Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:4191
2026-05-27
Bestuursrecht; Belastingrecht
AWB 24/7887
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM Terecht geen teruggaaf bij export aan een ander dan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld. Informatie op site belastingdienst te algemeen voor geslaagd beroep op opgewekt vertrouwen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BM1206 Hoge Raad 24-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.964 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7887
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 mei 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , Frankrijk , belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Breda, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 augustus 2024.
De inspecteur heeft een afwijzende beschikking teruggaaf Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) aan belanghebbende gegeven.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, [naam echtgenoot] , via Teams, en namens de inspecteur, mr. [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] .
Feiten
1. Belanghebbende is, samen met haar echtgenoot, eigenaar van een Volvo V70 (de auto). De auto had tot 5 maart 2024 een Nederlands kenteken [kentekennummer] . Datum van eerste toelating van de auto is 31 mei 2016. Eerste inschrijving in Nederland heeft plaatsgevonden op 23 september 2017.
2. Op 9 maart 2024 is de auto buiten Nederland gebracht en op 10 april 2024 op Frans kenteken gezet.
3. Op 1 mei 2024 heeft belanghebbende een verzoek teruggaaf BPM wegens export gedaan. Belanghebbende heeft € 1.956 aan BPM teruggevraagd.
4. Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen omdat belanghebbende (de aanvrager) ‘niet de laatst tenaamgestelde is’. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 7 juni 2024.
5. Belanghebbende heeft de volgende informatie afkomstig van de site van de Belastingdienst overgelegd:
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de verzochte teruggaaf van BPM terecht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. Belanghebbende is van mening dat aan alle voorwaarden voor teruggaaf, zoals ook vermeld op de site van de Belastingdienst, is voldaan. Pas ‘achteraf’ wordt vermeld dat het bedrag aan restant BPM wordt teruggegeven aan de laatst geregistreerde kentekenhouder. Belanghebbende heeft telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst, afdeling teruggave BPM, om meer duidelijkheid te krijgen. De ‘dienstdoend ambtenaar’ heeft toen aangegeven dat belanghebbende de juiste papieren bezit. Belanghebbende verzoekt de rechtbank de Belastingdienst op te leggen zich te verexcuseren voor de verkeerde informatievoorziening en het bedrag aan restant BPM aan haar over te maken.
8. De inspecteur is van mening dat de verzochte teruggaaf terecht is geweigerd omdat de auto ten tijde van het verzoek niet op naam van belanghebbende was geregistreerd, maar op naam van een autobedrijf. Pas na export is de auto op naam van belanghebbende geregistreerd. De informatie op de site van de Belastingdienst betreft algemene informatie en laat onverlet dat aan alle wettelijke voorwaarden dient te worden voldaan, wil een teruggaaf aan belanghebbende worden verleend. Het is niet te achterhalen of er een telefonisch gesprek is geweest met een medewerker van de belastingdienst, en zo ja wat de inhoud van dit gesprek is geweest. Hoe dan ook komt belanghebbende geen beroep toe op opgewekt vertrouwen, aldus de inspecteur.
9. Niet in geschil is dat op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van BPM.
10. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM (wettekst 2024), luidt als volgt:
“Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.”
11. De rechtbank is van oordeel dat de teruggaaf terecht is geweigerd. De door belanghebbende overgelegde ‘kopie van de site van de Belastingdienst’ (zie punt 5.) is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een algemene voorlichting. Aan een dergelijke voorlichting kan belanghebbende in redelijkheid niet het vertrouwen ontlenen dat aan haar een teruggaaf dient te worden verleend. De inspecteur is namelijk in de regel niet gebonden aan de door dergelijke voorlichting gewekte verwachtingen. Anders dan belanghebbende meent kan zij uit de op de site gebruikte aanhef ‘u’ niet de in rechte te beschermen verwachting ontlenen dat belanghebbende kwalificeert voor het ontvangen van een teruggaaf, omdat de auto op het moment van export niet op haar naam was geregistreerd, maar op naam van een garagebedrijf.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat het telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de ‘dienstdoend ambtenaar’ te weinig concrete aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel dan hiervoor vermeld. Belanghebbende, op wie de bewijslast van een telefonische toezegging rust, heeft geen exacte datum van het gesprek kunnen noemen, heeft geen notities overgelegd, en ook niet de naam van de ‘dienstdoend ambtenaar’ kunnen noemen. De stelling van belanghebbende dat zij de juiste papieren bezit is door de inspecteur ter zitting gemotiveerd weersproken. De inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende geen officiële tenaamstelling van de auto heeft, maar enkel een exportbewijs, en dat is niet voldoende. Of de ‘dienstdoend ambtenaar’ iets anders heeft gezegd aangaande die papieren is niet te achterhalen. De conclusie luidt dat de teruggaaf BPM terecht door de inspecteur is geweigerd.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de verzochte teruggaaf terecht heeft geweigerd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 27 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vergelijk Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1206.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7887
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 mei 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , Frankrijk , belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Breda, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 augustus 2024.
