Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6242
2026-07-31
Bestuursrecht
ARN 25_6590
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet hersteloperatie toeslagen. Aanvraag afgewezen, omdat die 14 maanden te laat is ingediend. De rechtbank vindt dat door de specifieke persoonlijke situatie van eiseres sprake is van een bijzonder geval, zodat haar aanvraag toch in behandeling moet worden genomen. Beroep gegrond. De Dienst Toeslagen moet binnen 26 weken alsnog inhoudelijk beslissen op de aanvraag.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:6169 Raad van State 17-12-2025
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2023:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 07-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.156 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6590
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. S. Heersink).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar dochter [dochter] , en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na een onderbreking voor raadkameroverleg, mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 12 december 2025;
draagt de Dienst Toeslagen op om binnen 26 weken opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de Dienst Toeslagen op om het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.
Motivering
1. Eiseres dient op 4 maart 2025 een aanvraag in bij de Dienst Toeslagen voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (over de jaren 2017 en 2018). De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag op 31 maart 2025 afgewezen, omdat die niet was ingediend voor de wettelijk voorgeschreven datum van 2 januari 2024. Met het besluit van 12 december 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen die afwijzing ongegrond verklaard.
2. Eiseres heeft tegen het besluit van 12 december 2025 beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet mocht afwijzen vanwege de te late indiening daarvan. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende motivering.
3.1.
In de wet staat dat een aanvraag om herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag moet zijn ingediend voor 2 januari 2024. Tussen partijen is er geen discussie over dat eiseres haar aanvraag pas op 4 maart 2025 heeft ingediend, ruim 14 maanden na het verstrijken van de termijn. De aanvraag is dus te laat ingediend.
3.2.
Dat neemt niet weg dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die in het specifieke geval van eiseres tot gevolg kunnen hebben dat haar aanvraag toch inhoudelijk behandeld moet worden, ondanks dat die aanvraag te laat is ingediend. Bijzondere omstandigheden bij eiseres kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als eiseres als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan haar worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan eiseres toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
3.3.
Eiseres vindt dat er in haar situatie sprake is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden. Zij wijst op het volgende.
3.3.1.
Eiseres heeft al meer dan tien jaar een heel bewogen persoonlijke situatie. Die begon ermee dat haar toenmalige partner haar in 2014 verliet. Haar dochter was toen elf jaar en zij was zwanger van haar zoontje. Eiseres werd toen alleenstaande ouder, en zij moest alleen haar gezin van inkomen en ouderlijke zorg voorzien. Dat was bovengemiddeld moeilijk, omdat zij – mede door vroegtijdige overlijdens – nauwelijks familie en vrienden had om op terug te vallen. Eiseres werkte eerst als zzp’er, maar is op enig moment in loondienst gaan werken. Eiseres heeft hulp gezocht bij het beheer van haar financiën. Zij kreeg vanaf 3 december 2018 tot eind januari 2020 schuldhulp van de gemeente Rheden waardoor zij in die periode geen post ontving over haar financiële situatie. In de jaren daarna werd haar, uit een schuldenoverzicht van de schuldhulpverlening van de gemeente Rheden, duidelijk dat zij een belastingschuld van ruim € 3.700 had in verband met het niet (tijdig) betalen van inkomsten- en motorrijtuigenbelasting. In verband met de coronacrisis kreeg zij op dat moment uitstel van betaling.
3.3.2.
Eiseres is na het beëindigen van de schuldhulpverlening in 2020 opnieuw als zzp’er aan de slag gegaan, maar kort daarna brak het coronavirus uit. In 2023 en 2024 is eiseres begonnen aan een opleiding in de zorg om haar ondernemerskansen te verbeteren. Maar de combinatie van opleiding en werk, in combinatie met de zorg voor haar kinderen als alleenstaande moeder bleek zwaar. Eiseres zegt dat dit ervoor heeft gezorgd dat zij uiteindelijk gebroken is, fysiek en mentaal. Ze had een burn-out en deed bijna niets meer, behalve naar school en naar haar werk gaan.
