Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5603
2026-07-14
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 25/5527 en ARN 25/5554
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2021:164 Raad van State 27-01-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:1162 Raad van State 22-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1136 Raad van State 22-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:935 Raad van State 08-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.213 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/5527 en ARN 25/5554
uitspraken van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiser 1a] V.O.F., [eiser 1b] en [eiser 1c] uit [woonplaats] , eisers 1 (ARN 25/5527)
(gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen),
[eiser 2] , uit [woonplaats] , eiser 2 (ARN 25/5554)
(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar
(gemachtigde: mr. J.R. Smit).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde partij] B.V. uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong)
en de gemeenteraad van de gemeente Zevenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de bouw van zestien appartementen. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers 1 ongegrond is. Zij krijgen dus geen gelijk. Naar aanleiding van het beroep van eiser 2 heeft de rechtbank een gebrek ten aanzien van parkeren in het bestreden besluit geconstateerd. De rechtbank doet in die zaak een tussenuitspraak en stelt het college in de gelegenheid het gebrek te repareren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 10 oktober 2024 heeft het college de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen hun zienswijze kenbaar gemaakt.
2.1.
Op 24 september 2025 heeft de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
2.2.
Op 8 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.
2.4.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- namens eisers 1: [eiser 1b] , [eiser 1c] en de gemachtigde van eisers 1;
- namens eiser 2: eiser 2 en de gemachtigde van eiser 2;
- namens het college: de gemachtigde van het college samen met [persoon 1] en
[persoon 2] ;
- namens de derde-partij: [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en de gemachtigde van de derde-partij.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op zitting behandeld met de procedures
ARN 25/1870 en ARN 25/3441.
De gemeenteraad heeft niet gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaan deze zaken over?
3. Op 19 december 2023 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van zestien appartementen op het perceel [perceel] in Pannerden. De aanvraag ziet op de activiteiten “bouwen” en “gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. Het gebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 462 m2 en wordt 9,56 meter hoog.
3.1.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Pannerden” van toepassing en de gronden hebben de bestemming “Wonen”. Binnen de aanduiding ‘vrijstaand’ is het bestaande aantal woningen toegestaan. Het bouwplan voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan, omdat het om zestien appartementen gaat in plaats van een vrijstaande woning. Ook wordt het gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak gerealiseerd. De goothoogte mag maximaal 7 meter bedragen en wordt met het bouwplan 9,56 meter. De voorgevel van het gebouw wordt niet gebouwd in de voorgevelrooilijn. Tot slot voldoet het appartementengebouw niet aan de bouwaanduiding ‘vrijstaand’.
3.2.
Het college heeft de omgevingsvergunning voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Op 10 oktober 2024 heeft het college de ontwerp-omgevingsvergunning, samen met een ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad, voor zes weken ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen een zienswijze ingediend.
3.3.
Eisers 1 zijn gevestigd op het naastgelegen perceel [perceel 2] . Volgens eisers 1 exploiteren zij daar een groothandel. Zij vrezen beperkt te worden in hun bedrijfsmogelijkheden en zijn bang dat zij klachten gaan krijgen over geluidsoverlast. Eiser 2 woont op het naastgelegen adres [adres] . Hij vreest met name voor geluidsoverlast door verkeersbewegingen van en naar de parkeerplaatsen die aangrenzend aan zijn perceel worden aangelegd.
3.4.
Op 24 september 2025 heeft de gemeenteraad een vvgb afgegeven.
3.5.
Op 8 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend, omdat volgens het college sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Crisis- en herstelwet
4. De rechtbank stelt vast dat op de in deze beroepen voorliggende omgevingsvergunning de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Het college heeft dit niet onderkend. Voor de beroepsprocedures bij de rechtbank heeft het daarom geen consequenties. De rechtbank neemt de gronden die buiten de beroepstermijn naar voren zijn gebracht daarom mee in haar beoordeling. De rechtbank wijst partijen op de informatie in de rechtsmiddelenclausule onder deze uitspraak.
ARN 25/5527 [eisers 1]
Worden eisers 1 beperkt in hun bedrijfsvoering?
