Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6076

2026-07-28 Bestuursrecht ARN 25/4767
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/4767
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; STAB-OGR-Updates.nl 2026-0189

Inhoudsindicatie

Bopa. Vernietiging beslissing op bezwaar. Ten onrechte niet getoetst aan beleidsregel over tijdelijke wooninitiatieven. Rechtsgevolgen blijven in stand omdat college in het verweerschrift alsnog voldoende heeft uitgelegd waarom er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn om van de beleidsnotitie af te wijken. Gebrek in participatie gepasseerd met artikel 6:22 Awb.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.237 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 25/4767

uitspraak van de enkelvoudige kamer van


in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: T.T. de Beer-Engeltjes),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek
(gemachtigden: [persoon 1] en mr. K. Weijens).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [woonplaats] , vergunninghoudster.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning voor vijf jaar voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit, twee containers, een meterkastvoorziening en het verrichten van graafwerkzaamheden aan de [adres 1] [woonplaats] . Eiseres is eigenaar van de panden aan de [woonplaats] en [adres 2] en verhuurt die. Zij is het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan de beleidsnotitie over kleinschalige wooninitiatieven en dat de verplichte participatie niet deugdelijk is verlopen. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Eiseres krijgt dus gelijk omdat het besluit niet goed is gemotiveerd, maar de rechtbank laat de omgevingsvergunning wel volledig in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.


Is de vergunning in strijd met de beleidsregels verleend?


Heeft het college de alternatieve oplossing van eiseres voldoende meegewogen?


Zijn een quickscan flora en fauna en archeologisch onderzoek vereist?


Heeft het college op de juiste manier invulling gegeven aan het participatiebeleid?


Beperkt voorschrift 9 van de vergunning voldoende wie in de woonunit mag wonen?


Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop


2. Op 29 januari 2025 heeft vergunninghoudster een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit, twee containers en een meterkastvoorziening.



2.1.
Bij besluit van 21 maart 2025 heeft het college aan vergunninghoudster de tijdelijke omgevingsvergunning verleend.



2.2.
Bij uitspraak van 9 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres afgewezen.



2.3.
Bij beslissing van 26 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten met verduidelijking van twee punten, namelijk aanvulling van de kadastrale percelen en toevoeging van een extra voorschrift. Onderdeel van de beslissing op bezwaar is een gewijzigde omgevingsvergunning.



2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.



2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.



2.6.
Eiseres heeft een nadere reactie ingediend.



2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigden van het college en vergunninghoudster.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de tijdelijke omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.



Planologische situatie


4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de tijdelijke woonunit geplaatst is, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oldebroek. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2007 geldt op het perceel de bestemming ‘Agrarisch -2’. De woonunit en de containers hebben geen agrarische functie en daarnaast mag er volgens de bouwregels ook geen gebouw gebouwd worden op het perceel. De meterkastvoorziening is in strijd met de functie ‘Wonen – 2’ omdat deze buiten het bouwvlak valt.


4.1.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



Is de vergunning in strijd met de beleidsregels verleend?

5. Eiseres betoogt dat de vergunning in strijd met de Beleidsnotitie ‘Kleinschalige Woningbouwinitiatieven 2024 Gemeente Oldebroek’ (de beleidsnotitie) is. De voorwaarden van de beleidsnotitie zijn niet goed toegepast. De tijdelijke woonunit moet op het erf staan en niet op agrarisch bestemde grond.




5.1.
Het college stelt zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt dat er niet getoetst hoeft te worden aan de beleidsnotitie omdat de woonunit nodig is voor tijdelijke huisvesting vanwege sloop van het huidige woonhuis en de bouw van een twee-onder-een-kapwoning. In zijn verweerschrift stelt het college zich op een ander standpunt, namelijk dat tijdelijke woonoplossingen voor bij een bouwproject wel onder de reikwijdte van de beleidsnotitie vallen. Het college heeft daarbij echter gemotiveerd dat hij van de beleidsnotitie afwijkt omdat er een omissie in het beleid zit. De beleidsnotitie gaat er namelijk vanuit dat tijdelijke woonunits die nodig zijn om de bouw van een woning te overbruggen geplaatst moeten worden op het erf. Gelet op de definitie van erf zal dat uitgangspunt van het beleid in de regel dat bouwproject frustreren, omdat juist de ruimte in de directe nabijheid van het hoofdgebouw wordt gebruikt tijdens de bouwwerkzaamheden. Alleen al daarom kan het niet de bedoeling zijn geweest om te eisen dat tijdelijke units altijd op het erf moeten staan. Dat was ook de reden waarom aanvankelijk werd gedacht dat units tijdens het bouwproject helemaal niet onder het beleid vielen.



