar neemt betrokkene geen blad voor de mond, wat ook niet hoeft omdat hij niet bang hoeft te zijn voor zijn baan of het missen van promotiekansen. Dat is een groot voordeel, want hierdoor kan hij eerlijk, integer en oprecht zijn. Daarnaast zegt eiseres dat overheidsmedewerkers en leden van de Tweede Kamer zich ook van dergelijk taalgebruik bedienen en dat het dus is genormaliseerd. Betrokkene wijst erop dat de rechtbank slechts één voorbeeld kan noemen van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik waarvoor hij verder een goede reden heeft. Daarnaast is in de rechtspraak aanvaard dat pas in veel ernstigere gevallen sprake is van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik.
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres wijst er op zich terecht op dat omgangsvormen in de maatschappij verruwen. Maar ondanks die verruwing is het nog altijd niet normaal om een ander aan te spreken met ‘ranzig’, zeker niet in een rechterlijke procedure waarin van een gemachtigde een professionele en zakelijke opstelling mag worden verwacht. Dit alles wordt niet anders doordat eiseres dit afdoet als een grapje. Betrokkene noemt het immers zelf geen grapje en meent juist dat hij een goede reden heeft om de wederpartij zo aan te spreken. Maar dat laatste klopt niet, want dat is niet nodig om een inhoudelijk punt te maken. Betrokkene heeft gelijk dat er in de rechtspraak ernstigere gevallen van normoverschrijdend taalgebruik door een gemachtigde zijn te vinden waarop door de rechter is ingegrepen, maar dat wil niet zeggen dat tegen minder ernstige vormen niet kan worden opgetreden. De rechtbank weegt verder mee dat zij betrokkene eerst (schriftelijk) heeft aangesproken op het gebruik van de (in overweging 5.4. genoemde) typering en hem heeft verzocht hiermee op te houden. Betrokkene heeft daarop in essentie laten weten dat niet te willen en heeft vervolgens de typering diverse keren herhaald. Ook weegt mee dat betrokkene al in eerdere procedures is aangesproken op grensoverschrijdend taalgebruik, wat ook toen leidde tot de beslissing om hem te weigeren als gemachtigde. Hiermee staat voor de rechtbank voldoende vast dat betrokkene zich stelselmatig bedient van nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik.
De doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijken
5.7.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“In uw eerdergenoemde brief van 6 juli 2026 stelt u dat u nogal bent geschrokken van de lijntjes die de behandelend rechter met de Nationale ombudsman verbinden, waarbij u al aangeeft dat u dat op de zitting (van 13 juli 2026) wil bespreken en dat de bespreking daarover mogelijk deels ten overstaan van de wrakingskamer zal moeten worden gevoerd.
De rechtbank heeft daarop in haar brief van 6 juli 2026 aangegeven dat u niet toelicht wat deze ‘lijntjes’ zijn en dat uw brief daarom niet als wrakingsverzoek wordt opgevat. U bent er verder op gewezen dat als u namens eiseres een wrakingsverzoek wilt indienen, u dit gemotiveerd en op korte termijn moet doen. Als u daarmee wacht tot aan de zitting van 13 juli 2026, loopt u het risico dat de wrakingskamer uw verzoek buiten behandeling stelt (omdat het niet is ingediend zodra de daarvoor van belang zijnde feiten of omstandigheden aan eiseres bekend zijn geworden). De rechtbank heeft u ook laten weten dat er op de zitting van 13 juli 2026 geen gelegenheid zal zijn om hierover in gesprek te gaan met de behandelend rechter, omdat daarvoor de wrakingsprocedure is bedoeld.
In uw eerdergenoemde brief van 7 juli 2026 laat u weten – zo begrijpt de rechtbank – dat u geen boodschap heeft aan de mededeling van de rechtbank. Volgens u staat de rechtbank met deze mededeling zelfs “zo’n 3-0 achter” en herhaalt u uw aankondiging dat u op de zitting van 13 juli 2026 de door u veronderstelde ‘lijntjes’ tussen de behandelend rechter en de Nationale ombudsman aan de orde zult stellen. Ook geeft u aan dat u niet de persoon bent om zomaar naar de wrakingskamer te stappen.
De rechtbank is bekend met de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 15 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:3367) en de (in hoger beroep gewezen) uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4594). In deze procedure heeft u opgetreden als eiser (in eerste aanleg) en appellant (in hoger beroep). Bij zowel de rechtbank als de Afdeling heeft u diverse wrakingsverzoeken ingediend. Ten aanzien van een groot deel van deze verzoeken oordeelde de rechtbank dat het wrakingsmiddel met een ander doel is gebruikt dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren en daarmee sprake is van misbruik van het wrakingsmiddel. De Afdeling heeft ten aanzien van twee wrakingsverzoeken geoordeeld dat sprake is van evident misbruik van het wrakingsmiddel, zodat die verzoeken niet in behandeling zijn genomen.