5. Eisers 1 betogen dat zij beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Eisers 1 menen dat het college hun bedrijf ten onrechte heeft geschaard onder milieucategorie 1. Daardoor wordt ten onrechte een richtafstand van 0 meter aangehouden. Eisers 1 betogen dat zij een groothandel hebben in fruit. Dit valt onder milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Bij het hanteren van de juiste richtafstanden had de omgevingsvergunning niet verleend kunnen worden. Eisers 1 vrezen voor klachten over onder andere geluidsoverlast. Vanwege de aard van het bedrijf vindt aan- en afvoer door vrachtwagens en bestelbussen zowel overdag als in de avond plaats.
a. Impliciete vrijstelling gebruik
5.1.
Eisers 1 geven aan een omgevingsvergunning te hebben gekregen voor de bouw van een opslaghal op het perceel [perceel 2] , bedoeld voor de activiteiten van de groothandel in aardappelen, groenten en fruit. Eisers 1 verwijzen hiervoor naar een viertal vergunningen die het college in het verleden heeft verleend. Uit de aanvragen en tekeningen bij deze vergunningen blijkt volgens eisers ondubbelzinnig dat de bouwwerken zijn opgericht ten behoeve van opslag, verwerking en distributie van groente en fruit. Daarmee hebben eisers 1 een impliciete vrijstelling gekregen voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft volgens eisers 1 ten onrechte deze vergunningen niet betrokken bij de besluitvorming.
b. overgangsrecht
5.2.
Eisers 1 betogen dat niet kan worden uitgesloten dat de voorgaande bestemmingsplannen een bedrijfsbestemming kenden waarin het gebruik als groothandel was toegestaan. Uit de beoordeling voor de bouwvergunning van 6 augustus 1985 blijkt bijvoorbeeld dat het plan voldoet aan het bestemmingsplan. Het college heeft volgens eisers 1 ten onrechte niet onderzocht dat het gebruik van het perceel voor groothandel valt onder het gebruiksovergangsrecht.
5.3.
Het college heeft onderzocht of de bedrijfsactiviteiten van eisers 1 zijn toegestaan op deze locatie. Het college is tot de conclusie gekomen dat een groothandel niet bij recht is toegestaan. Op het perceel van eisers geldt de bestemming “Gemengd”. Binnen die bestemming is detailhandel, dienstverlening en wonen toegestaan. Het gebruik voor groothandel is niet toegestaan. Volgens het college is dit ook niet impliciet vergund, omdat de omgevingsvergunningen waar eisers 1 naar verwijzen zien op een loods voor opslag van groente en fruit. Daarin wordt niet gesproken over groothandel. Volgens het college is er ook geen sprake van gebruiksovergangsrecht. Het bestemmingsplan “Pannerden” is consoliderend, zodat in het voorgaande bestemmingsplan het gebruik voor groothandel ook niet was toegestaan. Het college heeft daarom geconcludeerd dat groothandel op het perceel van eisers 1 niet is toegestaan. Daarom is het college ook niet toegekomen aan het toetsen van de richtafstand die voor een categorie 3.1 bedrijf geldt.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning moet beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening als gevolg van het aangevraagde project. De vraag die de rechtbank in dat kader moet beantwoorden is of het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dat verband beantwoordt de rechtbank niet de rechtsvraag of de bedrijfsactiviteiten van eisers 1 legaal zijn, al dan niet via een beroep op het overgangsrecht. Dat valt buiten de omvang van het geding.
Uit de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning volgt dat is gekeken naar de vraag of de nieuwe functie hinder kan ondervinden van functies in de omgeving die planologisch zijn toegestaan. Ook is gekeken of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven aantasten. Er wordt uitgegaan van een gemengd gebied. Op het perceel van eisers 1 geldt de bestemming “Gemengd”. Deze gronden zijn bestemd voor:
Detailhandel;
Dienstverlening;
Wonen;
(…)
Bij deze functies hoort volgens de VNG-brochure een richtafstand van 0 meter binnen gemengd gebied. Dat het bouwplan gerealiseerd wordt binnen gemengd gebied staat niet ter discussie. Dat betekent dat het college er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat geen hinder te verwachten is. Bovendien is in de bestaande situatie al een woning toegestaan op het perceel van de derde-partij. Dat een appartementencomplex meer bewoners kent (en dus meer kans geeft op klachten van overlast) doet er niet aan af dat in de bestaande situatie dus al sprake is van een toegestane woning op het perceel van derde-partij. De rechtbank oordeelt daarom dat het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat geen hinder te verwachten is voor het appartementencomplex door planologisch toegestane functies in de omgeving. De omgevingsvergunning leidt niet tot beperking van de bedrijfsvoering van eisers 1. De beroepsgrond slaagt niet.
