Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5510
2026-07-13
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
AWB-24_4536
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat de gemeente niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokken bestuurlijke besluitvorming tot schade heeft geleid.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2023:603 Raad van State 15-02-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4846 Rechtbank Gelderland 25-08-2023
- ECLI:NL:RVS:2019:3415 Raad van State 09-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:497 Raad van State 20-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2017:1581 Raad van State 14-06-2017
- ECLI:NL:RVS:2025:4553 Raad van State 24-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.659 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4536
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
de gemeente Nunspeet, de gemeente
(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, gedeputeerde staten
(gemachtigde: mr. A.M. van Gerwen, mr. H.E.J. Kemerink op Schiphorst en mr. R. Jongman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Valouwe Natuur uit Harderwijk,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van gedeputeerde staten van van 27 mei 2024 (hierna: de beslissing op bezwaar) waarmee gedeputeerde staten de handhavingsbesluiten van 12 juli 2023 in stand hebben gelaten.
1.1.
Gedeputeerde staten hebben de beslissing op bezwaar op 20 februari 2025 ingetrokken (hierna: het intrekkingsbesluit). Het beroep gaat volgens artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook over het intrekkingsbesluit.
1.2.
De gemeente is het niet eens met de beslissing op bezwaar en de motivering van het intrekkingsbesluit dat de handhavingsbesluiten rechtmatig zijn genomen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gemeente geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beslissing op bezwaar omdat de beslissing op bezwaar is ingetrokken en de gemeente niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. De gemeente heeft ook geen belang bij het beroep voor zover dat gaat over het intrekkingsbesluit, omdat de gemeente met de intrekking heeft bereikt wat zij wilde. De gemeente krijgt dus geen gelijk en het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.4.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 6 juli 2023 heeft een toezichthouder van gedeputeerde staten een controle uitgevoerd op het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein De Heetkamp in Elspeet. De toezichthouder heeft tijdens het controlebezoek namens het college zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast. Hij heeft mondeling geboden om alle activiteiten op het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein De Heetkamp die een overtreding inhouden van de verbodsbepaling van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) direct te (laten) staken en gestaakt te houden.
2.1.
In het besluit van 12 juli 2023 hebben gedeputeerde staten vervolgens de op 6 juli 2023 toegepaste zeer spoedeisende bestuursdwang bevestigd en een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat zich opnieuw overtredingen van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voordoen.
2.2.
De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
In de beslissing op bezwaar van 27 mei 2024 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van de gemeente ongegrond verklaard.
2.4.
De gemeente heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.5.
Met het intrekkingsbesluit van 20 februari 2025 hebben gedeputeerde staten de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit ingetrokken.
2.6.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de gemeente, de gemachtigden van gedeputeerde staten en de gemachtigde van de derde-partij.
Waar gaat deze zaak over?
3. De gemeente is bezig met de ontwikkeling van een kleinschalig bedrijventerrein aan de zuidkant van de kern Elspeet. Daarvoor heeft de gemeenteraad in 2021 het bestemmingsplan Bedrijventerrein Elspeet vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 februari 2023. Eén van de discussiepunten in de beroepsprocedure betrof de gevolgen van het bestemmingsplan voor de diersoort de das. Op circa 100 meter afstand van het plangebied bevindt zich een dassenburcht. De Afdeling heeft in de bestemmingsplanprocedure geoordeeld dat de Wnb (oud) op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.1.
In de zomer van 2023 is de gemeente gestart met de uitvoering van het bestemmingsplan. Op 6 juli 2023 hebben gedeputeerde staten zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast en de door of namens de gemeente uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van bedrijventerrein de Heetkamp in Elspeet stilgelegd. Dit besluit hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 op schrift gesteld. Tevens hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 de gemeente gelast de overtredingen van artikel 1.11, eerste lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb te beëindigen en beëindigd te houden door de werkzaamheden op de locatie bedrijventerrein De Heetkamp te Nunspeet te staken en gestaakt te houden. Indien de gemeente hier niet aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom.
