Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5963
2026-04-24
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/05/465824
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Opheffing executoriaal beslag. Verjaring dwangsommen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.785 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/465824 / KG ZA 26-147
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[naam eisend bedrijf] B.V.,
te Berlicum,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. R. van der Jagt,
tegen
1 [naam gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ( [land] ),2. CHICORÉE PRODUKTION NRW GMBH & CO. KG,
te Wessel (Duitsland),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. D. Timmermans.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 28 van [de eiser]- de producties 1 tot en met 10 van [de gedaagde]
- de producties 29 en 30 van [de eiser]- de mondelinge behandeling van 22 april 2026- de pleitnota van [de eiser] - de pleitnota van [de gedaagde] .
2De feiten
2.1.
[de eiser] en [de gedaagde] zijn op 1 december 2017 een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [de eiser] voor [de gedaagde] een nieuwe bedrijfshal zou bouwen voor het telen van witlof. In januari 2019 heeft [de gedaagde] de bedrijfshal in gebruik genomen.
2.2.
Tussen partijen is daarna een geschil ontstaan over gebreken aan de bedrijfshal. Onderhandelingen daarover hebben in mei 2023 geleid tot een vaststellingsovereenkomst. De uitvoering van de vaststellingsovereenkomst heeft wederom tot geschillen tussen partijen geleid en uiteindelijk tot een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 20 november 2024, zaaknummer C/05/436189 / KG ZA-156 (hierna: het vonnis). Het dictum van dit vonnis luidt als volgt:
“De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt [de eiser] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de in de als productie 3 overgelegde vaststellingsovereenkomst genoemde gebreken 1,2,3.4, 7,9,10,11,12,13,14,16,19,21 en 24 naar de eisen van goed en deugdelijk werk en in overeenstemming met de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst uit te voeren en op te leveren,
5.2.
veroordeelt [de eiser] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst onder nummer 23 bedoelde verklaring van de constructeur aan [de gedaagde] over te leggen,
5.3.
veroordeelt [de eiser] om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis de in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst onder nummer 25 bedoelde deugdelijke statische berekening aan [de gedaagde] over te leggen,
5.4.
veroordeelt [de eiser] om aan [de gedaagde] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan één of meerdere van de in 5.1., 5.2. en 5.3. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 80.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 2.109,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
[de gedaagde] heeft het vonnis op 22 november 2024 aan [de eiser] laten betekenen met het bevel om aan de daarin besloten veroordeling te voldoen.
2.4.
Op 12 december 2024 heeft [de eiser] aan [de gedaagde] een “beschouwing bouwkundige wanden opslagcellen” gemaild van constructiebureau C.A.M. Vermeij B.V.
2.5.
Op 20 januari 2025 heeft [de eiser] aan Bucmann c.s. een “verklaring zonnepanelen conform VSO” gemaild.
2.6.
Met een e-mail van 22 januari 2025 is [de gedaagde] medegedeeld dat [de eiser] de herstelwerkzaamheden als opgenomen in de vaststellingsovereenkomst heeft afgerond en dat een deskundige moet worden ingeschakeld om de herstelwerkzaamheden te beoordelen.
2.7.
Met een e-mail van 29 januari 2025 is namens [de gedaagde] onder meer aan [de eiser] medegedeeld dat zij van mening is dat op diverse onderdelen van de veroordeling nog geen adequaat herstel heeft plaatsgevonden en dat de op 12 december 2024 ontvangen verklaring van de constructeur niet aan de veroordeling in de VSO voldoet en dat hetzelfde geldt voor de verklaring van 20 januari 2025 over de zonnepanelen.
2.8.
Op 22 april 2025 hebben partijen aan “ [adviesbureau] B.V.” ( [adviesbureau] ) verzocht een beoordeling uit te voeren over het correct afronden van herstelwerkzaamheden. [adviesbureau] heeft reeds eerder in opdracht van partijen een onderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 oktober 2024. Op 16 juli 2025 heeft [adviesbureau] een (tweede) inspectiebezoek uitgevoerd om per onderdeel na te gaan of de herstelwerkzaamheden conform afspraak en naar behoren zijn uitgevoerd. [adviesbureau] heeft de bevindingen van het tweede onderzoek neergelegd in een rapport van 30 september 2025. De conclusie uit dit rapport luidt:
“Ten aanzien van de gevraagde beoordeling stellen we op basis van de visuele inspectie vast dat niet aan alle voorwaarden uit de vastgestelde overeenkomst is voldaan. Conform dit document dienen diverse werkzaamheden alsnog te worden uitgevoerd.”