3.3.3.
Eiseres zegt dat zij pas in maart 2025 een schuldenoverzicht van de Belastingdienst zelf ontving, toen haar uitstel van betaling afliep en zij haar schuld (weer) moest gaan aflossen. Op dat moment kwam zij pas te weten dat haar schuld niet ruim € 3.700 bedroeg, maar bijna € 15.000. Zij heeft toen meteen telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst. Toen werd haar pas duidelijk dat een groot deel van deze schuld teruggevorderde toeslagen betrof. Eiseres zegt dat zij nooit iets heeft gehoord over die terugvordering. Zij meent ook dat die terugvordering onjuist is, omdat zij in de betreffende jaren (2017 en 2018) altijd fulltime heeft gewerkt en dus dat zij recht had op die toeslagen. Als eiseres zich eerder had gerealiseerd dat een (groot) deel van haar schulden met toeslagen te maken hadden, dan had zij zich zeker toen al gemeld met een aanvraag voor herziening.
3.4.
De rechtbank ziet in het specifieke geval van eiseres voldoende aanleiding om haar de te late indiening van haar aanvraag niet tegen te werpen. Daarvoor is het volgende van belang.
3.4.1.
De rechtbank ziet allereerst geen aanleiding om te twijfelen aan wat eiseres zegt. Dat doet de Dienst Toeslagen ook niet. Maar anders dan de Dienst Toeslagen vindt de rechtbank dat wat eiseres aanvoert haar wel een bijzonder geval maakt.
3.4.2.
De rechtbank heeft gezien dat de Dienst Toeslagen met name in het verweerschrift uitvoerig is ingegaan op de inmiddels verruimde rechtspraak om een te laat ingediende aanvraag toch te behandelen. Uit het verweerschrift spreekt wat de rechtbank betreft zeker de wil om eiseres tegemoet te komen, maar de Dienst Toeslagen ziet de ruimte daartoe onvoldoende in de rechtspraak.
3.4.3.
De rechtbank ziet die ruimte in het specifieke geval van eiseres zoals gezegd wel. Dit komt in eerste instantie doordat de rechtbank de situatie van eiseres op een aantal punten anders weegt dan de Dienst Toeslagen heeft gedaan. Die weging van de rechtbank komt erop neer dat eiseres vanaf 2018 door diverse (zakelijke en privé)omstandigheden telkens uit het veld is geslagen, maar ook telkens wel weer wist op te krabbelen. Uit de omstandigheden die zij beschrijft (en die in overweging 3.3.1. tot en met 3.3.3. zijn weergegeven) is wat de rechtbank betreft voldoende duidelijk geworden dat eiseres door een samenloop van diverse complexe omstandigheden onvoldoende is toegekomen aan het goed doorgronden van haar financiële problematiek. Eiseres moest als alleenstaande ouder en als zzp’er voor inkomen zorgen. Daarbij kwamen de coronacrisis en de noodzaak om een opleiding te volgen om zo voldoende werk te kunnen houden. Alles bij elkaar is dat gewoon ontzettend veel geweest. De rechtbank kent ook veel gewicht toe aan de omstandigheid dat de toeslagenschuld kennelijk ook door de schuldhulpverlening niet is opgemerkt of per abuis niet in de aan eiseres verstrekte schuldenoverzichten is opgenomen.
3.4.4.
