Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:4387

2026-05-08 Civiel recht K/5004/10496494
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-05-08
Publicatiedatum
2026-06-02
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
K/5004/10496494
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2023:6576. Gedaagde slaagt in bewijs dat de schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor zijn zoon aansprakelijk is.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.381 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Nijmegen



Zaaknummer: 10496494 \ CV EXPL 23-1300




Vonnis van 8 mei 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. van Lith,



tegen





[gedaagde] , in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige


[minderjarige]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. F.H.J. van Gaal.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 februari 2024,
- de akte van [gedaagden] van 14 januari 2025,
- de akte van [eiser] van 15 januari 2025,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 september 2025.
- de akte van [eiser] van 24 oktober 2025,
- de brief van twee getuigen van 5 maart 2026,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor 17 maart 2026,
- de conclusie na getuigenverhoor van [eiser] ,
- de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagden] .



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling


2.1.
In deze zaak is een inhoudelijk tussenvonnis gewezen op 17 november 2023. Vervolgens is verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen van dat tussenvonnis, hetgeen in een tussenvonnis van 16 februari 2024 is toegestaan. Het hoger beroep is niet aangebracht, waarna op verzoek van partijen is voortgeprocedeerd.



2.2.
De procedure is, vanwege pensionering, voortgezet voor een andere kantonrechter dan die de tussenvonnissen heeft gewezen. Daarom is voorafgaand aan het eerste getuigenverhoor, op 30 september 2025, partijen de gelegenheid geboden ten overstaan van de opvolgend rechter naar voren te brengen wat zij van belang achten. Een en ander is vastgelegd in het proces-verbaal van die datum.



2.3.

De thans wijzend rechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 17 november 2023, met dien verstande dat de kantonrechter – met partijen – aanneemt dat in rechtsoverweging 4.2.3 is bedoeld dat [gedaagden] (en niet [eiser] ) ervan uitgaat dat sprake is van twee incidenten. In het tussenvonnis is overwogen dat uit de stellingen en voorgebrachte feiten kan worden afgeleid dat op 12 juni 2022 tweemaal personen het terrein van [eiser] hebben betreden, komende van een feestje op het terrein van de buren. [minderjarige] was op dit feestje aanwezig. De kantonrechter heeft overwogen dat de twee incidenten als twee groepen moeten worden beschouwd in de zin van artikel
6:166 BW. Voorts is geoordeeld dat [gedaagden] moet bewijzen dat de schade op het terrein van [eiser] niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor [minderjarige] aansprakelijk is. [gedaagden] is tot bewijslevering toegelaten.




2.4.

[gedaagden] heeft [minderjarige] doen horen en voorts [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), een jongen die ook op het feest aanwezig is geweest. Uit die verklaringen leidt de kantonrechter temeer af dat er tweemaal personen op het terrein van [eiser] zijn geweest. Echter is voor de getuigen onduidelijk bij welk van die twee gebeurtenissen de schade is aangericht. Zowel [minderjarige] als [betrokkene] hebben verklaard dat [minderjarige] bij geen van deze keren mee is gegaan over de heg. Ten tijde van het tweede incident zou [minderjarige] het feest zelfs al hebben verlaten.



2.5.
Tegenover deze verklaringen staat de verklaring van mevrouw [vennoot] (hierna: [vennoot] ), één van de vennoten van eisende partij. Zij verklaart dat [minderjarige] tegenover haar excuses heeft gemaakt voor het gebeurde en voorts dat zij heeft gehoord dat buurvrouw [buurvrouw] tegen de vader van [vennoot] heeft gezegd dat het eigen personeel van [eiser] de schade had aangericht, waarbij [vennoot] heeft opgemerkt dat [minderjarige] voor [eiser] heeft gewerkt. Volgens [vennoot] heeft [buurvrouw] de naam [minderjarige] tegenover haar vader genoemd.



