Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:5093

2026-06-25 Strafrecht 05.282051-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-06-25
Publicatiedatum
2026-06-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05.282051-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ramkraak juwelier. Diefstal van sieraden en juwelen, diefstal van busje en twee vluchtscooters en een gebouw opzettelijk vernielen. Jeugddetentie van 289 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek en bijzondere voorwaarden. Werkstraf 160 uren subsidiair 80 dagen jeugddetentie.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.235 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Arnhem



Parketnummer: 05.282051-25
Datum uitspraak : 25 juni 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .



Raadsman: mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat in Amsterdam.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:


1hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden en/of juwelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om sieraden, juwelen en/of geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),- zich met regenkleding, handschoenen, balaclava's, tassen, mokers en/of sloophamers vanuit Amsterdam naar het winkelpand van [bedrijf] begeven,- een rolcontainer voor het rolluik en/of de ingang van voornoemd winkelpand geplaatst,- meermalen, althans eenmaal, met een bestelbus tegen voornoemde rolcontainer aangereden,- zich toegang tot voornoemd winkelpand verschaft,- (een deel van) het beveiligingssysteem van voornoemd winkelpand uitgeschakèld,- meerdere vitrines, met daarin sieraden en/of juwelen, kapotgeslagen en/of- sieraden en/of juwelen in tassen gestopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een gebouw, te weten een winkelpand van [bedrijf] , aan [adres] , heeft vernield en/of beschadigd, door- een rolcontainer voor de rolluiken en/of ingang behorend bij voornoemd winkelpand te plaatsen en/of- vervolgens meermalen, althans eenmaal, met een bestelbus tegen voornoemde rolcontainer te rijden, waardoor de rolluiken en/of ingang werden ontzet,terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en de in dat gebouw aanwezige inboedel en/of de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Hilversum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorscooter (Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Hilversum en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorscooter (Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;


4hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te trecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bedrijfsauto (Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Utrecht en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bedrijfsauto (Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof5hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere kentekenplaten (met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Amsterdam en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere kentekenplaten (met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.


2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten. Voor het onder 5 primair ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd.




Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zij het dat volgens hem ten aanzien van feit 2 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen het onderdeel ‘terwijl daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan te duchten was’. De raadsman heeft verder bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feit 5.




Beoordeling door de rechtbank





Feiten 1, 2, 3 en 4

Er is telkens sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen feit 1:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 85-87;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 192-200;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026.


Bewijsmiddelen feit 2:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , p. 95;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 192-200;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026.


Bewijsmiddelen feit 3:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 90;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026.


Bewijsmiddelen feit 4:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , p. 101-102;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026.


Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.



Overeenkomstig het standpunt van de raadsman acht de rechtbank ten aanzien van feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen dat, hoewel verdachte het winkelpand van [bedrijf] heeft vernield, deze vernieling zodanig was dat daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan te duchten was. Van dit onderdeel zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken.




Feit 5

Dit feit ziet op de diefstal dan wel de heling van een of meer kentekenplaten die op het gestolen busje waarmee de ramkraak is gepleegd waren gemonteerd. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier echter geen aanknopingspunten van enige betrokkenheid van verdachte hierbij. Verder blijkt niet uit het dossier dat het stelen van kentekenplaten deel uitmaakte van het plan om een ramkraak te plegen en ook is onduidelijk wie en op welk moment dat dan heeft gedaan. Bovendien kan uit het dossier niet worden afgeleid dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde kentekenplaten voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van dat voorhanden krijgen wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze kentekenplaten van diefstal afkomstig waren. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.





3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:


1. primair.hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden en/of juwelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;2hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een gebouw, te weten een winkelpand van [bedrijf] , aan [adres] ,heeft vernield en/of beschadigd, door- een rolcontainer voor de rolluiken en/of ingang behorend bij voornoemd winkelpand te plaatsen en/of- vervolgens meermalen, althans eenmaal, met een bestelbus tegen voornoemde rolcontainer te rijden, waardoor de rolluiken en/of ingang werden ontzet,terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en de in dat gebouw aanwezige inboedel en/of de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3 primair.hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Hilversum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorscooter (Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4 primair. hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bedrijfsauto (Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen;


Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




feit 1 primair:


Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;





feit 2:


Medeplegen van een gebouw opzettelijk vernielen
of beschadigen,
terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is;





feit 3 primair:


Diefstal door twee of meer verenigde personen;





feit 4 primair:


Diefstal door twee of meer verenigde personen.