3.2.
De gemeente kon zich hiermee niet verenigen en heeft een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de door gedeputeerde staten te nemen beslissing op bezwaar. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat een onafhankelijk deskundige onderzoek zal doen naar de gevolgen van de nog uit te voeren werkzaamheden voor de omvang van het essentiële foerageergebied van de aanwezige dassen en de migratiemogelijkheden van de das vanuit het zuidelijk deelgebied (aan de zijde van De Heetkamp) naar het noordelijk en westelijk deelgebied, en of daarmee de functionaliteit van de aanwezige burchten wordt aangetast. De gemachtigde van de gemeente heeft ter zitting toegelicht dat een beplantingsplan is opgesteld. Op deze manier wil de gemeente bewerkstelligen dat de dassen na de realisering van het bedrijventerrein via een migratieroute aan de oostkant van het plangebied het noordoostelijke essentiële foerageergebied kunnen bereiken. Partijen zijn overeengekomen dat, zolang de route genoemd in het beplantingsplan niet functioneel is, de middenmigratieroute beschikbaar blijft en de bomen bij de oude bosgroeiplaats niet worden gekapt.
3.3.
Gedeputeerde staten hebben aan Econsultancy opdracht gegeven om vast te stellen of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb voor de das noodzakelijk is voor de realisering en ontwikkeling van het bedrijventerrein. Op 9 november 2023 heeft Econsultancy een rapport uitgebracht (hierna: het rapport van Econsultancy).
3.4.
Na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de gemeente de werkzaamheden hervat. Vervolgens heeft een provinciale toezichthouder tijdens een controle vastgesteld dat de noordoostelijke route (zoals weergegeven in het beplantingsplan) nog niet functioneel is, de volledige oude bosgroeiplaats is gekapt en de middenmigratieroute volledig is afgesloten. Op verzoek van gedeputeerde staten heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 10 april 2024 de schorsing opgeheven, omdat het de gemeente zich niet aan één van de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Op 27 mei 2024 hebben gedeputeerde staten de beslissing op het bezwaarschrift van de gemeente genomen en het handhavingsbesluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. De gemeente is tegen dit besluit in beroep gegaan.
3.5.
Gedeputeerde staten en de gemeente hebben getracht er samen uit te komen. Op 4 september 2024 en 10 februari 2025 hebben gesprekken plaatsgevonden die hebben geleid tot bestuurlijke afspraken. Deze afspraken zijn verwoord in de brief van gedeputeerde staten van 20 februari 2025 aan de gemeente en betreffen onder meer de status van de oude bosgroeiplaats, het advies van ecologen over het leefgebied van de das en het beëindigen van de bestuursrechtelijke procedures.
3.6.
Op 22 april 2025 heeft de gemeente aan de rechtbank laten weten dat zij instemt met het besluit van 20 februari 2025, voor zover daarin de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit zijn ingetrokken. De gemeente stemt echter niet in met de motivering van het besluit. In de motivering wordt opgemerkt dat gedeputeerde staten het ingetrokken handhavingsbesluit en de beslissing op bezwaar rechtmatig zouden hebben genomen. De gemeente kan zich hiermee niet verenigen en stelt dat het handhavingsbesluit en de beslissing op bezwaar onjuist en onrechtmatig zijn. De gemeente stelt schade te hebben geleden als gevolg van deze onrechtmatige besluitvorming.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Iow op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 12 juli 2023 hebben gedeputeerde staten aan de gemeente een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft inzake de beoordeling van het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom.
Inleiding
5. De gemeente betoogt dat het handhavingsbesluit en de beslissing op bezwaar onjuist en onrechtmatig zijn. De gemeente stemt in met het intrekkingsbesluit, voor zover daarin de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit zijn ingetrokken. De gemeente stemt echter niet in met de motivering van dit besluit. Verder betoogt de gemeente dat de beslissing op bezwaar en het handhavingsbesluit onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, dat er geen aanleiding was om (zeer) spoedeisende bestuursdwang toe te passen en dat de last te rechtsonzeker en te verstrekkend was. De rechtbank moet, voordat zij kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling, beoordelen of sprake is van procesbelang ten aanzien van het beroep tegen de beslissing op bezwaar en het intrekkingsbesluit.