2.6.
Uit de verklaringen en de overige stukken volgen naar het oordeel van de kantonrechter wel aanwijzingen dat [minderjarige] betrokken zou kunnen zijn geweest bij de schadeveroorzakende gebeurtenissen. [eiser] wijst wat dat betreft terecht op de berichten van de vader en moeder van [minderjarige] en de verklaring van [vennoot] . Echter kunnen de berichten van de ouders van [minderjarige] ook in een ander licht worden beschouwd, namelijk dat zij zich (destijds) verantwoordelijk hebben gevoeld om de schade met [eiser] op te lossen, zonder precies vast te stellen wie deze schade heeft veroorzaakt.



2.7.
Met betrekking tot de verklaring van [vennoot] geldt dat zij niet uit eigen waarneming over de gebeurtenissen tijdens het feest kan verklaren. Dat zij van [minderjarige] zelf heeft begrepen dat hij mede verantwoordelijk is voor de schade, wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. [minderjarige] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dit te hebben besproken met [vennoot] . Ook de verklaring dat buurvrouw [buurvrouw] tegen de vader van [vennoot] heeft gezegd dat [minderjarige] de schade (mede) heeft veroorzaakt, wordt niet ondersteund door verklaringen van bijvoorbeeld de vader of [buurvrouw] . Overigens valt op dat [vennoot] aanvankelijk verklaart dat zij heeft begrepen dat het om [minderjarige] gaat omdat werd gedoeld op een werknemer, waarna op vragen van mr. Van Gaal is verklaard dat mogelijk wel meer personen die aanwezig waren op het feest voor [eiser] hebben gewerkt. Daarna is verklaard dat de vader aan [vennoot] vroeg of [minderjarige] bij [eiser] had gewerkt omdat de naam was genoemd en op vragen van mr. Van Lith is (uiteindelijk) verklaard dat het honderd procent zo is dat [vennoot] [buurvrouw] heeft horen zeggen tegen vader dat het om [minderjarige] ging.



2.8.
Het is door deze opvolgende uitspraken voor de kantonrechter onduidelijk of [vennoot] nu echt zelf heeft gehoord dat [buurvrouw] [minderjarige] noemde als één van de ‘daders’, of dat dit toch een reconstructie is van haar zelf op basis van flarden van een gesprek en vragen nadien van haar vader. Het valt voorts op dat pas in de verklaring van [vennoot] , afgelegd bijna drie jaar na aanvang van de procedure, gewag wordt gemaakt van zowel het ‘bekennen’ door [minderjarige] van zijn rol als het noemen van [minderjarige] als ‘dader’ tegenover vader [eiser] . Dit doet af van de geloofwaardigheid van de verklaring, al was het maar door het tijdsverloop die de herinnering minder scherp kan hebben gemaakt.



2.9.

Naar aanleiding van de vordering van [eiser] en de bewijslevering is nader uitgezocht en vastgesteld wat er op de avond van het feest is of zou kunnen zijn gebeurd. In deze procedure moet ervan worden uitgegaan, zoals in het tussenvonnis van
17 november 2023 is aangenomen en uit de getuigenverklaringen van [minderjarige] en [betrokkene] ook blijkt, dat er tweemaal personen over de heg zijn gegaan. Het is onduidelijk gebleven bij welk van deze incidenten de schade is ontstaan. Voorts is niet komen vast te staan dat [minderjarige] bij één van deze gelegenheden mee over de heg is gegaan.




2.10.
Op grond daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter [gedaagden] geslaagd in het leveren van bewijs dat de schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor [minderjarige] aansprakelijk is. Dit leidt tot afwijzing van de vordering van [eiser] . De kantonrechter begrijpt dat het voor [eiser] frustrerend is dat onduidelijk blijft wie de schade nu (wel) heeft veroorzaakt. Echter gaat het in deze zaak (enkel) om de beoordeling van de aansprakelijkheid van (de ouders van) [minderjarige] , welke aansprakelijkheid zoals gezegd niet kan worden aangenomen.



2.11.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:









- kosten getuigen


€


10,00







- salaris gemachtigde


€


1.008,00


(3,5 punten × € 288,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.162,00














3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,


3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.162,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.