ARN 25/5554 [eiser 2]
Geluid parkeervoorziening
6. Eiser 2 betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening gehouden is met het geluid dat afkomstig zal zijn van de parkeervoorziening. Deze parkeervoorziening grenst direct aan het perceel van eiser 2. Hij vreest voor geluidsoverlast. Ondanks dat er geen wettelijke normen zijn gesteld aan het geluid in deze situatie, moet het college zich volgens eiser 2 wel van de milieu-impact vergewissen. Dat heeft het college niet gedaan waardoor het besluit volgens eiser 2 niet zorgvuldig is voorbereid.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat parkeren ten behoeve van de woonfunctie bij recht is toegestaan. Op dat punt hoeft volgens het college niet van het bestemmingsplan te worden afgeweken. Ook mag op het perceel al geparkeerd worden ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Tegen die omgevingsvergunning is geen bezwaar gemaakt door eiser 2. Het akoestisch onderzoek dat eiser 2 bij zijn zienswijze heeft overgelegd maakt dat niet anders. In dat onderzoek wordt volgens het college uitgegaan van 51 verkeersbewegingen per dag, waarvan 26 verkeersbewegingen gedurende de dagperiode, 9 gedurende de avondperiode en 17 gedurende de nachtperiode. Dat is volgens het college geen realistische verdeling van de verkeersbewegingen. Volgens het college kan over het algemeen gesteld worden dat in de nachtperiode de minste verkeersbewegingen worden gemaakt van en naar woningen. Het college meent daarom dat geen onevenredige geluidsoverlast te verwachten valt.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
De rechtbank oordeelt dat parkeren ten behoeve van de woonfunctie weliswaar bij recht is toegestaan, maar in dit geval wijkt het college af van het bestemmingsplan voor het realiseren van zestien appartementen. Volgens het bestemmingsplan is slechts de bestaande woning toegestaan. Dit betekent dat er sprake is van een toename van vijftien woningen. Parkeren ten behoeve van in totaal zestien woningen is daarom niet bij recht toegestaan. De omgevingsvergunning brengt een intensivering van het gebruik van het perceel met zich, en daarmee ook een intensivering van het parkeren. Naast het perceel van eiser 2 worden negentien parkeerplaatsen gerealiseerd. Nu niet is erkend dat het parkeren in dit geval afwijkt van het bestemmingsplan heeft het college de belangen van eiser onvoldoende gewogen. Dat er een omgevingsvergunning is verleend voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen maakt dat niet anders. Dat is een tijdelijke situatie waar de parkeerplaatsen die met het bouwplan worden gerealiseerd geen onderdeel van uitmaken. Het college heeft wel het geluidsonderzoek dat eiser bij zijn zienswijze heeft overgelegd beoordeeld, maar ook uit die beoordeling volgt niet een kenbare belangenafweging. Het college is er ook in die beoordeling namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat parkeren ten behoeve van zestien woningen bij recht is toegestaan. De beroepsgrond slaagt.
