Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5513
2026-07-13
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
AWB-25_3601
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende deugdelijk en verifieerbaar hebben gemotiveerd dat het verlies van essentieel foerageergebied niet zal leiden tot aantasting van de functionaliteit van de burcht. Beslissing op bezwaar wordt vernietigd.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2023:603 Raad van State 15-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2021:1457 Raad van State 07-07-2021
- ECLI:NL:RVS:2025:3413 Raad van State 23-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2012:BY2464 Raad van State 07-11-2012
- ECLI:NL:RVS:2018:12 Raad van State 10-01-2018
- ECLI:NL:RVS:2021:1025 Raad van State 12-05-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.388 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3601
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Valouwe Natuur, uit Harderwijk, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, gedeputeerde staten
(gemachtigde: mr. A.M. van Gerwen, mr. H.E.J. Kemerink op Schiphorst en mr. R. Jongman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Nunspeet
(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden slagen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 28 november 2024 gedeputeerde staten om handhaving verzocht van de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein De Heetkamp te Elspeet. Eiseres voert in het verzoek aan dat de compensatie van verloren leefgebied van de das tekortschiet. Van het bestaan van een Wet natuurbescherming-ontheffing of omgevingsvergunning waarin is vastgelegd hoe de compensatie gestalte wordt gegeven en welke andere maatregelen in zowel de aanlegfase als in gebruiksfase noodzakelijk zijn, is niet gebleken. Op 30 december 2024 heeft eiseres het verzoek aangevuld. Zij voert aan dat het ecologische advies waaraan partijen gebonden zouden zijn, zich beperkt tot de wijze waarop burchten en migratieroutes tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase van het bedrijventerrein beschermd (zouden) kunnen worden, maar op geen enkele wijze ingaat op dat wat eiseres in haar handhavingsverzoek aan de orde heeft gesteld, namelijk het behoud van voldoende foerageergebied. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 11 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van gedeputeerde staten en de gemachtigde van de gemeente.
Totstandkoming van het besluit
3. De gemeente is bezig met de ontwikkeling van een kleinschalig bedrijventerrein aan de zuidkant van de kern Elspeet. Daarvoor heeft de gemeenteraad in 2021 het bestemmingsplan Bedrijventerrein Elspeet vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 februari 2023. Eén van de discussiepunten in de beroepsprocedure betrof de gevolgen van het bestemmingsplan voor de diersoort de das. Op circa 100 meter afstand van het plangebied bevindt zich een dassenburcht. De Afdeling heeft in de bestemmingsplanprocedure geoordeeld dat de Wet natuurbescherming (Wnb) (oud) op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.1.
In de zomer van 2023 is de gemeente gestart met de uitvoering van het bestemmingsplan. Op 6 juli 2023 hebben gedeputeerde staten de door of namens de gemeente uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van bedrijventerrein de Heetkamp in Elspeet stilgelegd. Dit besluit hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 op schrift gesteld. Tevens hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 de gemeente gelast de overtredingen van artikel 1.11, eerste lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb (oud) te beëindigen en beëindigd te houden door de werkzaamheden op de locatie bedrijventerrein De Heetkamp te Nunspeet te staken en gestaakt te houden. Indien de gemeente hier niet aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom.
3.2.
Door eiseres zijn sinds 2021 verschillende verzoeken om handhaving ingediend. Het verzoek waar het in deze zaak over gaat is het verzoek om stillegging/handhaving van 28 november 2024 en de aanvulling daarop van 30 december 2024.
3.3.
In het verzoek van 28 november 2024 verzoekt eiseres: “om handhavend op te treden tegen de hervatte werkzaamheden van gemeente Nunspeet voor de aanleg van bedrijventerrein De Heetkamp, dat ten koste gaat van het leefgebied en secundair foerageergebied van de das, omdat de compensatie van verloren leefgebied tekortschiet. Hierop zijn de compensatierekenregels zoals beschreven in het interprovinciale Kennisdocument Das (BIJ12, 2017) en/of beheermaatregelen uit bijlage 4 van de Beleidsregels Soortenbescherming van toepassing, ondanks dat het niet gaat om de aanleg van een zonnepark. Er is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend waarin de compensatie is vastgelegd en waarin is bepaald welke andere maatregelen noodzakelijk zijn in de aanleg- en gebruiksfase. Er is geen gezamenlijk gedragen ecologisch rapport beschikbaar. Bezwaarmaker verzoekt GS de werkzaamheden stil te leggen in afwachting van een ecologisch rapport en een onherroepelijk besluit daarop.”