2.9.
Op 5 november 2025 heeft [de gedaagde] aan [de eiser] de grosse van het vonnis laten betekenen en haar aangezegd dat aan dwangsommen een bedrag van € 80.000,- is verbeurd en [de gedaagde] aanspraak maakt op de verbeurde dwangsommen.
2.10.
Met een e-mail van eveneens 5 november 2025 heeft [de eiser] [de gedaagde] onder meer bericht dat zij de dwangsommen niet zal voldoen omdat ze zijn verjaard.
2.11.
Op 2 april 2026 heeft [de gedaagde] ten laste van [de eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: het beslag) voor een bedrag van 83.099,96, bestaande uit proceskosten van € 2.109,72, verbeurde dwangsommen van € 80.000,00 en overige kosten. Dit beslag is op 10 april 2026 aan [de eiser] overbetekend.
3Het geschil
3.1.
[de eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
3.1.1.
het beslag bij vonnis opheft en/of het [de gedaagde] verbiedt om het vonnis ten
aanzien van de dwangsommen ten uitvoer verder te leggen;
Subsidiair
3.1.2.
het [de gedaagde] verbiedt om verder gevolg te geven aan de tenuitvoerlegging
van het vonnis ten aanzien van de dwangsommen en die tenuitvoerlegging derhalve
schorst, zolang in een bodemprocedure niet anders is beslist, daar inbegrepen het
[de gedaagde] te gebieden de deurwaarder te instrueren om de Coöperatieve Rabobank U.A. niet tot afdracht onder het beslag over te laten gaan;
Primair en subsidiair
3.1.3.
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
De dwangsommen waarvoor het vonnis wordt geëxecuteerd zijn niet verbeurd omdat [de eiser] aan het vonnis heeft voldaan, maar als ze wel verbeurd zouden zijn dan zijn de dwangsommen verjaard en kan [de gedaagde] de dwangsommen niet meer opeisen. De proceskosten van € 2.109,72 zijn op 3 december 2024 al betaald. In de aard van het geschil is een spoedeisend belang gelegen.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[de gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan. De beoordeling van dit geschil leent zich niet voor kort geding, omdat het een uitgebreid feitenonderzoek vereist. Indien de zaak zich wel leent voor kort geding stelt [de gedaagde] dat de verjaring van de dwangsommen is gestuit. Meer subsidiair stelt [de gedaagde] dat zij redelijkerwijs niet bekend kon zijn met het verbeuren van dwangsommen en uiterst subsidiair dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op een beroep op verjaring te honoreren.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent een executiegeschil zoals het onderhavige zich bij uitstek voor een kort geding.
4.2.
In geschil is – kort gezegd – of [de eiser] dwangsommen heeft verbeurd en/of deze dwangsommen zijn verjaard. Indien de dwangsommen zijn verjaard, behoeft de eerste vraag geen nadere inhoudelijke beoordeling, zodat de voorzieningenrechter eerst over dat laatste verweer zal oordelen.
4.3.
Ingevolge artikel 611g, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de verjaring wordt geschorst zolang degene die de veroordeling verkreeg met het verbeuren van de dwangsom redelijkerwijze niet bekend kon zijn.
4.4.
Een dwangsomschuldeiser kan de verjaring stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Ten tweede kan de dwangsomschuldeiser de verjaring stuiten door andere daden van rechtsvervolging dan het instellen van een eis, zoals het leggen van beslag. Voor de hiervoor genoemde stuitingsdaden geldt de regel dat daags na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen. Binnen zes maanden is dan dus weer een nieuwe stuitingshandeling vereist.
4.5.