5.2.
In de beleidsnotitie is het volgende opgenomen (citaten van de onderdelen 3.9 en 4.9).


“3.9 Tijdelijke woonunit op erf
Regelmatig ontstaat de vraag/wens om een tijdelijke woonunit nabij een woning te plaatsen. Te denken valt aan spoedzoekers, mensen die een woning laten bouwen en tijdelijk moeten overbruggen, status- houders en (pré) mantelzorgbehoevenden. In veel gevallen is dit echter niet in overeenstemming met het geldende omgevingsplan. Omdat echter ook deze vorm van wonen kan bijdragen aan de woning- bouwopgave van de gemeente Oldebroek, kan dit daarom onder voorwaarden tijdelijk worden goed- gekeurd. Bij dergelijke initiatieven is sprake van maatwerk. De voorwaarden kunnen namelijk verschillen, afhankelijk van de mate van tijdelijkheid, de locatie, de afstand tot omwonenden, etc. De tijdelijke ver- gunning wordt afgegeven voor de duur van maximaal 10 jaar.”




4.9
Specifieke voorwaarden Tijdelijke woonunit op erf








Voorwaarden


Binnen be-
bouwde kom


Buitengebied




De ontwikkeling is passend binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld van de omgeving


x


x




De eigenaar mag de woonunit tijdelijk verhuren, met een maximale periode van 10 jaar


x


x




Groenstructuren mogen niet significant worden aangetast


x


x




Voor de oppervlakte van de nieuwe unit kan worden aangesloten bij de mogelijkheden die het omgevingsplan en de vergunningsvrij regels bieden


x


x




Zodra er een nieuwe bewoner komt of het perceel in eigendom wordt overgedragen, moet de eigenaar-bewoner de gemeente daarvan op de hoogte stellen


x


x







In bijlage 1 bij de beleidsnotitie is het begrip ‘erf’ gedefinieerd als: “Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een omgevingsplan die inrichting niet verbiedt.”




5.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de onderdelen 3.9 en 4.9 van de beleidsnotitie volgt dat de beleidsnotitie juist over een dergelijke situatie van een tijdelijke woonunit gaat, namelijk als er een periode overbrugd moet worden tijdens de bouw van een woning. De beleidsnotitie is dus van toepassing en het college heeft in zijn besluit op bezwaar ten onrechte overwogen dat de beleidsnotitie niet van toepassing is. Het college heeft dat tijdens de zitting ook erkend. Het besluit is daarom gebrekkig gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal onder overweging 10 (finale geschilbeslechting) hierna ingaan op de gevolgen hiervan.




Heeft het college de alternatieve oplossing van eiseres voldoende meegewogen?

6. Eiseres betoogt dat er een alternatieve oplossing is. Nu niet alleen de woning met overkapping maar ook de garage eerst gesloopt moet worden en het bouwblok naar voren geplaatst moet worden, ontstaat er een betere oplossing waarbij de tijdelijke woning, de containers en de meterkastvoorziening niet in de agrarische functie geplaatst hoeven te worden maar op de percelen met een woonfunctie gerealiseerd kunnen worden. Tijdens de zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij beperkt wordt in het gebruik van haar omliggende agrarische percelen omdat de nu vergunde plek van de tijdelijke woonunit de spuitvrije zone van het agrarische perceel uitbreidt. Daarnaast had er ook gekozen kunnen worden voor inwoning of wonen in een bijgebouw.




6.1.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat het college moet beslissen op een bouwplan zoals dat is ingediend. Als een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.



6.2.

