Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:5607

2026-07-14 Strafrecht 05/202962-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05/202962-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; PS-Updates.nl 2026-0329

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een psychose een vriendin bij wie hij logeerde doodgestoken. De rechtbank acht doodslag bewezen. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen, dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was over en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. De rechtbank legt verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.234 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Zutphen



Parketnummer: 05.202962.24
Datum uitspraak : 14 juli 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] , PPC.



Raadslieden: mr. M.J. van den Hoonaard en mr. K. Karakaya, beiden advocaat in Apeldoorn.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.






1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Hoog-Keppel, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] te steken;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Hoog-Keppel, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] te steken.



2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat uit het dossier onvoldoende aanknopingspunten naar voren komen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en heeft in zoverre vrijspraak gevorderd. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] , hierna te noemen: [slachtoffer] .




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad heeft gedood. Verdachte zal daarom van de primair ten laste gelegde moord worden vrijgesproken.



De rechtbank overweegt dat er ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde doodslag sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.



Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 62-63;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 83;
- NFI Forensisch pathologisch onderzoek, p. 870;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juni 2026.




3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:



hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Hoog-Keppel, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] te steken.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




Doodslag.






5De strafbaarheid van het feit


Het feit is strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte



Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat bij verdachte sprake was van een psychotisch toestandsbeeld op het moment dat hij [slachtoffer] van het leven beroofde en dat de psychotische stoornis heeft doorgewerkt in het plegen van het misdrijf. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportages van de deskundigen. Anders dan de deskundigen in hun conclusies hebben gedaan heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte niet volledig en alleen door de stoornis is beïnvloed. Volgens de officier van justitie bevat het dossier aanwijzingen dat verdachte wel enige, en volgens haar ook wel behoorlijke, keuzevrijheid had. Zij heeft hiertoe betoogd dat verdachte voorafgaand aan het delict heldere beslismomenten heeft gehad. Hij realiseerde zich dat hij een gevaar voor zichzelf of voor anderen kon zijn en hij maakte de keuze om bij [slachtoffer] weg te gaan. Ook hulpverleners die verdachte in de dagen voorafgaand aan het delict hebben gezien en gesproken, hebben geen aanwijzingen voor het bestaan van een psychotisch toestandsbeeld gezien. De psychotische belevingen ten tijde van het delict zijn door verdachte zo vaag omschreven en zo wisselend van aard en hevigheid dat zij volgens de officier van justitie niet kunnen leiden tot de conclusie dat verdachte tijdens het doodsteken zodanig door de psychose in beslag was genomen dat elke realiteitszin bij hem ontbrak. Er zijn volgens de officier van justitie ook aanwijzingen dat verdachte direct na het delict nog beschikte over enige realiteitszin. Een beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid kan daarom niet slagen. De officier van justitie heeft zich in dit verband nog op het standpunt gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat naast de psychose nog andere factoren (boosheid, verdriet, krenking) een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het delict. Ook daaruit leidt de officier van justitie af dat niet kan worden geconcludeerd dat het feit verdachte in het geheel niet is toe te rekenen. De officier van justitie acht verdachte daarom niet volledig, maar in verminderde mate toerekeningsvatbaar.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat het veelvuldig blowen van verdachte heeft bijgedragen aan zijn verslechterde mentale toestand en het ontstaan van een psychose. Om die reden kan geen sprake zijn van straffeloosheid en ook om die reden acht zij verdachte hooguit verminderd toerekeningsvatbaar.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat het handelen van verdachte hem (volledig) niet kan worden toegerekend en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe is betoogd dat vijf deskundigen uitgebreid onderzoek hebben gedaan naar zowel de persoon van verdachte als zijn levensloop, waarbij ook naasten van verdachte zijn bevraagd. Met name over de juistheid en betrouwbaarheid van de meest recente Pro Justitiarapportage kan geen twijfel bestaan. Die rapportage is, volgens de door het Openbaar Ministerie ingeschakelde deskundige dr. Peters, in overeenstemming met de huidige wetenschappelijke kennis, inzichten en standaarden. De conclusies van de deskundigen zijn volgens de verdediging zeer uitgebreid, helder en goed geformuleerd en laten geen enkele ruimte voor twijfel. De verdediging meent dat de deskundigenadviezen daarom moeten worden gevolgd. Uit de rapportages volgt dat er ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake was van een psychotische stoornis bij verdachte en dat deze niet door hem werd gesimuleerd. Verder komt uit de rapportages naar voren dat er een causaal verband is tussen de stoornis en het handelen van verdachte, waarbij een causale relatie tussen het middelengebruik en het handelen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde kan worden uitgesloten. Het scenario dat verdachte een blauwtje had gelopen en [slachtoffer] daarom dood moest, achten zij eveneens uitgesloten. De deskundigen menen dat de psychotische toestand van verdachte volledig heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde en niet aan verdachte kan worden toegerekend. Volgens de verdediging blijkt uit het dossier dat verdachte het contact met de werkelijkheid volledig was verloren en dat hij geen enkele wilsvrijheid had bij het plegen van het tenlastegelegde. De verdediging heeft verder gesteld dat, gelet op hetgeen op dit punt is opgemerkt in de rapportages van de deskundigen, geen sprake is van culpa in causa in verband met het drugsgebruik.