De rechtbank is ook bekend met de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:770) waarin u als gemachtigde van de appellant in die zaak heeft opgetreden. In deze procedure zijn door en namens appellant vijf wrakingsverzoeken ingediend. Uit de uitspraak blijkt dat u als gemachtigde in ieder geval twee van deze wrakingsverzoeken heeft ingediend. Beide wrakingsverzoeken zijn niet in behandeling genomen vanwege evident misbruik van het wrakingsmiddel.
Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u – anders dan u zegt – lichtvaardig gebruikmaakt van het wrakingsmiddel en dat ervoor is te vrezen dat u dat ook in deze procedure zult doen. Daardoor is tevens het vermoeden gerezen dat u met uw gedrag een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt.”
5.8.
Eiseres zegt dat het voor haar niet duidelijk is met welk gedrag betrokkene de doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt. Betrokkene zegt dat deze beroepszaak al anderhalf jaar op de plank ligt en – zo begrijpt de rechtbank – dat hij niet inziet hoe het indienen van wrakingsverzoeken de doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt. Betrokkene vindt de verwijzing naar de hiervoor (in overweging 5.7. genoemde) uitspraken selectief, omdat hierbij zijn (in overweging 5.1. genoemde) brief van 16 februari 2026 niet wordt betrokken.
5.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Betrokkene zegt in zijn brief van 6 juli 2026 slechts dat er ‘lijntjes’ zijn tussen de behandelend rechter en de Nationale ombudsman. Dat was een blote stelling die op dat moment op geen enkele manier werd toegelicht. Uit het door betrokkene ingediende (tweede) wrakingsverzoek blijkt dat dit een bewuste keuze was, en wel om de behandelend rechter met “psychologisch trucjes (…) uit de tent te gaan lokken” (volgens randnummer 9 van het wrakingsverzoek). Maar een wrakingsprocedure is bedoeld om een concrete zorgen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de behandelend rechter aan de orde te stellen, en niet om trucjes uit te halen. Betrokkene maakt daarmee oneigenlijk gebruik van het wrakingsmiddel. Dat blijkt bovendien uit de brief waarmee betrokkene het (tweede) wrakingsverzoek intrekt. Daarin staat (in randnummer 12): “Voor mij is een wrakingsverzoek uiteindelijk niets anders dan dossieropbouw, want de wrakingsprocedure als zodanig beschouw ik als een toneelstuk dat zich op geen enkele manier nog serieus laat nemen.” Verder blijkt uit de hiervoor (in overweging 5.7. genoemde) uitspraken dat betrokkene in diverse eerdere rechterlijke procedures bij herhaling oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het wrakingsmiddel. Dat gebruik is zelfs in een aantal gevallen gekwalificeerd als evident misbruik. Met dit alles staat vat voor de rechtbank voldoende vast dat betrokkene stelselmatig het wrakingsmiddel op oneigenlijke gronden inzet. Het spreekt voor zich dat hierdoor de doelmatige behandeling van het geschil ernstig wordt bemoeilijkt. Dat deze beroepszaak al geruime tijd loopt, maakt dat niet anders.
Het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantasten
5.10.
In het (in overweging 2.8. genoemde) aan betrokkene gerichte voornemen staat het volgende:
“In uw eerdergenoemde brief van 7 juli 2026 staat onder andere het volgende:
U heeft het over “wijdverbreide corruptie die blijkt te heersen binnen de rechterlijke macht en bij die rare instantie die nog altijd als onze hoogste algemene bestuursrechter heeft te gelden” (randnummer 4).
“U dacht dat Nederland een rechtsstaat was, u meende dat onze Nationale ombudsman deugde en u was er altijd trots op dat er ook voor u een bescheiden rol is weggelegd bij een rechterlijke macht die nu opeens van corruptie aan elkaar blijkt te hangen.” (randnummer 5).
U heeft het verder over de “tot op het bot corrupte Haagse rechtbank” en een binnen die rechtbank werkzame rechter als “een regelrechte oplichter” (randnummer 9).
U stelt de behandelend rechter “de vraag of hij in deze zo ranzige context – en vergeef me dat ik dit woord nog maar even gebruik – de aangewezen persoon is om de zaak van cliënte te behandelen (randnummer 10).”
Deze beschuldigingen van (wijdverbreide) corruptie en oplichting zijn verder niet onderbouwd. Bij de rechtbank is hierdoor het vermoeden gerezen dat u het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast.”
5.11.
Betrokkene wijst op zijn (in overweging 5.1. genoemde) brief van 16 februari 2026 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal. Hij wijst er verder op dat deze brief (van 35 pagina’s) meer dan honderd voetnoten bevat. Volgens hem staat hierin het bewijs van wat hij in zijn brief van 7 juli 2026 zegt. Overigens is betrokkene het er niet mee eens dat hij een beschuldiging van (wijdverbreide) corruptie en oplichting heeft geuit.
