Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6146

2026-07-28 Strafrecht 16/142390-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16/142390-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Man veroordeeld wegens mishandeling van zijn echtgenote in hun woning, door haar op haar kaak te slaan en meerdere keren te duwen waardoor zij op de grond viel. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet. De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat er tussen de man en zijn echtgenote een worsteling heeft plaatsgevonden, waarbij ook hij verwondingen opliep. Hij krijgt een taakstraf van 60 uren.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.196 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Arnhem



Parketnummer: 16/142390-25
Datum uitspraak : 28 juli 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .



Raadsvrouw: mr. M. Hoekzema, advocaat in Utrecht.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting
van 14 juli 2026.





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij, op of omstreeks 10 mei 2025 te Utrecht,zijn echtgenote, [slachtoffer] ,heeft mishandeld door- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op haar kaak en/of in het gezicht te slaan en/of te stoten;- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te duwen, waardoor zij ten val isgekomen.








2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote.




Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, kort samengevat, primair bepleit dat het opzet op de mishandeling van de echtgenote, al dan niet in voorwaardelijke zin, ontbreekt. De in de tenlastelegging genoemde handelingen moeten geduid worden als afweerbewegingen en uit de uiterlijke verschijningsvorm kan niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om zijn echtgenote pijn en/of letsel toe te brengen. Om die reden dient vrijspraak te volgen.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak dient te volgen, omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt wegens een voldoende aannemelijk geworden noodweersituatie. Meer subsidiair is sprake van noodweerexces en dient ontslag van alle rechtsvervolging plaats te vinden.




De beoordeling van de rechtbank

Op zaterdag 10 mei 2025 om 02:33 uur komt bij de meldkamer van de politie Utrecht, via 112, een melding binnen van een mishandeling. De melding is gedaan door de echtgenote van verdachte. Vanuit de meldkamer ambulance (waar de oorspronkelijke melding is binnengekomen) is met de meldkamer politie gedeeld dat de vrouw aan de lijn erg emotioneel is en haar kiezen niet meer op elkaar kan krijgen. Zij is in elkaar geslagen door haar echtgenoot en er zijn kinderen in huis. Ze wil dat de politie komt.



Na de 112-melding zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse gegaan, naar [adres] te Utrecht, het woonadres van verdachte en de echtgenote van verdachte, mevrouw [slachtoffer] (hierna: meldster). [verbalisant 1] zag dat meldster door een grote poort kwam lopen, met twee jonge kinderen. Hij zag dat zij emotioneel waren en trilden. Hij zag bij meldster zichtbaar letsel op haar gezicht, waaronder meerdere krassen en een kleine zwelling op haar rechterkaak. Hij zag tranen in haar ogen. Hij hoorde haar verklaren: “Hij heeft mijn kaak gebroken. Hij heeft al eens eerder iets gebroken bij mij. (…) Ik ben over zijn grens gegaan. (…) Ik had al veel eerder aangifte moeten doen. (…) Ik wil niet dat jullie naar hem toegaan, dan wordt hij boos, ik wil zijn imago niet beschadigen.” [verbalisant 1] zag meerdere sneeën op haar armen en hij zag op haar linker biceps een blauwe plek van 2 bij 2 centimeter.



Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zijn eveneens ter plaatse gegaan. [verbalisant 3] hoorde meldster zeggen dat zij zojuist was geslagen door haar man. Hij zag dat zij een dikke bult op haar rechterwang had. Hij hoorde dat zij moeilijk kon praten. [verbalisant 4] zag tranen in de ogen van meldster en een iets gezwollen kaak. Hij hoorde haar zeggen dat ze haar kaak en kiezen niet op elkaar kon zetten, omdat zij zo hard door haar man was geslagen.



Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben vervolgens met verdachte in de woning gesproken. [verbalisant 3] zag dat verdachte krassen en een wond in zijn gezicht had. Hij zag dat het t-shirt van verdachte bij zijn borstkas kapot was en dat hij meerdere krassen had op zijn borstkas, elleboog en armen. Verdachte verklaarde onder meer dat hij en meldster in een worsteling terecht waren gekomen en dat hij haar, tijdens het afweren van klappen en het krabben, mogelijk heeft geraakt op haar schouder en/of gezicht. Verdachte verklaarde dat meldster een houten kastje naar hem toe had gesmeten, dat hij naar beneden is gegaan om de woning te verlaten, dat zij aan zijn kleding trok bij het naar buiten gaan en dat zij binnen agressief bleef. Toen hij weer naar binnen ging, heeft hij haar daarom een zwieper gegeven in de hal en daarbij haar schouder en mogelijk haar gezicht geraakt. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat er een discussie tussen hem en meldster ontstond en dat hij boos werd nadat zij hem sloeg en krabde. Hij duwde haar toen weg, waardoor zij omviel. Net buiten de voordeur pakte meldster hem weer beet en probeerde hij haar weg te duwen, waardoor zij nog een keer op de grond viel. Verdachte was toen ook echt heel boos. Toen ze net binnen waren, viel meldster hem weer aan. Verdachte maakte toen wilde bewegingen om los te komen en raakte haar met zijn arm op haar kaak.



Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] zijn op 10 mei 2025 overdag langs geweest bij meldster om met haar te spreken. Zij hoorden meldster zeggen dat zij geen aangifte wilde doen en dat er uiteindelijk tussen haar en verdachte een worsteling begon.



In een brief aan de huisarts, afkomstig van de arts [arts] van de spoedeisende hulp van het Diakonessenhuis staat onder meer:
“Vanavond tijdens ruzie door partner mishandeld. Meerdere keren op de linkerzijde van het

aangezicht geslagen, vastgepakt en op de grond gesmeten. Hierbij ook met het hoofd op de grond terecht gekomen.


Geeft met name pijn aan ter plaatse van de kaakkop links, moeite met openen van de mond. Zelf het idee dat kaak niet goed sluit.


Daarnaast ook pijn links supra orbitaal. Nu ook hoofdpijn, misselijk (…)”.
Ten aanzien van het vastgestelde letsel is het volgende opgenomen in het medische verslag:

“multipele verwondingen van het aangezicht.


Secondary survey:


Hoofd/hals: enkele oppervlakkige larceraties over os frontale, hematoom links supraorbitaal, zwelling


ter plaatse van kaakkopje, geen bloed/vocht uit neus/oren, drukpijntpv orbitaranden links, zygoma links, mandibula en kaakkopjes links. Malocclusie.


Bovenste extremiteiten: meerdere oppervlakkige schaafwonden en donkere vegen over de onderarm



4 lg, hematoom distale bovenarm 5x5 cm.”





Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote meermalen heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en dat hij haar heeft geslagen op haar kaak, waardoor zij pijn en letsel heeft opgelopen.



De verdediging heeft aangevoerd dat zijn gedragingen niet gericht waren op het toebrengen van pijn of letsel, dat verdachte enkel heeft getracht zich af te weren en dat derhalve geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte. De rechtbank overweegt dat dergelijke gedragingen (meermaals duwen waarbij meldster ten val is gekomen en slaan) naar hun aard gericht zijn op het toebrengen van pijn dan wel letsel. Middels zijn gedragingen heeft verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat pijn dan wel letsel aan het lichaam van zijn echtgenote werd toegebracht. Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van pijn dan wel letsel is daarmee gegeven.




Het beroep op noodweer

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdediging heeft aangevoerd dat de wederrechtelijkheid ontbreekt aangezien een noodweersituatie voldoende aannemelijk is geworden en dat daarom vrijspraak dient te volgen.



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie.



De rechtbank oordeelt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid Sr, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling(en) moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.



In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 Sr ligt de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de tenlastegelegde gedraging en moet de verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.



Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er om dat de feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door de verdediging is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.



