Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6179

2026-08-03 Strafrecht 05/331113-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-03
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05/331113-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen oplichting (bankhelpdeskfraude) en diefstal in vereniging door met door de oplichting verkregen bankpassen en bijbehorende pincodes meerdere geldbedragen op te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de onder feit 3 tenlastegelegde meerdere bankpassen, geldbedragen en sieraden onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat verdachte het voorwerp heeft witgewassen door het voorwerp te hebben verworven en voorhanden te hebben gehad. Gelet op vaste rechtspraak moet er sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan alleen het verwerven of voorhanden hebben van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp. Daarom kan het niet worden gekwalificeerd als witwassen en levert geen strafbaar feit op. De rechtbank overweegt in lijn met twee eerdere uitspraken van de rechtbank Gelderland dat oplichting via bankhelpdeskfraude een zwaarder verwijt betreft dan woninginbraak. De rechtbank acht, net zoals in de eerder aangehaalde uitspraken, vanwege de grote impact die het handelen van verdachte en de mededaders had en gelet op de rol die verdachte vervulde als ophaler, per oplichting als uitgangspunt een gevangenisstraf van 5 maanden passend.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (39.733 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Zutphen



Parketnummer: 05/331113-25
Datum uitspraak : 3 augustus 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .



Raadsman: mr. M.J. Lamers, advocaat in Utrecht.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.






1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


1.hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 in Beesd (gemeente West-Betuwe), Hengelo (ov), Heerlen, Oss, Geldrop (gemeente Geldrop-Mierlo), Wijk en Aalburg (gemeente Altena) en/of Veldhoven, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaalmet het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,- [aangever 1] (aangifte 1) en/of- [aangever 2] (aangifte 2) en/of- [aangever 3] (aangifte 3) en/of- [aangever 4] (aangifte 4) en/of- [aangever 5] (aangifte 5) en/of- [aangever 6] (aangifte 6) en/of- [aangever 7] (aangifte 7)heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten:- de afgifte zijn/haar bankpas en/of een reader en/of een mobiele telefoon en/of één of meer sieraden en/of- het ter beschikking stellen van de pincodes behorende bij voornoemde bankpas(sen) door:- telefonisch contact op te nemen met die persoon/personen en/of- zich voor te doen als (een) bankmedewerker(s) / van die persoon/personen en/of- tegen die persoon/personen te zeggen dat er geld was afgeschreven en/of geprobeerd was om geld af te schrijven van zijn/haar rekening en/of dat er een virus op de bankpas, de wifi, de router, de IPad en/of de telefoon zou zitten en/of dat zijn/haar bankpas geskimd was en/of dat de bankpas op veiligheid en/of fraude moest worden gecontroleerd en/of dat de bankpas verouderd was en de chip vervangen moest wordenen/of- tegen die persoon/personen te zeggen dat zijn/haar bankpas en/of reader en/of sieraden zou(den) worden opgehaald en/of dat zij hun pincode(s) op een briefje moest(en) schrijven en/of een codewoord aan die persoon/personen door te gevenen/of- (vervolgens) zich naar de woning van die persoon/personen te begeven en/of zich aldaar voor te doen als bankmedewerker en/of monteur van de bank en/of- tegen die persoon/personen voornoemd codewoord te noemen en/of te zeggen dat de bankpas moest worden gecontroleerd en/of een virus moest worden verwijderd en/of (vervolgens)- de bankpas en/of randomreader en/of mobiele telefoon en/of sieraden van die persoon/personen mee te nemen;

2.hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 in Beesd (gemeente West-Betuwe), Hengelo (ov), Heerlen, Oss, Geldrop (gemeente Geldrop-Mierlo), Wijk en Aalburg (gemeente Altena) en/of Veldhoven, althans te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en)(van in totaal € 10.897,35), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan- [aangever 1] (aangifte 1) en/of- [aangever 2] (aangifte 2) en/of- [aangever 3] (aangifte 3) en/of- [aangever 4] (aangifte 4) en/of- [aangever 5] (aangifte 5) en/of- [aangever 6] (aangifte 6) en/of- [aangever 7] (aangifte 7),althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een of meer bankpas(sen) op naam van voornoemde persoon/personen (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;

