Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5430
2026-07-09
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AWB - 24_1022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitspraak over de verrekening van het loon dat eiseres genoot naast haar uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft ten onrechte de corona-onkostenvergoeding meegenomen bij de vaststelling van het loon. De vergoeding wordt namelijk geacht reële kosten af te dekken en vormt daarom geen beloning voor verrichte arbeid. Ten aanzien van de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling bestaat naar het oordeel van de rechtbank een nauw verband met (in een bepaald tijdvak) verrichte arbeid. Er is daarom geen sprake van loon uit een vroegere dienstbetrekking. Geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat. De bestanddelen zijn daarom terecht door het UWV meegenomen in de vaststelling van het loon. Beroep gegrond.
Citeert (10)
- ECLI:NL:CRVB:2022:1068 Centrale Raad van Beroep 12-05-2022
- ECLI:NL:HR:2000:AA6257 Hoge Raad 21-06-2000
- ECLI:NL:CRVB:2021:1237 Centrale Raad van Beroep 30-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2015:3993 Centrale Raad van Beroep 13-11-2015
- ECLI:NL:CRVB:2022:1068 Centrale Raad van Beroep 12-05-2022
- ECLI:NL:CRVB:2015:3993 Centrale Raad van Beroep 13-11-2015
- ECLI:NL:CRVB:2018:2125 Centrale Raad van Beroep 04-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2019:1932 Centrale Raad van Beroep 05-06-2019
- ECLI:NL:CRVB:2022:91 Centrale Raad van Beroep 11-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:5294 Raad van State 05-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.572 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1022
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.P. Schildkamp),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: H. van Haaften),
en
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (de Staat).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verrekening van het loon dat eiseres genoot naast haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar loon. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het loon van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Aan eiseres is per 20 april 2023 een (voorschot op haar) WIA-uitkering toegekend. Met het besluit van 8 augustus 2023 is de uitkering van eiseres in de periode van 20 april 2023 tot en met 31 juli 2023 definitief berekend. Met het besluit van 26 september 2023 is de uitkering van eiseres in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 definitief berekend. Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op de bezwaren van eiseres is het UWV bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiseres heeft tot 1 april 2021 gewerkt bij (ex-)werkgever A. Met ingang van die datum is aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontvangt, heeft eiseres zich per 22 april 2021 ziekgemeld. Na een periode van dertien weken is met ingang van 22 juli 2021 aan eiseres ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend. Per 1 september 2021 is eiseres gaan werken bij (ex-)werkgever B. Eiseres heeft zich per 19 april 2022 ziekgemeld bij die werkgever. (Ex-)werkgever B. heeft aan eiseres loon doorbetaald. Aan eiseres is met ingang van 20 april 2023 een WIA-uitkering toegekend op basis van haar arbeidsongeschiktheid voor het werk bij (ex-)werkgever A. Het UWV heeft het loon dat eiseres van (ex--)werkgever B ontving van haar WIA-uitkering afgetrokken.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 8 augustus 2023 zijn de inkomsten van eiseres in de periode van 20 april 2023 tot en met 31 juli 2023 verrekend met het voorschot dat zij in diezelfde periode heeft ontvangen in het kader van haar WIA-uitkering. Het voorschot dat eiseres heeft ontvangen, is lager dan de uitkering waar zij recht op heeft. Eiseres heeft daarom nog recht op in totaal € 70,59 (bruto).
4.1.
Met het besluit van 26 september 2023 zijn de inkomsten van eiseres in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 verrekend met het voorschot dat zij in diezelfde periode heeft ontvangen in het kader van haar WIA-uitkering. Het voorschot dat eiseres heeft ontvangen, is lager dan de uitkering waar zij recht op heeft. Eiseres heeft daarom nog recht op in totaal € 20,01 (bruto).
4.2.
Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het loon van eiseres is op een juiste manier vastgesteld. Gebleken is dat eiseres vóór haar ziekmelding wisselende inkomsten had. In dat geval wordt het gemiddelde inkomen berekend over de drie volledige aangiftetijdvakken voorafgaand aan de maand waarin eiseres zichzelf ziek heeft gemeld. Dit zijn de maanden januari, februari en maart 2022. Het gemiddelde is dan € 2.631,28. Omdat het UWV daarentegen eerder is uitgegaan van € 2.600,39 en eiseres door het instellen van bezwaar niet in een nadeligere positie mag komen, blijft het UWV uitgaan van het laatstgenoemde bedrag.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het UWV het door eiseres in de aangiftetijdvak(ken) genoten loon op de juiste wijze berekend?
6. Eiseres heeft aangevoerd dat het UWV bij de berekening van de hoogte van de WIA-uitkering van een te hoog loon is uitgegaan. Eiseres kan zich niet verenigen met de berekening van het UWV. De corona-onkostenvergoeding, de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling kunnen niet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 3:2 van het Algemene inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB). Voor dat standpunt vindt zij steun in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 mei 2022. Verder is het loon over januari 2022 verkeerd vastgesteld. Bovendien is uitgegaan van een verkeerd arbeidsvoorwaardenbedrag. Tot slot verzoekt eiseres om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.
6.1.
Het UWV blijft bij de berekening weergeven in het bestreden besluit.
Corona-onkostenvergoeding, eenmalige uitkering 2021 en bruto nabetaling
7. In geschil is (onder meer) of het UWV de corona-onkostenvergoeding, de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling terecht heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 3:2 van het AIB en daarmee terecht rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het gemiddelde inkomen als bedoeld in artikel 3:3, dertiende lid, van het AIB. Daarbij is het de vraag of de betreffende looncomponenten, die in februari 2022 aan eiseres zijn uitbetaald, moeten worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of als loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat loon uit vroegere dienstbetrekking op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen buiten beschouwing wordt gelaten.
7.1.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Als de inkomsten meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid en dus niet een onmiddellijke tegenprestatie vormen voor arbeid, is sprake van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV ten onrechte de corona-onkostenvergoeding meegenomen bij de vaststelling van het loon van eiseres. De vergoeding wordt geacht reële kosten af te dekken en vormt daarom geen beloning voor verrichte arbeid. Het UWV heeft in het verweerschrift en, door afwezigheid, tijdens de zitting niet weersproken dat er sprake is van een vergoeding voor daadwerkelijke kosten.
7.3.
Ten aanzien van de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling bestaat naar het oordeel van de rechtbank (wel) een nauw verband met (in een bepaald tijdvak) verrichte arbeid. Er is (daarom) geen sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. De bestanddelen zijn namelijk een onmiddellijke tegenprestatie voor de door eiseres (in een bepaald tijdvak) verrichte arbeid. Dat die arbeid niet is verricht in de tijdaangiftevakken (de referteperiode), doet daar niet aan af. Dat volgens de cao eiseres recht heeft op de eenmalige uitkering, indien zij op 3 november 2021 in dienst was, maakt niet dat zij die bestanddelen niet ontvangt voor arbeid dat zij heeft verricht (in een bepaald tijdvak).
7.4.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het meenemen van de eenmalige uitkering en de bruto nabetaling bij de vaststelling van het gemiddelde inkomen leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat kan als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Bij consequente toepassing van artikel 4:1, derde lid, van het AIB zal soms sprake zijn van een voordeel en soms van een nadeel. In dit geval is het nadeel voor eiseres dat de werkgever in februari 2022 twee componenten heeft uitbetaald. Dit is een gevolg van de systematiek van voornoemd artikel. Per saldo leidt het consequent toepassen van de systematiek in het algemeen niet tot onevenwichtigheid en niet tot een billijkheid van overwegende aard. Daarvan is in dit geval ook geen sprake.
7.5.
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond gedeeltelijk slaagt.