Heeft de gemeente procesbelang?
6. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende met het rechtsmiddel voor ogen staat, kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Wanneer de last nadien is ingetrokken, zoals in dit geval, is wel van belang of belanghebbende nog feitelijk iets met zijn beroep kan bereiken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van de betrokken bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit.
Procesbelang ten aanzien van de beslissing op bezwaar
7. De gemeente stelt schade te hebben geleden als gevolg van de beslissing op bezwaar. Zij heeft daarom nog belang bij het door haar ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar, zo betoogt zij. De ontwikkeling van het bedrijventerrein, die door de handhavingsbesluiten ten onrechte is stilgelegd, heeft grote vertraging opgelopen, met vertragingsschade tot gevolg. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gemeente toegelicht waaruit deze vertragingsschade onder meer bestaat. Zo bestaat de schade bijvoorbeeld uit € 48.000,- aan extra kosten voor het langer moeten huren van rijplaten. Voor het langer moeten opslaan van mest zou het college € 12.000,- schade hebben geleden. Daarnaast stelt de gemeente dat zij omvangrijke extra kosten heeft moeten maken, onder meer bestaande uit extra civieltechnische kosten, extra kosten voor de aannemer en extra onderzoekskosten. Onder meer deze schade wenst de gemeente vergoed te verkrijgen.
7.1.
Gedeputeerde staten stellen dat de gemeente niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade als gevolg van de beslissing op bezwaar. Volgens gedeputeerde staten heeft de gemeente nooit onderbouwd welke schade zij daadwerkelijk heeft geleden door de beslissing op bezwaar. Daarom ontbreekt volgens gedeputeerde staten een procesbelang.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokken bestuurlijke besluitvorming tot schade heeft geleid. De gemeente stelt schade te hebben geleden doordat de ontwikkeling van het bedrijventerrein door de handhavingsbesluiten ten onrechte is stilgelegd. Hierdoor zou grote vertraging zijn ontstaan, met vertragingsschade tot gevolg. De rechtbank overweegt dat de gemeente haar stelling dat zij door de beslissing op bezwaar extra civieltechnische kosten, extra kosten voor de aannemer, en extra onderzoekskosten heeft gemaakt niet heeft onderbouwd, ook niet nadat gedeputeerde staten zich in het verweerschrift op het standpunt hebben gesteld dat procesbelang ontbreekt omdat niet aannemelijk is dat de gemeente door de beslissing op bezwaar schade heeft geleden. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gemeente weliswaar een aantal voorbeelden gegeven van de gestelde schade, maar haar stelling dat die schade het gevolg is van de beslissing op bezwaar heeft zij ook niet onderbouwd. Bovendien hebben gedeputeerde staten de ter zitting gestelde schade gemotiveerd betwist. Zo hebben zij aangevoerd dat de rijplaten en de mest ook hadden kunnen worden verwijderd, bij twijfel desnoods in overleg met gedeputeerde staten, en dat die gestelde schade dus niet het gevolg is van de beslissing op bezwaar. De rechtbank kan die redenering volgen. De rechtbank oordeelt daarom dat de gemeente met het enkel noemen van schadeposten en -bedragen niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van deze beslissing op bezwaar. De gestelde schade ten gevolge van extra civieltechnische kosten, extra kosten voor de aannemer en extra onderzoekskosten is bovendien in zijn geheel niet verder geconcretiseerd of onderbouwd.