Rapportages

Over verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt. Op 25 april 2025 is een triple-rapportage van het NIFP ontvangen. De deskundigen S. Labrijn, psycholoog, en J.M. Stoops, psychiater, concludeerden daarin dat verdachte lijdt aan een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, vermijdende en afhankelijke trekken. Daarnaast is sprake van problematisch cannabisgebruik, in vroege remissie, in een regulerende omgeving. Ook is sprake van een psychose in volledige remissie mét gebruik van antipsychotische medicatie, passend bij een schizofreniforme stoornis. Ten tijde van het delict waren de psychose en het cannabisgebruik niet in remissie. De deskundigen menen dat de floride psychotische toestand waarin verdachte verkeerde zijn gedragskeuzes hebben beïnvloed. Volgens de deskundigen was verdachte niet in staat de realiteit van zijn psychotische belevingen te onderscheiden en handelde hij ook naar deze belevingen. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde niet aan hem toe te rekenen.



Het Openbaar Ministerie heeft deze rapportage voor een review voorgelegd aan dr. M.J.V. Peters, universitair hoofddocent en GZ-psycholoog. Het viel dr. Peters op dat binnen de differentiële diagnostische overwegingen vooral bevestigend te werk is gegaan en niet zo zeer kritisch falsificerend. Dit laatste is van belang in de forensische psychodiagnostiek. Om na te gaan of verdachte de psychose al dan niet bewust heeft voorgewend of overdreven, achtte dr. Peters aanvullend onderzoek nodig.



De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan een multidisciplinaire contra-expertise bevolen. Dat heeft geleid tot de Pro Justitia rapportage van 18 mei 2026. Ook deze rapportage heeft het Openbaar Ministerie voorgelegd aan dr. Peters voornoemd. Hij heeft daarover gerapporteerd dat in het huidige rapport niet alleen verifiërend maar ook falsificerend is onderzocht, waarbij duidelijke argumenten worden gegeven voor de aanwezigheid van een authentiek psychotisch toestandsbeeld voorafgaand aan en ten tijde van het tenlastegelegde. Dr. Peters meent verder dat het testpsychologisch onderzoek, zoals uitgevoerd in deze rapportage, in overeenstemming is met de huidige wetenschappelijke kennis, inzichten en standaarden. De argumentatie in opbouw van het onderzoek en de interpretaties van het testpsychologisch onderzoek zijn volgens dr. Peters eveneens correct uitgevoerd.



Uit de Pro Justitia rapportage van 18 mei 2026 komt het volgende naar voren.
R. Bout, GZ-psycholoog, heeft geconcludeerd dat er sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik, matig van ernst, in langdurige remissie in een gereguleerde omgeving. Op de dag van het tenlastegelegde had verdachte last van visuele hallucinaties toen hij de ogen van [slachtoffer] als zwarte oogballen zag en zichzelf in de spiegel als duivel zag. Naast de (auditieve en visuele) hallucinaties was er in de 24 uur voor het tenlastegelegde tevens sprake van inhoudelijke denkstoornissen in de vorm van grootheids- en voornamelijk paranoïde wanen. Door de hallucinaties en de wanen vertoonde verdachte in de periode van het tenlastegelegde verward en moeilijk te begrijpen gedrag. Het is niet aannemelijk dat de psychotische symptomen veroorzaakt werden door het gebruik van MDMA, dat meer dan twee weken voor de uiting van de eerste symptomen had plaatsgevonden. Ook het cannabisgebruik lijkt niet (alleen) de oorzaak te zijn van de psychotische symptomen. Een psychotische stoornis door een middel is dan ook met voldoende zekerheid uit te sluiten.