5De strafbaarheid van de feiten.


De feiten zijn strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.





7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 107 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals deze door de Raad en aanvullend de jeugdreclassering zijn geadviseerd. Ook vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 160 uren. Ten slotte verzoekt hij om het geschorste bevel gevangenhouding niet op te heffen.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om de eis van de officier van justitie grotendeels te volgen. Hij heeft verzocht om aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 107 dagen met aftrek van voorarrest, een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 73 dagen en een werkstraf voor de duur van 160 uren.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.



Verdachte heeft samen met anderen in de nacht van 22 oktober 2025 juwelierszaak [bedrijf] in Arnhem op een professioneel voorbereide wijze overvallen. Op de dag van de ramkraak zijn zij met een door verdachte gestolen busje vanuit Amsterdam naar Arnhem gereden. In dit busje stonden ook twee vluchtscooters, die ook door hen waren gestolen, en er lagen verder mokers, tassen en zwarte kleding. In Arnhem hebben zij een in de buurt van [bedrijf] staande rolcontainer naar het pand geduwd om zo de anti-rampaaltjes voor de pui te omzeilen, waarna zij met het busje driemaal tegen de rolcontainer zijn aangereden die vervolgens de pui van de juwelierszaak heeft ontzet. Via de daardoor ontstane opening zijn verdachte en twee medeverdachten naar binnen gegaan. Daar hebben zij veel schade aangericht door met mokers het als anti-inbraak dienende rookgordijn kapot te slaan, evenals de aanwezige glazen vitrines met sieraden en juwelen. Deze sieraden en juwelen hebben zij vervolgens in de meegebrachte tassen gestopt. Op het moment dat zij het pand weer wilden verlaten zijn zij op heterdaad aangehouden door de politie.
Het gaat hier om ernstige feiten. Door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten zijn het pand en de inboedel van de juwelierszaak fors beschadigd geraakt. Met het herstel en het opruimen daarvan en de verdere afwikkeling van de schade is de nodige tijd en energie gemoeid (geweest). Ook verstoort het de normale bedrijfsvoering van de juwelierszaak en leidt het tot overlast en frustratie bij zowel de juwelier als de eigenaar van het pand. Bovendien zorgen dergelijke feiten niet alleen voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook bij andere ondernemers in de buurt en in de maatschappij in het algemeen. Van dit alles heeft verdachte zich kennelijk geen rekenschap gegeven en heef hij slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast zijn de diefstal van een bedrijfsauto en twee scooters brutale en ergerlijke feiten, waarmee overlast, schade en ergernis is veroorzaakt, en waarmee verdachte heeft aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.



De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 april 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor (gekwalificeerde) diefstal is veroordeeld. Ook volgt hieruit dat verdachte is veroordeeld na het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Artikel 63 Sr is daarom van toepassing.



De rechtbank heeft verder gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 juni 2026. Daaruit blijkt dat er een aantal positieve, beschermende factoren naar voren zijn gekomen. Zo is het gezin een beschermende factor voor verdachte, waarbij vooral zijn ouders veel gesprekken proberen te voeren en hem op het rechte pad proberen te houden. Daarnaast heeft verdachte een begeleider vanuit Credible Messengers waar hij naar opkijkt en die hem helpt op verschillende vlakken. Ook is naar voren gekomen dat verdachte na de opheffing schorsing weer beter in contact staat met zijn jeugdreclasseerder en andere betrokken hulpverleners, die hem ook omschrijven als een lieve, sociale en respectvolle jongen. Anderzijds zijn er een aantal risicofactoren, met name ten aanzien van relaties en vaardigheden. Verdachte gaat veelal om met antisociale jongeren en hij kan erg impulsief zijn. Deze combinatie verhoogt het recidiverisico. Ook is tijdens het onderzoek naar voren gekomen dat verdachte zich vaker niet aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en hier nog steeds moeite mee lijkt te hebben, ondanks het feit dat zijn schorsing eerder is opgeheven. Daarbij blijft het behouden van een dagbesteding nog een aandachtspunt, omdat verdachte voor een langere tijd geen dagbesteding heeft gehad in de vorm van werk en/of school. Tot slot is ook het middelengebruik een aandachtspunt, omdat hij vaker softdrugs en/of snus zou gebruiken. De Raad adviseert daarom een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke jeugddetentie met Toezicht en Begeleiding (T&B) onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:
• een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan en/of sport heeft/behoudt; • naar werk en/of naar school gaat volgens rooster; • meewerkt aan de begeleiding vanuit IFA en/of soortgelijke hulpverlening; • meewerkt aan de aanvullende hulpverlening die de Jeugdbescherming nodig acht; • zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachten;
waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Verdachte is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. De Raad adviseert de rechtbank te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.