Heffingsloon 2022
8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het UWV ten onrechte uit is gegaan van € 2.104,85 loon voor loonheffing in de maand januari 2022. De beroepsgrond slaagt. Uit de loonstrook in het dossier blijkt dat eiseres in januari 2022 voor loonheffing € 2.071,00 aan loon heeft genoten. Het UWV heeft in het verweerschrift en, door afwezigheid, tijdens de zitting niet weersproken zij in januari 2022 uit is gegaan van een verkeerd loon.
Arbeidsvoorwaardenbedrag
9. Eiseres heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het UWV in de maanden januari, februari en maart van 2022 uit is gegaan van een arbeidsvoorwaardenbedrag dat niet correspondeert met de loonstroken. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt dit hieronder uit.
9.1.
Zoals gezegd is in artikel 4:1, achtste lid, van het AIB bepaald dat het UWV bij de vaststelling van het inkomen het in het aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris in aanmerking kan nemen, waarbij het in dat aangiftetijdvak betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris niet in aanmerking wordt genomen.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in januari, februari en maart van 2022 respectievelijk € 383,47, € 395,01 en € 389,21 aan extra periodiek salaris heeft opgebouwd en dat er in februari 2022 € 380,79 aan extra periodiek salaris is uitbetaald. Door het UWV wordt ten onrechte van andere bedragen uitgegaan.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn?
10. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
10.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding.
10.2.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot het moment waarop de einduitspraak wordt gedaan.
10.3.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
10.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt op 5 september 2023, wat betekent dat de redelijke termijn op 5 september 2025 is verstreken. Omdat pas per heden uitspraak wordt gedaan betekent dat dat de redelijke termijn met tien maanden is overschreden. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000 (namelijk € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan is).
10.5.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is uitsluitend aan de rechtbank toe te rekenen, omdat de vertraging zich uitsluitend in de beroepsfase heeft voorgedaan. Daarom moet de Staat de immateriële schadevergoeding betalen.
Conclusie en gevolgen
11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep slaagt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover de berekening van het (gemiddelde) loon van eiseres over de maanden januari, februari en maart van 2022. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of te bepalen dat de uitspraak in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit treedt. Ook draagt de rechtbank niet aan het UWV op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.
11.3.
Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank stelt de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde op zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder stelt de rechtbank de reiskosten in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van het BPB en het door eiseres overgelegde formulier proceskosten vast op € 59,32. In totaal bedragen de proceskosten € 1.927,32 Het UWV dient dit bedrag aan eiseres te vergoeden.
11.4.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934 per punt).
BeslissingDe rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 22 januari 2024 voor zover de berekening van het (gemiddelde) loon van eiseres over de maanden januari, februari en maart van 2022;- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.927,32;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 12
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen; en …]
Wet financiering sociale verzekeringen
Artikel 16
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten …].
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 3:2
1. Onder inkomen wordt verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen…].
Artikel 3:3
13. Indien er sprake is van een per aangiftetijdvak wisselend inkomen, wordt, in afwijking van het eerste, tweede, derde of achtste lid of artikel 3:2, twintigste lid als inkomen aangemerkt het gemiddelde van het inkomen in de drie aangiftetijdvakken voor het aangiftetijdvak waarin het recht ontstond op de doorbetaling van loon …].
Artikel 4:1
3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon of het inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon of dat inkomen in verband met arbeid opgave heeft gedaan.
8. [… [… Het UWV neemt bij de vaststelling van het inkomen het in een aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag niet in aanmerking worden genomen.
11. Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze.
Collectieve arbeidsovereenkomst (cao) van eiseres
Artikel 3.26 | Eenmalige uitkering 2021
De werknemer krijgt een eenmalige uitkering van € 900 als de werknemer in dienst is op 3 november 2021.
Artikel 3.27 | Eenmalige onkostenvergoeding 2021
1. De werknemer krijgt een eenmalige corona-onkostenvergoeding van € 300 als de werknemer in dienst is op 3 november 2021.
Uitspraak van de CRvB van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068.
Bijvoorbeeld uitspraak van de HR 21 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6257.