A.M. de Jong, psychiater, heeft geconcludeerd dat bij verdachte geleidelijk psychotische klachten zijn ontstaan. Het is niet precies te zeggen wanneer, maar in ieder geval hoorde hij op 18 of 19 juni 2024 voor het eerst een stem die hem zei dat hij “goede dingen” moest doen (imperatieve akoestische hallucinatie). Hij zag op de dag voorafgaand aan het tenlastegelegde de duivel in de spiegel (visuele hallucinatie). Vanaf het moment dat verdachte bij [slachtoffer] in huis verbleef verdween de somberheid. Er was sprake van betrekkingswanen (hij betrok teksten, uitspraken en liedjes op zichzelf en op [slachtoffer] ), hij was minder onzeker en kort voor het tenlastegelegde voelde hij zich machtig en dacht hij dat hij energie door de muren heen kon geven (grootheidswaan). Verdachte was volledig het contact met de realiteit kwijt. De psychose heeft zich bij verdachte geuit in wanen, hallucinaties, onsamenhangend denken waarbij hij vreemde verbanden legde en verhoogd associatief gedrag. Een psychose wordt vaak veroorzaakt door meerdere factoren, in dit geval slaaptekort, middelengebruik en toegenomen stress (luxerende factoren). Daarnaast moet er een (genetische) kwetsbaarheid zijn om daadwerkelijk psychotisch te kunnen ontregelen. Doordat verdachte al jaren cannabis gebruikte en hier nooit eerder psychotisch door geraakt is, is het onwaarschijnlijk dat de psychose hierdoor rechtstreeks is veroorzaakt. Een psychose ten gevolge van eenmalig MDMA-gebruik enkele weken eerder is eveneens onwaarschijnlijk.



Beide deskundigen benoemen dat verdachte dacht dat [slachtoffer] bij de illuminati hoorde en dat hij er ook bij kon komen door te sterven, zodat zij het eeuwige leven samen zouden hebben. Verdachte was hier volledig van overtuigd en door in beslag genomen. Toen zij hem niet wilde doden dacht hij “dan moet zij misschien dood”. Hij dacht in ieder geval samen met haar een eeuwig leven hiervoor terug te krijgen. Verdachte was volledig het contact met de realiteit verloren en hij had geen andere keuzevrijheid op dat moment. In volledige overtuiging, hij voelde zich machtig op dat moment, heeft hij een mes gepakt, heeft haar achternagezeten en heeft haar gedood. Een scenario waarbij verdachte de psychose en/of het geheugenverlies heeft gesimuleerd, wordt door de deskundigen zeer onwaarschijnlijk geacht en wordt ook niet ondersteund door uitgebreid testonderzoek. De psychose heeft volledig doorgewerkt in het tenlastegelegde en het cannabisgebruik is hooguit één van de luxerende factoren geweest voor het ontstaan van een psychose. Er wordt geadviseerd betrokkene het tenlastegelegde niet toe te rekenen. Beide deskundigen hebben ter terechtzitting verklaard bij hun conclusies te blijven.




Beoordeling door de rechtbank


Heldere momenten

Voor zover de officier van justitie heeft gesteld dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte voorafgaand aan-, ten tijde van- en na afloop van het doden van [slachtoffer] op momenten helder is geweest en in ieder geval enige keuzevrijheid heeft gehad, overweegt de rechtbank als volgt.
In de deskundigenrapportage van 18 mei 2026 benoemen de deskundigen dat iemand soms ogenschijnlijk helder kan overkomen, maar tegelijk onderliggend waanachtige gedachtes en belevingen kan hebben. Dat verdachte op bepaalde momenten helder overkwam, wil dus niet zeggen dat op dat moment niet (meer) van een psychose sprake was. Verder kan iemand in een psychose het contact met de realiteit verliezen en achteraf niet meer precies weten wat hij op dat moment dacht en voelde. Dat is volgens de deskundigen bij verdachte waarschijnlijk ook het geval geweest. Ter terechtzitting heeft deskundige De Jong toegelicht dat niet bij alle verwarde mensen zichtbaar is dat zij verward zijn. Het kan soms lang duren voordat die verwardheid zichtbaar wordt. Verdachte werd niet als verward gezien, maar dat betekent niet dat de verwarde gedachten er niet (meer) waren.
De rechtbank volgt de officier van justitie dan ook niet in haar redenering dat verdachte voorafgaand aan-, ten tijde van- en na afloop van het doden van [slachtoffer] op momenten helder is geweest.