3.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 in Beesd (gemeente West-Betuwe), Hengelo (ov), Heerlen, Oss, Geldrop (gemeente Geldrop-Mierlo), Wijk en Aalburg (gemeente Altena) en/of Veldhoven, althans te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een pinpas op naam van- [aangever 1] (aangifte 1),- [aangever 2] (aangifte 2),- [aangever 3] (aangifte 3),- [aangever 4] (aangifte 4),- [aangever 5] (aangifte 5),- [aangever 6] (aangifte 6) en/of- [aangever 7] (aangifte 7),en/ofeen of meerdere geldbedragen (van en/of met een waarde van in totaal € 10.897,35), en/of meer sieraden, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;


2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.




Beoordeling door de rechtbank





Feiten 1, 2 en 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.



Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 164-165;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 199-200;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , p. 255-257;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 285-286;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , p. 321-323;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , p. 361-362;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , p. 395-396;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2026.


Wat betreft – kort gezegd – het witwassen (feit 3) wordt het volgende overwogen.
Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkel verwerven en voorhanden hebben van een of meerdere bankpassen, geldbedragen en sieraden en dat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze goederen. Wat daarvan het gevolg is, zal hierna aan de orde komen.





3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


1.hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 in Beesd (gemeente West-Betuwe), Hengelo (ov), Heerlen, Oss, Geldrop (gemeente Geldrop-Mierlo), Wijk en Aalburg (gemeente Altena) en/of Veldhoven, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaalmet het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,- [aangever 1] (aangifte 1) en/of- [aangever 2] (aangifte 2) en/of- [aangever 3] (aangifte 3) en/of- [aangever 4] (aangifte 4) en/of- [aangever 5] (aangifte 5) en/of- [aangever 6] (aangifte 6) en/of- [aangever 7] (aangifte 7)heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten:- de afgifte zijn/haar bankpas en/of een reader en/of een mobiele telefoon en/of één of meerdere sieraden en/of- het ter beschikking stellen van de pincodes behorende bij voornoemde bankpas(sen) door:- telefonisch contact op te nemen met die persoon/personen en/of- zich voor te doen als (een) bankmedewerker(s) / van die persoon/personen en/of- tegen die persoon/personen te zeggen dat er geld was afgeschreven en/of geprobeerd was om geld af te schrijven van zijn/haar rekening en/of dat er een virus op de bankpas, de wifi, de router, de iPad en/of de telefoon zou zitten en/of dat zijn/haar bankpas geskimd was en/of dat de bankpas op veiligheid en/of fraude moest worden gecontroleerd en/of dat de bankpas verouderd was en de chip vervangen moest worden en/of- tegen die persoon/personen te zeggen dat zijn/haar bankpas en/of reader en/of sieraden zou(den) worden opgehaald en/of dat zij hun pincode(s) op een briefje moest(en) schrijven en/of een codewoord aan die persoon/personen door te gevenen/of- (vervolgens) zich naar de woning van die persoon/personen te begeven en/of zich aldaar voor te doen als bankmedewerker en/of monteur van de bank en/of- tegen die persoon/personen voornoemd codewoord te noemen en/of te zeggen dat de bankpas moest worden gecontroleerd en/of een virus moest worden verwijderd en/of (vervolgens)- de bankpas en/of randomreader en/of mobiele telefoon en/of sieraden van die persoon/personen mee te nemen;

2.hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 in Beesd (gemeente West-Betuwe), Hengelo (ov), Heerlen, Oss, Geldrop (gemeente Geldrop-Mierlo), Wijk en Aalburg (gemeente Altena) en/of Veldhoven, althans te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen) heeft weggenomen een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal € 10.897,35), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan- [aangever 1] (aangifte 1) en/of- [aangever 2] (aangifte 2) en/of- [aangever 3] (aangifte 3) en/of- [aangever 4] (aangifte 4) en/of- [aangever 5] (aangifte 5) en/of- [aangever 6] (aangifte 6) en/of- [aangever 7] (aangifte 7),althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een of meerdere bankpas(sen) op naam van voornoemde persoon/personen (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;