De inspecteur heeft een afwijzende beschikking teruggaaf Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) aan belanghebbende gegeven.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, [naam echtgenoot] , via Teams, en namens de inspecteur, mr. [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] .
Feiten
1. Belanghebbende is, samen met haar echtgenoot, eigenaar van een Volvo V70 (de auto). De auto had tot 5 maart 2024 een Nederlands kenteken [kentekennummer] . Datum van eerste toelating van de auto is 31 mei 2016. Eerste inschrijving in Nederland heeft plaatsgevonden op 23 september 2017.
2. Op 9 maart 2024 is de auto buiten Nederland gebracht en op 10 april 2024 op Frans kenteken gezet.
3. Op 1 mei 2024 heeft belanghebbende een verzoek teruggaaf BPM wegens export gedaan. Belanghebbende heeft € 1.956 aan BPM teruggevraagd.
4. Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen omdat belanghebbende (de aanvrager) ‘niet de laatst tenaamgestelde is’. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 7 juni 2024.
5. Belanghebbende heeft de volgende informatie afkomstig van de site van de Belastingdienst overgelegd:
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de verzochte teruggaaf van BPM terecht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. Belanghebbende is van mening dat aan alle voorwaarden voor teruggaaf, zoals ook vermeld op de site van de Belastingdienst, is voldaan. Pas ‘achteraf’ wordt vermeld dat het bedrag aan restant BPM wordt teruggegeven aan de laatst geregistreerde kentekenhouder. Belanghebbende heeft telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst, afdeling teruggave BPM, om meer duidelijkheid te krijgen. De ‘dienstdoend ambtenaar’ heeft toen aangegeven dat belanghebbende de juiste papieren bezit. Belanghebbende verzoekt de rechtbank de Belastingdienst op te leggen zich te verexcuseren voor de verkeerde informatievoorziening en het bedrag aan restant BPM aan haar over te maken.
8. De inspecteur is van mening dat de verzochte teruggaaf terecht is geweigerd omdat de auto ten tijde van het verzoek niet op naam van belanghebbende was geregistreerd, maar op naam van een autobedrijf. Pas na export is de auto op naam van belanghebbende geregistreerd. De informatie op de site van de Belastingdienst betreft algemene informatie en laat onverlet dat aan alle wettelijke voorwaarden dient te worden voldaan, wil een teruggaaf aan belanghebbende worden verleend. Het is niet te achterhalen of er een telefonisch gesprek is geweest met een medewerker van de belastingdienst, en zo ja wat de inhoud van dit gesprek is geweest. Hoe dan ook komt belanghebbende geen beroep toe op opgewekt vertrouwen, aldus de inspecteur.
9. Niet in geschil is dat op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van BPM.
10. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM (wettekst 2024), luidt als volgt:
“Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.”
11. De rechtbank is van oordeel dat de teruggaaf terecht is geweigerd. De door belanghebbende overgelegde ‘kopie van de site van de Belastingdienst’ (zie punt 5.) is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een algemene voorlichting. Aan een dergelijke voorlichting kan belanghebbende in redelijkheid niet het vertrouwen ontlenen dat aan haar een teruggaaf dient te worden verleend. De inspecteur is namelijk in de regel niet gebonden aan de door dergelijke voorlichting gewekte verwachtingen. Anders dan belanghebbende meent kan zij uit de op de site gebruikte aanhef ‘u’ niet de in rechte te beschermen verwachting ontlenen dat belanghebbende kwalificeert voor het ontvangen van een teruggaaf, omdat de auto op het moment van export niet op haar naam was geregistreerd, maar op naam van een garagebedrijf.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat het telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de ‘dienstdoend ambtenaar’ te weinig concrete aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel dan hiervoor vermeld. Belanghebbende, op wie de bewijslast van een telefonische toezegging rust, heeft geen exacte datum van het gesprek kunnen noemen, heeft geen notities overgelegd, en ook niet de naam van de ‘dienstdoend ambtenaar’ kunnen noemen. De stelling van belanghebbende dat zij de juiste papieren bezit is door de inspecteur ter zitting gemotiveerd weersproken. De inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende geen officiële tenaamstelling van de auto heeft, maar enkel een exportbewijs, en dat is niet voldoende. Of de ‘dienstdoend ambtenaar’ iets anders heeft gezegd aangaande die papieren is niet te achterhalen. De conclusie luidt dat de teruggaaf BPM terecht door de inspecteur is geweigerd.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de verzochte teruggaaf terecht heeft geweigerd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 27 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vergelijk Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1206.