3.4.
Op 30 december 2024 dient eiseres een aanvullend handhavingsverzoek in, omdat de gemeente Nunspeet nog niet zou hebben voldaan aan de compensatie van verloren foerageergebied van de das. De hoofdburcht ligt op enkele tientallen meters van het bedrijventerrein. Compensatie is noodzakelijk, omdat er geen alternatieve foerageergebieden zijn. Het ecologisch advies van Wiegel & Mos van 20 december 2024 (hierna: het advies van Wiegel & Mos), dat ten grondslag ligt aan het besluit van gedeputeerde staten tot afdoening van alle procedures met de gemeente Nunspeet van 23 december 2024, gaat niet in op het behoud van voldoende foerageergebied, waarop het handhavingsverzoek ziet. Het is onduidelijk op welke gegevens en bronnen dit advies is gebaseerd en of daarin de door bezwaarmaker aangeleverde grondbalans is meegenomen.
3.5.
Op 11 maart 2025 hebben gedeputeerde staten het verzoek om handhaving afgewezen, tegen dit besluit is eiseres in bezwaar gegaan. In het bestreden besluit van 23 juli 2025 is een nadere motivering gegeven dat er volgens gedeputeerde staten geen sprake is van een overtreding, omdat er voldoende foerageergebied beschikbaar is voor de das. Bij de opgelegde last onder bestuursdwang en last onder dwangsom van 12 juli 2023 was er sprake van werkzaamheden die werden uitgevoerd zonder ontheffing op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, waardoor er volgens gedeputeerde staten wel sprake was van een overtreding. Na het maken van bestuurlijke afspraken zijn de lasten op 20 februari 2025 ingetrokken. Gedeputeerde staten blijven van mening, zoals ook in de beroepsprocedure tegen de gemeente is betoogd, dat er op 12 juli 2023 sprake was van een overtreding. Naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken is gezocht naar een gezamenlijke oplossing en is onder andere het ecologisch werkprotocol door Blom Ecologie opgesteld. Met dit werkprotocol worden de afspraken voldoende geborgd en is er volgens gedeputeerde staten niet langer sprake van een overtreding.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijke grondslag
4. In het bestreden besluit is als wettelijke grondslag artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb gehanteerd. Deze wet is komen te vervallen met de invoering van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) per 1 januari 2024. Het verzoek om handhaving is ingediend na 1 januari 2024, zodat geen overgangsrecht geldt. Het wettelijk kader van de Omgevingswet is daarom op het handhavingsverzoek van toepassing en niet de Wnb. Gedeputeerde staten hebben de wettelijke grondslag in de beslissing op bezwaar hersteld. Artikel 11.54, eerste lid, onder b, van het Bal is van toepassing op het bestreden besluit.
Toetsingskader
5. De das is een beschermde inheemse soort, zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder b van het Bal samen bepalen, ten aanzien van de das, dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:
de das opzettelijk te doden of te vangen, en;
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
5.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat foerageergebieden in beginsel niet worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb (oud), zoals ook al het geval was onder het daarvoor geldende regime van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Deze jurisprudentie is ook onder de Omgevingswet nog van toepassing. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling over artikel 11 van de Ffw, op grond waarvan het verboden was om voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te vernielen of te verstoren, golden op dit uitgangspunt twee uitzonderingen.
5.2.
De eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageergebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats.
5.3.
De tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageergebieden die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
Plattegrond ter illustratie.
Inleiding
6. In het aanvullende beroepschrift en ter zitting heeft eiseres, op basis van door haarzelf verzamelde beelden, verduidelijkt dat de migratieroutes naar gebied A en B inmiddels door de das in gebruik zijn genomen. Het aspect met betrekking tot de migratieroutes is daarom geen punt van geschil meer. De rechtbank zal daarover dan ook geen oordeel meer geven. Eiseres betoogt echter nog wel dat de compensatie voor het verloren foerageergebied onvoldoende is en dat beheerafspraken voor de compensatiegronden ontbreken.