3.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 in Beesd (gemeente West-Betuwe), Hengelo (ov), Heerlen, Oss, Geldrop (gemeente Geldrop-Mierlo), Wijk en Aalburg (gemeente Altena) en/of Veldhoven, althans te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een pinpas op naam van- [aangever 1] (aangifte 1),- [aangever 2] (aangifte 2),- [aangever 3] (aangifte 3),- [aangever 4] (aangifte 4),- [aangever 5] (aangifte 5),- [aangever 6] (aangifte 6) en/of- [aangever 7] (aangifte 7),en/of een of meerdere geldbedragen (van en/of met een waarde van in totaal € 10.897,35), en/of meerdere sieraden, althans een goed heeft verworven, en voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.


Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De strafbaarheid van de feiten


De feiten 1 en 2 zijn strafbaar. Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank als volgt.



De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen, geoordeeld dat de onder feit 3 tenlastegelegde meerdere bankpassen, geldbedragen en sieraden onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat verdachte het voorwerp heeft witgewassen door het voorwerp te hebben verworven en voorhanden te hebben gehad. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet er echter bij witwassen zoals hier ten laste gelegd sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan alleen het verwerven of voorhanden hebben van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp (zie onder andere ECLI:NL:HR:2013:150).



De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen, nu uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden alleen kan worden afgeleid dat verdachte de voorwerpen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.



Dit betekent dat het onder feit 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen en daarom geen strafbaar feit oplevert. Verdachte dient daarom ter zake van dit bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.





5De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




feit 1:


medeplegen van oplichting, meermaals gepleegd;





feit 2:


diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, meermaals gepleegd.






6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.





7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden met aftrek van het voorarrest.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk bepleit. Aan de voorwaardelijke straf kunnen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden gekoppeld, waarbij het verbod op verdovende middelen moet worden vervangen door het meewerken aan controles. De raadsman heeft daartoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.



Verdachte heeft zich in de periode van 20 augustus 2025 tot en met 18 oktober 2025 schuldig gemaakt aan oplichting en (vervolgens) diefstal van meerdere geldbedragen. Verdachte heeft in deze periode zeven slachtoffers gemaakt. Het gaat hierbij om zogenoemde bankhelpdeskfraude, waarbij veelal oudere mensen worden gebeld door iemand die zich voordoet als bankmedewerker. Tegen hen werd gezegd dat er iets mis was met hun bankpas of dat er geprobeerd was om geld van de rekening te halen. Er werd vervolgens een “medewerker” naar de woning gestuurd om de bankpas of in sommige gevallen ook telefoons, routers en readers te controleren. De slachtoffers moesten daarbij in meerdere gevallen hun pincodes op een briefje schrijven. Ook werd er een code afgesproken die de medewerker aan de deur dan zou opnoemen. Dit leidt ertoe dat de slachtoffers in goed vertrouwen hun bankpassen afgaven om te laten controleren.



Uit het dossier komt naar voren dat het om meerdere verdachten gaat die ieder een rol vervulden. Verdachte was in deze zeven gevallen de pinner en in veel gevallen ook de haler. Hij ging naar de slachtoffers toe, terwijl zij een van de mededaders aan de lijn hadden en aan het lijntje werden gehouden.



Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft meegewerkt omdat hij in geldproblemen zat. Hij zou van tevoren niet hebben geweten dat het om oudere slachtoffers ging. Dit acht de rechtbank onaannemelijk omdat hierin een duidelijk patroon te herkennen is. Duidelijk is dat verdachte en zijn mededaders uit waren op financieel gewin. De rechtbank vindt het verwerpelijk dat zij hiervoor bewust slachtoffers met een hogere leeftijd hebben uitgekozen en misbruik van hun vertrouwen hebben gemaakt. Verdachte en de mededaders hebben schaamteloos gehandeld door keer op keer te handelen als zij hebben gedaan, zonder op enig moment tot het inzicht te komen dat zij met iets verwerpelijks bezig zijn. Bij één slachtoffer werden ook sieraden gezien en meegenomen. Dit waren sieraden met grote emotionele waarde. Verdachte en de mededaders hebben er kennelijk geen moment over nagedacht wat voor impact hun handelen op de slachtoffers zou kunnen hebben, althans hebben zich daaraan niets gelegen laten liggen.



