Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:3988
2026-05-21
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ARN 22/2309
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing WIA. Deskundige benoemd door de rechtbank. Gebreken in het besluit zijn in beroep hersteld. Toepassing 6:22 Awb. Toekenning schadevergoeding i.v.m. overschrijding redelijke termijn.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2016:323 Centrale Raad van Beroep 22-01-2016
- ECLI:NL:CRVB:2011:BU3215 Centrale Raad van Beroep 03-11-2011
- ECLI:NL:CRVB:2026:357 Centrale Raad van Beroep 26-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (71.086 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/2309
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A.C. van Etten),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J.M. Marquenie).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV (in bezwaar) te weinig beperkingen heeft aangenomen en functies heeft geduid die de belastbaarheid van eiseres overschreden (overwegingen 14, 14.1 en 19.1). Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Omdat het UWV deze gebreken in beroep heeft hersteld en de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft, passeert de rechtbank deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (overweging 23). Het beroep is daarom ongegrond. Wel krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Ook moet haar griffierecht worden vergoed. Daarnaast krijgt eiseres een schadevergoeding omdat de redelijke termijn voor het doen van deze uitspraak fors is overschreden (overweging 22.3). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 21 december 2021 afgewezen. Eiseres is op 2 juni 2021 (hierna: de datum in geding) namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt. Met het bestreden besluit van 25 maart 2022 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Op de zitting is het onderzoek geschorst. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om het complete verslag van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) van 15 november 2021, dat deel uitmaakt van de door Psyon verrichte expertise, toe te zenden en om te reageren op de recent door eiseres overgelegde stukken.
2.2.1.
Het UWV heeft bij brieven van 25 april 2023, 13 juni 2023 en 29 mei 2024 laten weten dat de recent overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft voor een andere beslissing. Het UWV verwijst daarvoor naar de bijgevoegde aanvullende rapportages van de arts bezwaar en beroep van respectievelijk 20 april 2023, 5 juni 2023 en 27 mei 2024.
2.2.2.
Van eiseres zijn brieven ontvangen van 22 mei 2023, 13 mei 2024 (met bijlagen) en van 16 mei 2024 (met bijlage).
2.3.
De behandeling is voortgezet op de zitting van 17 juni 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
Bij beslissing van 15 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat bij de rechtbank twijfel is ontstaan over de juistheid van de beoordeling door het UWV. Vervolgens heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast bij beslissing van 28 augustus 2024. Daarbij zijn [naam psychiater 1] , psychiater, en [naam arts 1] , verzekeringsarts, – beiden verbonden aan WPEX – als deskundigen benoemd.
2.5.
De deskundigen hebben gerapporteerd op 18 februari 2025. De rechtbank heeft deze deskundigenrapportage ook op die dag ontvangen.
2.5.1.
Bij brief van 13 maart 2025 heeft het UWV aangegeven dat het deskundigenbericht aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) is daarom aangepast op 4 maart 2025. Toch leidt dit niet tot een andere beslissing omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 35% blijft. Bij de brief zijn aanvullende rapportages van de arts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (ADBB) van respectievelijk 3 en 5 maart 2025 gevoegd. Het UWV heeft dit standpunt herhaald in brieven van 1 april 2025 en 6 augustus 2025 (met een aanvullende rapportage van de arts bezwaar en beroep en ADBB van respectievelijk 28 en 29 juli 2025).
2.5.2.
Eiseres heeft gereageerd bij brieven van 20 maart 2025, 16 april 2025, 30 juni 2025 en 20 oktober 2025.
2.5.3.
Bij brief van 4 december 2025 heeft rechtbank de deskundige [naam arts 1] gevraagd te reageren op de brieven van eiseres, waarin zij stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de agorafobie.
2.5.4.
Bij brief van 20 januari 2026 heeft het UWV laten weten geen aanleiding te zien om het standpunt te wijzigen. Bijgevoegd is een aanvullende rapportage van de arts bezwaar en beroep van 26 november 2025.
2.5.5.
Bij brief van 27 januari 2026 heeft de deskundige [naam arts 1] een nadere reactie gegeven op het standpunt van eiseres. De deskundige heeft aangegeven dat zij geen aanleiding ziet om de rapportage aan te passen.
2.5.6.
Eiseres heeft bij brief van 17 februari 2026 een reactie gegeven op de brief van het UWV van 26 november 2025 en die van de deskundige van 27 januari 2026.