Andere factoren dan een psychose

De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat niet kan worden uitgesloten dat andere factoren een rol kunnen hebben gespeeld, zoals krenking na afwijzing door [slachtoffer] .
De rechtbank overweegt dat uit de rapportage van 18 mei 2026 volgt dat er geen aanwijzingen vanuit het verhaal van verdachte zijn dat afwijzing door [slachtoffer] een rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde. De situatie was dat verdachte volledig in de macht was van de waandenkbeelden met betrekking tot de illuminati en een eeuwig leven samen. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de deskundige Labrijn in de rapportage van 25 april 2025 benoemt dat bij verdachte sprake is van vermijdingsgedrag. Verdachte gaat conflicten en onenigheid uit de weg. Hij maakt weinig contact met zijn eigen gevoelsleven en gaat niet tot nauwelijks staan voor wat hij wil. Verdachte wil graag de bevestiging krijgen van anderen en zal trachten zich aan te passen om die bevestiging/goedkeuring niet te verliezen. In dezelfde rapportage benoemt Stoops dat verdachte geen subjectieve boosheid noch krenking kent en sterk geneigd is zichzelf in twijfel te trekken en vervolgens in te perken bij dilemma’s of problemen. Hij stelt hoge eisen aan zichzelf en wordt sterk geremd in het zichzelf positioneren. De ander wordt vergoelijkt en ontzien. Deskundige Bout heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met verdachte heeft gesproken over de relatie met [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij verteld dat hij pas later begreep dat hij geen relatie had met [slachtoffer] en dat hij het gedrag van [slachtoffer] niet heeft opgevat als een afwijzing. Deskundige De Jong heeft ter terechtzitting verklaard dat de afwijzing door [slachtoffer] hypothetisch een motief zou kunnen zijn, maar dat daarvoor in concreto geen aanwijzingen zijn.
De rechtbank ziet in de rapportage van Labrijn en Stoops en in hetgeen de deskundigen Bout en De Jong ter terechtzitting hebben verklaard een bevestiging dat een afwijzing door [slachtoffer] geen rol heeft gespeeld bij het gepleegde delict. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier daarvoor ook onvoldoende aanwijzingen. De rechtbank ziet dan ook geen reden met de door de officier van justitie opgeworpen factor rekening te houden.




Culpa in causa

Voor zover de officier van justitie zich (subsidiair) op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat het veelvuldig blowen van verdachte heeft bijgedragen aan zijn verslechterde mentale toestand en het ontstaan van een psychose en dat om die reden geen sprake kan zijn van straffeloosheid, overweegt de rechtbank als volgt.
Tijdens hun onderzoeken hebben Labrijn en Stoops gesproken met KNMG-verslavingsarts

[verslavingsarts] , die gespecialiseerd is in de lange termijneffecten van partydrugs. [verslavingsarts] heeft benoemd dat cannabis een psychose kan triggeren, maar dat dat in dit geval onwaarschijnlijk is omdat verdachte al jarenlang blowde en zijn gebruik niet wezenlijk was veranderd. Verder heeft [verslavingsarts] benoemd dat een psychose, geluxeerd door MDMA, zeldzaam is maar niet uitgesloten. Als een dergelijke psychose dan optreedt, is dat meestal aansluitend aan de intoxicatie. Ervan uitgaande dat verdachte op 1 juni, de rechtbank begrijpt: 1 juni 2024, MDMA heeft gebruikt, maakt dat een direct verband onwaarschijnlijk. MDMA kan hooguit deels invloed hebben gehad op de psychische decompensatie.De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding aan te nemen dat het middelengebruik in directe zin heeft geleid tot het psychotische toestandsbeeld van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Het enkele feit dat het middelengebruik luxerend kan zijn geweest, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte als deels toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.




Slotsom

De rechtbank overweegt dat niet alleen de deskundigen Bout en De Jong in de laatste rapportage, maar ook de deskundigen Labrijn en Stoops in de eerder uitgebrachte rapportage tot dezelfde conclusie zijn gekomen, namelijk dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde een psychotische stoornis had en dat deze volledig heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde. De rechtbank heeft, ook verwijzend naar het oordeel van dr. Peters in zijn review op de laatst tot stand gekomen rapportage, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van deze deskundigen en hun toelichting hierop ter terechtzitting van 30 juni 2026. Zij zal de adviezen overnemen en komt tot het oordeel dat verdachte niet vrijelijk zijn wil heeft kunnen bepalen en volledig ontoerekeningsvatbaar was toen hij [slachtoffer] doodstak.
Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.