Omvang van het gebouw
7. Eiser 2 meent dat de bouwhoogte en de oppervlakte toenemen ten opzichte van het bestaande gebouw. Dat heeft invloed op het woon- en leefklimaat van eiser 2. Er kan met de nieuwbouw in de tuin van eiser 2 gekeken worden. Het college heeft daarom te makkelijk geconcludeerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit het bestemmingsplan volgt dat de bouwhoogte maximaal 11 meter mag bedragen. De bouwhoogte van het bouwplan wordt 9,56 meter en is daarmee dus lager dan planologisch is toegestaan. De kortste afstand van het bouwplan tot het perceel van eiser is 22 meter. Het college heeft er terecht op gewezen dat enige hinder als buren geduld moet worden en dat een woonsituatie vrij van enige inkijk in de ruimtelijke ordening niet kan worden gegarandeerd. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waarom het bouwplan en de oppervlakte daarvan invloed heeft op zijn woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is van eisers 1 ongegrond. De rechtbank zal in het beroep van eisers 1 een einduitspraak doen. Eisers 1 krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
8.1.
Wat betreft het beroep van eiser 2 volgt uit overweging 6.2. dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank kan het college in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw of een aanvullend besluit, zo nodig na of tegelijkertijd met intrekking van het nu voorliggende bestreden besluit.
8.2.
Om het gebrek te herstellen moet het college een kenbare belangenafweging maken over de gevolgen van de vergunde parkeervoorziening voor eiser 2. Daarbij moet het college meewegen dat er in plaats van de toegestane vrijstaande woning zestien appartementen worden vergund. Zoals ter zitting besproken kan het college ook bezien of partijen wellicht bereid zijn op dit punt tot overeenstemming te komen als de parkeergelegenheid beter wordt ingepast. Op zitting is bijvoorbeeld gesproken over de mogelijkheid van een herstelbesluit met een voorschrift over de haag die op de situatietekening staat ingetekend, zodat de gevolgen van de parkeervoorziening voor eiser 2 enigszins zijn beperkt.
8.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.4.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.
8.5.
Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser 2 en de derde-partij in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.6.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht van eisers 2 nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
einduitspraak in de procedure met zaaknummer 25/5527:
- verklaart het beroep ongegrond.
tussenuitspraak in de procedure met zaaknummer 25/5554:
- draagt het college op om binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
In de procedure met zaaknummer ARN 25/5527
Een partij die het niet eens is met deze einduitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de procedure met zaaknummer ARN 25/5554
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Artikel 2.1, eerst lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Zie categorie 3.1 in Bijlage I bij de Crisis- en herstelwet.
Eisers 1 verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:164 en van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1162.
Uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:935.
Artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/5527 en ARN 25/5554
uitspraken van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiser 1a] V.O.F., [eiser 1b] en [eiser 1c] uit [woonplaats] , eisers 1 (ARN 25/5527)
(gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen),
[eiser 2] , uit [woonplaats] , eiser 2 (ARN 25/5554)
(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar
(gemachtigde: mr. J.R. Smit).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde partij] B.V. uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong)
en de gemeenteraad van de gemeente Zevenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de bouw van zestien appartementen. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers 1 ongegrond is. Zij krijgen dus geen gelijk. Naar aanleiding van het beroep van eiser 2 heeft de rechtbank een gebrek ten aanzien van parkeren in het bestreden besluit geconstateerd. De rechtbank doet in die zaak een tussenuitspraak en stelt het college in de gelegenheid het gebrek te repareren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 10 oktober 2024 heeft het college de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen hun zienswijze kenbaar gemaakt.
2.1.
Op 24 september 2025 heeft de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
2.2.
Op 8 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.
2.4.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- namens eisers 1: [eiser 1b] , [eiser 1c] en de gemachtigde van eisers 1;
- namens eiser 2: eiser 2 en de gemachtigde van eiser 2;
- namens het college: de gemachtigde van het college samen met [persoon 1] en
[persoon 2] ;
- namens de derde-partij: [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en de gemachtigde van de derde-partij.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op zitting behandeld met de procedures
ARN 25/1870 en ARN 25/3441.
De gemeenteraad heeft niet gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaan deze zaken over?
3. Op 19 december 2023 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van zestien appartementen op het perceel [perceel] in Pannerden. De aanvraag ziet op de activiteiten “bouwen” en “gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. Het gebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 462 m2 en wordt 9,56 meter hoog.