Het college heeft voldoende toegelicht dat het door eiseres aangedragen alternatief niet op voorhand een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. Het college is in de beslissing op bezwaar aangesloten bij het oordeel van de voorzieningenrechter die heeft geoordeeld dat een woonunit binnen het bouwvlak niet mogelijk is omdat daar de twee-onder-een-kapwoning gebouwd moet worden. Het college heeft de locatie van de woonunit onder meer gekozen omdat daarmee ruimte beschikbaar blijft rondom de plek waar de woning wordt gebouwd ten behoeve van het manoeuvreren van het bouwverkeer. Die manoeuvreerruimte is des te belangrijker omdat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat de huidige woning van vergunninghoudster pas gesloopt wordt na voltooiing van het bouwproject. Voor zover eiseres wijst op een uitbreiding van de spuitvrije zone van haar omliggende agrarische percelen overweegt de rechtbank dat het gebruik van die percelen al beperkt is door de aanwezigheid van de bestaande woningen. Verder is niet gebleken dat zij concrete plannen heeft voor gewasteelt in de komende jaren. Gelet op de tijdelijkheid van de woonunit en het belang van manoeuvreerruimte is niet op voorhand duidelijk dat met het alternatief van eiseres een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Ook levert het samenwonen in de bestaande woning van vergunninghoudster geen gelijkwaardig alternatief op.
De beroepsgrond slaagt niet.




Zijn een quickscan flora en fauna en archeologisch onderzoek vereist?

7. Eiseres betoogt dat er een quickscan flora en fauna en archeologisch onderzoek gedaan had moeten worden voor de graafwerkzaamheden voor de nutsvoorziening die in de berm wordt aangelegd. Er moeten mogelijk bomen worden gekapt en struiken worden gerooid. Er is echter ten onrechte geen quickscan flora en fauna uitgevoerd om de gevolgen daarvan op aanwezige flora en fauna te inventariseren. Eiseres voert verder aan dat het advies van de omgevingsdienst alleen ziet op de graafwerkzaamheden op het perceel met een oppervlakte van 120 m² en dieper dan 0,50 meter en niet op de totale graafwerkzaamheden voor de kabels over een lengte van 335 meter. Op grond van de regels is archeologisch onderzoek vereist. Hierdoor is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.




Quickscan flora en fauna




7.1.
De rechtbank oordeelt dat het college de benodigde uitvoerbaarheidstoets voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank sluit aan bij hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat een flora- en fauna-activiteit buiten de reikwijdte van de omgevingsvergunning valt en dat het college bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel moet motiveren waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Afhankelijk van aard van het project en de impact daarvan op de fysieke leefomgeving kan het in het kader van de uitvoerbaarheidstoets nodig zijn om een quickscan uit te (laten) voeren. De uitvoerbaarheidstoets gaat echter niet zo ver dat bij alle omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten een quickscan nodig is. In voorkomende gevallen kan het college in het kader van de uitvoerbaarheidstoets namelijk ook volstaan met een kwalitatieve beoordeling (een vergelijking van de oude en nieuwe situatie) voor deze aspecten. Het college heeft gemotiveerd dat er geen bomen hoeven worden gekapt voor de werkzaamheden en dat de te graven sleuf niet dieper wordt dan 0,5 meter. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat er geen flora- en faunawaarden in het geding zijn en vindt een quickscan niet nodig. Eiseres heeft ook niet gesteld dat op voorhand duidelijk is dat de eventueel benodigde toestemming in de weg staat aan deze omgevingsvergunning.



Archeologisch onderzoek




7.2.
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.



7.3.
Het betoog van eiseres kan niet leiden tot vernietiging van de beslissing op bezwaar. De rechtbank overweegt dat het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden een algemeen belang is. Toepassing van die norm strekt in dit geval kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eiseres nu haar belangen gelegen zijn in de ruimtelijke uitstraling van de tijdelijke voorzieningen. Het algemeen belang van archeologische waarden is niet met die belangen verweven.



7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft het college op de juiste manier invulling gegeven aan het participatiebeleid?