Is er sprake van een overtreding?
Is er sprake van verlies van essentieel foerageergebied?
7. Eiseres stelt dat sprake is van een overtreding, omdat sprake is van verlies van essentieel foerageergebied en dit onvoldoende is gecompenseerd. Uitwijkmogelijkheden naar gebied B zijn volgens eiseres veel beperkter dan wordt gesteld, omdat gebied B tot het territorium van een andere dassenclan (de clan ‘Elspeterbosch’) blijkt te behoren. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van zodanig verlies van essentieel leefgebied dat de functionaliteit van de dassenburcht wordt aangetast. Deze formulering is echter onduidelijk, omdat zij suggereert dat verschillende soorten verlies bestaan. De Afdeling maakt dit onderscheid niet: verlies van foerageergebied is óf essentieel voor de functionaliteit van de burcht, óf dat is niet het geval. Bij essentieel verlies is compensatie verplicht. De Afdeling heeft ook erkend dat zelfs een klein verlies (namelijk in de zaak bij de Afdeling 0,33 hectare; aanzienlijk minder dan de minimaal 3,5 hectare in het onderhavige geval) van secundair foerageergebied (zoals maïsland in het onderhavige geval) als een verlies van essentieel foerageergebied moet worden aangemerkt, zelfs als de dichtstbijzijnde dassenburcht zich op 200 meter afstand bevindt. In het onderhavige geval ligt de burcht veel dichterbij het plangebied. Eiseres wijst ter onderbouwing op uitspraken van de Afdeling van 27 juli 2025, van 7 november 2012, van 10 januari 2018, en van 12 mei 2021. Daarnaast verwijst eiseres naar het artikel van [persoon] ‘Een territoriale diersoort kent geen niet-essentieel leefgebied’.
7.1.
Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van een overtreding. Volgens gedeputeerde staten is geen sprake van zodanig verlies van essentieel foerageergebied dat dit leidt tot aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. In opdracht van de gemeente is, met in achtneming van het advies van Wiegel & Mos, inmiddels door Blom Ecologie een ecologisch werkprotocol opgesteld. Uit dit werkprotocol blijkt dat de door Wiegel & Mos geadviseerde maatregelen, zoals het nauwkeurig en hermetisch afsluiten van het rasterwerk van het bedrijventerrein, zijn uitgevoerd. Voor de aanlegfase zijn de aandachtspunten uit het rapport van Wiegel & Mos eveneens opgenomen in het ecologisch werkprotocol en deels uitgevoerd. Daarbij zijn monitoringsmaatregelen opgenomen. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van verlies van essentieel foerageergebied en dat de functionaliteit van de dassenburcht niet wordt aangetast. Door de in het ecologisch werkprotocol opgenomen maatregelen is gegarandeerd dat de looproutes van de das naar het zuidwesten en de foerageergebieden ten noordoosten beschikbaar blijven. Hierdoor zou de aantasting van het foerageergebied voldoende zijn gecompenseerd.
7.2.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende deugdelijk en verifieerbaar hebben gemotiveerd dat het verlies van essentieel foerageergebied niet zal leiden tot aantasting van de functionaliteit van de burcht en dat daarom ten tijde van de afwijzing van het handhavingsverzoek geen sprake zou zijn van een overtreding van artikel 11.54, eerste lid, onder b, van het Bal. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van zodanig verlies van essentieel foerageergebied dat dit leidt tot aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. In de beslissing op bezwaar is gemotiveerd dat voldoende foerageergebied aanwezig is en zal worden gecompenseerd. De rechtbank acht echter onvoldoende deugdelijk gemotiveerd hoeveel essentieel foerageergebied precies verloren is gegaan, hoeveel hiervoor is gecompenseerd en waarom gedeputeerde staten menen dat dit niet zou leiden tot aantasting van de dassenburcht. Zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, wordt bij verlies van essentieel foerageergebied in beginsel aangenomen dat sprake is van aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. Bij verlies van essentieel foerageergebied is compensatie daarom verplicht of zal een ontheffing moeten worden verleend. Eiseres heeft aangevoerd dat de compensatie tekortschiet en heeft ter onderbouwing in het aanvullende beroepschrift verwezen naar de becijferde grondbalans van vóór en na de ingreep. Hieruit blijkt dat het foerageergebied voor de das afneemt van netto 15,1 hectare naar 14,6 hectare. In deze berekening heeft eiseres meegenomen dat het voormalige bouwlandperceel 5842 inmiddels is omgezet in grasklaverland. Gedeputeerde staten hebben deze cijfers niet betwist en ook geen eigen cijfers aangevoerd waaruit blijkt hoeveel foerageergebied netto verloren gaat of bijkomt. De rechtbank merkt daarnaast op dat in het in opdracht van gedeputeerde staten uitgevoerde onderzoek, het rapport van Econsultancy, juist wordt aangegeven dat het de vraag is of de huidige compensatie voldoende leefgebied biedt om de dassengroep duurzaam te behouden.