7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, gelet op het feit dat zij verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van het voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging. Zij heeft daarbij toegelicht dat een tbs-maatregel met voorwaarden alleen kan worden gecombineerd met een gevangenisstraf van maximaal 5 jaar en daarom bij de straf die zij voor ogen heeft niet in aanmerking komt.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar de adviezen van de vier deskundigen een tbs-maatregel met voorwaarden bepleit. In dit verband heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het feit dat verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van het gepleegde delict en er dus geen reden is voor langere vrijheidsbeneming. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen en daarbij de voorwaarden op te leggen zoals door de reclassering geadviseerd voor de tbs-maatregel met voorwaarden.




De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van een jonge vrouw in de bloei van haar leven. Hij heeft [slachtoffer] in haar woning met messteken om het leven gebracht en haar daarmee van haar kostbaarste bezit beroofd. Haar lichaam vertoonde meerdere messteken, waarvan drie messteken die haar borstholte en longen hebben doorboord. De laatste minuten van het leven van [slachtoffer] moeten onvoorstelbaar angstig en pijnlijk voor haar zijn geweest. Het doden van [slachtoffer] is een afschuwelijk en bijzonder ernstig feit en onverteerbaar voor de familie en vrienden van [slachtoffer] . Daarmee is een onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden en de vele vrienden die [slachtoffer] had. Ook door de samenleving in het algemeen wordt een dergelijke dood als zeer schokkend ervaren.



Zonder af te doen aan het leed dat verdachte heeft veroorzaakt, moet worden vastgesteld dat verdachte het feit heeft gepleegd onder invloed van een psychische stoornis. Zoals hiervoor is overwogen was bij verdachte sprake van een psychotische stoornis, die aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde en invloed heeft gehad op de gedragskeuzes van verdachte. Het handelen van verdachte werd ten tijde van het plegen van het feit volledig door de psychose beïnvloed.



De rechtbank overweegt dat de deskundigen Bout en De Jong menen dat de psychotische symptomen, zoals auditieve hallucinaties en wanen, de grootste en directe risicofactoren voor de kans op recidive vormen. In de huidige omstandigheden waarbij verdachte goed is ingesteld op medicatie is de kans op recidive laag. De kans op recidive wordt als matig tot hoog ingeschat als er bij verdachte sprake is van een psychotisch toestandsbeeld gekenmerkt door (auditieve) hallucinaties en wanen. Beide deskundigen adviseren een klinische behandeling in een klinische setting waarbij het beveiligingsniveau niet hoog hoeft te zijn. Er zou gedacht kunnen worden aan een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). Na een succesvolle klinische fase zou de behandeling ambulant kunnen worden voortgezet.
Een behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden ligt volgens beide deskundigen het meest voor de hand vanwege verdachtes blanco justitiële voorgeschiedenis en omdat verdachte nooit eerder is behandeld in een justitieel kader. Hij is gemotiveerd voor behandeling en heeft probleembesef en -inzicht. Gedurende zijn detentie houdt hij zich aan de behandelafspraken binnen het PPC. De deskundigen zien ook geen complicerende factoren zoals een persoonlijkheidsstoornis of ernstige verslavingsproblematiek die de behandeling zouden kunnen bemoeilijken. Zij verwachten dan ook dat een behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden voldoende waarborgen geeft om de kans op recidive te verminderen. Een behandeling in een stringenter kader wordt door hen hiertoe niet noodzakelijk geacht.



Ook de deskundigen Labrijn en Stoops hebben geadviseerd een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.



De rechtbank stelt vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Hierbij heeft de rechtbank de ernst van het feit in aanmerking genomen.



De rechtbank staat voor de vraag of een tbs-maatregel met voorwaarden (zoals door de deskundigen geadviseerd) dan wel een tbs-maatregel met dwangverpleging (zoals door de officier van justitie gevorderd) moet worden opgelegd.