Voor de rechtbank is onduidelijk gebleven wat er is gebeurd met de brieven die de Dienst Toeslagen eerder dan maart 2025 heeft gestuurd over de toeslagen(schuld) van eiseres. De Dienst Toeslagen zegt dat die brieven zijn verzonden, maar eiseres zegt die niet te hebben ontvangen. Eiseres heeft daarover nog contact opgenomen met de schuldhulpverlener van de gemeente Rheden, maar daar waren de brieven ook niet bekend. Eiseres heeft op de zitting gezegd dat zij alle post van de schuldhulpverlening heeft gekregen na afloop van het traject, maar dat daarbij geen brieven zaten met daarin informatie over de toeslagenschuld. De Dienst Toeslagen wijst er op zich terecht op dat de schuldhulpverlening van de gemeente Rheden vrijwillig was en dat eiseres dan formeel gezien verantwoordelijk blijft als haar post naar de schuldhulpverlener wordt gezonden. Maar in dit specifieke geval ziet de rechtbank aanleiding dit als een gering verwijt te zien. Eiseres heeft de schuldhulpverlening namelijk ingeschakeld, omdat er zoveel op haar bordje lag en zij op dat moment juist hulp nodig had om op financieel gebied haar zaken op orde te krijgen en te houden. Van haar kan onder die omstandigheden niet worden verwacht dat zij zelfstandig en zonder kennelijke aanleiding nog onderzoekt of de schulden op de twee aan haar verstrekte schuldenoverzichten wel kloppen. Eiseres heeft nu juist hulp gezocht bij de gemeentelijke schuldhulpverlening omdat zij haar financiële situatie lastig kon overzien.
3.4.5.
Op nog een ander punt weegt de rechtbank de situatie van eiseres anders. De Dienst Toeslagen heeft gelijk dat er heel veel (media-)aandacht is besteed aan het onder de aandacht brengen van de hersteloperatie met inbegrip van de uiterste aanvraagdatum. Eiseres ontkent dat ook niet, maar ging er tot maart 2025 vanuit dat dit niet op haar van toepassing was. De rechtbank kan dat vanuit het perspectief van eiseres ook begrijpen, omdat zij er toen met reden van uitging dat haar belastingschuld ruim € 3.700 bedroeg en niets te maken had met toeslagen. De rechtbank vindt het verder bewonderenswaardig dat eiseres in haar moeilijke situatie geen beroep op een financiële voorziening heeft gedaan, omdat zij dacht dat ze daarop geen recht had. De rechtbank ziet ook niet in welk belang eiseres zou hebben met het (te) lang wachten om haar aanvraag in te dienen. Deze integere houding van eiseres moet worden geprezen en haar niet worden tegengeworpen. Als eiseres opportunistisch was geweest en een aantal jaar geleden een aanvraag had ingediend, dan is het bepaald niet uit te sluiten geweest dat zij ook compensatie had ontvangen. Toen eiseres in maart 2025 eenmaal wel inzicht in haar financiële situatie had, heeft zij bovendien meteen naar dat inzicht gehandeld door om een herbeoordeling van haar toeslagen te verzoeken.
4. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dus dat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart. De rechtbank zal het besluit van 12 december 2025 vernietigen en bepalen dat de Dienst Toeslagen opnieuw op het bezwaar van eiseres moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de zaak van eiseres nog niet inhoudelijk is bekeken. De beoordeling hield voor de Dienst Toeslagen namelijk op bij de vaststelling dat de aanvraag te laat was ingediend. Die inhoudelijke beoordeling moet alsnog geheel plaatsvinden, wat tijd zal kosten. Verder is het de rechtbank bekend dat de Dienst Toeslagen grote achterstanden heeft bij de behandeling van bezwaren, en daar wil zij rekening mee houden bij het stellen van een termijn. Die termijn moet niet onrealistisch kort zijn, maar mag tegelijkertijd niet onredelijk lang zijn. Alles bij elkaar genomen zal de rechtbank de beslistermijn daarom vaststellen op 26 weken. De termijn gaat in met ingang van de dag waarop het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is verzonden.
5. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Er is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
In artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen staat dat de aanvraag voor 1 januari 2024 moet zijn ingediend. De dag ervoor (31 december 2023) was een zondag en 1 januari 2024 is een algemeen erkende feestdag. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet wordt de termijn daarom verlengd tot 2 januari 2024.