8. Eiseres betoogt dat het participatiebeleid niet goed is toegepast. Vergunninghouder heeft een brief gestuurd aan een toekomstige bewoner van de twee-onder-een-kapwoning, maar niet aan de andere omwonenden en belanghebbenden. Daarmee is niet voldaan aan de participatieverplichting.




8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hij aansluit bij het oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter is het eens met het college dat het toezenden van een brief met de strekking van het project in dit geval voldoende is. Het college vindt daarom dat hij voldoende aan participatie heeft gedaan. Het college neemt daarbij in overweging mee dat eiseres op de hoogte was van de aanvraag voor dit project en hiertegen een zienswijze heeft ingediend. Het college is dan ook niet gebleken dat eiseres door deze weliswaar beperkte participatie in haar belangen is geschaad.



8.2.

De rechtbank sluit aan bij wat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld:
“16. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Voor de gemeente Oldebroek heeft de gemeenteraad in zijn beleid vastgelegd dat voor alle omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht aan participatie moet worden gedaan. Dat betekent dat vergunninghoudster dus ook voor dit project (verplicht) aan participatie heeft moeten doen. De wetgever heeft echter niet bepaald wanneer er (bij verplichte participatie) sprake is van onvoldoende participatie.



16.1.
De voorzieningenrechter neemt aan dat in die gevallen dat participatie verplicht is gesteld, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie.”



8.3.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat het bouwplan aangetekend is verstuurd aan de [adres 1] . Op dat moment woonde familie [naam] op dat adres, dit zijn de toekomstige bewoners van de 2-onder-1-kap woning. Niet is gebleken dat vergunninghoudster het bouwplan ook aan eiseres – verhuurster van [adres 1] en wonend op een ander adres - heeft gezonden. De rechtbank stelt daarom vast dat vergunninghoudster het bouwplan voor participatie enkel aan de bewoners van de [adres 1] (familie [naam] ) heeft gestuurd, maar niet naar eiseres. De rechtbank oordeelt dat het toezenden van het bouwplan aan slechts één van de belanghebbenden te weinig is voor een deugdelijke participatie als bekend is dat er meerdere belanghebbenden zijn. Dit geldt temeer nu het familie [naam] mede-initiatiefnemer van het bouwplan was en dus reeds op de hoogte was van de plannen, terwijl voor de hand lang dat eiseres als eigenaar van direct aangrenzende percelen ook de gelegenheid zou willen hebben om te participeren. Dat eiseres toch op de hoogte is geraakt van het bouwplan en een zienswijze heeft ingediend, doet daaraan niet af.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal onder overweging 10 (finale geschilbeslechting) hierna ingaan op de gevolgen hiervan.




Beperkt voorschrift 9 van de vergunning voldoende wie in de woonunit mag wonen?

9. Eiseres betoogt dat met het extra voorschrift aan de verleende vergunning een hele grote groep mensen kan wonen in de tijdelijke woonunit, omdat veel mensen betrokken zijn bij het bouwproject. Daarom kan niet worden gesteld dat de woonunit noodzakelijk is als vervangende woning tijdens de bouw van de twee-onder-een-kapwoning. Die noodzaak moet blijken uit een intentie om eigenaar te worden van de grond of de woning of uit huurovereenkomsten. Dat is niet aangetoond.




9.1.

Bij beslissing op bezwaar heeft het college de omgevingsvergunning aangevuld met een extra voorschrift 9, die als volgt luidt:
“De woonunit mag enkel worden bewoond door iemand, inclusief diens gezinsleden, die betrokken is bij het bouwproject voor de 2 onder 1 kapwoning waarvoor een vergunning is aangevraagd met kenmerk [kenmerk] ,”.




9.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college heeft met dit voorschrift voldoende heeft beperkt wie mag wonen in de tijdelijke woonunit. Met dit voorschrift heeft het college namelijk expliciet verduidelijkt dat de bewoning van de tijdelijke woonunit verband moet houden met het bouwproject voor de twee-onder-een-kapwoning. Als er in strijd met het voorschrift wordt gehandeld kan het college handhavend optreden.
De beroepsgrond slaagt niet.