2.6.
Uit de brief van eiseres van 17 februari 2026 en de brief van het UWV van 19 februari 2026 volgt dat zij niet zullen verschijnen op de geplande zitting van 3 maart 2026. De rechtbank begrijpt dat partijen met laatst genoemde brieven toestemming geven om de zaak verder op de stukken en zonder nadere zitting af te doen.
De rechtbank heeft partijen daarop medegedeeld dat de zitting geen doorgang zou vinden. Daarna is het onderzoek gesloten.
2.7.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is vanaf 16 december 2002 voor gemiddeld 23,91 uur per week werkzaam geweest als meewerkend voordame bij [naam hotel] . Op 5 juni 2019 heeft eiseres zich ziekgemeld als gevolg van een keelontsteking.
3.1.
Bij besluit van 8 juni 2021 is aan eiseres met ingang van 2 juni 2021 een voorschot op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 22 juni 2021 is aan eiseres met ingang van 2 juni 2021 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend.
3.2.
Bij het primaire besluit heeft het UWV aan eiseres met ingang van 2 juni 2021 een WIA-uitkering geweigerd.
3.3.
In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De reden hiervoor is dat eiseres op de datum in geding minder dan 35% – namelijk 16,71% – arbeidsongeschikt is. In beroep is dat bijgesteld naar 18,86%. Hieraan liggen een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag. De voor eiseres vastgestelde medische belastbaarheid is verwoord in de FML.
3.4.
Op 12 januari 2022 heeft eiseres een nieuwe ziekmelding gedaan vanuit de Werkloosheidswet. Bij besluit van 14 april 2022 is aan eiseres per 13 april 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
Bij besluit van 7 maart 2024 is aan eiseres een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend met ingang van 10 februari 2024 tot en met 3 april 2025 omdat zij 80-100% arbeidsongeschikt is.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van een niet-tijdige beoordeling van het recht op een WIA-uitkering?
4. Eiseres voert aan dat het onbegrijpelijk is dat in bezwaar niet tevens werd beoordeeld of zij per latere datum (op basis van haar toegenomen fysieke klachten) in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering. Volgens eiseres is er sprake van een late (niet aan haar te wijten) beoordeling van het recht op de WIA-uitkering (in de beslissing van 21 december 2021 werd haar recht op uitkering met ingang van 2 juni 2021 beoordeeld). Was de beslissing op de WIA-aanvraag tijdig genomen, dan had eiseres zich met haar klachten direct ziek kunnen melden bij haar WW-uitkering. Deze mogelijkheid is haar nu ontnomen, terwijl er wel nieuwe beperkingen in haar belastbaarheid bij zijn gekomen, aldus eiseres.
4.1.
Eiseres heeft deze beroepsgrond ingetrokken op de zitting van 24 maart 2023 zodat de rechtbank deze beroepsgrond niet hoeft te bespreken.
Is het medisch onderzoek van het UWV en van Psyon zorgvuldig geweest?
5. Eiseres is van mening dat het medisch onderzoek van de (verzekerings)artsen van het UWV en van Psyon onzorgvuldig is geweest. Zij hebben ten onrechte geen informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog, bij wie zij twee jaar onder behandeling is geweest en die haar heeft doorverwezen naar Overwaal, of bij de huisarts. Eiseres heeft daar juist op aangedrongen. In de standaard van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) is ook vastgelegd dat een dergelijke wens gehonoreerd moet worden indien een cliënt daarop aandringt. Zij beroept zich in dit verband ook op een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 23 november 2022.
Over het onderzoek en het rapport van Psyon geeft eiseres aan dat zij het rapport lang vindt; het bevat moeilijke woorden en ze begrijpt het niet helemaal. In het NPO, dat deel uitmaakt van dat onderzoek, wordt onvoldoende gemotiveerd waarop is gebaseerd dat er sprake is van een gestoorde symptoomvaliditeitstest en van onderpresteren. De opbouw van het onderzoek van Psyon is ook onduidelijk.