De rechtbank overweegt dat zich bij verdachte kennelijk in een korte tijd een heftige psychose heeft ontwikkeld. Daarbij was ogenschijnlijk sprake van rustige intervallen, periodes waarin verdachte helder leek. De psychose heeft geleid tot een zeer ernstig delict waarbij verdachte een jonge vrouw om het leven heeft gebracht. Verdachte en ook zijn directe omgeving (vader en zus) hebben de psychose niet weten te onderkennen en schreven zijn onrust toe aan stress. Ook de huisartsen, die verdachte in de periode voorafgaand aan de gebeurtenis een paar maal heeft bezocht, zagen geen aanwijzingen voor een psychose en daarmee geen reden om maatregelen ter zake te treffen.
Gegeven de snelheid waarmee de psychose zich bij verdachte ontwikkelde, de onvoorspelbaarheid van het verloop en de plotselinge heftigheid ervan, moet worden betwijfeld of, mocht in de toekomst opnieuw een psychose bij hem opvlammen, deze door hem en zijn omgeving tijdig zal worden herkend om adequate maatregelen te kunnen nemen. De rechtbank ziet dan ook een niet te onderschatten recidivegevaar. Zij vraagt zich, in weerwil van wat de deskundigen daarover zeggen, af of het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden, dat een klinische opname met hierna ambulante behandeling omvat, kan volstaan, nu dit immers uitgaat van minder strikt toezicht en een minder dwingende behandelrelatie.
Daarbij komt dat een tbs-maatregel met voorwaarden een gemotiveerde houding van verdachte voor zijn behandeling vereist, waarbij hij moet beschikken over probleembesef en -inzicht.
De rechtbank heeft goede nota genomen van hetgeen de deskundigen hierover hebben opgemerkt maar zelf ter terechtzitting niet de bevestiging gekregen van het beeld dat zij op dit punt van verdachte schetsen. Ter terechtzitting was een apathisch voor zich uitkijkende man te zien, die nauwelijks of geen emotie vertoonde. De rechtbank heeft ter zitting bij verdachte zelf geen betrouwbare bereidheid en gemotiveerdheid tot medewerking aan een behandeling kunnen vaststellen.
De rechtbank is, gelet op dit alles, er niet van overtuigd dat een tbs-maatregel met voorwaarden een voldoende stringent kader voor verdachte biedt. De rechtbank acht daarom een tbs-maatregel met dwangverpleging meer passend.



Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd.



Gelet op het voorgaande legt de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging aan verdachte op. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel te schorsen en wijst het verzoek daartoe van de verdediging af.





8De beoordeling van de civiele vorderingen




[benadeelde 1]


De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 114.489,55 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld in de zin van affectieschade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Ze vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, voor zover dit betreft de waardevermindering van de woning. Voor deze schade is er in het strafproces geen grondslag. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces nu het ingewikkelde materie betreft. Ten aanzien van de gederfde huur heeft de verdediging gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu geen sprake is van schade.




Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat artikel 51f, eerste lid, Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces om vergoeding van deze rechtstreekse schade te vorderen. Artikel 51f, tweede lid Sv bepaalt voorts dat indien degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit ten gevolge van dat strafbare feit is overleden, diens nabestaanden zich kunnen voegen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen als bedoeld in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter zake van de daar bedoelde vorderingen.



De door de benadeelde partij opgevoerde schade betreft geen rechtstreekse schade als bedoeld in het eerste lid van artikel 51f Sv. Hij is immers niet zelf het slachtoffer geworden van het bewezenverklaarde feit. Ook is geen sprake van een onder algemene titel verkregen vordering als bedoeld in het tweede lid. Dit brengt mee dat de vorderingen moeten worden beoordeeld op grond van het in artikel 6:108 BW bepaalde.



Schadeposten die op grond van artikel 6:108 BW in aanmerking kunnen komen betreffen gederfd levensonderhoud, de kosten van lijkbezorging en affectieschade.



Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten uitvaartkosten (€ 10.899,02), huur van spullen voor de condoleance (€ 80,75) en de grafsteen (€ 5.074,11) kosten van lijkbezorging betreffen. Deze schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en komen de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft deze kosten tot een hoogte van in totaal € 16.053,88 kan worden toegewezen.




Affectieschade

Het vorderen van affectieschade is mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, BW limitatief opgesomde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als ouder (vader) van [slachtoffer] tot deze kring van gerechtigden behoort. De vordering is niet inhoudelijk betwist.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van € 17.500,- toewijzen.