3.1.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Pannerden” van toepassing en de gronden hebben de bestemming “Wonen”. Binnen de aanduiding ‘vrijstaand’ is het bestaande aantal woningen toegestaan. Het bouwplan voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan, omdat het om zestien appartementen gaat in plaats van een vrijstaande woning. Ook wordt het gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak gerealiseerd. De goothoogte mag maximaal 7 meter bedragen en wordt met het bouwplan 9,56 meter. De voorgevel van het gebouw wordt niet gebouwd in de voorgevelrooilijn. Tot slot voldoet het appartementengebouw niet aan de bouwaanduiding ‘vrijstaand’.
3.2.
Het college heeft de omgevingsvergunning voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Op 10 oktober 2024 heeft het college de ontwerp-omgevingsvergunning, samen met een ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad, voor zes weken ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen een zienswijze ingediend.
3.3.
Eisers 1 zijn gevestigd op het naastgelegen perceel [perceel 2] . Volgens eisers 1 exploiteren zij daar een groothandel. Zij vrezen beperkt te worden in hun bedrijfsmogelijkheden en zijn bang dat zij klachten gaan krijgen over geluidsoverlast. Eiser 2 woont op het naastgelegen adres [adres] . Hij vreest met name voor geluidsoverlast door verkeersbewegingen van en naar de parkeerplaatsen die aangrenzend aan zijn perceel worden aangelegd.
3.4.
Op 24 september 2025 heeft de gemeenteraad een vvgb afgegeven.
3.5.
Op 8 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend, omdat volgens het college sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Crisis- en herstelwet
4. De rechtbank stelt vast dat op de in deze beroepen voorliggende omgevingsvergunning de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Het college heeft dit niet onderkend. Voor de beroepsprocedures bij de rechtbank heeft het daarom geen consequenties. De rechtbank neemt de gronden die buiten de beroepstermijn naar voren zijn gebracht daarom mee in haar beoordeling. De rechtbank wijst partijen op de informatie in de rechtsmiddelenclausule onder deze uitspraak.
ARN 25/5527 [eisers 1]
Worden eisers 1 beperkt in hun bedrijfsvoering?
5. Eisers 1 betogen dat zij beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Eisers 1 menen dat het college hun bedrijf ten onrechte heeft geschaard onder milieucategorie 1. Daardoor wordt ten onrechte een richtafstand van 0 meter aangehouden. Eisers 1 betogen dat zij een groothandel hebben in fruit. Dit valt onder milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Bij het hanteren van de juiste richtafstanden had de omgevingsvergunning niet verleend kunnen worden. Eisers 1 vrezen voor klachten over onder andere geluidsoverlast. Vanwege de aard van het bedrijf vindt aan- en afvoer door vrachtwagens en bestelbussen zowel overdag als in de avond plaats.
a. Impliciete vrijstelling gebruik
5.1.
Eisers 1 geven aan een omgevingsvergunning te hebben gekregen voor de bouw van een opslaghal op het perceel [perceel 2] , bedoeld voor de activiteiten van de groothandel in aardappelen, groenten en fruit. Eisers 1 verwijzen hiervoor naar een viertal vergunningen die het college in het verleden heeft verleend. Uit de aanvragen en tekeningen bij deze vergunningen blijkt volgens eisers ondubbelzinnig dat de bouwwerken zijn opgericht ten behoeve van opslag, verwerking en distributie van groente en fruit. Daarmee hebben eisers 1 een impliciete vrijstelling gekregen voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft volgens eisers 1 ten onrechte deze vergunningen niet betrokken bij de besluitvorming.
b. overgangsrecht
5.2.
Eisers 1 betogen dat niet kan worden uitgesloten dat de voorgaande bestemmingsplannen een bedrijfsbestemming kenden waarin het gebruik als groothandel was toegestaan. Uit de beoordeling voor de bouwvergunning van 6 augustus 1985 blijkt bijvoorbeeld dat het plan voldoet aan het bestemmingsplan. Het college heeft volgens eisers 1 ten onrechte niet onderzocht dat het gebruik van het perceel voor groothandel valt onder het gebruiksovergangsrecht.
5.3.