Ter zitting heeft verdachte weliswaar zijn spijt betuigd, maar dat heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen. Hij heeft verschillende keren de gelegenheid gehad te stoppen met zijn gedrag, maar heeft zich telkens laten verleiden om bij onschuldige mensen aan te bellen en hun bankpassen af te troggelen. Ook heeft hij meerdere geldbedragen, voor meer dan € 10.000,00, opgenomen of gepind in winkels.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte al eerder in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten, wat in het nadeel van verdachte werkt. Daarnaast acht de rechtbank het zorgelijk dat verdachte voor uiteenlopende feiten is veroordeeld en in meerdere proeftijden liep.



Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 14 juli 2026. De reclassering spreekt van een delictpatroon omdat verdachte voornamelijk in beeld komt vanwege vermogensdelicten. Als mogelijk delictgerelateerde criminogene factoren ziet de reclassering het psychosociaal functioneren en middelengebruik van verdachte. Verdachte is bij de reclassering bekend met een toezicht. Verdachte heeft de huisregels op zijn woonvoorziening overtreden, waarvoor hij een berisping heeft gekregen. Verdachte beschikt niet over een dagbesteding en daarnaast is er sprake van een forse schuld. Verdachte begeeft zich in een crimineel netwerk en heeft problemen op het gebied van middelen. Er is gekeken naar wat nodig zal zijn om te kunnen werken aan gedragsverandering dan wel risicobeperking. De reclassering heeft grote twijfels over de haalbaarheid van bijzondere voorwaarden en het opnieuw indiceren hiervan. Zij vindt enerzijds dat verdachte voldoende kansen heeft gehad, anderzijds is zij van mening dat nog niet alles met verdachte is geprobeerd. De reclassering wil verdachte het voordeel van de twijfel geven en ziet dit als een laatste kans voor hem om gedragsverandering te kunnen inzetten. De risico’s op recidive en het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Het advies is een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante begeleiding, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod op verdovende middelen, dagbesteding en aflossen schulden) aan verdachte op te leggen.



Gelet op bovengenoemde omstandigheden, is geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak passend. De rechtbank ziet – anders dan de reclassering – geen aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft verschillende kansen van de reclassering gehad en liep in een proeftijd. Dit heeft hem er niet van weerhouden wederom ernstige strafbare feiten te plegen. De behandeling van verdachte kan, indien te zijner tijd gewenst, ook plaatsvinden in het kader van een mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling. In dat geval kan worden bekeken welke bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling het meest passend zouden zijn.



Wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf overweegt de rechtbank het volgende. Voor de bankhelpdeskfraude kent het LOVS geen oriëntatiepunten. Wel is er een oriëntatiepunt voor een woninginbraak, te weten een gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank overweegt in lijn met twee eerdere uitspraken van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2026:1777 en ECLI:NL:RBGEL:2025:8420) dat oplichting via bankhelpdeskfraude, waarbij slachtoffers via de telefoon en in hun woning geconfronteerd worden met de daders, een zwaarder verwijt betreft. De slachtoffers moesten vooral oud zijn. Met een babbeltruc werd hun vertrouwen gewonnen. Het slachtoffer gaf in goed vertrouwen de bankpas met pincode en/of waardevolle sieraden mee. De rechtbank acht, net zoals in de eerder aangehaalde uitspraken, vanwege de grote impact die het handelen van verdachte en de mededaders had en gelet op de rol die verdachte vervulde als ophaler, per oplichting als uitgangspunt een gevangenisstraf van
5 maanden passend. De rechtbank ziet gelet op de soortgelijke veroordeling voor fraude en de houding van verdachte geen redenen om van dit uitgangspunt in het voordeel van verdachte af te wijken.



De rechtbank volgt hiermee de eis van de officier van justitie en zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 35 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.



Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.





8De beoordeling van de civiele vorderingen



ABN AMRO Bank N.V.

De benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.250,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 240,00 aan proceskosten. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de ABN AMRO Bank geen rechtstreekse schade heeft geleden.




