Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5691
2026-07-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AWB-24_4457
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging eisers WIA-uitkering. Motiveringsgebrek ten aanzien van zorgvuldigheid onderzoek wordt gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van gbm en dat eiser niet meer beperkt is dan door de (verzekerings)artsen is aangenomen. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen, omdat van een schending van het beginsel van equality of arms geen sprake is.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2023:99 Centrale Raad van Beroep 18-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.775 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4457
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Achmea Schadeverzekeringen N.V. uit Apeldoorn, de garantsteller
(gemachtigde: mr. drs. A. Jurg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de beëindiging van zijn WIA-uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV eisers arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA per 31 januari 2024 juist is vastgesteld. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit van kracht blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 9 november 2023 is de WGA-loongerelateerde uitkering van eiser omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. De garantsteller van eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 is het bezwaar van de garantsteller gegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn vrouw en dochter, en de gemachtigde van het UWV. De gemachtigde van de garantsteller is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft zich op 26 juli 2021 ziekgemeld, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontvangt. De verzekeringsarts heeft op 17 december 2021 telefonisch contact gehad met eiser en stelt vast dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (gbm) per 26 juli 2021 wegens wisselende mogelijkheden. Daarop volgt het besluit van 3 januari 2022, waarin aan eiser met ingang van 19 oktober 2021 weer ziekengeld is toegekend.
3.1.
Na 104 weken van arbeidsongeschiktheid is eiser per 31 januari 2022 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. De situatie van gbm wegens wisselende mogelijkheden zijn per 26 januari 2022 nog van toepassing, aldus de verzekeringsarts.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 9 november 2023 is de WGA-loongerelateerde uitkering van eiser met ingang van 31 januari 2024 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Daarbij gaat het UWV ervan uit dat eiser 80-100% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA.
4.1.
De garantsteller heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat aan het voornoemde besluit geen sociaal medische beoordeling ten grondslag ligt.
4.2.
Er heeft vervolgens een medische beoordeling door de verzekeringsarts plaatsgevonden. Die heeft vastgesteld dat eiser geschikt is voor het verrichten van fysiek licht werk. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn vastgelegd in de rapportage van 18 januari 2024. De beperkingen van eiser zijn vertaald in de FML van 18 januari 2024. Aan de hand van de rapportage van de verzekeringsarts en de betreffende FML heeft de arbeidsdeskundige een aantal voorbeeld functies geduid. Aan de hand van die functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 18,50% in de zin van de Wet WIA.
4.3.
Het UWV heeft naar zowel de garantsteller als eiser het voornemen gestuurd om eisers WIA-uitkering per 17 juli 2024 te beëindigen, omdat eiser per 31 januari 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA wordt geacht. De garantsteller heeft geen bezwaren geuit tegen dit voornemen. Eiser kan zich niet vinden in het besluit en voert aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangenomen.
4.4.
Met het besluit van 4 juni 2024 is het bezwaar van de garantsteller gegrond verklaard. Eisers WGA-loonaanvullingsuitkering is met ingang van 17 juli 2024 beëindigd, omdat hij per 31 januari 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de bezwaararts bezwaar en beroep (b&b) en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige b&b. De bezwaararts b&b ziet aanleiding om de FML opgesteld door de verzekeringsarts aan te scherpen. De bevindingen van de bezwaararts b&b zijn vastgelegd in de rapportage van 27 mei 2024. Aan de hand van die rapportage en de nieuwe FML van 15 mei 2024 stelt de arbeidsdeskundige b&b vast dat eiser de eerder geduide voorbeeldfuncties onverminderd kan uitoefenen. Eiser wordt 18,50% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA geacht.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiser is meer beperkt dan bij de toekenning van de WIA-uitkering is vastgesteld. De rechtbank begrijpt dat eiser zich op het standpunt stelt dat hij (nog steeds) gbm heeft. Eiser verzoekt tot slot om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Wat vindt het UWV?
6. Het UWV voert aan dat het medisch onderzoek (wel) zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Eiser onderbouwt zijn gronden niet met (medische) stukken. Eiser noemt daarnaast geen klachten die niet door de (verzekerings)artsen zijn meegenomen. Bovendien overschrijden de geduide functies de belastbaarheid van eiser niet, aldus het UWV.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest?
7. Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat hij ten onrechte niet is gezien door de bezwaararts b&b, oordeelt de rechtbank als volgt. Vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is dat bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar het niet (altijd) vereist is dat een (verzekerings)arts b&b betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Afhankelijk van wat in bezwaar in de concrete situatie speelt, kan de (verzekerings)arts b&b er ook voor kiezen gebruik te maken van een of meer andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het vragen van een expertise, het opvragen van medische informatie en het bijwonen van de hoorzitting en die keuze waar nodig toelichten. In beroep is het vervolgens aan de bestuursrechter om te bepalen of het onderzoek voldoende zorgvuldig is verricht en of het de conclusies kan dragen. Daarbij zal niet alleen acht worden geslagen op het medisch onderzoek dat in bezwaar heeft plaatsgevonden, maar zal dit onderzoek in combinatie met de primaire beoordeling worden bezien.
7.1.
Het onderzoek van de verzekeringsarts is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en een spreekuur, alwaar eiser psychisch en lichamelijk is onderzocht. Ook de bezwaararts b&b heeft kennisgenomen van het dossier. De rapportage van de bezwaararts b&b is getoetst en geaccordeerd door de verzekeringsarts b&b. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De bezwaararts b&b heeft ervoor gekozen om eiser in bezwaar niet nogmaals uit te nodigen om een spreekuur. De bezwaararts b&b heeft die keuze niet toegelicht. Dit had naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de hiervoor weergeven rechtspraak, wel gemoeten. Daarentegen betekent dit niet dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het motiveringsgebrek van het bestreden besluit kan namelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser bij het primaire onderzoek door een verzekeringsarts is gezien en medisch is onderzocht en eiser in bezwaar of beroep geen medische stukken van zijn behandelaren heeft overgelegd waaruit een ander medisch beeld naar voren komt dan waar de (verzekerings)artsen vanuit zijn gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er per 31 januari 2024 sprake van een situatie van gbm?
8. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen verder voldoende gemotiveerd dat er per 31 januari 2024 niet langer sprake is van geen benutbare mogelijkheden. De rechtbank legt dit hieronder uit.
8.1.
In artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) zijn een aantal situaties opgenomen waarin door de verzekeringsarts kan worden aangenomen dat eiser geen benutbare mogelijkheden meer heeft. Met andere woorden, als eiser aan één van die situaties voldoet, wordt hij geacht niet te kunnen werken, wordt er geen FML opgemaakt en wordt eiser geacht volledig (80-100%) arbeidsongeschikt te zijn. Iemand heeft bijvoorbeeld gbm als hij bedlegerig is of lichamelijk dan wel psychisch niet zelfredzaam is. Bij eiser is per einde wachttijd, 26 januari 2022, gbm aangenomen, omdat er toen volgens de verzekeringsarts sprake was van sterk wisselende mogelijkheden. Het gaat hier om aandoeningen met een wisselend beloop en/of een recidiverend karakter. Voorwaarde is dat periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin de betrokkene niet of nauwelijks zelfredzaam is.
8.2.
De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 18 januari 2024 met betrekking tot gbm als volgt overwogen.
“[… ik kan niet ontdekken om welke reden er per einde wachttijd gesproken is van GBM op basis van een wisselende belastbaarheid: dat criterium is te hanteren als vaststaat dat cliënt binnen 3 maanden na einde wachttijd zijn resterende mogelijkheden volledig zal verliezen gedurende relevante tijd (bijv ingreep en maanden revalidatie) doch dat was niet aan de orde. Wisselende rugbeenklachten op zich zijn geen basis voor een GBM oordeel, zeker niet gezien de anamnese van cliënt over de nog wel resterende mogelijkheden, ook destijds.
Voor de huidige beoordeling is dat niet meer van wezenlijk belang; de anamnese laat een zeer redelijke belastbaarheid zien welke past bij de klachten, diagnosen en onderzoeksbevindingen alhier (nu zelfs wb rugbil nagenoeg geen klachtenop te wekken).”
8.3.
De bezwaararts b&b overweegt in de rapportage van 27 mei 2024 het volgende.
“[… de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen kan ik volledig volgen. Ook ik vind belanghebbende aangewezen op licht werk met mogelijkheid afwisseling van zijn houding. De schouder rechts wordt voldoende ontzien. Ook werd rekening gehouden met beperkende longagentia.”