Afdeling 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6169, overweging 11.2.
College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, overweging 31, in samenhang gelezen met de conclusie van A-G Widdershoven van 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476, overweging 7.17.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6590
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. S. Heersink).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar dochter [dochter] , en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na een onderbreking voor raadkameroverleg, mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 12 december 2025;
draagt de Dienst Toeslagen op om binnen 26 weken opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de Dienst Toeslagen op om het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.
Motivering
1. Eiseres dient op 4 maart 2025 een aanvraag in bij de Dienst Toeslagen voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (over de jaren 2017 en 2018). De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag op 31 maart 2025 afgewezen, omdat die niet was ingediend voor de wettelijk voorgeschreven datum van 2 januari 2024. Met het besluit van 12 december 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen die afwijzing ongegrond verklaard.
2. Eiseres heeft tegen het besluit van 12 december 2025 beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet mocht afwijzen vanwege de te late indiening daarvan. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende motivering.
3.1.
In de wet staat dat een aanvraag om herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag moet zijn ingediend voor 2 januari 2024. Tussen partijen is er geen discussie over dat eiseres haar aanvraag pas op 4 maart 2025 heeft ingediend, ruim 14 maanden na het verstrijken van de termijn. De aanvraag is dus te laat ingediend.
3.2.
Dat neemt niet weg dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die in het specifieke geval van eiseres tot gevolg kunnen hebben dat haar aanvraag toch inhoudelijk behandeld moet worden, ondanks dat die aanvraag te laat is ingediend. Bijzondere omstandigheden bij eiseres kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als eiseres als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan haar worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan eiseres toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
3.3.
Eiseres vindt dat er in haar situatie sprake is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden. Zij wijst op het volgende.
3.3.1.
Eiseres heeft al meer dan tien jaar een heel bewogen persoonlijke situatie. Die begon ermee dat haar toenmalige partner haar in 2014 verliet. Haar dochter was toen elf jaar en zij was zwanger van haar zoontje. Eiseres werd toen alleenstaande ouder, en zij moest alleen haar gezin van inkomen en ouderlijke zorg voorzien. Dat was bovengemiddeld moeilijk, omdat zij – mede door vroegtijdige overlijdens – nauwelijks familie en vrienden had om op terug te vallen. Eiseres werkte eerst als zzp’er, maar is op enig moment in loondienst gaan werken. Eiseres heeft hulp gezocht bij het beheer van haar financiën. Zij kreeg vanaf 3 december 2018 tot eind januari 2020 schuldhulp van de gemeente Rheden waardoor zij in die periode geen post ontving over haar financiële situatie. In de jaren daarna werd haar, uit een schuldenoverzicht van de schuldhulpverlening van de gemeente Rheden, duidelijk dat zij een belastingschuld van ruim € 3.700 had in verband met het niet (tijdig) betalen van inkomsten- en motorrijtuigenbelasting. In verband met de coronacrisis kreeg zij op dat moment uitstel van betaling.
3.3.2.
Eiseres is na het beëindigen van de schuldhulpverlening in 2020 opnieuw als zzp’er aan de slag gegaan, maar kort daarna brak het coronavirus uit. In 2023 en 2024 is eiseres begonnen aan een opleiding in de zorg om haar ondernemerskansen te verbeteren. Maar de combinatie van opleiding en werk, in combinatie met de zorg voor haar kinderen als alleenstaande moeder bleek zwaar. Eiseres zegt dat dit ervoor heeft gezorgd dat zij uiteindelijk gebroken is, fysiek en mentaal. Ze had een burn-out en deed bijna niets meer, behalve naar school en naar haar werk gaan.
3.3.3.