Procesbelang ten aanzien van het intrekkingsbesluit
8. De gemeente stemt in met het bestreden besluit van gedeputeerde staten van 20 februari 2025, voor zover daarin de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit zijn ingetrokken. Het beroep van de gemeente is gericht tegen de motivering van dit besluit.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat met de intrekking van de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit dat wat de gemeente beoogde is bereikt, namelijk het beëindigen van de handhavingsprocedure. De gemeente heeft daarom geen belang bij het tegen het intrekkingsbesluit van rechtswege ontstane beroep. Een gewenste beoordeling van de motivering is geen reden om procesbelang aan te nemen. Dan gaat het immers om een principiële uitspraak, waarin zou worden vastgesteld dat gedeputeerde staten aan de intrekking een onjuiste motivering ten grondslag hebben gelegd.
8.2.
De gemeente heeft ook niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij door het intrekkingsbesluit schade heeft geleden.
Proceskosten
9. Een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het ontbreken van procesbelang staat er niet aan in de weg dat de rechtbank kan beoordelen of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Daarvoor kan reden zijn als gedeputeerde staten met het intrekken van het besluit tijdens de beroepsprocedure aan de gemeente zijn tegemoetgekomen. Van tegemoetkomen is geen sprake als het besluit kennelijk is ingetrokken op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
9.1.
Het besluit is ingetrokken omdat met het besluit van 20 februari 2025 afspraken zijn gemaakt tussen gedeputeerde staten en de gemeente op grond waarvan de beslissing op bezwaar en het handhavingsbesluit zijn ingetrokken. Daarom moet worden geconcludeerd dat het besluit is ingetrokken op andere gronden dan de gemeente heeft aangevoerd. Gedeputeerde staten zijn daarom niet aan de gemeente tegemoetgekomen in de hiervoor bedoelde zin. Gedeputeerde staten hoeven daarom geen proceskosten te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 27 mei 2024 en tegen het intrekkingsbesluit van 20 februari 2025 is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt deze besluiten dus niet inhoudelijk De gemeente krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
de griffier is niet in staat de uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2023:603.
ECLI:NL:RBGEL:2023:4846.
Econsultancy ’Rapportage second opinion noodzaak ontheffingsaanvraag das Heetkamp Elspeet, 9 november 2023’.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3415.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1581, onder 6.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4553.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4536
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
de gemeente Nunspeet, de gemeente
(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, gedeputeerde staten
(gemachtigde: mr. A.M. van Gerwen, mr. H.E.J. Kemerink op Schiphorst en mr. R. Jongman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Valouwe Natuur uit Harderwijk,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van gedeputeerde staten van van 27 mei 2024 (hierna: de beslissing op bezwaar) waarmee gedeputeerde staten de handhavingsbesluiten van 12 juli 2023 in stand hebben gelaten.
1.1.
Gedeputeerde staten hebben de beslissing op bezwaar op 20 februari 2025 ingetrokken (hierna: het intrekkingsbesluit). Het beroep gaat volgens artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook over het intrekkingsbesluit.
1.2.
De gemeente is het niet eens met de beslissing op bezwaar en de motivering van het intrekkingsbesluit dat de handhavingsbesluiten rechtmatig zijn genomen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gemeente geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beslissing op bezwaar omdat de beslissing op bezwaar is ingetrokken en de gemeente niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. De gemeente heeft ook geen belang bij het beroep voor zover dat gaat over het intrekkingsbesluit, omdat de gemeente met de intrekking heeft bereikt wat zij wilde. De gemeente krijgt dus geen gelijk en het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.4.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 6 juli 2023 heeft een toezichthouder van gedeputeerde staten een controle uitgevoerd op het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein De Heetkamp in Elspeet. De toezichthouder heeft tijdens het controlebezoek namens het college zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast. Hij heeft mondeling geboden om alle activiteiten op het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein De Heetkamp die een overtreding inhouden van de verbodsbepaling van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) direct te (laten) staken en gestaakt te houden.
2.1.
In het besluit van 12 juli 2023 hebben gedeputeerde staten vervolgens de op 6 juli 2023 toegepaste zeer spoedeisende bestuursdwang bevestigd en een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat zich opnieuw overtredingen van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voordoen.