5.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Betrokkene gaat in zijn brief van 16 februari 2026 inderdaad (uitvoerig) in op zijn ‘kwestie Van Zutphen’. Maar dat een brief lang is en meer dan honderd voetnoten bevat, betekent niet dat wat erin staat dus waar is. Verder blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland dat het college van procureurs-generaal al op 17 oktober 2025 aan betrokkene heeft laten weten niet meer te zullen reageren op zijn brieven over deze ‘kwestie’. Kennelijk heeft betrokkene daar vaker met het college van procureurs-generaal over gecorrespondeerd en is daarin wat het college van procureurs-generaal betreft een eindpunt bereikt. Uit openbare informatie blijkt verder dat betrokkene over zijn ‘kwestie’ eerder contact heeft gezocht met de koning en de minister-president en onder andere de voorzitter van de Tweede Kamer. Uit deze stukken lijkt te volgen dat ook dit niet heeft geleid tot enig daarmee door betrokkene beoogd resultaat. En nu wordt betrokkene er ook nog mee geconfronteerd dat hij de beroepszaak van eiseres niet kan gebruiken om aandacht te vragen voor zijn ‘kwestie’. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit alles voor betrokkene teleurstellend is. Maar dat geeft hem niet het recht om dan maar met zeer ernstige beschuldigingen te strooien over (wijdverbreide) corruptie en oplichting binnen de rechtspraak dan wel dat individuele rechters zich daaraan schuldig zouden maken. Door het op deze wijze ongefundeerd uiten van genoemde beschuldigingen, tast betrokkene het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aan. Betrokkene mag er inmiddels bekend mee zijn dat het op deze lichtvaardige wijze strooien met dergelijke ernstige verwijten tot het gevolg kan leiden dat hij als gemachtigde wordt geweigerd. Dit is namelijk ook tegen hem gezegd in eerdere procedures waarin hij is geweigerd als gemachtigde.
Slotsom
5.13.
Gelet op het voorgaande bestaan er ernstige bezwaren tegen de wijze waarop betrokkene als gemachtigde in deze zaak bij de rechtbank optreedt. De vermenging door betrokkene van zijn eigen belangen met die van eiseres draagt daar extra aan bij. Dat geldt ook voor het feit dat betrokkene (door middel van eerdere weigeringen als gemachtigde) meermaals op zijn gedrag is aangesproken, maar daar desondanks mee blijft doorgaan. Dit alles is voldoende rechtvaardiging om betrokkene voor lange duur als gemachtigde (en dus ook in andere zaken) te weigeren, maar de wet biedt die ruimte niet. De rechtbank kan betrokkene slechts alleen voor deze ene zaak als gemachtigde weigeren. Wel kan de rechtbank in andere zaken eerder in de procedure en zonder voorafgaande waarschuwing ervoor kiezen om betrokkene als gemachtigde te weigeren als zijn gedrag in die zaak daartoe weer aanleiding geeft. Betrokkene is inmiddels een vaak gewaarschuwd mens en moet daarmee dus nadrukkelijk rekening houden.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank weigert bijstand en vertegenwoordiging door betrokkene ten behoeve van eiseres in deze beroepsprocedure. Het gevolg van deze beslissing is dat betrokkene in deze zaak niet meer mag optreden als gemachtigde van eiseres.
7. Eiseres moet een redelijke termijn krijgen om een andere gemachtigde of bijstandverlener in te inschakelen. Gelet op de vakantieperiode stelt de rechtbank deze termijn op acht weken. Deze termijn gaat in op de dag volgend op de dag waarop deze tussenbeslissing is verzonden. Als de rechtbank binnen genoemde termijn geen reactie van eiseres ontvangt, dan zal de rechtbank ervan uitgaan dat zij de procedure zonder gemachtigde of bijstand wil voortzetten. Als eiseres informatie wil over het inschakelen van een andere gemachtigde en over de mogelijkheden voor gefinancierde rechtsbijstand door een advocaat, dan kan zij die vinden op de website van de rechtspraak.
Beslissing
De rechtbank:
weigert bijstand en vertegenwoordiging door [betrokkene] ten behoeve van eiseres in deze beroepsprocedure;
stelt eiseres in de gelegenheid om binnen acht weken een andere gemachtigde aan te wijzen voor het vervolg van deze beroepsprocedure.
Deze beslissing is gegeven op 6 augustus 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
griffier
rechter
Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder hoger beroep worden ingesteld, dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op:
Op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2230, overweging 9, Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2740, overweging 9, en Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2741, overweging 9.
Artikel 8:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.2.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.5.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.3.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.4.
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.
Afdeling 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, overweging 11 tot en met 14.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:145, overweging 2.3.
Afdeling 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2230, overweging 12, Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2740, overweging 12, en Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2741, overweging 12.
Rechtbank Midden-Nederland 3 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:462, overweging 1.
https://open.overheid.nl/documenten/801b6e53-99f4-493f-8936-b9bbd2b4be66/file.
https://www.tweedekamer.nl/sites/default/files/2025-05/W2025012%20documenten.pdf.
Afdeling 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2230, overweging 13, Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2740, overweging 13, en Afdeling 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2741, overweging 13.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.3., en Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:141, overweging 5.2.
Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, overweging 2.2.4.
https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/contact/juridisch-advies.