Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6265
2026-08-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 25/2654
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MRB. Beroep niet-ontvankelijk, omdat het beroep niet tijdig is ingediend.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2024:625 Hoge Raad 19-04-2024
- ECLI:NL:HR:2024:515 Hoge Raad 05-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.505 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2654
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 mei 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak dat loopt van 4 juli 2023 tot en met 3 juli 2024 van € 1.036 en een verzuimboete van € 518 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Belanghebbende is, zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank, niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft belanghebbende op 8 mei 2026 via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 10 juni 2026. De rechtbank heeft op 8 mei 2026 om 12:08 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 8 mei 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.
Feiten
1. Belanghebbende staat vanaf 18 januari 2018 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats] in [land] .
2. Tot de gedingstukken behoort een brief van november 2015 van belanghebbende aan de Belastingdienst. In die brief heeft belanghebbende het volgende vermeld:
“(…)
Betreft: adreswijziging
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij wil ik u verzoeken zowel mijn privé als zakelijke post voortaan naar mijn zakelijke adres te sturen in verband met de boekhouding. Het zakelijke adres betreft:
[zakelijk adres]
[postcode] [plaats]
Mijn woonadres/postadres (waar ik geen post wens te ontvangen).
[woon/postadres]
[postcode]
(…)”
3. Belanghebbende is van 12 juni 2014 tot en met 8 januari 2025 houder van een blauw motorrijtuig van het merk Jaguar, X-type 2.5 V6 met het kenteken [kenteken] (het motorrijtuig).
4. Van 19 december 2022 tot en met 17 juli 2023 en van 12 november 2023 tot en met het einde van het houderschap van belanghebbende was de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst.
5. Op 29 april 2024, om 11:23 uur, is geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg, op de Roggeweg in Nijmegen. Als bewijs van die constatering heeft de inspecteur een controleformulier met controlefoto’s overgelegd met daarop zichtbaar het kenteken van het motorrijtuig.
6. Met dagtekening 29 oktober 2024 heeft de inspecteur een vooraankondiging naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende toegezonden. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
7. Met dagtekening 17 december 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 4 juli 2023 tot en met 3 juli 2024 van € 1.036 en een verzuimboete van € 518 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
8. Op 15 april 2025 heeft de inspecteur van belanghebbende per e-mail een aanvulling op het bezwaarschrift ontvangen naar aanleiding van telefonisch contact dat heeft plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende.
9. Met dagtekening 2 mei 2025 heeft de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar verzonden naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] .
10. Tot de gedingstukken behoort een tweetal door belanghebbende ingebrachte verklaringen van februari 2025, die elk door een ander persoon zijn ondertekend. In beide verklaringen staat het volgende vermeld:
“Betreft verklaring van buiten gebruik voertuig met kenteken [kenteken]
Hierbij verklaart ondergetekende dat het voertuig met kenteken [kenteken] voor reparatie op een autobrancard is weggevoerd naar de garage en al die tijd niet wegwaardig was en niet heeft kunnen rijden door een motordefect. De eigenaar van het voertuig had het voertuig al geschorst en het voertuig kan al die tijd niet rijden door een ernstig motordefect. Wij bevestigen dat het voertuig nimmer heeft kunnen rijden en door de eigenaar van het voertuig op een autoambulance op het eigen terrein van de garagist is gezet en blijkbaar stond het voertuig een keer in de weg en is die weggesleept om ruimte te maken. Dit bewijst ook de sleepoog die voorop op de auto is bevestigd en door [naam] van Bureau Toezicht Nijmegen ook is gefotografeerd.
Hoewel de garagist lange tijd bezig is geweest om het gehele motorblok met alle bedrading en elektronica te reviseren is komen vast te staan dat de motor niet meer gerepareerd of gereviseerd kon worden. Een verklaring dat de auto niet meer gerepareerd kon worden wordt tevens door een andere garagist als second opinion bevestigd. Toen met zekerheid vaststond dat het voertuig niet meer gerepareerd kon worden is voertuig door de garagist gevrijwaard op 9-01-2025 en naar de sloop afgevoerd.
Aldus naar waarheid opgesteld”
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daaraan toekomt zal zij eerst beoordelen of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep.
Ontvankelijkheid van het beroep
12. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn vangt, zoals is bepaald in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar aan. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt, begint deze termijn op de dag na de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Is dat niet het geval, dan is een beroepschrift op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb toch tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
13. Indien een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
14. De rechtbank stelt vast dat de dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar 2 mei 2025 is, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 13 juni 2025. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 17 juni 2025. Dit is vier dagen na het eindigen van de beroepstermijn. Belanghebbende heeft het beroepschrift op 17 juni 2025 fysiek afgeleverd bij de rechtbank. Om deze reden geldt artikel 6:9, tweede lid, van de Awb in dit geval niet, zodat belanghebbende het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de termijnoverschrijding in beroep verschoonbaar is.
15. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe voert belanghebbende aan dat hij de uitspraak op bezwaar niet op tijd heeft ontvangen door een verbouwing aan het adres [adres 1] in [plaats] . Ter onderbouwing heeft belanghebbende een foto van de verbouwing ingebracht. Daarnaast wordt de post van belanghebbende vaak bij de buren bezorgd. Dit komt doordat belanghebbende in het verzorgingstehuis ‘ [verzorgingstehuis] ’ woont en daar de brievenbus voor meerdere adressen wordt gebruikt. Als gevolg daarvan ontvangt belanghebbende de post vaak laat of raakt post zoek.
16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens de inspecteur is de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze bekendgemaakt. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar gericht aan belanghebbende en verzonden naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] . Onder verwijzing naar de brief van belanghebbende uit november 2015, stelt de inspecteur dat belanghebbende zelf heeft verzocht om alle post naar dat adres te versturen. De verbouwing op het adres [adres 1] in [plaats] staat daarom los van de verzending en ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Ter onderbouwing van de verzending van de uitspraak op bezwaar wijst de inspecteur op e-mailcontact met een behandelfunctionaris van de Belastingdienst, waarin de behandelfunctionaris schrijft dat zij de uitspraak op bezwaar op 29 april 2025 in het postvak heeft gelegd.
17. De rechtbank overweegt dat van een verschoonbare termijnoverschrijding sprake is indien de te late indiening van het beroepschrift het gevolg is van een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en het beroepschrift is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed. In beginsel geldt hiervoor een termijn van zes weken, gerekend vanaf het moment waarop de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake. Niet in geschil is dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Belanghebbende heeft echter aangevoerd dat hij de uitspraak op bezwaar wegens omstandigheden niet tijdig heeft ontvangen. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] toegezonden. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat op het adres [adres 1] in [plaats] een verbouwing plaatsvond waardoor hij post niet of in ieder geval niet tijdig ontving, houdt daarom geen verband met de verzending en ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de brievenbus op het adres [zakelijk adres] in [plaats] voor meerdere adressen wordt gebruikt en dat hij post daardoor later ontvangt of post zoekraakt, oordeelt de rechtbank dat deze omstandigheid voor rekening en risico van belanghebbende komt. Belanghebbende heeft de Belastingdienst bij brief van november 2015 zelf verzocht om zowel zijn privé post als zakelijke post naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] te verzenden. Het behoort dan tot de verantwoordelijkheid van belanghebbende om er zorg voor te dragen dat post die wordt verzonden naar dat postadres hem tijdig kan bereiken. Dat de verzending van post naar dat adres risico’s met zich meebrengt, maakt niet meteen dat een eventuele vertraging in de ontvangst van post een niet aan belanghebbende toe re rekenen omstandigheid vormt. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding het gevolg is van een omstandigheid die redelijkerwijs niet aan hem kan worden toegerekend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is daarom geen sprake.
19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 5 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.
Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2654
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 mei 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak dat loopt van 4 juli 2023 tot en met 3 juli 2024 van € 1.036 en een verzuimboete van € 518 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Belanghebbende is, zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank, niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft belanghebbende op 8 mei 2026 via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 10 juni 2026. De rechtbank heeft op 8 mei 2026 om 12:08 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 8 mei 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.
Feiten
1. Belanghebbende staat vanaf 18 januari 2018 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats] in [land] .
2. Tot de gedingstukken behoort een brief van november 2015 van belanghebbende aan de Belastingdienst. In die brief heeft belanghebbende het volgende vermeld:
“(…)
Betreft: adreswijziging
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij wil ik u verzoeken zowel mijn privé als zakelijke post voortaan naar mijn zakelijke adres te sturen in verband met de boekhouding. Het zakelijke adres betreft:
[zakelijk adres]
[postcode] [plaats]
Mijn woonadres/postadres (waar ik geen post wens te ontvangen).
[woon/postadres]
[postcode]
(…)”
3. Belanghebbende is van 12 juni 2014 tot en met 8 januari 2025 houder van een blauw motorrijtuig van het merk Jaguar, X-type 2.5 V6 met het kenteken [kenteken] (het motorrijtuig).
4. Van 19 december 2022 tot en met 17 juli 2023 en van 12 november 2023 tot en met het einde van het houderschap van belanghebbende was de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst.
5. Op 29 april 2024, om 11:23 uur, is geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg, op de Roggeweg in Nijmegen. Als bewijs van die constatering heeft de inspecteur een controleformulier met controlefoto’s overgelegd met daarop zichtbaar het kenteken van het motorrijtuig.
6. Met dagtekening 29 oktober 2024 heeft de inspecteur een vooraankondiging naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende toegezonden. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
7. Met dagtekening 17 december 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 4 juli 2023 tot en met 3 juli 2024 van € 1.036 en een verzuimboete van € 518 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
8. Op 15 april 2025 heeft de inspecteur van belanghebbende per e-mail een aanvulling op het bezwaarschrift ontvangen naar aanleiding van telefonisch contact dat heeft plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende.
9. Met dagtekening 2 mei 2025 heeft de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar verzonden naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] .