2.2.
De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
In de beslissing op bezwaar van 27 mei 2024 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van de gemeente ongegrond verklaard.
2.4.
De gemeente heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.5.
Met het intrekkingsbesluit van 20 februari 2025 hebben gedeputeerde staten de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit ingetrokken.
2.6.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de gemeente, de gemachtigden van gedeputeerde staten en de gemachtigde van de derde-partij.
Waar gaat deze zaak over?
3. De gemeente is bezig met de ontwikkeling van een kleinschalig bedrijventerrein aan de zuidkant van de kern Elspeet. Daarvoor heeft de gemeenteraad in 2021 het bestemmingsplan Bedrijventerrein Elspeet vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 februari 2023. Eén van de discussiepunten in de beroepsprocedure betrof de gevolgen van het bestemmingsplan voor de diersoort de das. Op circa 100 meter afstand van het plangebied bevindt zich een dassenburcht. De Afdeling heeft in de bestemmingsplanprocedure geoordeeld dat de Wnb (oud) op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.1.
In de zomer van 2023 is de gemeente gestart met de uitvoering van het bestemmingsplan. Op 6 juli 2023 hebben gedeputeerde staten zeer spoedeisende bestuursdwang toegepast en de door of namens de gemeente uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van bedrijventerrein de Heetkamp in Elspeet stilgelegd. Dit besluit hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 op schrift gesteld. Tevens hebben gedeputeerde staten op 12 juli 2023 de gemeente gelast de overtredingen van artikel 1.11, eerste lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb te beëindigen en beëindigd te houden door de werkzaamheden op de locatie bedrijventerrein De Heetkamp te Nunspeet te staken en gestaakt te houden. Indien de gemeente hier niet aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom.
3.2.
De gemeente kon zich hiermee niet verenigen en heeft een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de door gedeputeerde staten te nemen beslissing op bezwaar. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat een onafhankelijk deskundige onderzoek zal doen naar de gevolgen van de nog uit te voeren werkzaamheden voor de omvang van het essentiële foerageergebied van de aanwezige dassen en de migratiemogelijkheden van de das vanuit het zuidelijk deelgebied (aan de zijde van De Heetkamp) naar het noordelijk en westelijk deelgebied, en of daarmee de functionaliteit van de aanwezige burchten wordt aangetast. De gemachtigde van de gemeente heeft ter zitting toegelicht dat een beplantingsplan is opgesteld. Op deze manier wil de gemeente bewerkstelligen dat de dassen na de realisering van het bedrijventerrein via een migratieroute aan de oostkant van het plangebied het noordoostelijke essentiële foerageergebied kunnen bereiken. Partijen zijn overeengekomen dat, zolang de route genoemd in het beplantingsplan niet functioneel is, de middenmigratieroute beschikbaar blijft en de bomen bij de oude bosgroeiplaats niet worden gekapt.
3.3.
Gedeputeerde staten hebben aan Econsultancy opdracht gegeven om vast te stellen of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb voor de das noodzakelijk is voor de realisering en ontwikkeling van het bedrijventerrein. Op 9 november 2023 heeft Econsultancy een rapport uitgebracht (hierna: het rapport van Econsultancy).
3.4.
Na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de gemeente de werkzaamheden hervat. Vervolgens heeft een provinciale toezichthouder tijdens een controle vastgesteld dat de noordoostelijke route (zoals weergegeven in het beplantingsplan) nog niet functioneel is, de volledige oude bosgroeiplaats is gekapt en de middenmigratieroute volledig is afgesloten. Op verzoek van gedeputeerde staten heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 10 april 2024 de schorsing opgeheven, omdat het de gemeente zich niet aan één van de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Op 27 mei 2024 hebben gedeputeerde staten de beslissing op het bezwaarschrift van de gemeente genomen en het handhavingsbesluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. De gemeente is tegen dit besluit in beroep gegaan.