In het vonnis is een dwangsom opgelegd voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [de eiser] niet aan één of meerdere van de in 5.1., 5.2. en 5.3. uitgesproken veroordelingen voldoet. Dit betekent dat de dwangsom aanvangt indien [de eiser] aan één van deze veroordelingen niet voldoet en niet pas als zij (cumulatief) aan alle veroordelingen niet voldoet. Met de e-mail van 29 januari 2025 heeft [de gedaagde] [de eiser] feitelijk bericht dat zij aan geen van de drie veroordelingen heeft voldaan. Partijen zijn het erover eens dat de [de eiser] uiterlijk op 13 december 2024 aan de veroordeling in rechtsoverweging 5.2. van het vonnis had moeten voldoen en dat de eerste dwangsom verbeurd is geraakt op 14 december 2024. Gelet op een verjaringstermijn van zes maanden is de eerste dwangsom verjaard op 13 juni 2025.
4.6.
[de gedaagde] voert aan dat zij die verjaring heeft gestuit door op 3 juni 2025 het technische rapport van ZBN van 2 juni 2025 aan [de eiser] toe te zenden, waardoor opnieuw een termijn van zes maanden is gaan lopen. Met een e-mail van 19 juni 2025 heeft [de gedaagde] [de eiser] opnieuw en meer uitdrukkelijk ten volle verantwoordelijk gehouden voor alle gebreken en heeft zij alle rechten voorbehouden. Bij e-mail van 30 juni 2025 heeft [de gedaagde] zich opnieuw alle rechten voorbehouden zodat een nieuwe termijn is gaan lopen tot 1 januari 2026 en bij brief van 30 december 2025 aan [de eiser] is de verjaring uitdrukkelijk gestuit. De voorzieningenrechter volgt deze stelling niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.7.
Op 3 juni 2025 heeft [de gedaagde] zonder enige toelichting de niet vertaalde versie van het rapport van ZBN aan [de eiser] gezonden. Volgens het rapport kreeg dit bureau de opdracht om de bouwkundige uitvoering van de bedrijfshal te onderzoeken op vaktechnische en gebruiksgerichte geschiktheid. Dit rapport ziet dus op de vraag of [de eiser] de herstelwerkzaamheden waartoe zij is veroordeeld in rechtsoverweging 5.1. van het vonnis goed en deugdelijk heeft verricht. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit rapport niet ziet op de vraag of de in rechtsoverweging 5.2. van het vonnis genoemde verklaring van de constructeur aan [de gedaagde] is overgelegd of de in rechtsoverweging 5.3. genoemde deugdelijke statische berekening. Reeds daarom kwalificeert de toezending van dat rapport niet als stuitingshandeling.
4.8.
In de e-mails van 19 juni 2025 en 30 juni 2025 met als onderwerp “Duitstalige rapportage hal in Wesel” gaat [de gedaagde] onder meer in op de inhoud van het rapport en de voorbehouden die [de eiser] maakt ten aanzien van de beoordeling door de deskundige over de gebreken die moesten worden hersteld. [de gedaagde] sluit de mails af met de mededeling dat zij [de eiser] ten volle verantwoordelijk houdt voor alle gebreken en zij zich uitdrukkelijk alle rechten voorbehoudt. In de context van de correspondentie tussen partijen, die enkel betrekking heeft op het rapport en daarmee op de discussie of [de eiser] heeft voldaan aan de veroordeling in rechtsoverweging 5.1. om de daar genoemde gebreken te herstellen, is deze mededeling onvoldoende om aan te kunnen merken als een ondubbelzinnige mededeling dat [de gedaagde] zich niet alleen het recht voorbehoudt op nakoming van het herstel van de gebreken, maar ook op de verbeurde dwangsommen wegens het niet voldoen aan de veroordelingen in rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3. van het vonnis.
4.9.
Het verweer van [de gedaagde] dat zij pas na het deskundigenrapport van 30 september 2025 redelijkerwijs bekend kon zijn met het verbeuren van de dwangsommen gaat evenmin op. Uit haar stelling in de e-mail van 29 januari 2025 volgt immers dat [de eiser] volgens haar ook aan rechtsoverweging 5.2 en 5.3. van het vonnis niet heeft voldaan. Die stelling staat los van het deskundigenrapport van 30 september 2025 waarin enkel is beoordeeld of [de eiser] aan de veroordeling van rechtsoverweging 5.1. heeft voldaan.
4.10.