8.4.
De rechtbank acht de hiervoor weergeven onderbouwing van de (verzekerings)artsen, voor hun conclusie dat er met ingang van 31 januari 2024 geen sprake meer was van een situatie van gbm, inzichtelijk en navolgbaar. De rechtbank begrijpt dat de verzekeringsarts overweegt dat ten tijde van einde wachttijd, 26 januari 2022, eigenlijk geen sprake was van een situatie van gbm. Er was naar zijn oordeel namelijk geen sprake van sterk wisselende mogelijkheden. De anamnese van destijds liet daarnaast nog wel resterende arbeidsmogelijkheden zien.
De verzekeringsarts overweegt over eisers functionele mogelijkheden per 31 januari 2024 dat de anamnese een zeer redelijke belastbaarheid laat zien welke past bij de klachten, diagnosen en goede onderzoeksbevindingen. Hij loopt regelmatig 20 tot 30 minuten met de hond, soms zelfs langer. Ook doet hij klusjes in en om het huis, het huishouden en de boodschappen.
De bezwaararts b&b sluit zich aan bij dit oordeel en overweegt dat eiser aangewezen is op licht werk met mogelijkheid tot afwisseling van zijn houding.
Eiser heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd, die iets anders zegt over zijn medische situatie op of omstreeks 31 januari 2024, dan waar de (verzekerings)artsen bij hun beoordeling vanuit zijn gegaan. Zonder die informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de bevindingen van de (verzekerings)artsen te twijfelen. De rechtbank is ook niet gebleken dat er sprake is van gbm op een andere grond uit artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Is eiser met ingang van 31 januari 2024 meer beperkt dan door de (verzekerings)artsen is aangenomen?
9. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen ook voldoende gemotiveerd dat eiser per 31 januari 2024 niet meer beperkt is dan door hen is aangenomen. De rechtbank legt dit hieronder uit.
9.1.
Uit de overwegingen onder 8. tot en met 8.4 volgt dat er geen sprake is van een situatie van gbm. Dat brengt met zich dat de (verzekerings)artsen terecht een FML hebben opgemaakt met de mogelijkheden en beperkingen van eiser voor het verrichten van werk. Eiser heeft aangevoerd dat hij meer beperkt is dan in de FML van 15 mei 2024 is aangenomen.
9.2.
De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 18 januari 2024 met betrekking tot gbm als volgt overwogen.
“Cliënt benoemt nu dat er weliswaar sprake was van uitstraling in het been doch dat daar naar de neuroloog aangaf geen relevante hernia aan ten grondslag lag: er was een kleine hernia te zien doch die drukte niet op een zenuw, de diagnose hernia was volgens de neuroloog niet aan de orde; klachten hadden meer te maken met ‘slijtage’. […] Cliënt geeft aan al langdurig dagelijk[s] Oxycodon te gebruiken en daarmee gaat het zeer redelijk.
Hij heeft niet steeds klachten, die komen wel geregeld opzetten afhankelijk meestal van een bepaalde houding of belasting (gebogen gedraaid kracht zetten, niet goed recht zitten, te lang stilzitten). Als hij zijn oxycodon niet neemt komen de klachten opzetten geeft cliënt aan. In de nanacht (tegen de ochtend) wordt hij wel soms wakker van de lokale pijn in de bil; de klacht is mn pijn in de bil, wisselend doortrekkend in de achterzijde van het been; soms ook tintelen van dig 1-2 (en 3?) docht dat is er niet vaak; structureel krachtverlies, gevoelsverlies of uitval heeft hij nooit gehad.
[…]
[D]e anamnese laat een zeer redelijke belastbaarheid zien welke past bij de klachten, diagnosen en onderzoeksbevindingen alhier (nu zelfs wb rugbil nagenoeg geen klachten op te wekken.
Wb de schouderklachten:
Links (operatie jan 21) heeft hij geen bewegingsbeperkingen of pijn als hij tenminste niet al te zwaar hoeft te belasten, lang hoogwerken houdt hij daarmee ook niet vol.