3.5.
Gedeputeerde staten en de gemeente hebben getracht er samen uit te komen. Op 4 september 2024 en 10 februari 2025 hebben gesprekken plaatsgevonden die hebben geleid tot bestuurlijke afspraken. Deze afspraken zijn verwoord in de brief van gedeputeerde staten van 20 februari 2025 aan de gemeente en betreffen onder meer de status van de oude bosgroeiplaats, het advies van ecologen over het leefgebied van de das en het beëindigen van de bestuursrechtelijke procedures.
3.6.
Op 22 april 2025 heeft de gemeente aan de rechtbank laten weten dat zij instemt met het besluit van 20 februari 2025, voor zover daarin de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit zijn ingetrokken. De gemeente stemt echter niet in met de motivering van het besluit. In de motivering wordt opgemerkt dat gedeputeerde staten het ingetrokken handhavingsbesluit en de beslissing op bezwaar rechtmatig zouden hebben genomen. De gemeente kan zich hiermee niet verenigen en stelt dat het handhavingsbesluit en de beslissing op bezwaar onjuist en onrechtmatig zijn. De gemeente stelt schade te hebben geleden als gevolg van deze onrechtmatige besluitvorming.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Iow op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 12 juli 2023 hebben gedeputeerde staten aan de gemeente een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft inzake de beoordeling van het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom.
Inleiding
5. De gemeente betoogt dat het handhavingsbesluit en de beslissing op bezwaar onjuist en onrechtmatig zijn. De gemeente stemt in met het intrekkingsbesluit, voor zover daarin de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit zijn ingetrokken. De gemeente stemt echter niet in met de motivering van dit besluit. Verder betoogt de gemeente dat de beslissing op bezwaar en het handhavingsbesluit onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, dat er geen aanleiding was om (zeer) spoedeisende bestuursdwang toe te passen en dat de last te rechtsonzeker en te verstrekkend was. De rechtbank moet, voordat zij kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling, beoordelen of sprake is van procesbelang ten aanzien van het beroep tegen de beslissing op bezwaar en het intrekkingsbesluit.
Heeft de gemeente procesbelang?
6. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende met het rechtsmiddel voor ogen staat, kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Wanneer de last nadien is ingetrokken, zoals in dit geval, is wel van belang of belanghebbende nog feitelijk iets met zijn beroep kan bereiken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van de betrokken bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit.
Procesbelang ten aanzien van de beslissing op bezwaar
7. De gemeente stelt schade te hebben geleden als gevolg van de beslissing op bezwaar. Zij heeft daarom nog belang bij het door haar ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar, zo betoogt zij. De ontwikkeling van het bedrijventerrein, die door de handhavingsbesluiten ten onrechte is stilgelegd, heeft grote vertraging opgelopen, met vertragingsschade tot gevolg. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gemeente toegelicht waaruit deze vertragingsschade onder meer bestaat. Zo bestaat de schade bijvoorbeeld uit € 48.000,- aan extra kosten voor het langer moeten huren van rijplaten. Voor het langer moeten opslaan van mest zou het college € 12.000,- schade hebben geleden. Daarnaast stelt de gemeente dat zij omvangrijke extra kosten heeft moeten maken, onder meer bestaande uit extra civieltechnische kosten, extra kosten voor de aannemer en extra onderzoekskosten. Onder meer deze schade wenst de gemeente vergoed te verkrijgen.
7.1.