Zie in gelijke zin de uitspraak van de CRvB van 30 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1237.
Zie in gelijke zin de uitspraak van de CRvB van 13 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3993 en de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068, r.o. 5.3 en 6.2.
Zie voor wat betreft de eenmalige uitkering in gelijke zin, de uitspraak van de CRvB van 13 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2015:3993; zie voor wat betreft de bruto nabetaling in gelijke zin, de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2125.
Artikel 4:1, elfde lid, van het AIB.
Zie in gelijke zin, de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1932.
Zie Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant 2017, nr. 62751.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
Het bestreden besluit is genomen op 22 januari 2024, dus vier en een halve maand na het indienen van het bezwaarschrift. Dat is binnen de termijn van zes maanden die voor die fase staat.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1022
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.P. Schildkamp),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: H. van Haaften),
en
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (de Staat).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verrekening van het loon dat eiseres genoot naast haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar loon. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het loon van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Aan eiseres is per 20 april 2023 een (voorschot op haar) WIA-uitkering toegekend. Met het besluit van 8 augustus 2023 is de uitkering van eiseres in de periode van 20 april 2023 tot en met 31 juli 2023 definitief berekend. Met het besluit van 26 september 2023 is de uitkering van eiseres in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 definitief berekend. Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op de bezwaren van eiseres is het UWV bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiseres heeft tot 1 april 2021 gewerkt bij (ex-)werkgever A. Met ingang van die datum is aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontvangt, heeft eiseres zich per 22 april 2021 ziekgemeld. Na een periode van dertien weken is met ingang van 22 juli 2021 aan eiseres ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend. Per 1 september 2021 is eiseres gaan werken bij (ex-)werkgever B. Eiseres heeft zich per 19 april 2022 ziekgemeld bij die werkgever. (Ex-)werkgever B. heeft aan eiseres loon doorbetaald. Aan eiseres is met ingang van 20 april 2023 een WIA-uitkering toegekend op basis van haar arbeidsongeschiktheid voor het werk bij (ex-)werkgever A. Het UWV heeft het loon dat eiseres van (ex--)werkgever B ontving van haar WIA-uitkering afgetrokken.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 8 augustus 2023 zijn de inkomsten van eiseres in de periode van 20 april 2023 tot en met 31 juli 2023 verrekend met het voorschot dat zij in diezelfde periode heeft ontvangen in het kader van haar WIA-uitkering. Het voorschot dat eiseres heeft ontvangen, is lager dan de uitkering waar zij recht op heeft. Eiseres heeft daarom nog recht op in totaal € 70,59 (bruto).
4.1.
Met het besluit van 26 september 2023 zijn de inkomsten van eiseres in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 verrekend met het voorschot dat zij in diezelfde periode heeft ontvangen in het kader van haar WIA-uitkering. Het voorschot dat eiseres heeft ontvangen, is lager dan de uitkering waar zij recht op heeft. Eiseres heeft daarom nog recht op in totaal € 20,01 (bruto).
4.2.
Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het loon van eiseres is op een juiste manier vastgesteld. Gebleken is dat eiseres vóór haar ziekmelding wisselende inkomsten had. In dat geval wordt het gemiddelde inkomen berekend over de drie volledige aangiftetijdvakken voorafgaand aan de maand waarin eiseres zichzelf ziek heeft gemeld. Dit zijn de maanden januari, februari en maart 2022. Het gemiddelde is dan € 2.631,28. Omdat het UWV daarentegen eerder is uitgegaan van € 2.600,39 en eiseres door het instellen van bezwaar niet in een nadeligere positie mag komen, blijft het UWV uitgaan van het laatstgenoemde bedrag.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het UWV het door eiseres in de aangiftetijdvak(ken) genoten loon op de juiste wijze berekend?