Het onderzoek van Psyon
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het in eerste instantie aan de (verzekerings)artsen (van het UWV) is om zich te vergewissen van de zorgvuldigheid van het onderzoek van Psyon. Het UWV heeft namelijk opdracht gegeven voor dit onderzoek. De (verzekerings)artsen hebben geen aanleiding gezien om het onderzoek voor onzorgvuldig, onduidelijk of onvoldoende overtuigend te houden. Afgezien daarvan ziet ook de rechtbank geen aanleiding om het medisch onderzoek van Psyon voor onzorgvuldig te houden. Er is door Psyon ten behoeve van het onderzoek geen nadere informatie opgevraagd bij de behandelaar van eiseres. Kennelijk vond de rapporteur dat niet nodig om tot een goed advies te kunnen komen. Er is ook niet gebleken dat eiseres bij Psyon heeft aangedrongen op het opvragen van informatie bij haar behandelaar. (Dat heeft zij bij de arts bezwaar en beroep wel gedaan). Zij heeft wel toestemming gegeven om dat te doen, maar dat is iets anders. Het moge zo zijn dat eiseres kennelijk een nadere toelichting had gewild ten aanzien van het medisch oordeel van Psyon dat er sprake is van een gestoorde symptoomvaliditeitstest en van onderpresteren, maar het ontbreken van die toelichting en het niet vermelden welke testen zijn gebruikt, is voor de rechtbank geen reden om het onderzoek om die reden voor onzorgvuldig te houden. Er zijn namelijk geen indicaties dat deze bevinding, dat er sprake was van een gestoorde symptoomvaliditeitstest en van onderpresteren, onjuist is geweest.
Ook in de opmerkingen van eiseres ten aanzien van de opstelling van het rapport ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan tijdens het onderzoek of dat er sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het onderzoek van Psyon voor eiseres zwaar was en de rapportage voor haar onduidelijk.
Het onderzoek van de verzekeringsartsen van het UWV
5.2.
Verzekeringsarts [naam arts 2] (hierna: [naam arts 2]) heeft het dossier en de ontvangen informatie bestudeerd. Hiernaast heeft hij eiseres onderzocht tijdens een spreekuur op 10 september 2021, telefonisch overlegd met de bedrijfsarts op 10 september 2021 en telefonisch contact gehad met eiseres op 3 december 2021 naar aanleiding van de expertiserapportage van Psyon. Ook heeft hij bij zijn beoordeling de medische informatie van de bedrijfsarts van 16 februari 2021 (met bijlagen) betrokken. Hiernaast heeft [naam arts 2] eiseres aangemeld voor een expertise bij Psyon, waaruit de rapporten zijn voortgekomen van psychiater [naam psychiater 2] en psycholoog [naam psycholoog 1] van 17 november 2021 en een neuropsychologisch onderzoek (NPO) van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] van 15 november 2021. De reden hiervoor was dat de werkgever van eiseres het advies van de bedrijfsarts, om een expertise aan te vragen niet heeft opgevolgd. Ook [naam arts 2] vond deze expertise nodig omdat er sprake is van (een) multipele / complexe psychi(atri)sche aandoeningen en een goed overzicht van de problematiek, de behandelmogelijkheden en de prognose ontbrak.
5.2.1.
[naam arts 2] heeft naar het oordeel van de rechtbank een zeer grondig onderzoek gedaan. Niet valt in te zien wat er onzorgvuldig is geweest aan dit onderzoek. De omstandigheid dat eiseres zich niet in de medische rapportage kan vinden, maakt dit niet anders.
5.3.
Arts bezwaar en beroep [naam arts 3] (hierna: [naam arts 3]) heeft in bezwaar dossierstudie verricht. Bij zijn beoordeling heeft hij het primaire dossier betrokken, waaronder het rapport van Psyon, de bezwaren op medisch gebied in het bezwaarschrift en overgelegde medische stukken (een brief van GZ-psycholoog [naam psycholoog 2] van Raadthuys GGZ van 13 september 2021 en een aanwijzing voor een bezoek aan locatie Rijnstate ziekenhuis van 7 december 2021). Ook heeft hij betrokken een telefoonnotitie inzake een telefonisch contact tussen eiseres en medewerker bezwaar op 31 januari 2022 en een brief van eiseres van 20 februari 2022 in reactie op deze telefoonnotitie. Volgens [naam arts 3] heeft [naam arts 2] reeds een psychiatrische expertise aangevraagd bij Psyon. Omdat de beperkingen met de informatie uit de rapportage van Psyon duidelijk zijn, vervalt volgens [naam arts 3] de noodzaak om ook nog informatie bij de behandelend sector op te vragen. Eiseres mag natuurlijk ook te allen tijde zelf relevante informatie inbrengen, aldus [naam arts 3].