Uitgaande van de eigen stelling van [de gedaagde] is de eerste dwangsom verbeurd op 14 december 2024. Gedurende de negenenzeventig dagen na 14 december 2024 is telkens een dwangsom van € 1.000,- per dag verbeurd tot een totaal bedrag van € 80.000,- en is de als eerste verbeurde dwangsom verjaard op 13 juni 2025 en de laatst verbeurde dwangsom op 1 september 2025. Nu de betekening van de grosse van het vonnis en de aanzegging dat de volledige dwangsom is verbeurd eerst op 5 november 2025 heeft plaatsgevonden slaagt het beroep op verjaring van [de eiser] . Buiten de hiervoor genoemde correspondentie heeft [de gedaagde] geen stuk overgelegd waaruit blijkt dat conform de wettelijke bepalingen de dwangsom tijdig is opgeëist en/of de verjaring is gestuit.
4.11.
De voorzieningenrechter acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar het beroep op verjaring te honoreren. Dat [de eiser] onjuiste mededelingen zou hebben gedaan over het gereed zijn van de werkzaamheden staat immers ook los van het overleggen van verklaring van een constructeur en een deugdelijke statische berekening.
4.12.
Uit de door [de eiser] overgelegde stukken blijkt dat zij op 3 december 2024 de proceskosten waarvoor het vonnis eveneens is geëxecuteerd heeft overgemaakt naar de advocaat van [de gedaagde] . [de gedaagde] heeft de deurwaarder inmiddels ook bericht dat het vonnis niet kan worden geëxecuteerd voor de proceskosten.
4.13.
Nu de verbeurde dwangsommen zijn verjaard en de proceskosten tijdig waren betaald moet het beslag worden opgeheven. Het opnieuw leggen van beslag voor verjaarde dwangsommen zou evident misbruik van recht opleveren, zodat grond bestaat [de gedaagde] eveneens te verbieden het vonnis ten aanzien van de dwangsommen verder ten uitvoer te leggen.
4.14.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
95,03
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.196,03
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.16.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
heft op het op 2 april 2026 ten laste van [de eiser] onder de Coöperatieve Rabobank U.A gelegde beslag,
5.2.
verbiedt [de gedaagde] om het vonnis van 20 november 2024, zaaknummer C/05/436189 / KG ZA-156 ten aanzien van de dwangsommen ten uitvoer te leggen;
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.196,03, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. D.T. Boks op 24 april 2026.
Artikel 3:317, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 3:316, eerste lid BW
Artikel 3:319, eerste lid BW.
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/465824 / KG ZA 26-147
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[naam eisend bedrijf] B.V.,
te Berlicum,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. R. van der Jagt,
tegen
1 [naam gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ( [land] ),2. CHICORÉE PRODUKTION NRW GMBH & CO. KG,
te Wessel (Duitsland),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. D. Timmermans.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 28 van [de eiser]- de producties 1 tot en met 10 van [de gedaagde]
- de producties 29 en 30 van [de eiser]- de mondelinge behandeling van 22 april 2026- de pleitnota van [de eiser] - de pleitnota van [de gedaagde] .
2De feiten
2.1.
[de eiser] en [de gedaagde] zijn op 1 december 2017 een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [de eiser] voor [de gedaagde] een nieuwe bedrijfshal zou bouwen voor het telen van witlof. In januari 2019 heeft [de gedaagde] de bedrijfshal in gebruik genomen.
2.2.
Tussen partijen is daarna een geschil ontstaan over gebreken aan de bedrijfshal. Onderhandelingen daarover hebben in mei 2023 geleid tot een vaststellingsovereenkomst. De uitvoering van de vaststellingsovereenkomst heeft wederom tot geschillen tussen partijen geleid en uiteindelijk tot een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 20 november 2024, zaaknummer C/05/436189 / KG ZA-156 (hierna: het vonnis). Het dictum van dit vonnis luidt als volgt:
“De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt [de eiser] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de in de als productie 3 overgelegde vaststellingsovereenkomst genoemde gebreken 1,2,3.4, 7,9,10,11,12,13,14,16,19,21 en 24 naar de eisen van goed en deugdelijk werk en in overeenstemming met de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst uit te voeren en op te leveren,
5.2.
veroordeelt [de eiser] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst onder nummer 23 bedoelde verklaring van de constructeur aan [de gedaagde] over te leggen,
5.3.
veroordeelt [de eiser] om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis de in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst onder nummer 25 bedoelde deugdelijke statische berekening aan [de gedaagde] over te leggen,
5.4.
veroordeelt [de eiser] om aan [de gedaagde] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan één of meerdere van de in 5.1., 5.2. en 5.3. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 80.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 2.109,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
[de gedaagde] heeft het vonnis op 22 november 2024 aan [de eiser] laten betekenen met het bevel om aan de daarin besloten veroordeling te voldoen.