Het college heeft onderzocht of de bedrijfsactiviteiten van eisers 1 zijn toegestaan op deze locatie. Het college is tot de conclusie gekomen dat een groothandel niet bij recht is toegestaan. Op het perceel van eisers geldt de bestemming “Gemengd”. Binnen die bestemming is detailhandel, dienstverlening en wonen toegestaan. Het gebruik voor groothandel is niet toegestaan. Volgens het college is dit ook niet impliciet vergund, omdat de omgevingsvergunningen waar eisers 1 naar verwijzen zien op een loods voor opslag van groente en fruit. Daarin wordt niet gesproken over groothandel. Volgens het college is er ook geen sprake van gebruiksovergangsrecht. Het bestemmingsplan “Pannerden” is consoliderend, zodat in het voorgaande bestemmingsplan het gebruik voor groothandel ook niet was toegestaan. Het college heeft daarom geconcludeerd dat groothandel op het perceel van eisers 1 niet is toegestaan. Daarom is het college ook niet toegekomen aan het toetsen van de richtafstand die voor een categorie 3.1 bedrijf geldt.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning moet beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening als gevolg van het aangevraagde project. De vraag die de rechtbank in dat kader moet beantwoorden is of het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dat verband beantwoordt de rechtbank niet de rechtsvraag of de bedrijfsactiviteiten van eisers 1 legaal zijn, al dan niet via een beroep op het overgangsrecht. Dat valt buiten de omvang van het geding.
Uit de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning volgt dat is gekeken naar de vraag of de nieuwe functie hinder kan ondervinden van functies in de omgeving die planologisch zijn toegestaan. Ook is gekeken of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven aantasten. Er wordt uitgegaan van een gemengd gebied. Op het perceel van eisers 1 geldt de bestemming “Gemengd”. Deze gronden zijn bestemd voor:
Detailhandel;
Dienstverlening;
Wonen;
(…)
Bij deze functies hoort volgens de VNG-brochure een richtafstand van 0 meter binnen gemengd gebied. Dat het bouwplan gerealiseerd wordt binnen gemengd gebied staat niet ter discussie. Dat betekent dat het college er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat geen hinder te verwachten is. Bovendien is in de bestaande situatie al een woning toegestaan op het perceel van de derde-partij. Dat een appartementencomplex meer bewoners kent (en dus meer kans geeft op klachten van overlast) doet er niet aan af dat in de bestaande situatie dus al sprake is van een toegestane woning op het perceel van derde-partij. De rechtbank oordeelt daarom dat het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat geen hinder te verwachten is voor het appartementencomplex door planologisch toegestane functies in de omgeving. De omgevingsvergunning leidt niet tot beperking van de bedrijfsvoering van eisers 1. De beroepsgrond slaagt niet.
ARN 25/5554 [eiser 2]
Geluid parkeervoorziening
6. Eiser 2 betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening gehouden is met het geluid dat afkomstig zal zijn van de parkeervoorziening. Deze parkeervoorziening grenst direct aan het perceel van eiser 2. Hij vreest voor geluidsoverlast. Ondanks dat er geen wettelijke normen zijn gesteld aan het geluid in deze situatie, moet het college zich volgens eiser 2 wel van de milieu-impact vergewissen. Dat heeft het college niet gedaan waardoor het besluit volgens eiser 2 niet zorgvuldig is voorbereid.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat parkeren ten behoeve van de woonfunctie bij recht is toegestaan. Op dat punt hoeft volgens het college niet van het bestemmingsplan te worden afgeweken. Ook mag op het perceel al geparkeerd worden ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Tegen die omgevingsvergunning is geen bezwaar gemaakt door eiser 2. Het akoestisch onderzoek dat eiser 2 bij zijn zienswijze heeft overgelegd maakt dat niet anders. In dat onderzoek wordt volgens het college uitgegaan van 51 verkeersbewegingen per dag, waarvan 26 verkeersbewegingen gedurende de dagperiode, 9 gedurende de avondperiode en 17 gedurende de nachtperiode. Dat is volgens het college geen realistische verdeling van de verkeersbewegingen. Volgens het college kan over het algemeen gesteld worden dat in de nachtperiode de minste verkeersbewegingen worden gemaakt van en naar woningen. Het college meent daarom dat geen onevenredige geluidsoverlast te verwachten valt.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