7.3.
De rechtbank merkt verder op dat uit het rapport “Monitoring das bedrijventerrein Elspeet november 2024 - december 2025” blijkt dat de kraamburcht zijn voortplantingsfunctie heeft behouden, maar dat dit het oordeel niet anders maakt. Het rapport dateert immers van ná de bestreden beslissing op bezwaar. Daarnaast kan uit het rapport niet worden opgemaakt dat meer dan één das is geboren. Aangezien de functionaliteit van een dassenburcht ook kan zijn aangetast wanneer sprake is van een geleidelijke terugloop van de dassenpopulatie, kan op grond van dit rapport, zo betoogt eiseres terecht, niet worden vastgesteld dat geen sprake is van aantasting van de dassenburcht. Ook bij de geboorte van slechts één das kan immers nog steeds sprake zijn van een geleidelijke terugloop.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Voor finale geschillenbeslechting ziet de rechtbank geen aanleiding, gelet op het onder 7.2 geschetste toetsingskader. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar wordt vernietigd. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten de proceskosten van eiseres vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- aan haar vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van eiseres van
€ 1.868,-;
- draagt het college op het griffierecht van eiseres van € 385,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
de griffier is niet in staat de uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2023:603.
ECLI:NL:RVS:2021:1457.
ECLI:NL:RVS:2025:3413.
ECLI:NL:RVS:2012:BY2464.
ECLI:NL:RVS:2018:12.
ECLI:NL:RVS:2021:1025.
Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht 2026, p. 18-23.
Econsultancy “Rapportage second opinion noodzaak ontheffingsaanvraag das Heetkamp”, 9 november 2023.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3601
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Valouwe Natuur, uit Harderwijk, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, gedeputeerde staten
(gemachtigde: mr. A.M. van Gerwen, mr. H.E.J. Kemerink op Schiphorst en mr. R. Jongman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Nunspeet
(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden slagen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 28 november 2024 gedeputeerde staten om handhaving verzocht van de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein De Heetkamp te Elspeet. Eiseres voert in het verzoek aan dat de compensatie van verloren leefgebied van de das tekortschiet. Van het bestaan van een Wet natuurbescherming-ontheffing of omgevingsvergunning waarin is vastgelegd hoe de compensatie gestalte wordt gegeven en welke andere maatregelen in zowel de aanlegfase als in gebruiksfase noodzakelijk zijn, is niet gebleken. Op 30 december 2024 heeft eiseres het verzoek aangevuld. Zij voert aan dat het ecologische advies waaraan partijen gebonden zouden zijn, zich beperkt tot de wijze waarop burchten en migratieroutes tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase van het bedrijventerrein beschermd (zouden) kunnen worden, maar op geen enkele wijze ingaat op dat wat eiseres in haar handhavingsverzoek aan de orde heeft gesteld, namelijk het behoud van voldoende foerageergebied. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 11 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van gedeputeerde staten en de gemachtigde van de gemeente.
Totstandkoming van het besluit
3. De gemeente is bezig met de ontwikkeling van een kleinschalig bedrijventerrein aan de zuidkant van de kern Elspeet. Daarvoor heeft de gemeenteraad in 2021 het bestemmingsplan Bedrijventerrein Elspeet vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 februari 2023. Eén van de discussiepunten in de beroepsprocedure betrof de gevolgen van het bestemmingsplan voor de diersoort de das. Op circa 100 meter afstand van het plangebied bevindt zich een dassenburcht. De Afdeling heeft in de bestemmingsplanprocedure geoordeeld dat de Wet natuurbescherming (Wnb) (oud) op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.1.