Rechts is hij in nov 23 voor een vergelijkbare klacht ook geopereerd; ook dat gaat vrij goed gezien de vrij recente operatie (2,5 maand geleden), hij kan volledig hoog komen, wel nog in een mate beperkt met achter de rug komen en als hij voor de borst langs naar de andere schouder gaat is het ook nog lokaal gevoelig. […] Dit duidt op een goed verlopend herstelproces. Per de nu te beoordelen datum 31-01-2024, is de operatie 3 maanden geleden; cliënt is met beperkingen zeker belastbaar doch de schouder kan nog verder verbeteren.
Naast deze twee klachten (rug en schouders) is hij ook beperkt in conditionele zin door COPD GOLDII (laatste contact met longarts meer dan een jaar terug maar cliënt verwacht daarin een verandering). Hoewel hij weet dat deze aandoening niet kan verbeteren (alleen stabiliseren of verslechteren als hij doorrookt) merkt hij wel dat hij in conditionele zin wat verbeterd is sinds hij door een gastric bypas (sep 22) fors is afgevallen ( hij heeft NB 45 kg minder mee te sjouwen, bloeddruk en suiker nu ook goed).
[…]
In het verleden heeft cliënt ook een nerkhernia operatie gehad, daarvan geen klachten meer behoudens enige bewegingsbeperking.
Ook jaren geelden enkel ingrepen gehad oor epicondylitis, ook dat geeft geen problemen meer.”
9.
9.3.
De rechtbank acht de hiervoor weergeven motivering van de verzekeringsarts uitvoerig, inzichtelijk en navolgbaar. De bezwaararts b&b kan de verzekeringsarts volgen en neemt aanvullend een beperking voor het repeterend bewegen van de duimen op.
De rechtbank begrijpt dat eiser volgens de (verzekerings)artsen, ondanks zijn medische toestand, in medisch opzicht licht fysiek werk kan doen. Daarom hebben zij beperkingen aangenomen en in een lijst met functionele mogelijkheden (zoals gezegd, de FML) opgenomen. Rekening houdend met die beperkingen, moet eiser worden geacht te kunnen werken. Ook hier geldt dat eiser in beroep geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd aan de rechtbank, die iets anders zegt over zijn medische situatie op of omstreeks 31 januari 2024, dan waar de (verzekerings)artsen bij hun beoordeling vanuit zijn gegaan. Zonder die informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de bevindingen van de (verzekerings)artsen te twijfelen.
De rechtbank begrijpt bovendien dat eisers medische toestand na bezwaar en beroep achteruit is gegaan. De systematiek van de arbeidsongeschiktheidswetgeving verzet zich echter tegen het meewegen van verslechteringen van de gezondheidstoestand na 31 januari 2024. De rechtbank moet namelijk toetsen of de (verzekerings)artsen voldoende hebben gemotiveerd dat eiser niet meer beperkt is op 31 januari 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige
10. Eiser heeft verzocht om gezien te worden door een onafhankelijk medisch deskundige. De rechtbank overweegt dat als er op basis van de stukken in het dossier bij de rechtbank twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, de rechtbank een deskundige kan benoemen. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de (verzekerings)artsen en ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Eiser is voldoende in de gelegenheid geweest om medische stukken in het geding te brengen. Uit de rapportages van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij alle aspecten van de medische gezondheid van eiser hebben meegenomen. Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek af.
Aanvraag beoordeling toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
11. Zoals gezegd in overweging 9. heeft de rechtbank begrepen dat eisers medische situatie inmiddels is verslechterd. Dit is ook tijdens de zitting ter sprake gekomen Eiser heeft daarom een verzoek gedaan bij het UWV om hem opnieuw te beoordelen. Gebleken is dat er tussen eiser en het UWV onduidelijkheid bestaat over of eiser wel of geen medische stukken heeft overgelegd aan het UWV. Wat daar ook van zij, de rechtbank wil eiser op het hart drukken om de medische stukken waaruit de verslechtering van zijn gezondheid blijkt zo snel als mogelijk (opnieuw) over te leggen aan het UWV, zodat het UWV zijn medische toestand kan beoordelen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV eisers arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA per 31 januari 2024 juist heeft vastgesteld. De WIA-uitkering is terecht per 17 juli 2024 beëindigd. Het bestreden besluit blijft daarom van kracht.
12.1.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die vergoed moeten worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten
Uitspraak van de CRvB van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.