Finale geschilbeslechting

10. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het college de beleidsnotitie ten onrechte niet van toepassing heeft verklaard. De rechtbank zal daarom de beslissing op bezwaar vernietigen. In het kader van finale geschilbeslechting laat de rechtbank de gevolgen van de beslissing op bezwaar in stand. Daarnaast passeert de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het gebrek in de participatie die niet deugdelijk is verlopen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand laat, en waarom zij het gebrek van de participatie passeert.




Beleidsnotitie




10.1.
Tijdens de zitting heeft het college erkend dat de beleidsnotitie toch wel van toepassing is, en dat het plan daarmee in strijd is omdat het ziet op bebouwing op het erf terwijl de woonunit niet op het erf staat. Dat past niet binnen de beleidsregel.



10.2.
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het bestuursorgaan moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen in overeenstemming met de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.



10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter in het verweerschrift alsnog voldoende uitgelegd waarom er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn om van de beleidsnotitie af te wijken. Het college heeft toegelicht dat de beleidsnotitie een omissie bevat voor zover de beleidsnotititie vereist dat een tijdelijke woonunit op het erf moet worden gerealiseerd. Een tijdelijke woonunit in de directe omgeving van het hoofdgebouw concurreert direct met het bouwproject en beperkt de mogelijkheden tijdens de bouw. Het kan niet de bedoeling zijn geweest dat de tijdelijke woonunit altijd op het erf moet worden geplaatst, omdat het dan in de directe omgeving van het hoofdgebouw moet worden geplaatst, terwijl het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd en daar omheen enige ruimte nodig is voor het bouwverkeer. Het college heeft alle omstandigheden goed gewogen en kan in redelijkheid afwijken van de beleidsnotitie omdat de beleidsnotitie juist bedoeld is voor een tijdelijke woonoplossing tijdens de bouw van een nieuwe woning. Overigens heeft het college ter zitting aangegeven dat binnen de gemeente wordt nagedacht over een aanpassing van de beleidsnotitie op dit punt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.



Participatie




10.4.
Passeren van een gebrek in de voorbereiding van het besluit is mogelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, als aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Eiseres wenst dat alsnog participatie kan plaatsvinden via een nieuwe schriftelijke overlegronde met het college en vergunningshoudster. Deze overlegronde zou er mogelijk toe kunnen leiden dat de aanvraag en/of het besluit op onderdelen zou worden aangepast. In dit geval ligt passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voor de hand omdat de rechtbank van oordeel is dat een nieuwe schriftelijke overlegronde geen meerwaarde heeft. Eiseres en vergunninghoudster zijn moeder en dochter die al jarenlang niet op goede voet met elkaar staan. Eiseres heeft haar argumenten tegen de tijdelijke voorzieningen in de bezwaarfase al uitgewisseld en haar argumenten hebben niet tot een aanpassing van de omgevingsvergunning geleid. Verder is ook niet gebleken van andere belanghebbenden die in hun belangen zijn geschaad door de wijze van participatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het gebrek in de besluitvorming gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.




Conclusie en gevolgen


11. Het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Dit betekent dat eiseres wel gelijk krijgt, omdat de motivering van het vernietigde besluit niet juist is. Toch wordt de uitkomst van de procedure niet anders, omdat het college met een aanvullende onderbouwing het besluit alsnog toereikend heeft gemotiveerd.



11.1.
Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank het college wel opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.



11.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook ten aanzien van de beroepsfase is niet onderbouwd dat de situatie met betrekking tot de rechtsbijstand die de gemachtigde van eiseres verleent inmiddels zo is veranderd ten opzichte van de situatie die door de Afdeling is beoordeeld in de uitspraak van 18 september 2019 dat nu wel sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook overigens is niet gebleken van te vergoeden proceskosten.





Beslissing


De rechtbank



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2025;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand blijven;


draagt het college op het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- aan haar te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verleend voor de activiteiten bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk (buitenplans) en voor het uitvoeren van een werk vanwege graafwerkzaamheden (buitenplans), op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.


Uitspraak van deze rechtbank van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574.


Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3028, onder 7.1.


Uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574 onder 12.


Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:22025:743 onder 6.4.


Uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574 onder 16.


Artikel 4:84 van de Awb.


Uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:693 onder 12.


Uitspraak van de Afdeling van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3161.