Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:4969

2026-02-05 Bestuursrecht ARN 24/304
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-02-05
Publicatiedatum
2026-06-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 24/304
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Dit betekent dat eisers beroep niet-ontvankelijk is en dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.180 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 24/304

uitspraak van de enkelvoudige kamer van


in de zaak tussen


[eiser], uit [plaats], eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigde: mr. M. Spoeltman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over eisers openbaarmakingsverzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het niet eens met het besluit op zijn verzoek en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers openbaarmakingsverzoek.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Dit betekent dat eisers beroep niet-ontvankelijk is en dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 19 juni 2023 verzocht om openbaarmaking van de gegevens en de volledige identiteit van de personen die vóór dan wel begin april 2023 inzage in de bouwtekeningen van de woningen [locatie] [huisnummer 1], [huisnummer 2] en [huisnummer 3] hebben gehad. Ook wil eiser weten voor welk doel deze bouwtekeningen zijn opgevraagd.


2.1.
Het college heeft eisers openbaarmakingsverzoek met het besluit van 26 juli 2023 afgewezen, omdat het niet beschikt over deze informatie. Met het bestreden besluit van 5 december 2023 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.


2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Op 4 juni 2024 heeft het college, ter vervanging van het besluit van 5 december 2023, een nieuw besluit op het bezwaar van eiser genomen (bestreden besluit II). Daarbij is een e-mailwisseling tussen een medewerker van de afdeling toezicht en handhaving, en een hoofdagent van de politie Oost-Nederland openbaar gemaakt.


2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank



Heeft eiser nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I?


3. Het bestreden besluit II is in de plaats gekomen van het bestreden besluit I. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk is.



Is het beroep mede gericht tegen het bestreden besluit II?


4. Het beroep van eiser is van rechtswege mede gericht tegen het bestreden besluit II, tenzij eiser daarbij onvoldoende belang heeft. De rechtbank moet daarom beoordelen of eiser voldoende belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit II.


4.1.
Met het bestreden besluit II is een document openbaar gemaakt dat gaat over eisers openbaarmakingsverzoek. Eiser wil het beroep handhaven omdat in het bestreden besluit II niet is opgenomen dat de panden [locatie] [huisnummer 1], [huisnummer 2] en [huisnummer 3] onder het overgangsrecht van het Facetbestemmingsplan Kamerverhuur vallen. 4.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk mag beoordelen, als het doel dat de indiener voor ogen staat met het beroep daadwerkelijk met de uitkomst kan worden bereikt en de uitkomst voor diegene ook feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener van het beroep moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, doet de bestuursrechter geen uitspraak uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.



4.3.
Eiser wil met zijn beroep bereiken dat wordt vastgelegd dat de panden [locatie] [huisnummer 1], [huisnummer 2] en [huisnummer 3] onder het overgangsrecht van het Facetbestemmingsplan Kamerverhuur vallen. Maar dit resultaat kan hij niet bereiken met het beroep tegen het bestreden besluit II. Met een beroep tegen een besluit op grond van de Woo kan eiser namelijk alleen bereiken dat verzochte informatie, die in bestaande documenten is vastgelegd en die bij een bestuursorgaan berust, alsnog openbaar moet worden gemaakt.



4.4.
Omdat eiser met zijn beroep niet de uitkomst kan bereiken die hij voor ogen heeft, heeft hij geen belang bij een beoordeling van het bestreden besluit II. Dit betekent dat het beroep niet van rechtswege mede is gericht tegen dat besluit.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep van eiser, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, isniet-ontvankelijk. Verder is het beroep van eiser niet van rechtswege mede gericht tegen het bestreden besluit II. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.



5.1.
Omdat het college het bestreden besluit I heeft ingetrokken tijdens de beroepsprocedure en hiermee aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen om het griffierecht van eiser te vergoeden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep niet-ontvankelijk;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4241.


ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:781.