Het beginsel van 'equality of arms' houdt in dat burgers in procedures tegen de overheid voldoende mogelijkheden moeten krijgen en een gelijke kans moeten hebben om hun standpunt te onderbouwen.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4457
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Achmea Schadeverzekeringen N.V. uit Apeldoorn, de garantsteller
(gemachtigde: mr. drs. A. Jurg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de beëindiging van zijn WIA-uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV eisers arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA per 31 januari 2024 juist is vastgesteld. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit van kracht blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 9 november 2023 is de WGA-loongerelateerde uitkering van eiser omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. De garantsteller van eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 is het bezwaar van de garantsteller gegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn vrouw en dochter, en de gemachtigde van het UWV. De gemachtigde van de garantsteller is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft zich op 26 juli 2021 ziekgemeld, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontvangt. De verzekeringsarts heeft op 17 december 2021 telefonisch contact gehad met eiser en stelt vast dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (gbm) per 26 juli 2021 wegens wisselende mogelijkheden. Daarop volgt het besluit van 3 januari 2022, waarin aan eiser met ingang van 19 oktober 2021 weer ziekengeld is toegekend.
3.1.
Na 104 weken van arbeidsongeschiktheid is eiser per 31 januari 2022 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. De situatie van gbm wegens wisselende mogelijkheden zijn per 26 januari 2022 nog van toepassing, aldus de verzekeringsarts.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 9 november 2023 is de WGA-loongerelateerde uitkering van eiser met ingang van 31 januari 2024 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Daarbij gaat het UWV ervan uit dat eiser 80-100% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA.
4.1.
De garantsteller heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat aan het voornoemde besluit geen sociaal medische beoordeling ten grondslag ligt.
4.2.
Er heeft vervolgens een medische beoordeling door de verzekeringsarts plaatsgevonden. Die heeft vastgesteld dat eiser geschikt is voor het verrichten van fysiek licht werk. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn vastgelegd in de rapportage van 18 januari 2024. De beperkingen van eiser zijn vertaald in de FML van 18 januari 2024. Aan de hand van de rapportage van de verzekeringsarts en de betreffende FML heeft de arbeidsdeskundige een aantal voorbeeld functies geduid. Aan de hand van die functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 18,50% in de zin van de Wet WIA.
4.3.
Het UWV heeft naar zowel de garantsteller als eiser het voornemen gestuurd om eisers WIA-uitkering per 17 juli 2024 te beëindigen, omdat eiser per 31 januari 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA wordt geacht. De garantsteller heeft geen bezwaren geuit tegen dit voornemen. Eiser kan zich niet vinden in het besluit en voert aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangenomen.
4.4.
Met het besluit van 4 juni 2024 is het bezwaar van de garantsteller gegrond verklaard. Eisers WGA-loonaanvullingsuitkering is met ingang van 17 juli 2024 beëindigd, omdat hij per 31 januari 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de bezwaararts bezwaar en beroep (b&b) en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige b&b. De bezwaararts b&b ziet aanleiding om de FML opgesteld door de verzekeringsarts aan te scherpen. De bevindingen van de bezwaararts b&b zijn vastgelegd in de rapportage van 27 mei 2024. Aan de hand van die rapportage en de nieuwe FML van 15 mei 2024 stelt de arbeidsdeskundige b&b vast dat eiser de eerder geduide voorbeeldfuncties onverminderd kan uitoefenen. Eiser wordt 18,50% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA geacht.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiser is meer beperkt dan bij de toekenning van de WIA-uitkering is vastgesteld. De rechtbank begrijpt dat eiser zich op het standpunt stelt dat hij (nog steeds) gbm heeft. Eiser verzoekt tot slot om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Wat vindt het UWV?
6. Het UWV voert aan dat het medisch onderzoek (wel) zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Eiser onderbouwt zijn gronden niet met (medische) stukken. Eiser noemt daarnaast geen klachten die niet door de (verzekerings)artsen zijn meegenomen. Bovendien overschrijden de geduide functies de belastbaarheid van eiser niet, aldus het UWV.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest?
7. Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat hij ten onrechte niet is gezien door de bezwaararts b&b, oordeelt de rechtbank als volgt. Vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is dat bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar het niet (altijd) vereist is dat een (verzekerings)arts b&b betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Afhankelijk van wat in bezwaar in de concrete situatie speelt, kan de (verzekerings)arts b&b er ook voor kiezen gebruik te maken van een of meer andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het vragen van een expertise, het opvragen van medische informatie en het bijwonen van de hoorzitting en die keuze waar nodig toelichten. In beroep is het vervolgens aan de bestuursrechter om te bepalen of het onderzoek voldoende zorgvuldig is verricht en of het de conclusies kan dragen. Daarbij zal niet alleen acht worden geslagen op het medisch onderzoek dat in bezwaar heeft plaatsgevonden, maar zal dit onderzoek in combinatie met de primaire beoordeling worden bezien.
7.1.
Het onderzoek van de verzekeringsarts is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en een spreekuur, alwaar eiser psychisch en lichamelijk is onderzocht. Ook de bezwaararts b&b heeft kennisgenomen van het dossier. De rapportage van de bezwaararts b&b is getoetst en geaccordeerd door de verzekeringsarts b&b. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De bezwaararts b&b heeft ervoor gekozen om eiser in bezwaar niet nogmaals uit te nodigen om een spreekuur. De bezwaararts b&b heeft die keuze niet toegelicht. Dit had naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de hiervoor weergeven rechtspraak, wel gemoeten. Daarentegen betekent dit niet dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het motiveringsgebrek van het bestreden besluit kan namelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser bij het primaire onderzoek door een verzekeringsarts is gezien en medisch is onderzocht en eiser in bezwaar of beroep geen medische stukken van zijn behandelaren heeft overgelegd waaruit een ander medisch beeld naar voren komt dan waar de (verzekerings)artsen vanuit zijn gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er per 31 januari 2024 sprake van een situatie van gbm?
8. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen verder voldoende gemotiveerd dat er per 31 januari 2024 niet langer sprake is van geen benutbare mogelijkheden. De rechtbank legt dit hieronder uit.
8.1.
In artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) zijn een aantal situaties opgenomen waarin door de verzekeringsarts kan worden aangenomen dat eiser geen benutbare mogelijkheden meer heeft. Met andere woorden, als eiser aan één van die situaties voldoet, wordt hij geacht niet te kunnen werken, wordt er geen FML opgemaakt en wordt eiser geacht volledig (80-100%) arbeidsongeschikt te zijn. Iemand heeft bijvoorbeeld gbm als hij bedlegerig is of lichamelijk dan wel psychisch niet zelfredzaam is. Bij eiser is per einde wachttijd, 26 januari 2022, gbm aangenomen, omdat er toen volgens de verzekeringsarts sprake was van sterk wisselende mogelijkheden. Het gaat hier om aandoeningen met een wisselend beloop en/of een recidiverend karakter. Voorwaarde is dat periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin de betrokkene niet of nauwelijks zelfredzaam is.
8.2.
De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 18 januari 2024 met betrekking tot gbm als volgt overwogen.
“[… ik kan niet ontdekken om welke reden er per einde wachttijd gesproken is van GBM op basis van een wisselende belastbaarheid: dat criterium is te hanteren als vaststaat dat cliënt binnen 3 maanden na einde wachttijd zijn resterende mogelijkheden volledig zal verliezen gedurende relevante tijd (bijv ingreep en maanden revalidatie) doch dat was niet aan de orde. Wisselende rugbeenklachten op zich zijn geen basis voor een GBM oordeel, zeker niet gezien de anamnese van cliënt over de nog wel resterende mogelijkheden, ook destijds.
Voor de huidige beoordeling is dat niet meer van wezenlijk belang; de anamnese laat een zeer redelijke belastbaarheid zien welke past bij de klachten, diagnosen en onderzoeksbevindingen alhier (nu zelfs wb rugbil nagenoeg geen klachtenop te wekken).”
8.3.
De bezwaararts b&b overweegt in de rapportage van 27 mei 2024 het volgende.
“[… de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen kan ik volledig volgen. Ook ik vind belanghebbende aangewezen op licht werk met mogelijkheid afwisseling van zijn houding. De schouder rechts wordt voldoende ontzien. Ook werd rekening gehouden met beperkende longagentia.”
8.4.