Eiseres zegt dat zij pas in maart 2025 een schuldenoverzicht van de Belastingdienst zelf ontving, toen haar uitstel van betaling afliep en zij haar schuld (weer) moest gaan aflossen. Op dat moment kwam zij pas te weten dat haar schuld niet ruim € 3.700 bedroeg, maar bijna € 15.000. Zij heeft toen meteen telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst. Toen werd haar pas duidelijk dat een groot deel van deze schuld teruggevorderde toeslagen betrof. Eiseres zegt dat zij nooit iets heeft gehoord over die terugvordering. Zij meent ook dat die terugvordering onjuist is, omdat zij in de betreffende jaren (2017 en 2018) altijd fulltime heeft gewerkt en dus dat zij recht had op die toeslagen. Als eiseres zich eerder had gerealiseerd dat een (groot) deel van haar schulden met toeslagen te maken hadden, dan had zij zich zeker toen al gemeld met een aanvraag voor herziening.
3.4.
De rechtbank ziet in het specifieke geval van eiseres voldoende aanleiding om haar de te late indiening van haar aanvraag niet tegen te werpen. Daarvoor is het volgende van belang.
3.4.1.
De rechtbank ziet allereerst geen aanleiding om te twijfelen aan wat eiseres zegt. Dat doet de Dienst Toeslagen ook niet. Maar anders dan de Dienst Toeslagen vindt de rechtbank dat wat eiseres aanvoert haar wel een bijzonder geval maakt.
3.4.2.
De rechtbank heeft gezien dat de Dienst Toeslagen met name in het verweerschrift uitvoerig is ingegaan op de inmiddels verruimde rechtspraak om een te laat ingediende aanvraag toch te behandelen. Uit het verweerschrift spreekt wat de rechtbank betreft zeker de wil om eiseres tegemoet te komen, maar de Dienst Toeslagen ziet de ruimte daartoe onvoldoende in de rechtspraak.
3.4.3.
De rechtbank ziet die ruimte in het specifieke geval van eiseres zoals gezegd wel. Dit komt in eerste instantie doordat de rechtbank de situatie van eiseres op een aantal punten anders weegt dan de Dienst Toeslagen heeft gedaan. Die weging van de rechtbank komt erop neer dat eiseres vanaf 2018 door diverse (zakelijke en privé)omstandigheden telkens uit het veld is geslagen, maar ook telkens wel weer wist op te krabbelen. Uit de omstandigheden die zij beschrijft (en die in overweging 3.3.1. tot en met 3.3.3. zijn weergegeven) is wat de rechtbank betreft voldoende duidelijk geworden dat eiseres door een samenloop van diverse complexe omstandigheden onvoldoende is toegekomen aan het goed doorgronden van haar financiële problematiek. Eiseres moest als alleenstaande ouder en als zzp’er voor inkomen zorgen. Daarbij kwamen de coronacrisis en de noodzaak om een opleiding te volgen om zo voldoende werk te kunnen houden. Alles bij elkaar is dat gewoon ontzettend veel geweest. De rechtbank kent ook veel gewicht toe aan de omstandigheid dat de toeslagenschuld kennelijk ook door de schuldhulpverlening niet is opgemerkt of per abuis niet in de aan eiseres verstrekte schuldenoverzichten is opgenomen.
3.4.4.