In de zomer van 2023 is de gemeente gestart met de uitvoering van het bestemmingsplan. Op 6 juli 2023 hebben gedeputeerde staten de door of namens de gemeente uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van bedrijventerrein de Heetkamp in Elspeet stilgelegd. Dit besluit hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 op schrift gesteld. Tevens hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 de gemeente gelast de overtredingen van artikel 1.11, eerste lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb (oud) te beëindigen en beëindigd te houden door de werkzaamheden op de locatie bedrijventerrein De Heetkamp te Nunspeet te staken en gestaakt te houden. Indien de gemeente hier niet aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom.
3.2.
Door eiseres zijn sinds 2021 verschillende verzoeken om handhaving ingediend. Het verzoek waar het in deze zaak over gaat is het verzoek om stillegging/handhaving van 28 november 2024 en de aanvulling daarop van 30 december 2024.
3.3.
In het verzoek van 28 november 2024 verzoekt eiseres: “om handhavend op te treden tegen de hervatte werkzaamheden van gemeente Nunspeet voor de aanleg van bedrijventerrein De Heetkamp, dat ten koste gaat van het leefgebied en secundair foerageergebied van de das, omdat de compensatie van verloren leefgebied tekortschiet. Hierop zijn de compensatierekenregels zoals beschreven in het interprovinciale Kennisdocument Das (BIJ12, 2017) en/of beheermaatregelen uit bijlage 4 van de Beleidsregels Soortenbescherming van toepassing, ondanks dat het niet gaat om de aanleg van een zonnepark. Er is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend waarin de compensatie is vastgelegd en waarin is bepaald welke andere maatregelen noodzakelijk zijn in de aanleg- en gebruiksfase. Er is geen gezamenlijk gedragen ecologisch rapport beschikbaar. Bezwaarmaker verzoekt GS de werkzaamheden stil te leggen in afwachting van een ecologisch rapport en een onherroepelijk besluit daarop.”
3.4.
Op 30 december 2024 dient eiseres een aanvullend handhavingsverzoek in, omdat de gemeente Nunspeet nog niet zou hebben voldaan aan de compensatie van verloren foerageergebied van de das. De hoofdburcht ligt op enkele tientallen meters van het bedrijventerrein. Compensatie is noodzakelijk, omdat er geen alternatieve foerageergebieden zijn. Het ecologisch advies van Wiegel & Mos van 20 december 2024 (hierna: het advies van Wiegel & Mos), dat ten grondslag ligt aan het besluit van gedeputeerde staten tot afdoening van alle procedures met de gemeente Nunspeet van 23 december 2024, gaat niet in op het behoud van voldoende foerageergebied, waarop het handhavingsverzoek ziet. Het is onduidelijk op welke gegevens en bronnen dit advies is gebaseerd en of daarin de door bezwaarmaker aangeleverde grondbalans is meegenomen.
3.5.
Op 11 maart 2025 hebben gedeputeerde staten het verzoek om handhaving afgewezen, tegen dit besluit is eiseres in bezwaar gegaan. In het bestreden besluit van 23 juli 2025 is een nadere motivering gegeven dat er volgens gedeputeerde staten geen sprake is van een overtreding, omdat er voldoende foerageergebied beschikbaar is voor de das. Bij de opgelegde last onder bestuursdwang en last onder dwangsom van 12 juli 2023 was er sprake van werkzaamheden die werden uitgevoerd zonder ontheffing op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, waardoor er volgens gedeputeerde staten wel sprake was van een overtreding. Na het maken van bestuurlijke afspraken zijn de lasten op 20 februari 2025 ingetrokken. Gedeputeerde staten blijven van mening, zoals ook in de beroepsprocedure tegen de gemeente is betoogd, dat er op 12 juli 2023 sprake was van een overtreding. Naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken is gezocht naar een gezamenlijke oplossing en is onder andere het ecologisch werkprotocol door Blom Ecologie opgesteld. Met dit werkprotocol worden de afspraken voldoende geborgd en is er volgens gedeputeerde staten niet langer sprake van een overtreding.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijke grondslag
4. In het bestreden besluit is als wettelijke grondslag artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb gehanteerd. Deze wet is komen te vervallen met de invoering van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) per 1 januari 2024. Het verzoek om handhaving is ingediend na 1 januari 2024, zodat geen overgangsrecht geldt. Het wettelijk kader van de Omgevingswet is daarom op het handhavingsverzoek van toepassing en niet de Wnb. Gedeputeerde staten hebben de wettelijke grondslag in de beslissing op bezwaar hersteld. Artikel 11.54, eerste lid, onder b, van het Bal is van toepassing op het bestreden besluit.