De rechtbank oordeelt dat parkeren ten behoeve van de woonfunctie weliswaar bij recht is toegestaan, maar in dit geval wijkt het college af van het bestemmingsplan voor het realiseren van zestien appartementen. Volgens het bestemmingsplan is slechts de bestaande woning toegestaan. Dit betekent dat er sprake is van een toename van vijftien woningen. Parkeren ten behoeve van in totaal zestien woningen is daarom niet bij recht toegestaan. De omgevingsvergunning brengt een intensivering van het gebruik van het perceel met zich, en daarmee ook een intensivering van het parkeren. Naast het perceel van eiser 2 worden negentien parkeerplaatsen gerealiseerd. Nu niet is erkend dat het parkeren in dit geval afwijkt van het bestemmingsplan heeft het college de belangen van eiser onvoldoende gewogen. Dat er een omgevingsvergunning is verleend voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen maakt dat niet anders. Dat is een tijdelijke situatie waar de parkeerplaatsen die met het bouwplan worden gerealiseerd geen onderdeel van uitmaken. Het college heeft wel het geluidsonderzoek dat eiser bij zijn zienswijze heeft overgelegd beoordeeld, maar ook uit die beoordeling volgt niet een kenbare belangenafweging. Het college is er ook in die beoordeling namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat parkeren ten behoeve van zestien woningen bij recht is toegestaan. De beroepsgrond slaagt.
Omvang van het gebouw
7. Eiser 2 meent dat de bouwhoogte en de oppervlakte toenemen ten opzichte van het bestaande gebouw. Dat heeft invloed op het woon- en leefklimaat van eiser 2. Er kan met de nieuwbouw in de tuin van eiser 2 gekeken worden. Het college heeft daarom te makkelijk geconcludeerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit het bestemmingsplan volgt dat de bouwhoogte maximaal 11 meter mag bedragen. De bouwhoogte van het bouwplan wordt 9,56 meter en is daarmee dus lager dan planologisch is toegestaan. De kortste afstand van het bouwplan tot het perceel van eiser is 22 meter. Het college heeft er terecht op gewezen dat enige hinder als buren geduld moet worden en dat een woonsituatie vrij van enige inkijk in de ruimtelijke ordening niet kan worden gegarandeerd. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waarom het bouwplan en de oppervlakte daarvan invloed heeft op zijn woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is van eisers 1 ongegrond. De rechtbank zal in het beroep van eisers 1 een einduitspraak doen. Eisers 1 krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
8.1.
Wat betreft het beroep van eiser 2 volgt uit overweging 6.2. dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank kan het college in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw of een aanvullend besluit, zo nodig na of tegelijkertijd met intrekking van het nu voorliggende bestreden besluit.
8.2.
Om het gebrek te herstellen moet het college een kenbare belangenafweging maken over de gevolgen van de vergunde parkeervoorziening voor eiser 2. Daarbij moet het college meewegen dat er in plaats van de toegestane vrijstaande woning zestien appartementen worden vergund. Zoals ter zitting besproken kan het college ook bezien of partijen wellicht bereid zijn op dit punt tot overeenstemming te komen als de parkeergelegenheid beter wordt ingepast. Op zitting is bijvoorbeeld gesproken over de mogelijkheid van een herstelbesluit met een voorschrift over de haag die op de situatietekening staat ingetekend, zodat de gevolgen van de parkeervoorziening voor eiser 2 enigszins zijn beperkt.
8.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.4.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.
8.5.
Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser 2 en de derde-partij in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.6.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht van eisers 2 nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
einduitspraak in de procedure met zaaknummer 25/5527:
- verklaart het beroep ongegrond.
tussenuitspraak in de procedure met zaaknummer 25/5554:
- draagt het college op om binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
In de procedure met zaaknummer ARN 25/5527
Een partij die het niet eens is met deze einduitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de procedure met zaaknummer ARN 25/5554
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Artikel 2.1, eerst lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Zie categorie 3.1 in Bijlage I bij de Crisis- en herstelwet.
Eisers 1 verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:164 en van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1162.
Uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:935.
Artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).