De rechtbank acht de hiervoor weergeven onderbouwing van de (verzekerings)artsen, voor hun conclusie dat er met ingang van 31 januari 2024 geen sprake meer was van een situatie van gbm, inzichtelijk en navolgbaar. De rechtbank begrijpt dat de verzekeringsarts overweegt dat ten tijde van einde wachttijd, 26 januari 2022, eigenlijk geen sprake was van een situatie van gbm. Er was naar zijn oordeel namelijk geen sprake van sterk wisselende mogelijkheden. De anamnese van destijds liet daarnaast nog wel resterende arbeidsmogelijkheden zien.
De verzekeringsarts overweegt over eisers functionele mogelijkheden per 31 januari 2024 dat de anamnese een zeer redelijke belastbaarheid laat zien welke past bij de klachten, diagnosen en goede onderzoeksbevindingen. Hij loopt regelmatig 20 tot 30 minuten met de hond, soms zelfs langer. Ook doet hij klusjes in en om het huis, het huishouden en de boodschappen.
De bezwaararts b&b sluit zich aan bij dit oordeel en overweegt dat eiser aangewezen is op licht werk met mogelijkheid tot afwisseling van zijn houding.
Eiser heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd, die iets anders zegt over zijn medische situatie op of omstreeks 31 januari 2024, dan waar de (verzekerings)artsen bij hun beoordeling vanuit zijn gegaan. Zonder die informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de bevindingen van de (verzekerings)artsen te twijfelen. De rechtbank is ook niet gebleken dat er sprake is van gbm op een andere grond uit artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Is eiser met ingang van 31 januari 2024 meer beperkt dan door de (verzekerings)artsen is aangenomen?
9. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen ook voldoende gemotiveerd dat eiser per 31 januari 2024 niet meer beperkt is dan door hen is aangenomen. De rechtbank legt dit hieronder uit.
9.1.
Uit de overwegingen onder 8. tot en met 8.4 volgt dat er geen sprake is van een situatie van gbm. Dat brengt met zich dat de (verzekerings)artsen terecht een FML hebben opgemaakt met de mogelijkheden en beperkingen van eiser voor het verrichten van werk. Eiser heeft aangevoerd dat hij meer beperkt is dan in de FML van 15 mei 2024 is aangenomen.
9.2.
De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 18 januari 2024 met betrekking tot gbm als volgt overwogen.
“Cliënt benoemt nu dat er weliswaar sprake was van uitstraling in het been doch dat daar naar de neuroloog aangaf geen relevante hernia aan ten grondslag lag: er was een kleine hernia te zien doch die drukte niet op een zenuw, de diagnose hernia was volgens de neuroloog niet aan de orde; klachten hadden meer te maken met ‘slijtage’. […] Cliënt geeft aan al langdurig dagelijk[s] Oxycodon te gebruiken en daarmee gaat het zeer redelijk.
Hij heeft niet steeds klachten, die komen wel geregeld opzetten afhankelijk meestal van een bepaalde houding of belasting (gebogen gedraaid kracht zetten, niet goed recht zitten, te lang stilzitten). Als hij zijn oxycodon niet neemt komen de klachten opzetten geeft cliënt aan. In de nanacht (tegen de ochtend) wordt hij wel soms wakker van de lokale pijn in de bil; de klacht is mn pijn in de bil, wisselend doortrekkend in de achterzijde van het been; soms ook tintelen van dig 1-2 (en 3?) docht dat is er niet vaak; structureel krachtverlies, gevoelsverlies of uitval heeft hij nooit gehad.
[…]
[D]e anamnese laat een zeer redelijke belastbaarheid zien welke past bij de klachten, diagnosen en onderzoeksbevindingen alhier (nu zelfs wb rugbil nagenoeg geen klachten op te wekken.
Wb de schouderklachten:
Links (operatie jan 21) heeft hij geen bewegingsbeperkingen of pijn als hij tenminste niet al te zwaar hoeft te belasten, lang hoogwerken houdt hij daarmee ook niet vol.
Rechts is hij in nov 23 voor een vergelijkbare klacht ook geopereerd; ook dat gaat vrij goed gezien de vrij recente operatie (2,5 maand geleden), hij kan volledig hoog komen, wel nog in een mate beperkt met achter de rug komen en als hij voor de borst langs naar de andere schouder gaat is het ook nog lokaal gevoelig. […] Dit duidt op een goed verlopend herstelproces. Per de nu te beoordelen datum 31-01-2024, is de operatie 3 maanden geleden; cliënt is met beperkingen zeker belastbaar doch de schouder kan nog verder verbeteren.