Overweging van de rechtbank





Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden door de oplichting en het vervolgens wegnemen van meerdere geldbedragen (in totaal € 6.250,00). Verdachte heeft de betreffende geldbedragen gepind van rekeningen die de aangevers hadden bij de ABN AMRO. ABNA AMRO heeft deze schade aan de aangevers vergoed en kan vergoeding van haar schade vervolgens vorderen van verdachte. De rechtbank acht de vordering voldoende onderbouwd en wijst toe € 6.250,00 aan materiële schade. Anders dan de raadsman heeft betoogd gaat het hier om rechtstreeks geleden schade (zie ECLI:NL:HR:2023:322).




Proceskosten

De verdediging heeft de kosten betwist. Voor de toewijsbaarheid van de proceskosten van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 van het Wetboek van Rechtsvordering rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. De rechtbank acht de proceskosten onvoldoende onderbouwd en rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.



Verdachte is vanaf 29 december 2025 wettelijke rente over het deels toegewezen bedrag van € 1.500,00 verschuldigd. Over het overgebleven en toegewezen bedrag van € 4.750,00 is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 7 januari 2026.




Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt geen schadevergoedingsmaatregel op, omdat de benadeelde partij als grote financiële instelling zelf voldoende in staat is het toegewezen bedrag te innen.





[aangever 5]


De benadeelde partij [aangever 5] heeft in verband met feit 1 (oplichting) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.754,83 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen. De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade.




Overweging van de rechtbank





Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadepost niet is betwist. De schadepost is (verder) voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade (tot een hoogte van € 1.754,83) kan worden toegewezen.




Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:



verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,


de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,


de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of


de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.


Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.


Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het BW valt. De rechtbank acht de vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.



Verdachte is vanaf 14 oktober 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.



De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.





[aangever 2]


De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 1 (oplichting) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.064,70 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is geworden of de schade bij de verzekeraar is geclaimd. Subsidiair verzoekt de verdediging het schadebedrag van de sieraden te schatten op een lager bedrag. Ten aanzien van de gepinde bedragen heeft de verdediging de vordering niet betwist.




Overweging van de rechtbank





Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat verdachte de schadepost “gepinde bedragen” niet heeft betwist. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor. Daarnaast zijn de sieraden door een juwelier getaxeerd aan de hand van beschikbare foto’s en daarmee is die schadepost voldoende onderbouwd. Desgevraagd heeft de zittingsvertegenwoordiger van de benadeelde partij toegelicht dat de schade niet bij de verzekering is geclaimd. Dat er in de taxatie staat dat deze is gedaan ten behoeve van de verzekering doet daar niets aan af. De schadepost komt de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade (tot een hoogte van € 5.064,70) kan worden toegewezen.




Immateriële schade

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor (benadeelde partij [aangever 5] ) genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. De rechtbank acht de vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.



Verdachte is vanaf 21 augustus 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.



De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.





[aangever 4]


De benadeelde partij [aangever 4] heeft in verband met feit 1 (oplichting) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.




Overweging van de rechtbank





Immateriële schade

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor (benadeelde partij [aangever 5] ) genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. De rechtbank acht de vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.





9De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal de inbeslaggenomen telefoon (iPhone XR) - met behulp waarvan de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid - verbeurd verklaren.


De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.





10De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.





11De beslissing


De rechtbank:



 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;


 verklaart het onder feit 3 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verklaart verbeurd de telefoon (iPhone XR).



De beslissing op de vorderingen benadeelde partijen ABN AMBRO Bank N.V., [aangever 5] , [aangever 2] en [aangever 4]





veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. van € 6.250,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente voor een bedrag van € 1.500,00 vanaf 29 december 2025 en een bedrag van € 4.750,00 vanaf 7 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald);


veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 5] van € 1.754,83 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald);



 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 5.064,70 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald);

 verklaart de benadeelde partijen ABN AMBRO Bank N.V., [aangever 5] en [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot proceskosten en/of immateriële schade;

 verklaart de benadeelde partij [aangever 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;


Benadeelde partij Bedrag Gijzeling

1. [aangever 5] € 1.754,83 17 dagen;
2. [aangever 2] € 5.064,70 50 dagen;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.









Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. J.S.W, Lucassen en G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2026.
















mr. G.L.C. van den Bosch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

























Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025514194, gesloten op 4 juni 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.