2.4.
Op 12 december 2024 heeft [de eiser] aan [de gedaagde] een “beschouwing bouwkundige wanden opslagcellen” gemaild van constructiebureau C.A.M. Vermeij B.V.
2.5.
Op 20 januari 2025 heeft [de eiser] aan Bucmann c.s. een “verklaring zonnepanelen conform VSO” gemaild.
2.6.
Met een e-mail van 22 januari 2025 is [de gedaagde] medegedeeld dat [de eiser] de herstelwerkzaamheden als opgenomen in de vaststellingsovereenkomst heeft afgerond en dat een deskundige moet worden ingeschakeld om de herstelwerkzaamheden te beoordelen.
2.7.
Met een e-mail van 29 januari 2025 is namens [de gedaagde] onder meer aan [de eiser] medegedeeld dat zij van mening is dat op diverse onderdelen van de veroordeling nog geen adequaat herstel heeft plaatsgevonden en dat de op 12 december 2024 ontvangen verklaring van de constructeur niet aan de veroordeling in de VSO voldoet en dat hetzelfde geldt voor de verklaring van 20 januari 2025 over de zonnepanelen.
2.8.
Op 22 april 2025 hebben partijen aan “ [adviesbureau] B.V.” ( [adviesbureau] ) verzocht een beoordeling uit te voeren over het correct afronden van herstelwerkzaamheden. [adviesbureau] heeft reeds eerder in opdracht van partijen een onderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 oktober 2024. Op 16 juli 2025 heeft [adviesbureau] een (tweede) inspectiebezoek uitgevoerd om per onderdeel na te gaan of de herstelwerkzaamheden conform afspraak en naar behoren zijn uitgevoerd. [adviesbureau] heeft de bevindingen van het tweede onderzoek neergelegd in een rapport van 30 september 2025. De conclusie uit dit rapport luidt:
“Ten aanzien van de gevraagde beoordeling stellen we op basis van de visuele inspectie vast dat niet aan alle voorwaarden uit de vastgestelde overeenkomst is voldaan. Conform dit document dienen diverse werkzaamheden alsnog te worden uitgevoerd.”
2.9.
Op 5 november 2025 heeft [de gedaagde] aan [de eiser] de grosse van het vonnis laten betekenen en haar aangezegd dat aan dwangsommen een bedrag van € 80.000,- is verbeurd en [de gedaagde] aanspraak maakt op de verbeurde dwangsommen.
2.10.
Met een e-mail van eveneens 5 november 2025 heeft [de eiser] [de gedaagde] onder meer bericht dat zij de dwangsommen niet zal voldoen omdat ze zijn verjaard.
2.11.
Op 2 april 2026 heeft [de gedaagde] ten laste van [de eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: het beslag) voor een bedrag van 83.099,96, bestaande uit proceskosten van € 2.109,72, verbeurde dwangsommen van € 80.000,00 en overige kosten. Dit beslag is op 10 april 2026 aan [de eiser] overbetekend.
3Het geschil
3.1.
[de eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
3.1.1.
het beslag bij vonnis opheft en/of het [de gedaagde] verbiedt om het vonnis ten
aanzien van de dwangsommen ten uitvoer verder te leggen;
Subsidiair
3.1.2.
het [de gedaagde] verbiedt om verder gevolg te geven aan de tenuitvoerlegging
van het vonnis ten aanzien van de dwangsommen en die tenuitvoerlegging derhalve
schorst, zolang in een bodemprocedure niet anders is beslist, daar inbegrepen het
[de gedaagde] te gebieden de deurwaarder te instrueren om de Coöperatieve Rabobank U.A. niet tot afdracht onder het beslag over te laten gaan;
Primair en subsidiair
3.1.3.