Ter terechtzitting heeft gezinsmanager mevrouw [naam] een nadere toelichting gegeven. Zij heeft verklaard dat verdachte na de laatste schorsing zijn afspraken beter nakomt en op zoek is gegaan naar een baan. Ook gaat het beter met de enkelband. Verdachte heeft een duidelijk toekomstbeeld. Er zijn wel nog zorgen over de sociale contacten en het middelengebruik. Bovendien is niet duidelijk waarom verdachte bepaalde keuzes maakt. Om die reden stelt zij voor een extra bijzondere voorwaarde op te nemen, te weten het meewerken aan diagnostiek en de behandeling die daaruit voortvloeit.



De rechtbank heeft ten slotte gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor jeugdigen en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.



Alles afwegende en met inachtneming van de voorzichtig positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt in de afgelopen periode, alsmede om de kans op recidive zo klein mogelijk te maken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf in beginsel passend en geboden. Daarbij zou verdachte dus jeugddetentie worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 108 dagen. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit geval de onvoorwaardelijke jeugddetentie te bepalen op 109 dagen. Zoals de officier van justitie terecht heeft opgemerkt kunnen de op te leggen bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, omdat niet is voldaan aan de eis die artikel 77za Sr daaraan stelt, namelijk dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank acht het echter wel van groot belang dat het huidige kader in stand blijft en dat de bijzondere voorwaarden direct ingaan zodat een (eventuele) behandeling kan worden gestart. Om die reden legt de rechtbank een één dag langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op. Daarmee blijft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in stand. De rechtbank zal de schorsingsvoorwaarden zoals die zijn opgenomen in het bevel van 16 april 2026 gelijk maken met de thans op te leggen voorwaarden. Dit betekent ook dat het elektronisch monitoringsmiddel (de enkelband) van voorwaarde 15 uit dit bevel komt te vervallen.



Resumerend zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een jeugddetentie van 289 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel worden de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld, inclusief de voorwaarde dat verdachte dient mee te werken aan diagnostiek en de behandeling die daaruit voortvloeit. Voorts zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een werkstraf van 160 uren. Indien verdachte deze werkstraf niet naar behoren uitvoert, staan daar 80 dagen jeugddetentie tegenover.



Gelet op de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van de dag waarop de voorlopige hechtenis gelijk is aan de straf.



De rechtbank overweegt ten slotte dat zij ervan uitgaat dat de op te leggen ‘extra’ nog uit te zitten dag jeugddetentie niet door het Openbaar Ministerie ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte niet in hoger beroep gaat omdat de rechtbank deze alleen heeft opgelegd om het toezichts- en behandelkader voor verdachte te waarborgen.





8De beoordeling van de civiele vordering


De benadeelde partij [bedrijf] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 31.225,71 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook vordert de benadeelde partij € 700,00 aan proceskosten.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - € 15.488,00 voor een binnenpui; - € 5.237,71 voor een rolluik;- € 1.500,00 voor bestikkering raam;- € 1.500,00 voor een camerabeveiligingssysteem;- € 7.500,00 voor vitrinekasten.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 3.932,71 (€ 3.232,71 + € 700,00) kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier van justitie moet dit bedrag pondsgewijs worden verdeeld tussen verdachte en de twee medeverdachten, nu ieder van hen een gelijk aandeel heeft. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.



De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair verzoekt de verdediging de bedragen die zien op de schade die de juwelierszaak heeft geleden (en dus niet de eigenaar van het pand) toe te wijzen, exclusief btw. Ten aanzien van de gevorderde proceskosten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.




Overwegingen van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.



De kosten voor een rolluik staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De verdediging heeft gesteld dat niet duidelijk is of deze kosten voor rekening van [bedrijf] B.V., de eigenaar van het pand, komen of voor rekening van de benadeelde partij, maar uit de overgelegde stukken blijkt dat een deel van die kosten reeds is betaald door de benadeelde partij, terwijl de e-mail waarin de totale kosten van herstel van de schade aan het rolluik zijn opgenomen ook is gericht aan de benadeelde partij. In het licht hiervan is de betwisting van deze post door de verdediging onvoldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding voor de kosten van het herstel van het rolluik zal daarom worden toegewezen. Omdat de benadeelde partij een onderneming is en de btw kan verrekenen is toewijsbaar een bedrag van € 5.238,29 aan totale kosten minus € 909,13 aan btw = € 4.329,16.