Toetsingskader
5. De das is een beschermde inheemse soort, zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder b van het Bal samen bepalen, ten aanzien van de das, dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:
de das opzettelijk te doden of te vangen, en;
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
5.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat foerageergebieden in beginsel niet worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb (oud), zoals ook al het geval was onder het daarvoor geldende regime van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Deze jurisprudentie is ook onder de Omgevingswet nog van toepassing. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling over artikel 11 van de Ffw, op grond waarvan het verboden was om voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te vernielen of te verstoren, golden op dit uitgangspunt twee uitzonderingen.
5.2.
De eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageergebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats.
5.3.
De tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageergebieden die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
Plattegrond ter illustratie.
Inleiding
6. In het aanvullende beroepschrift en ter zitting heeft eiseres, op basis van door haarzelf verzamelde beelden, verduidelijkt dat de migratieroutes naar gebied A en B inmiddels door de das in gebruik zijn genomen. Het aspect met betrekking tot de migratieroutes is daarom geen punt van geschil meer. De rechtbank zal daarover dan ook geen oordeel meer geven. Eiseres betoogt echter nog wel dat de compensatie voor het verloren foerageergebied onvoldoende is en dat beheerafspraken voor de compensatiegronden ontbreken.
Is er sprake van een overtreding?
Is er sprake van verlies van essentieel foerageergebied?
7. Eiseres stelt dat sprake is van een overtreding, omdat sprake is van verlies van essentieel foerageergebied en dit onvoldoende is gecompenseerd. Uitwijkmogelijkheden naar gebied B zijn volgens eiseres veel beperkter dan wordt gesteld, omdat gebied B tot het territorium van een andere dassenclan (de clan ‘Elspeterbosch’) blijkt te behoren. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van zodanig verlies van essentieel leefgebied dat de functionaliteit van de dassenburcht wordt aangetast. Deze formulering is echter onduidelijk, omdat zij suggereert dat verschillende soorten verlies bestaan. De Afdeling maakt dit onderscheid niet: verlies van foerageergebied is óf essentieel voor de functionaliteit van de burcht, óf dat is niet het geval. Bij essentieel verlies is compensatie verplicht. De Afdeling heeft ook erkend dat zelfs een klein verlies (namelijk in de zaak bij de Afdeling 0,33 hectare; aanzienlijk minder dan de minimaal 3,5 hectare in het onderhavige geval) van secundair foerageergebied (zoals maïsland in het onderhavige geval) als een verlies van essentieel foerageergebied moet worden aangemerkt, zelfs als de dichtstbijzijnde dassenburcht zich op 200 meter afstand bevindt. In het onderhavige geval ligt de burcht veel dichterbij het plangebied. Eiseres wijst ter onderbouwing op uitspraken van de Afdeling van 27 juli 2025, van 7 november 2012, van 10 januari 2018, en van 12 mei 2021. Daarnaast verwijst eiseres naar het artikel van [persoon] ‘Een territoriale diersoort kent geen niet-essentieel leefgebied’.
7.1.
Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van een overtreding. Volgens gedeputeerde staten is geen sprake van zodanig verlies van essentieel foerageergebied dat dit leidt tot aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. In opdracht van de gemeente is, met in achtneming van het advies van Wiegel & Mos, inmiddels door Blom Ecologie een ecologisch werkprotocol opgesteld. Uit dit werkprotocol blijkt dat de door Wiegel & Mos geadviseerde maatregelen, zoals het nauwkeurig en hermetisch afsluiten van het rasterwerk van het bedrijventerrein, zijn uitgevoerd. Voor de aanlegfase zijn de aandachtspunten uit het rapport van Wiegel & Mos eveneens opgenomen in het ecologisch werkprotocol en deels uitgevoerd. Daarbij zijn monitoringsmaatregelen opgenomen. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van verlies van essentieel foerageergebied en dat de functionaliteit van de dassenburcht niet wordt aangetast. Door de in het ecologisch werkprotocol opgenomen maatregelen is gegarandeerd dat de looproutes van de das naar het zuidwesten en de foerageergebieden ten noordoosten beschikbaar blijven. Hierdoor zou de aantasting van het foerageergebied voldoende zijn gecompenseerd.