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
De dwangsommen waarvoor het vonnis wordt geëxecuteerd zijn niet verbeurd omdat [de eiser] aan het vonnis heeft voldaan, maar als ze wel verbeurd zouden zijn dan zijn de dwangsommen verjaard en kan [de gedaagde] de dwangsommen niet meer opeisen. De proceskosten van € 2.109,72 zijn op 3 december 2024 al betaald. In de aard van het geschil is een spoedeisend belang gelegen.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[de gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan. De beoordeling van dit geschil leent zich niet voor kort geding, omdat het een uitgebreid feitenonderzoek vereist. Indien de zaak zich wel leent voor kort geding stelt [de gedaagde] dat de verjaring van de dwangsommen is gestuit. Meer subsidiair stelt [de gedaagde] dat zij redelijkerwijs niet bekend kon zijn met het verbeuren van dwangsommen en uiterst subsidiair dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op een beroep op verjaring te honoreren.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent een executiegeschil zoals het onderhavige zich bij uitstek voor een kort geding.
4.2.
In geschil is – kort gezegd – of [de eiser] dwangsommen heeft verbeurd en/of deze dwangsommen zijn verjaard. Indien de dwangsommen zijn verjaard, behoeft de eerste vraag geen nadere inhoudelijke beoordeling, zodat de voorzieningenrechter eerst over dat laatste verweer zal oordelen.
4.3.
Ingevolge artikel 611g, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de verjaring wordt geschorst zolang degene die de veroordeling verkreeg met het verbeuren van de dwangsom redelijkerwijze niet bekend kon zijn.
4.4.
Een dwangsomschuldeiser kan de verjaring stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Ten tweede kan de dwangsomschuldeiser de verjaring stuiten door andere daden van rechtsvervolging dan het instellen van een eis, zoals het leggen van beslag. Voor de hiervoor genoemde stuitingsdaden geldt de regel dat daags na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen. Binnen zes maanden is dan dus weer een nieuwe stuitingshandeling vereist.
4.5.
In het vonnis is een dwangsom opgelegd voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [de eiser] niet aan één of meerdere van de in 5.1., 5.2. en 5.3. uitgesproken veroordelingen voldoet. Dit betekent dat de dwangsom aanvangt indien [de eiser] aan één van deze veroordelingen niet voldoet en niet pas als zij (cumulatief) aan alle veroordelingen niet voldoet. Met de e-mail van 29 januari 2025 heeft [de gedaagde] [de eiser] feitelijk bericht dat zij aan geen van de drie veroordelingen heeft voldaan. Partijen zijn het erover eens dat de [de eiser] uiterlijk op 13 december 2024 aan de veroordeling in rechtsoverweging 5.2. van het vonnis had moeten voldoen en dat de eerste dwangsom verbeurd is geraakt op 14 december 2024. Gelet op een verjaringstermijn van zes maanden is de eerste dwangsom verjaard op 13 juni 2025.
4.6.
[de gedaagde] voert aan dat zij die verjaring heeft gestuit door op 3 juni 2025 het technische rapport van ZBN van 2 juni 2025 aan [de eiser] toe te zenden, waardoor opnieuw een termijn van zes maanden is gaan lopen. Met een e-mail van 19 juni 2025 heeft [de gedaagde] [de eiser] opnieuw en meer uitdrukkelijk ten volle verantwoordelijk gehouden voor alle gebreken en heeft zij alle rechten voorbehouden. Bij e-mail van 30 juni 2025 heeft [de gedaagde] zich opnieuw alle rechten voorbehouden zodat een nieuwe termijn is gaan lopen tot 1 januari 2026 en bij brief van 30 december 2025 aan [de eiser] is de verjaring uitdrukkelijk gestuit. De voorzieningenrechter volgt deze stelling niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.7.
Op 3 juni 2025 heeft [de gedaagde] zonder enige toelichting de niet vertaalde versie van het rapport van ZBN aan [de eiser] gezonden. Volgens het rapport kreeg dit bureau de opdracht om de bouwkundige uitvoering van de bedrijfshal te onderzoeken op vaktechnische en gebruiksgerichte geschiktheid. Dit rapport ziet dus op de vraag of [de eiser] de herstelwerkzaamheden waartoe zij is veroordeeld in rechtsoverweging 5.1. van het vonnis goed en deugdelijk heeft verricht. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit rapport niet ziet op de vraag of de in rechtsoverweging 5.2. van het vonnis genoemde verklaring van de constructeur aan [de gedaagde] is overgelegd of de in rechtsoverweging 5.3. genoemde deugdelijke statische berekening. Reeds daarom kwalificeert de toezending van dat rapport niet als stuitingshandeling.
