Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:4855
2026-06-08
Civiel recht
C/05/466998 / KG RK 26-442
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek. Verzoeker niet-ontvankelijk. Wrakingsverzoek ingediend nadat de hoofdzaak al was geëindigd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.575 tekens)
beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/466998 / KG RK 26-442
Beslissing van 8 juni 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.M.K.J. Steketee,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
Verzoeker heeft op 6 mei 2026 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met procedurenummer C/05/12198968 EZ VERZ 26-310 tussen verzoeker en een broer aangaande de erfrechtelijke afwikkeling van een nalatenschap.
2.2.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter als kanton(rol)rechter de processuele rechten van verzoeker heeft ontnomen door zijn verzoekschrift ex artikel 4:210 BW van 17 april 2026 niet in te plannen. Hierbij verwijst verzoeker naar een brief van de rechtbank van 28 april 2026.
3De beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Een wrakingsverzoek kan alleen gericht worden tegen rechters bij wie een zaak in
behandeling is. Doel van wraking is immers het voorkomen van een oordeel en beslissing door een vermeend partijdige rechter in die zaak door deze rechter te laten vervangen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan.
3.3.
In dit geval heeft verzoeker de rechtbank kennelijk op 17 april 2026 verzocht om een aanwijzing te geven in de zin van artikel 4:210 BW omdat verzoeker meent dat zijn broer ( [naam broer] ) verantwoordelijk is voor alle schulden uit de nalatenschap omdat hij de ervenrekening zou hebben leeggehaald en opgeheven op 8 november 2023. Met de brief van 28 april 2026 is verzoeker namens de rechter bericht dat zijn verzoek een verkapte verklaring voor recht betreft dan wel een aansprakelijkstelling. Een verzoek tot het geven van een aanwijzing in de zin van artikel 4:210 BW is volgens de rechter niet bedoeld om de aansprakelijkheid van een derde vast te stellen of een verklaring voor recht te verkrijgen.
3.4.
Nog daargelaten of het verzoek van 17 april 2028 een verzoek was in de zin van de wet waarop bij beschikking moet worden beslist, met de brief van 28 april 2026 is de aangelegde procedure met procedurenummer C/05/12198968 EZ VERZ 26-310 afgedaan. Of de inhoud van deze brief juist is, staat niet ter beoordeling van de wrakingskamer. Het wrakingsverzoek van 6 mei 2026 is dus ingediend nadat de procedure was geëindigd. Omdat er ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek geen procedure (meer) aanhangig was bij welke behandeling de rechter was betrokken (artikel 36 Rv), kan verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.5.
Omdat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, bestaat geen reden voor mondelinge behandeling van het verzoek op zitting. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever immers bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat inhoudelijke debat wordt niet toegekomen omdat verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek kan worden ontvangen.
4De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, mr. B. Krijnen en mr. S.A.L. van de Sande, leden in tegenwoordigheid van de griffier [...] en in openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/466998 / KG RK 26-442
Beslissing van 8 juni 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.M.K.J. Steketee,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
Verzoeker heeft op 6 mei 2026 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met procedurenummer C/05/12198968 EZ VERZ 26-310 tussen verzoeker en een broer aangaande de erfrechtelijke afwikkeling van een nalatenschap.
2.2.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter als kanton(rol)rechter de processuele rechten van verzoeker heeft ontnomen door zijn verzoekschrift ex artikel 4:210 BW van 17 april 2026 niet in te plannen. Hierbij verwijst verzoeker naar een brief van de rechtbank van 28 april 2026.
3De beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Een wrakingsverzoek kan alleen gericht worden tegen rechters bij wie een zaak in
behandeling is. Doel van wraking is immers het voorkomen van een oordeel en beslissing door een vermeend partijdige rechter in die zaak door deze rechter te laten vervangen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan.
3.3.
In dit geval heeft verzoeker de rechtbank kennelijk op 17 april 2026 verzocht om een aanwijzing te geven in de zin van artikel 4:210 BW omdat verzoeker meent dat zijn broer ( [naam broer] ) verantwoordelijk is voor alle schulden uit de nalatenschap omdat hij de ervenrekening zou hebben leeggehaald en opgeheven op 8 november 2023. Met de brief van 28 april 2026 is verzoeker namens de rechter bericht dat zijn verzoek een verkapte verklaring voor recht betreft dan wel een aansprakelijkstelling. Een verzoek tot het geven van een aanwijzing in de zin van artikel 4:210 BW is volgens de rechter niet bedoeld om de aansprakelijkheid van een derde vast te stellen of een verklaring voor recht te verkrijgen.
3.4.
Nog daargelaten of het verzoek van 17 april 2028 een verzoek was in de zin van de wet waarop bij beschikking moet worden beslist, met de brief van 28 april 2026 is de aangelegde procedure met procedurenummer C/05/12198968 EZ VERZ 26-310 afgedaan. Of de inhoud van deze brief juist is, staat niet ter beoordeling van de wrakingskamer. Het wrakingsverzoek van 6 mei 2026 is dus ingediend nadat de procedure was geëindigd. Omdat er ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek geen procedure (meer) aanhangig was bij welke behandeling de rechter was betrokken (artikel 36 Rv), kan verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.5.
Omdat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, bestaat geen reden voor mondelinge behandeling van het verzoek op zitting. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever immers bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat inhoudelijke debat wordt niet toegekomen omdat verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek kan worden ontvangen.
4De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, mr. B. Krijnen en mr. S.A.L. van de Sande, leden in tegenwoordigheid van de griffier [...] en in openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.