7.2.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende deugdelijk en verifieerbaar hebben gemotiveerd dat het verlies van essentieel foerageergebied niet zal leiden tot aantasting van de functionaliteit van de burcht en dat daarom ten tijde van de afwijzing van het handhavingsverzoek geen sprake zou zijn van een overtreding van artikel 11.54, eerste lid, onder b, van het Bal. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van zodanig verlies van essentieel foerageergebied dat dit leidt tot aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. In de beslissing op bezwaar is gemotiveerd dat voldoende foerageergebied aanwezig is en zal worden gecompenseerd. De rechtbank acht echter onvoldoende deugdelijk gemotiveerd hoeveel essentieel foerageergebied precies verloren is gegaan, hoeveel hiervoor is gecompenseerd en waarom gedeputeerde staten menen dat dit niet zou leiden tot aantasting van de dassenburcht. Zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, wordt bij verlies van essentieel foerageergebied in beginsel aangenomen dat sprake is van aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. Bij verlies van essentieel foerageergebied is compensatie daarom verplicht of zal een ontheffing moeten worden verleend. Eiseres heeft aangevoerd dat de compensatie tekortschiet en heeft ter onderbouwing in het aanvullende beroepschrift verwezen naar de becijferde grondbalans van vóór en na de ingreep. Hieruit blijkt dat het foerageergebied voor de das afneemt van netto 15,1 hectare naar 14,6 hectare. In deze berekening heeft eiseres meegenomen dat het voormalige bouwlandperceel 5842 inmiddels is omgezet in grasklaverland. Gedeputeerde staten hebben deze cijfers niet betwist en ook geen eigen cijfers aangevoerd waaruit blijkt hoeveel foerageergebied netto verloren gaat of bijkomt. De rechtbank merkt daarnaast op dat in het in opdracht van gedeputeerde staten uitgevoerde onderzoek, het rapport van Econsultancy, juist wordt aangegeven dat het de vraag is of de huidige compensatie voldoende leefgebied biedt om de dassengroep duurzaam te behouden.
7.3.
De rechtbank merkt verder op dat uit het rapport “Monitoring das bedrijventerrein Elspeet november 2024 - december 2025” blijkt dat de kraamburcht zijn voortplantingsfunctie heeft behouden, maar dat dit het oordeel niet anders maakt. Het rapport dateert immers van ná de bestreden beslissing op bezwaar. Daarnaast kan uit het rapport niet worden opgemaakt dat meer dan één das is geboren. Aangezien de functionaliteit van een dassenburcht ook kan zijn aangetast wanneer sprake is van een geleidelijke terugloop van de dassenpopulatie, kan op grond van dit rapport, zo betoogt eiseres terecht, niet worden vastgesteld dat geen sprake is van aantasting van de dassenburcht. Ook bij de geboorte van slechts één das kan immers nog steeds sprake zijn van een geleidelijke terugloop.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Voor finale geschillenbeslechting ziet de rechtbank geen aanleiding, gelet op het onder 7.2 geschetste toetsingskader. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar wordt vernietigd. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten de proceskosten van eiseres vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- aan haar vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van eiseres van
€ 1.868,-;
- draagt het college op het griffierecht van eiseres van € 385,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
de griffier is niet in staat de uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2023:603.
ECLI:NL:RVS:2021:1457.
ECLI:NL:RVS:2025:3413.
ECLI:NL:RVS:2012:BY2464.
ECLI:NL:RVS:2018:12.
ECLI:NL:RVS:2021:1025.
Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht 2026, p. 18-23.
Econsultancy “Rapportage second opinion noodzaak ontheffingsaanvraag das Heetkamp”, 9 november 2023.