Gedeputeerde staten stellen dat de gemeente niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade als gevolg van de beslissing op bezwaar. Volgens gedeputeerde staten heeft de gemeente nooit onderbouwd welke schade zij daadwerkelijk heeft geleden door de beslissing op bezwaar. Daarom ontbreekt volgens gedeputeerde staten een procesbelang.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokken bestuurlijke besluitvorming tot schade heeft geleid. De gemeente stelt schade te hebben geleden doordat de ontwikkeling van het bedrijventerrein door de handhavingsbesluiten ten onrechte is stilgelegd. Hierdoor zou grote vertraging zijn ontstaan, met vertragingsschade tot gevolg. De rechtbank overweegt dat de gemeente haar stelling dat zij door de beslissing op bezwaar extra civieltechnische kosten, extra kosten voor de aannemer, en extra onderzoekskosten heeft gemaakt niet heeft onderbouwd, ook niet nadat gedeputeerde staten zich in het verweerschrift op het standpunt hebben gesteld dat procesbelang ontbreekt omdat niet aannemelijk is dat de gemeente door de beslissing op bezwaar schade heeft geleden. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gemeente weliswaar een aantal voorbeelden gegeven van de gestelde schade, maar haar stelling dat die schade het gevolg is van de beslissing op bezwaar heeft zij ook niet onderbouwd. Bovendien hebben gedeputeerde staten de ter zitting gestelde schade gemotiveerd betwist. Zo hebben zij aangevoerd dat de rijplaten en de mest ook hadden kunnen worden verwijderd, bij twijfel desnoods in overleg met gedeputeerde staten, en dat die gestelde schade dus niet het gevolg is van de beslissing op bezwaar. De rechtbank kan die redenering volgen. De rechtbank oordeelt daarom dat de gemeente met het enkel noemen van schadeposten en -bedragen niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van deze beslissing op bezwaar. De gestelde schade ten gevolge van extra civieltechnische kosten, extra kosten voor de aannemer en extra onderzoekskosten is bovendien in zijn geheel niet verder geconcretiseerd of onderbouwd.
Procesbelang ten aanzien van het intrekkingsbesluit
8. De gemeente stemt in met het bestreden besluit van gedeputeerde staten van 20 februari 2025, voor zover daarin de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit zijn ingetrokken. Het beroep van de gemeente is gericht tegen de motivering van dit besluit.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat met de intrekking van de beslissing op bezwaar en het onderliggende handhavingsbesluit dat wat de gemeente beoogde is bereikt, namelijk het beëindigen van de handhavingsprocedure. De gemeente heeft daarom geen belang bij het tegen het intrekkingsbesluit van rechtswege ontstane beroep. Een gewenste beoordeling van de motivering is geen reden om procesbelang aan te nemen. Dan gaat het immers om een principiële uitspraak, waarin zou worden vastgesteld dat gedeputeerde staten aan de intrekking een onjuiste motivering ten grondslag hebben gelegd.
8.2.
De gemeente heeft ook niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij door het intrekkingsbesluit schade heeft geleden.
Proceskosten
9. Een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het ontbreken van procesbelang staat er niet aan in de weg dat de rechtbank kan beoordelen of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Daarvoor kan reden zijn als gedeputeerde staten met het intrekken van het besluit tijdens de beroepsprocedure aan de gemeente zijn tegemoetgekomen. Van tegemoetkomen is geen sprake als het besluit kennelijk is ingetrokken op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
9.1.
Het besluit is ingetrokken omdat met het besluit van 20 februari 2025 afspraken zijn gemaakt tussen gedeputeerde staten en de gemeente op grond waarvan de beslissing op bezwaar en het handhavingsbesluit zijn ingetrokken. Daarom moet worden geconcludeerd dat het besluit is ingetrokken op andere gronden dan de gemeente heeft aangevoerd. Gedeputeerde staten zijn daarom niet aan de gemeente tegemoetgekomen in de hiervoor bedoelde zin. Gedeputeerde staten hoeven daarom geen proceskosten te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 27 mei 2024 en tegen het intrekkingsbesluit van 20 februari 2025 is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt deze besluiten dus niet inhoudelijk De gemeente krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
de griffier is niet in staat de uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2023:603.
ECLI:NL:RBGEL:2023:4846.
Econsultancy ’Rapportage second opinion noodzaak ontheffingsaanvraag das Heetkamp Elspeet, 9 november 2023’.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3415.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1581, onder 6.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4553.