Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6189
2026-07-31
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ARN 26/3247
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vovo
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4048 Rechtbank Gelderland 23-04-2026
- ECLI:NL:CRVB:2015:796 Centrale Raad van Beroep 17-03-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.704 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3247
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(gemachtigden: mr. A. Klok en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering af te wijzen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. 1.2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 juni 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner [partner] , de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college. Tevens was de vader van verzoeker aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoeker ontving sinds 4 november 2024 met zijn partner een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet (Pw). Met het besluit van 13 februari 2026 heeft het college het recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 12 februari 2026 herzien en ingetrokken en per 13 februari 2026 beëindigd, omdat het recht niet kan worden vastgesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het de uitspraak van 23 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
3.1.
Op 27 mei 2026 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Hij heeft hierbij aangegeven dat de situatie gewijzigd is ten opzichte van de situatie in februari 2026. Hij is sinds 13 mei 2026 in dienst bij [bedrijf] en heeft daarvan een arbeidsovereenkomst overgelegd. Dit is een in maart 2026 nieuw opgericht bedrijf en staat op naam van vader van verzoeker. Hij werkt 2 uur per dag van 10.00 uur tot 12.00 uur. Hij heeft tevens een loonspecificatie van mei overgelegd.
3.2.
Het college heeft de aanvraag met het bestreden besluit afgewezen omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het recht op bijstand nog steeds niet worden vastgesteld. Er is onvoldoende inzicht in de werkzaamheden, inkomsten en financiële positie van verzoeker.
Oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
5. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat indien een belanghebbende na beëindiging van zijn bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, het op zijn weg ligt om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.
5.1.
De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 23 april 2026 overwogen dat het beeld dat verzoeker geeft over zijn werkzaamheden te diffuus is om aan te nemen dat het aanvullende recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld of geschat. Dat verzoeker elke maand precies 8,67 uur verdeeld over 4,33 dagen zou werken past niet bij zijn eigen verklaring dat hij op grond van een nulurencontract wisselende dagen en tijden werkt in verband met zijn gezondheid. Daarnaast is het niet aannemelijk dat hij elke maand precies hetzelfde aantal uren en dagen werkt, gelet op de aard van zijn werkzaamheden als chauffeur, waarover hij zelf heeft aangegeven dat hij op verschillende locaties werkt. Daarmee is er sprake van verschillende reistijden en ligt het ook voor de hand dat de arbeidstijden verschillend zijn, afhankelijk van de arbeidslocatie.
5.2.
Verzoeker heeft bij zijn nieuwe aanvraag een arbeidsovereenkomst overgelegd voor twee uur per dag (van 10 tot 12 uur) in het (nieuw opgerichte) bedrijf van zijn vader. Tevens heeft hij een loonstrook overgelegd.
5.3.
Op de zitting is van de zijde van het college opgemerkt dat nog altijd onduidelijkheid bestaat over de uren die verzoeker werkt. Het is geen kantoorbaan, waarbij je van 10 tot 12 uur kunt werken. De werkzaamheden zouden eruit bestaan dat verzoeker ergens oud ijzer op moet halen of een container moet plaatsen of ophalen. Die locaties zijn verschillend, waardoor het ook niet gezegd kan worden dat hij daadwerkelijk twee uur per dag werkt. Verder is op de website van het bedrijf als adres van het bedrijf een locatie genoemd, dat niet bestaat en in de praktijk een schuur van verzoeker zelf betreft. Ook is de financiële verstrengeling met familieleden niet opgehelderd.
5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eisen die gelden om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het recht nog altijd niet kan worden vastgesteld. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overgelegde arbeidsovereenkomst niet voldoende is. Onduidelijk is hoeveel uren verzoeker daadwerkelijk werkt. Verzoeker heeft hier geen administratie van overgelegd. Het college heeft hierbij kunnen betrekken dat het feit dat de vader van verzoeker in maart 2026 op 69 jarige leeftijd een bedrijf opricht dat zich in hetzelfde segment bevindt als de eerdere bedrijven van verzoeker, zijn minderjarige dochter en zoon en zijn ex-echtgenote, de indruk wekt van een schijnconstructie. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het college kan dit evenwel met de in het verweerschrift opgenomen aanvullende motivering en hetgeen op de zitting is besproken, in de beslissing op bezwaar herstellen. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar met een aanvullende motivering niet in stand zal kunnen blijven. Het bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. 7. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBGEL:2026:4048
Zie bijvoorbeeld CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:796.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3247
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(gemachtigden: mr. A. Klok en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering af te wijzen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. 1.2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 juni 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner [partner] , de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college. Tevens was de vader van verzoeker aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoeker ontving sinds 4 november 2024 met zijn partner een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet (Pw). Met het besluit van 13 februari 2026 heeft het college het recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 12 februari 2026 herzien en ingetrokken en per 13 februari 2026 beëindigd, omdat het recht niet kan worden vastgesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het de uitspraak van 23 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
3.1.