Ten aanzien van de kosten voor de binnenpui (€ 12.800,00) heeft de verdediging er terecht op gewezen dat er onduidelijkheden bestaan over de vraag aan wie welke offerte is uitgebracht en voor wiens rekening de kosten komen, de benadeelde partij of de eigenaar van het pand. Gelet hierop kan deze schadepost naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek worden beoordeeld. Behandeling hiervan levert een onevenredige belasting op van het strafproces. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



De schade voor de bestickering van het raam (€ 1.500,00), het vervangen van het camerabeveiligingssysteem (€ 1.500,00) en het herstellen van de vitrinekasten (€ 7.500,00) kunnen naar het oordeel van de rechtbank na betwisting niet zonder nadere onderbouwing en zo nodig bewijslevering in dit strafgeding worden beoordeeld. Er zijn bijvoorbeeld geen offertes of facturen overgelegd en het is niet duidelijk geworden of kosten voor herstel of vervanging daadwerkelijk zijn gemaakt en betaald. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.



Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 700,00 aan proceskosten zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief dat geldt in kantonzaken waarbij de rechtbank bij het bepalen van het toepasselijke tarief uit gaat van de hoogte van het toegewezen bedrag van € 4.329,16. Dit betekent dat de rechtbank de proceskosten zal bepalen naar de maatstaf van het liquidatietarief kanton en het tarief dat geldt voor bedragen van tussen de € 3.750,00 en € 5.000,00. Er zal één punt à € 271,00 worden toegekend, te weten één punt voor het opstellen en indienen van de vordering. Hierop zal de rechtbank nog een correctie toepassen van 0,5, gelet op de samenhang van deze zaak met de zaken tegen de twee medeverdachten. De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partij dus een bedrag van 1 x € 271,00 x 0,5 = € 135,50 toekennen ter zake van proceskosten.



Nu de schade is ontstaan op de dag van de ramkraak, te weten 22 oktober 2025, is verdachte vanaf die dag wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.



De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Vanwege de jeugdige leeftijd van verdachte zal de gijzeling op 0 dagen worden bepaald.



Anders dan de officier van justitie heeft voorgesteld is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken, nu er sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, dit zowel voor wat betreft het toegewezen bedrag aan materiële schade als de schadevergoedingsmaatregel. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.





9De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 170 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.





10De beslissing


De rechtbank:



• spreekt verdachte vrij van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
• verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



• verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



• verklaart verdachte hiervoor strafbaar;


• veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van tweehonderdnegenentachtig (289) dagen;

• bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten honderdtachtig (180) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

• stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

• stelt als bijzondere voorwaarden:
- Verdachte zorgt voor/behoudt een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een
bijbaan en/of sport;
- Verdachte gaat naar werk en/of school volgens het rooster en houdt zich aan de
afspraken die daar gelden;
- Verdachte werkt mee aan de begeleiding vanuit IFA en/of soortgelijke hulpverlening;
- Verdachte werkt mee aan de aanvullende hulpverlening die de Jeugdbescherming
nodig acht;
- Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de
medeverdachten:
- [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedag] 2006);
- [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedag] 2007);
zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt;
- Verdachte werkt mee aan diagnostiek en de eventuele behandeling die daaruit

voortvloeit, zoals te bepalen door de jeugdreclassering;
waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachten behoeve daarvan te begeleiden. Verdachte is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht,
de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


• beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

• veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van honderdzestig (160) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van tachtig (80) dagen;


• wijzigt per tijdstip van de uitspraak van dit vonnis de voorwaarden waaronder de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst (bij bevel van deze rechtbank van 16 april 2026) in die zin dat:
• verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en
• de bijzondere voorwaarden gelijk zijn aan de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie;


• heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;


• veroordeelt verdachte in verband met de feiten 1 primair en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] van € 4.329,16 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;



• verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;



• veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 135,50;



• legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] , een bedrag van € 4.329,16 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.



• bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.



• bepaalt dat als de medeverdachten (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter, tevens kinderrechter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A. van Veldhuizen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren en mr. E.C. van Geemen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.














Mrs. Van Gameren en Van Geemen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.



Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025511830, gesloten op 20 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.