10. Tot de gedingstukken behoort een tweetal door belanghebbende ingebrachte verklaringen van februari 2025, die elk door een ander persoon zijn ondertekend. In beide verklaringen staat het volgende vermeld:
“Betreft verklaring van buiten gebruik voertuig met kenteken [kenteken]
Hierbij verklaart ondergetekende dat het voertuig met kenteken [kenteken] voor reparatie op een autobrancard is weggevoerd naar de garage en al die tijd niet wegwaardig was en niet heeft kunnen rijden door een motordefect. De eigenaar van het voertuig had het voertuig al geschorst en het voertuig kan al die tijd niet rijden door een ernstig motordefect. Wij bevestigen dat het voertuig nimmer heeft kunnen rijden en door de eigenaar van het voertuig op een autoambulance op het eigen terrein van de garagist is gezet en blijkbaar stond het voertuig een keer in de weg en is die weggesleept om ruimte te maken. Dit bewijst ook de sleepoog die voorop op de auto is bevestigd en door [naam] van Bureau Toezicht Nijmegen ook is gefotografeerd.
Hoewel de garagist lange tijd bezig is geweest om het gehele motorblok met alle bedrading en elektronica te reviseren is komen vast te staan dat de motor niet meer gerepareerd of gereviseerd kon worden. Een verklaring dat de auto niet meer gerepareerd kon worden wordt tevens door een andere garagist als second opinion bevestigd. Toen met zekerheid vaststond dat het voertuig niet meer gerepareerd kon worden is voertuig door de garagist gevrijwaard op 9-01-2025 en naar de sloop afgevoerd.
Aldus naar waarheid opgesteld”
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daaraan toekomt zal zij eerst beoordelen of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep.
Ontvankelijkheid van het beroep
12. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn vangt, zoals is bepaald in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar aan. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt, begint deze termijn op de dag na de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Is dat niet het geval, dan is een beroepschrift op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb toch tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
13. Indien een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
14. De rechtbank stelt vast dat de dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar 2 mei 2025 is, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 13 juni 2025. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 17 juni 2025. Dit is vier dagen na het eindigen van de beroepstermijn. Belanghebbende heeft het beroepschrift op 17 juni 2025 fysiek afgeleverd bij de rechtbank. Om deze reden geldt artikel 6:9, tweede lid, van de Awb in dit geval niet, zodat belanghebbende het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de termijnoverschrijding in beroep verschoonbaar is.
15. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe voert belanghebbende aan dat hij de uitspraak op bezwaar niet op tijd heeft ontvangen door een verbouwing aan het adres [adres 1] in [plaats] . Ter onderbouwing heeft belanghebbende een foto van de verbouwing ingebracht. Daarnaast wordt de post van belanghebbende vaak bij de buren bezorgd. Dit komt doordat belanghebbende in het verzorgingstehuis ‘ [verzorgingstehuis] ’ woont en daar de brievenbus voor meerdere adressen wordt gebruikt. Als gevolg daarvan ontvangt belanghebbende de post vaak laat of raakt post zoek.
16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens de inspecteur is de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze bekendgemaakt. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar gericht aan belanghebbende en verzonden naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] . Onder verwijzing naar de brief van belanghebbende uit november 2015, stelt de inspecteur dat belanghebbende zelf heeft verzocht om alle post naar dat adres te versturen. De verbouwing op het adres [adres 1] in [plaats] staat daarom los van de verzending en ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Ter onderbouwing van de verzending van de uitspraak op bezwaar wijst de inspecteur op e-mailcontact met een behandelfunctionaris van de Belastingdienst, waarin de behandelfunctionaris schrijft dat zij de uitspraak op bezwaar op 29 april 2025 in het postvak heeft gelegd.
17. De rechtbank overweegt dat van een verschoonbare termijnoverschrijding sprake is indien de te late indiening van het beroepschrift het gevolg is van een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en het beroepschrift is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed. In beginsel geldt hiervoor een termijn van zes weken, gerekend vanaf het moment waarop de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake. Niet in geschil is dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Belanghebbende heeft echter aangevoerd dat hij de uitspraak op bezwaar wegens omstandigheden niet tijdig heeft ontvangen. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] toegezonden. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat op het adres [adres 1] in [plaats] een verbouwing plaatsvond waardoor hij post niet of in ieder geval niet tijdig ontving, houdt daarom geen verband met de verzending en ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de brievenbus op het adres [zakelijk adres] in [plaats] voor meerdere adressen wordt gebruikt en dat hij post daardoor later ontvangt of post zoekraakt, oordeelt de rechtbank dat deze omstandigheid voor rekening en risico van belanghebbende komt. Belanghebbende heeft de Belastingdienst bij brief van november 2015 zelf verzocht om zowel zijn privé post als zakelijke post naar het adres [zakelijk adres] in [plaats] te verzenden. Het behoort dan tot de verantwoordelijkheid van belanghebbende om er zorg voor te dragen dat post die wordt verzonden naar dat postadres hem tijdig kan bereiken. Dat de verzending van post naar dat adres risico’s met zich meebrengt, maakt niet meteen dat een eventuele vertraging in de ontvangst van post een niet aan belanghebbende toe re rekenen omstandigheid vormt. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding het gevolg is van een omstandigheid die redelijkerwijs niet aan hem kan worden toegerekend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is daarom geen sprake.
19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 5 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.
Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515.