6. Eiseres heeft aangevoerd dat het UWV bij de berekening van de hoogte van de WIA-uitkering van een te hoog loon is uitgegaan. Eiseres kan zich niet verenigen met de berekening van het UWV. De corona-onkostenvergoeding, de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling kunnen niet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 3:2 van het Algemene inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB). Voor dat standpunt vindt zij steun in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 mei 2022. Verder is het loon over januari 2022 verkeerd vastgesteld. Bovendien is uitgegaan van een verkeerd arbeidsvoorwaardenbedrag. Tot slot verzoekt eiseres om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.
6.1.
Het UWV blijft bij de berekening weergeven in het bestreden besluit.
Corona-onkostenvergoeding, eenmalige uitkering 2021 en bruto nabetaling
7. In geschil is (onder meer) of het UWV de corona-onkostenvergoeding, de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling terecht heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 3:2 van het AIB en daarmee terecht rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het gemiddelde inkomen als bedoeld in artikel 3:3, dertiende lid, van het AIB. Daarbij is het de vraag of de betreffende looncomponenten, die in februari 2022 aan eiseres zijn uitbetaald, moeten worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of als loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat loon uit vroegere dienstbetrekking op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen buiten beschouwing wordt gelaten.
7.1.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Als de inkomsten meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid en dus niet een onmiddellijke tegenprestatie vormen voor arbeid, is sprake van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV ten onrechte de corona-onkostenvergoeding meegenomen bij de vaststelling van het loon van eiseres. De vergoeding wordt geacht reële kosten af te dekken en vormt daarom geen beloning voor verrichte arbeid. Het UWV heeft in het verweerschrift en, door afwezigheid, tijdens de zitting niet weersproken dat er sprake is van een vergoeding voor daadwerkelijke kosten.
7.3.
Ten aanzien van de eenmalige uitkering 2021 en de bruto nabetaling bestaat naar het oordeel van de rechtbank (wel) een nauw verband met (in een bepaald tijdvak) verrichte arbeid. Er is (daarom) geen sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. De bestanddelen zijn namelijk een onmiddellijke tegenprestatie voor de door eiseres (in een bepaald tijdvak) verrichte arbeid. Dat die arbeid niet is verricht in de tijdaangiftevakken (de referteperiode), doet daar niet aan af. Dat volgens de cao eiseres recht heeft op de eenmalige uitkering, indien zij op 3 november 2021 in dienst was, maakt niet dat zij die bestanddelen niet ontvangt voor arbeid dat zij heeft verricht (in een bepaald tijdvak).
7.4.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het meenemen van de eenmalige uitkering en de bruto nabetaling bij de vaststelling van het gemiddelde inkomen leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat kan als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Bij consequente toepassing van artikel 4:1, derde lid, van het AIB zal soms sprake zijn van een voordeel en soms van een nadeel. In dit geval is het nadeel voor eiseres dat de werkgever in februari 2022 twee componenten heeft uitbetaald. Dit is een gevolg van de systematiek van voornoemd artikel. Per saldo leidt het consequent toepassen van de systematiek in het algemeen niet tot onevenwichtigheid en niet tot een billijkheid van overwegende aard. Daarvan is in dit geval ook geen sprake.
7.5.
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond gedeeltelijk slaagt.
Heffingsloon 2022
8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het UWV ten onrechte uit is gegaan van € 2.104,85 loon voor loonheffing in de maand januari 2022. De beroepsgrond slaagt. Uit de loonstrook in het dossier blijkt dat eiseres in januari 2022 voor loonheffing € 2.071,00 aan loon heeft genoten. Het UWV heeft in het verweerschrift en, door afwezigheid, tijdens de zitting niet weersproken zij in januari 2022 uit is gegaan van een verkeerd loon.
Arbeidsvoorwaardenbedrag
9. Eiseres heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het UWV in de maanden januari, februari en maart van 2022 uit is gegaan van een arbeidsvoorwaardenbedrag dat niet correspondeert met de loonstroken. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt dit hieronder uit.
9.1.