Voor de rechtbank is onduidelijk gebleven wat er is gebeurd met de brieven die de Dienst Toeslagen eerder dan maart 2025 heeft gestuurd over de toeslagen(schuld) van eiseres. De Dienst Toeslagen zegt dat die brieven zijn verzonden, maar eiseres zegt die niet te hebben ontvangen. Eiseres heeft daarover nog contact opgenomen met de schuldhulpverlener van de gemeente Rheden, maar daar waren de brieven ook niet bekend. Eiseres heeft op de zitting gezegd dat zij alle post van de schuldhulpverlening heeft gekregen na afloop van het traject, maar dat daarbij geen brieven zaten met daarin informatie over de toeslagenschuld. De Dienst Toeslagen wijst er op zich terecht op dat de schuldhulpverlening van de gemeente Rheden vrijwillig was en dat eiseres dan formeel gezien verantwoordelijk blijft als haar post naar de schuldhulpverlener wordt gezonden. Maar in dit specifieke geval ziet de rechtbank aanleiding dit als een gering verwijt te zien. Eiseres heeft de schuldhulpverlening namelijk ingeschakeld, omdat er zoveel op haar bordje lag en zij op dat moment juist hulp nodig had om op financieel gebied haar zaken op orde te krijgen en te houden. Van haar kan onder die omstandigheden niet worden verwacht dat zij zelfstandig en zonder kennelijke aanleiding nog onderzoekt of de schulden op de twee aan haar verstrekte schuldenoverzichten wel kloppen. Eiseres heeft nu juist hulp gezocht bij de gemeentelijke schuldhulpverlening omdat zij haar financiële situatie lastig kon overzien.
3.4.5.
Op nog een ander punt weegt de rechtbank de situatie van eiseres anders. De Dienst Toeslagen heeft gelijk dat er heel veel (media-)aandacht is besteed aan het onder de aandacht brengen van de hersteloperatie met inbegrip van de uiterste aanvraagdatum. Eiseres ontkent dat ook niet, maar ging er tot maart 2025 vanuit dat dit niet op haar van toepassing was. De rechtbank kan dat vanuit het perspectief van eiseres ook begrijpen, omdat zij er toen met reden van uitging dat haar belastingschuld ruim € 3.700 bedroeg en niets te maken had met toeslagen. De rechtbank vindt het verder bewonderenswaardig dat eiseres in haar moeilijke situatie geen beroep op een financiële voorziening heeft gedaan, omdat zij dacht dat ze daarop geen recht had. De rechtbank ziet ook niet in welk belang eiseres zou hebben met het (te) lang wachten om haar aanvraag in te dienen. Deze integere houding van eiseres moet worden geprezen en haar niet worden tegengeworpen. Als eiseres opportunistisch was geweest en een aantal jaar geleden een aanvraag had ingediend, dan is het bepaald niet uit te sluiten geweest dat zij ook compensatie had ontvangen. Toen eiseres in maart 2025 eenmaal wel inzicht in haar financiële situatie had, heeft zij bovendien meteen naar dat inzicht gehandeld door om een herbeoordeling van haar toeslagen te verzoeken.
4. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dus dat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart. De rechtbank zal het besluit van 12 december 2025 vernietigen en bepalen dat de Dienst Toeslagen opnieuw op het bezwaar van eiseres moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de zaak van eiseres nog niet inhoudelijk is bekeken. De beoordeling hield voor de Dienst Toeslagen namelijk op bij de vaststelling dat de aanvraag te laat was ingediend. Die inhoudelijke beoordeling moet alsnog geheel plaatsvinden, wat tijd zal kosten. Verder is het de rechtbank bekend dat de Dienst Toeslagen grote achterstanden heeft bij de behandeling van bezwaren, en daar wil zij rekening mee houden bij het stellen van een termijn. Die termijn moet niet onrealistisch kort zijn, maar mag tegelijkertijd niet onredelijk lang zijn. Alles bij elkaar genomen zal de rechtbank de beslistermijn daarom vaststellen op 26 weken. De termijn gaat in met ingang van de dag waarop het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is verzonden.
5. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Er is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
In artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen staat dat de aanvraag voor 1 januari 2024 moet zijn ingediend. De dag ervoor (31 december 2023) was een zondag en 1 januari 2024 is een algemeen erkende feestdag. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet wordt de termijn daarom verlengd tot 2 januari 2024.
Afdeling 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6169, overweging 11.2.
College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, overweging 31, in samenhang gelezen met de conclusie van A-G Widdershoven van 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476, overweging 7.17.