Naast deze twee klachten (rug en schouders) is hij ook beperkt in conditionele zin door COPD GOLDII (laatste contact met longarts meer dan een jaar terug maar cliënt verwacht daarin een verandering). Hoewel hij weet dat deze aandoening niet kan verbeteren (alleen stabiliseren of verslechteren als hij doorrookt) merkt hij wel dat hij in conditionele zin wat verbeterd is sinds hij door een gastric bypas (sep 22) fors is afgevallen ( hij heeft NB 45 kg minder mee te sjouwen, bloeddruk en suiker nu ook goed).
[…]
In het verleden heeft cliënt ook een nerkhernia operatie gehad, daarvan geen klachten meer behoudens enige bewegingsbeperking.
Ook jaren geelden enkel ingrepen gehad oor epicondylitis, ook dat geeft geen problemen meer.”
9.
9.3.
De rechtbank acht de hiervoor weergeven motivering van de verzekeringsarts uitvoerig, inzichtelijk en navolgbaar. De bezwaararts b&b kan de verzekeringsarts volgen en neemt aanvullend een beperking voor het repeterend bewegen van de duimen op.
De rechtbank begrijpt dat eiser volgens de (verzekerings)artsen, ondanks zijn medische toestand, in medisch opzicht licht fysiek werk kan doen. Daarom hebben zij beperkingen aangenomen en in een lijst met functionele mogelijkheden (zoals gezegd, de FML) opgenomen. Rekening houdend met die beperkingen, moet eiser worden geacht te kunnen werken. Ook hier geldt dat eiser in beroep geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd aan de rechtbank, die iets anders zegt over zijn medische situatie op of omstreeks 31 januari 2024, dan waar de (verzekerings)artsen bij hun beoordeling vanuit zijn gegaan. Zonder die informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de bevindingen van de (verzekerings)artsen te twijfelen.
De rechtbank begrijpt bovendien dat eisers medische toestand na bezwaar en beroep achteruit is gegaan. De systematiek van de arbeidsongeschiktheidswetgeving verzet zich echter tegen het meewegen van verslechteringen van de gezondheidstoestand na 31 januari 2024. De rechtbank moet namelijk toetsen of de (verzekerings)artsen voldoende hebben gemotiveerd dat eiser niet meer beperkt is op 31 januari 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige
10. Eiser heeft verzocht om gezien te worden door een onafhankelijk medisch deskundige. De rechtbank overweegt dat als er op basis van de stukken in het dossier bij de rechtbank twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, de rechtbank een deskundige kan benoemen. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de (verzekerings)artsen en ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Eiser is voldoende in de gelegenheid geweest om medische stukken in het geding te brengen. Uit de rapportages van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij alle aspecten van de medische gezondheid van eiser hebben meegenomen. Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek af.
Aanvraag beoordeling toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
11. Zoals gezegd in overweging 9. heeft de rechtbank begrepen dat eisers medische situatie inmiddels is verslechterd. Dit is ook tijdens de zitting ter sprake gekomen Eiser heeft daarom een verzoek gedaan bij het UWV om hem opnieuw te beoordelen. Gebleken is dat er tussen eiser en het UWV onduidelijkheid bestaat over of eiser wel of geen medische stukken heeft overgelegd aan het UWV. Wat daar ook van zij, de rechtbank wil eiser op het hart drukken om de medische stukken waaruit de verslechtering van zijn gezondheid blijkt zo snel als mogelijk (opnieuw) over te leggen aan het UWV, zodat het UWV zijn medische toestand kan beoordelen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV eisers arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA per 31 januari 2024 juist heeft vastgesteld. De WIA-uitkering is terecht per 17 juli 2024 beëindigd. Het bestreden besluit blijft daarom van kracht.
12.1.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die vergoed moeten worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten
Uitspraak van de CRvB van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.
Het beginsel van 'equality of arms' houdt in dat burgers in procedures tegen de overheid voldoende mogelijkheden moeten krijgen en een gelijke kans moeten hebben om hun standpunt te onderbouwen.