Zoals gezegd is in artikel 4:1, achtste lid, van het AIB bepaald dat het UWV bij de vaststelling van het inkomen het in het aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris in aanmerking kan nemen, waarbij het in dat aangiftetijdvak betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris niet in aanmerking wordt genomen.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in januari, februari en maart van 2022 respectievelijk € 383,47, € 395,01 en € 389,21 aan extra periodiek salaris heeft opgebouwd en dat er in februari 2022 € 380,79 aan extra periodiek salaris is uitbetaald. Door het UWV wordt ten onrechte van andere bedragen uitgegaan.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn?
10. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
10.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding.
10.2.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot het moment waarop de einduitspraak wordt gedaan.
10.3.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
10.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt op 5 september 2023, wat betekent dat de redelijke termijn op 5 september 2025 is verstreken. Omdat pas per heden uitspraak wordt gedaan betekent dat dat de redelijke termijn met tien maanden is overschreden. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000 (namelijk € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan is).
10.5.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is uitsluitend aan de rechtbank toe te rekenen, omdat de vertraging zich uitsluitend in de beroepsfase heeft voorgedaan. Daarom moet de Staat de immateriële schadevergoeding betalen.
Conclusie en gevolgen
11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep slaagt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover de berekening van het (gemiddelde) loon van eiseres over de maanden januari, februari en maart van 2022. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of te bepalen dat de uitspraak in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit treedt. Ook draagt de rechtbank niet aan het UWV op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.
11.3.
Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank stelt de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde op zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder stelt de rechtbank de reiskosten in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van het BPB en het door eiseres overgelegde formulier proceskosten vast op € 59,32. In totaal bedragen de proceskosten € 1.927,32 Het UWV dient dit bedrag aan eiseres te vergoeden.
11.4.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934 per punt).
BeslissingDe rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 22 januari 2024 voor zover de berekening van het (gemiddelde) loon van eiseres over de maanden januari, februari en maart van 2022;- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.927,32;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 12
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen; en …]
Wet financiering sociale verzekeringen
Artikel 16
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten …].
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 3:2
1. Onder inkomen wordt verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen…].
Artikel 3:3
13. Indien er sprake is van een per aangiftetijdvak wisselend inkomen, wordt, in afwijking van het eerste, tweede, derde of achtste lid of artikel 3:2, twintigste lid als inkomen aangemerkt het gemiddelde van het inkomen in de drie aangiftetijdvakken voor het aangiftetijdvak waarin het recht ontstond op de doorbetaling van loon …].
Artikel 4:1
3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon of het inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon of dat inkomen in verband met arbeid opgave heeft gedaan.
8. [… [… Het UWV neemt bij de vaststelling van het inkomen het in een aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag niet in aanmerking worden genomen.
11. Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze.
Collectieve arbeidsovereenkomst (cao) van eiseres
Artikel 3.26 | Eenmalige uitkering 2021
De werknemer krijgt een eenmalige uitkering van € 900 als de werknemer in dienst is op 3 november 2021.
Artikel 3.27 | Eenmalige onkostenvergoeding 2021
1. De werknemer krijgt een eenmalige corona-onkostenvergoeding van € 300 als de werknemer in dienst is op 3 november 2021.
Uitspraak van de CRvB van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068.
Bijvoorbeeld uitspraak van de HR 21 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6257.
Zie in gelijke zin de uitspraak van de CRvB van 30 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1237.
Zie in gelijke zin de uitspraak van de CRvB van 13 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3993 en de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068, r.o. 5.3 en 6.2.
Zie voor wat betreft de eenmalige uitkering in gelijke zin, de uitspraak van de CRvB van 13 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2015:3993; zie voor wat betreft de bruto nabetaling in gelijke zin, de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2125.
Artikel 4:1, elfde lid, van het AIB.
Zie in gelijke zin, de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1932.
Zie Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant 2017, nr. 62751.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
Het bestreden besluit is genomen op 22 januari 2024, dus vier en een halve maand na het indienen van het bezwaarschrift. Dat is binnen de termijn van zes maanden die voor die fase staat.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.