Op 27 mei 2026 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Hij heeft hierbij aangegeven dat de situatie gewijzigd is ten opzichte van de situatie in februari 2026. Hij is sinds 13 mei 2026 in dienst bij [bedrijf] en heeft daarvan een arbeidsovereenkomst overgelegd. Dit is een in maart 2026 nieuw opgericht bedrijf en staat op naam van vader van verzoeker. Hij werkt 2 uur per dag van 10.00 uur tot 12.00 uur. Hij heeft tevens een loonspecificatie van mei overgelegd.
3.2.
Het college heeft de aanvraag met het bestreden besluit afgewezen omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het recht op bijstand nog steeds niet worden vastgesteld. Er is onvoldoende inzicht in de werkzaamheden, inkomsten en financiële positie van verzoeker.
Oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
5. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat indien een belanghebbende na beëindiging van zijn bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, het op zijn weg ligt om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.
5.1.
De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 23 april 2026 overwogen dat het beeld dat verzoeker geeft over zijn werkzaamheden te diffuus is om aan te nemen dat het aanvullende recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld of geschat. Dat verzoeker elke maand precies 8,67 uur verdeeld over 4,33 dagen zou werken past niet bij zijn eigen verklaring dat hij op grond van een nulurencontract wisselende dagen en tijden werkt in verband met zijn gezondheid. Daarnaast is het niet aannemelijk dat hij elke maand precies hetzelfde aantal uren en dagen werkt, gelet op de aard van zijn werkzaamheden als chauffeur, waarover hij zelf heeft aangegeven dat hij op verschillende locaties werkt. Daarmee is er sprake van verschillende reistijden en ligt het ook voor de hand dat de arbeidstijden verschillend zijn, afhankelijk van de arbeidslocatie.
5.2.
Verzoeker heeft bij zijn nieuwe aanvraag een arbeidsovereenkomst overgelegd voor twee uur per dag (van 10 tot 12 uur) in het (nieuw opgerichte) bedrijf van zijn vader. Tevens heeft hij een loonstrook overgelegd.
5.3.
Op de zitting is van de zijde van het college opgemerkt dat nog altijd onduidelijkheid bestaat over de uren die verzoeker werkt. Het is geen kantoorbaan, waarbij je van 10 tot 12 uur kunt werken. De werkzaamheden zouden eruit bestaan dat verzoeker ergens oud ijzer op moet halen of een container moet plaatsen of ophalen. Die locaties zijn verschillend, waardoor het ook niet gezegd kan worden dat hij daadwerkelijk twee uur per dag werkt. Verder is op de website van het bedrijf als adres van het bedrijf een locatie genoemd, dat niet bestaat en in de praktijk een schuur van verzoeker zelf betreft. Ook is de financiële verstrengeling met familieleden niet opgehelderd.
5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eisen die gelden om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het recht nog altijd niet kan worden vastgesteld. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overgelegde arbeidsovereenkomst niet voldoende is. Onduidelijk is hoeveel uren verzoeker daadwerkelijk werkt. Verzoeker heeft hier geen administratie van overgelegd. Het college heeft hierbij kunnen betrekken dat het feit dat de vader van verzoeker in maart 2026 op 69 jarige leeftijd een bedrijf opricht dat zich in hetzelfde segment bevindt als de eerdere bedrijven van verzoeker, zijn minderjarige dochter en zoon en zijn ex-echtgenote, de indruk wekt van een schijnconstructie. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het college kan dit evenwel met de in het verweerschrift opgenomen aanvullende motivering en hetgeen op de zitting is besproken, in de beslissing op bezwaar herstellen. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar met een aanvullende motivering niet in stand zal kunnen blijven. Het bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. 7. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBGEL:2026:4048
Zie bijvoorbeeld CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:796.