In het kader van die beoordeling stelt de rechtbank, onder verwijzing naar voorgaande bewijsoverwegingen, vast dat verdachte zijn echtgenote meermalen, op verschillende momenten, heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en dat hij haar vervolgens heeft geslagen op haar kaak. Zowel verdachte als zijn echtgenote hebben verklaard dat zij in een worsteling terecht zijn gekomen. Dit past ook bij het vastgestelde letsel bij verdachte, dat bestaat uit meerdere krassen en wondjes, en zijn gescheurde kleding.



De verdediging heeft ter zake van de feitelijke toedracht in het licht van de gestelde noodweersituatie aangevoerd dat verdachte uitsluitend afwerende handelingen heeft verricht ter verdediging tegen aanvallen van zijn echtgenote die zij steeds initieerde. Deze lezing volgt enkel uit de verklaringen van verdachte. De rechtbank heeft verdachte daarover, vanwege zijn afwezigheid op zitting, niet nader kunnen bevragen en zijn verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Tegenover voornoemde feiten en omstandigheden en zonder verdere aanknopingspunten in het dossier die de lezing van de verdediging ondersteunen, acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat verdachte telkens vanuit een noodweersituatie zijn echtgenote op verschillende momenten heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en haar heeft geslagen op haar kaak.



De aangevoerde feitelijke toedracht is dan ook niet aannemelijk geworden. Daarom zal het beroep op noodweer worden verworpen.



De verdediging heeft meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces en geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft hiervoor de feitelijke toedracht die aan de gestelde noodweersituatie ten grondslag is gelegd onaannemelijk geacht. Om die reden faalt het beroep op noodweerexces, dat is gestoeld op dezelfde feitelijke toedracht, eveneens.




Conclusie

Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.





3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:



hij, op of omstreeks 10 mei 2025 te Utrecht, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op haar kaak en/of in het gezicht te slaan en/of te stoten;- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te duwen, waardoor zij ten val is gekomen.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot






5De strafbaarheid van de feiten


Het feit is strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar.





7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft subsidiair toepassing van artikel 9a Sr bepleit. Volgens de verdediging dient het geen enkel strafrechtelijk doel meer om aan verdachte een straf op te leggen. Verdachte is immers voldoende gestraft door de opgelegde gedragsaanwijzing waardoor hij zijn gezin tijdelijk heeft moeten verlaten en missen. Hij heeft meegewerkt met Veilig Thuis en behandeling ondergaan bij De Waag. Hij heeft zelfinzicht getoond en zich meewerkend opgesteld en wil zich verder, met zijn gezin, richten op de toekomst. Mocht artikel 9a Sr niet worden toegepast, dan bepleit de verdediging oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.



Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote. Hij heeft haar op verschillende momenten tijdens een discussie en worsteling meerdere keren geduwd, waardoor zij op de grond is gevallen en heeft haar ook op haar kaak geslagen. Dergelijk geweld veroorzaakt niet alleen pijn en letsel bij de echtgenote, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid, zowel bij haar als bij hun twee kinderen, die ten tijde van de mishandeling in de woning aanwezig waren. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.



De rechtbank stelt vast dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat hij het afgelopen jaar meegewerkt heeft aan interventies vanuit Veilig Thuis en aan behandeling bij De Waag. Voorts volgt uit het dossier dat tussen verdachte en zijn echtgenote een worsteling heeft plaatsgevonden waarbij ook verdachte letsel heeft opgelopen. Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met deze omstandigheden.



Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.



Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 60 uren, te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.





8De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.





9De beslissing


De rechtbank:



 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;



 veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.




















































Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.





































mr. Verkroost is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen








Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Eenheid Midden-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2025152756, gesloten op 24 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.


Proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2025, p. 86.


Proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2025, p. 6 en 7.


Proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2025, p. 15.


Proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2025, p. 19.


Proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2025, p. 15 en 16.


Proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2025, p. 20.


Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 11 mei 2025, p. 54 en 55.


Proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2025, p. 24 en 25


Brief Diakonessenhuis, p. 81 en 82