4.8.
In de e-mails van 19 juni 2025 en 30 juni 2025 met als onderwerp “Duitstalige rapportage hal in Wesel” gaat [de gedaagde] onder meer in op de inhoud van het rapport en de voorbehouden die [de eiser] maakt ten aanzien van de beoordeling door de deskundige over de gebreken die moesten worden hersteld. [de gedaagde] sluit de mails af met de mededeling dat zij [de eiser] ten volle verantwoordelijk houdt voor alle gebreken en zij zich uitdrukkelijk alle rechten voorbehoudt. In de context van de correspondentie tussen partijen, die enkel betrekking heeft op het rapport en daarmee op de discussie of [de eiser] heeft voldaan aan de veroordeling in rechtsoverweging 5.1. om de daar genoemde gebreken te herstellen, is deze mededeling onvoldoende om aan te kunnen merken als een ondubbelzinnige mededeling dat [de gedaagde] zich niet alleen het recht voorbehoudt op nakoming van het herstel van de gebreken, maar ook op de verbeurde dwangsommen wegens het niet voldoen aan de veroordelingen in rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3. van het vonnis.
4.9.
Het verweer van [de gedaagde] dat zij pas na het deskundigenrapport van 30 september 2025 redelijkerwijs bekend kon zijn met het verbeuren van de dwangsommen gaat evenmin op. Uit haar stelling in de e-mail van 29 januari 2025 volgt immers dat [de eiser] volgens haar ook aan rechtsoverweging 5.2 en 5.3. van het vonnis niet heeft voldaan. Die stelling staat los van het deskundigenrapport van 30 september 2025 waarin enkel is beoordeeld of [de eiser] aan de veroordeling van rechtsoverweging 5.1. heeft voldaan.
4.10.
Uitgaande van de eigen stelling van [de gedaagde] is de eerste dwangsom verbeurd op 14 december 2024. Gedurende de negenenzeventig dagen na 14 december 2024 is telkens een dwangsom van € 1.000,- per dag verbeurd tot een totaal bedrag van € 80.000,- en is de als eerste verbeurde dwangsom verjaard op 13 juni 2025 en de laatst verbeurde dwangsom op 1 september 2025. Nu de betekening van de grosse van het vonnis en de aanzegging dat de volledige dwangsom is verbeurd eerst op 5 november 2025 heeft plaatsgevonden slaagt het beroep op verjaring van [de eiser] . Buiten de hiervoor genoemde correspondentie heeft [de gedaagde] geen stuk overgelegd waaruit blijkt dat conform de wettelijke bepalingen de dwangsom tijdig is opgeëist en/of de verjaring is gestuit.
4.11.
De voorzieningenrechter acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar het beroep op verjaring te honoreren. Dat [de eiser] onjuiste mededelingen zou hebben gedaan over het gereed zijn van de werkzaamheden staat immers ook los van het overleggen van verklaring van een constructeur en een deugdelijke statische berekening.
4.12.
Uit de door [de eiser] overgelegde stukken blijkt dat zij op 3 december 2024 de proceskosten waarvoor het vonnis eveneens is geëxecuteerd heeft overgemaakt naar de advocaat van [de gedaagde] . [de gedaagde] heeft de deurwaarder inmiddels ook bericht dat het vonnis niet kan worden geëxecuteerd voor de proceskosten.
4.13.
Nu de verbeurde dwangsommen zijn verjaard en de proceskosten tijdig waren betaald moet het beslag worden opgeheven. Het opnieuw leggen van beslag voor verjaarde dwangsommen zou evident misbruik van recht opleveren, zodat grond bestaat [de gedaagde] eveneens te verbieden het vonnis ten aanzien van de dwangsommen verder ten uitvoer te leggen.
4.14.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
95,03
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.196,03
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.16.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
heft op het op 2 april 2026 ten laste van [de eiser] onder de Coöperatieve Rabobank U.A gelegde beslag,
5.2.
verbiedt [de gedaagde] om het vonnis van 20 november 2024, zaaknummer C/05/436189 / KG ZA-156 ten aanzien van de dwangsommen ten uitvoer te leggen;
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.196,03, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. D.T. Boks op 24 april 2026.
Artikel 3:317, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 3:316, eerste lid BW
Artikel 3:319, eerste lid BW.