Overige schadeposten

De benadeelde partij heeft ook vergoeding van de volgende schadeposten gevorderd:

- herstel van de woning in verband met schade van de plaats delict € 2.875,43
- huurderving periode voordat de woning werd vrijgegeven € 14.700,-
- taxatiekosten vaststellen huurwaarde € 1.865,89
- waardevermindering woning door het delict € 77.500,-
- taxatiekosten waardevermindering € 1.494,35


De rechtbank overweegt dat er binnen het strafrecht geen grond is om deze schadeposten toe te wijzen. Deze posten kunnen niet worden gebracht onder de in artikel 6:108 BW limitatief opgesomde schadeposten en betreffen vermogensschade van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan deze schade alleen bij de burgerlijke rechter vorderen. Daarom zal de benadeelde partij voor deze schade niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.





[benadeelde 2]


De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,- aan smartengeld in de zin van affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Ze vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat het beroep op de hardheidsclausule onvoldoende is onderbouwd.




Overweging van de rechtbank

Het uitgangspunt in de wet is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, indien zij in het verleden zeer nauw in het leven van het slachtoffer betrokken zijn geweest, is ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW (de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.



De advocate van de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie, die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. Zij heeft daartoe een schrijven van de benadeelde partij overgelegd waaruit naar voren komt dat het leeftijdsverschil tussen haar en [slachtoffer] minder dan twee jaar was. Ze waren altijd samen en deelden alles met elkaar. In 2010 is hun moeder overleden, wat veel impact op hen heeft gehad. De benadeelde partij was op dat moment 11 jaar en [slachtoffer] 9 jaar. Kort na het overlijden van hun moeder zijn zij en [slachtoffer] naar een kostschool in Zwitserland gestuurd. Ze spraken de taal niet, waren in een nieuwe omgeving en zaten nog in een rouwproces. Ze mochten om die reden bij wijze van uitzondering een kamer delen en waren hierdoor nog meer op elkaar aangewezen. Hun band werd niet alleen gekenmerkt door wat ze samen deden, maar vooral door wat ze voor elkaar betekenden. [slachtoffer] was niet alleen haar zus, maar ook haar vertrouwenspersoon en steun, waarbij de benadeelde partij altijd volledig zichzelf kon zijn. Vanaf februari 2024 woonde de benadeelde partij in een woning naast [slachtoffer] . Het verlies van [slachtoffer] heeft een blijvende invloed op haar dagelijks leven en de manier waarop zij belangrijke momenten ervaart.



De rechtbank is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de verdediging het door de advocate van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie niet heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen. De rechtbank zal de vordering in de vorm van affectieschade tot het gevorderde bedrag van € 17.500,- toewijzen.





[benadeelde 3]


De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.500,- aan schokschade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Ze vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces. Subsidiair meent de verdediging dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen medische onderbouwing is.




Overweging van de rechtbank

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad komt het volgende naar voren.



Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.



Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:



De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.


De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.


De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.




Ter terechtzitting van 30 juni 2026 heeft de benadeelde partij verklaard dat zij het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft gezien bij de condoleance. De rechtbank leidt hieruit af dat de benadeelde partij niet direct nadat verdachte het bewezenverklaarde delict had gepleegd, geconfronteerd is geweest met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] en de verwondingen die op haar lichaam waren aangebracht. Integendeel. Zij heeft het stoffelijk overschot pas bij de condoleance gezien, waarbij niet aannemelijk is dat zij op dat moment werd geconfronteerd met alle verwondingen op het lichaam van [slachtoffer] en evenmin aannemelijk is dat sprake is geweest van een onverhoedse confrontatie. Dat de benadeelde partij later bij het schoonmaken van de woning met bloedspatten van [slachtoffer] is geconfronteerd moet heel akelig voor haar zijn geweest, maar ook dit valt niet onder de situaties waarop de Hoge Raad doelt. Reeds op grond van het voorgaande wordt niet voldaan aan de criteria voor schokschade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom afwijzen.




Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 23 juni 2024 wettelijke rente over de aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toegewezen bedragen verschuldigd.




Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.





9De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de maatregelen is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.





10De beslissing


De rechtbank:



 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;


 verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;
 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;



veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 16.053,88 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;


veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;


 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;


legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 16.053,88 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 169 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;


bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;





veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 17.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;


veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;





legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 17.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 112 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;


bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;





wijst de vordering tot schokschade van de benadeelde partij [benadeelde 3] af;


wijst het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis af.












Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.














































Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Districtsrecherche Noord- Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossier Onderzoek Maas ON3R023043, gesloten op 17 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.