5.3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook het onderzoek door [naam arts 3] in bezwaar niet onzorgvuldig geweest. Hij mocht op zijn eigen professionele oordeel afgaan dat de beperkingen duidelijk waren en dat meer informatie vanuit de behandelend sector niet van toegevoegde waarde zou zijn. Eiseres had immers ook al medische informatie ingebracht. Het beroep van eiseres op de Lisv-standaard, slaagt niet. Deze standaard gold niet meer ten tijde van de beoordeling. Deze is vervangen door de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Daarin wordt niet voorgeschreven dat een verzekeringsarts informatie moet opvragen als daarop wordt aangedrongen. Volgens de Standaard is aanvullend onderzoek of het opvragen van aanvullende informatie geboden bij twijfel of onduidelijkheid en die was er kennelijk niet. Eiseres kon ook eigener beweging medische informatie inbrengen. Dat heeft zij in bezwaar en in beroep ook gedaan.
5.3.2.
Ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 23 november 2022 waar eiseres naar verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten de vraag of het toetsingskader in tuchtzaken hetzelfde is als in procedures als de onderhavige, volgt uit deze uitspraak niet dat een verzekeringsarts altijd medische informatie moet opvragen bij de behandelaar (al dan niet omdat de betrokkene daar om vraagt). In de desbetreffende zaak had de betrokkene in haar persoonlijke verhaal melding gedaan van onderzoeken en behandelingen door diverse specialisten die zij had ondergaan. Deze bleken niet (of onvoldoende) uit de beschikbare medische informatie en waren wel relevant. Om díe reden oordeelde het Centraal Tuchtcollege dat de deskundige aanvullende medische informatie had moeten opvragen en dat ten onrechte niet had gedaan. Deze situatie doet zich hier niet voor. Het was immers bekend dat eiseres een behandeling onderging en daarover zaten ook brieven in het dossier.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er voldoende beperkingen aangenomen door het UWV?
6. Eiseres heeft naast de psychi(atri)sche klachten ook lichamelijke klachten. Het geschil gaat uitsluitend over de geestelijke gezondheid van eiseres en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De rechtbank zal daarom verder niet ingaan op de fysieke klachten van eiseres en de daaruit voortkomende (en aangenomen) beperkingen.
7. Eiseres stelt dat de beperkingen die voortvloeien uit haar geestelijke gezondheidstoestand onjuist zijn vastgesteld. Daartoe voert zij onder meer het volgende aan.
7.1.
Eiseres is psychisch snel uit evenwicht. Zij heeft angsten, paniekaanvallen en onrust. Eiseres slaapt slecht, is snel overprikkeld en durft niet alleen naar buiten. Er is sprake van dwangmatigheid. Zij staat op de wachtlijst voor intensieve behandeling bij Overwaal, Expertisecentrum Angst, Dwang en PTSS (hierna: “Overwaal”). Tijdens de intakeprocedure zijn de diagnoses paniekstoornis met gegeneraliseerde angststoornis, agorafobie, sociale angststoornis, obsessieve compulsieve stoornis (OCS), posttraumatische stressstoornis (PTSS) en persisterende depressie gesteld. Dit is in belangrijke mate afwijkend van de conclusies van de psychiater van Psyon, wiens rapportage aan de beoordeling door de (verzekerings)artsen van het UWV ten grondslag is gelegd, aldus eiseres. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de brief van de GZ-psycholoog/ gedragstherapeut [naam psycholoog/gedragstherapeut] van 29 juni 2022 van Overwaal. In haar brief van 16 maart 2023 licht eiseres haar standpunt toe: zowel Psyon als Overwaal concluderen dat er sprake is van een angststoornis en een depressieve stoornis. Het verschil zit in de DSM-classificatie. Overwaal noemt de paniekstoornis als hoofddiagnose en stelt als bijkomende diagnosen agorafobie, obsessieve-compulsieve stoornis en een GAF van 45.
7.2.
Eiseres is het oneens met de belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met haar disbalans, haar angst om het huis te verlaten. Zij is niet in staat haar grenzen te bewaken. Energetisch is eiseres niet in staat om 32 uur per week te werken. Er is geen rekening gehouden met de recuperatietijd. Uit de brief van de huisarts van 8 maart 2023 blijkt welke beperkingen eiseres ondervindt ten gevolge van de angstklachten en dwanghandelingen. Eiseres is nu onder behandeling omdat zij door haar angst- en paniekstoornis niet naar buiten durft.
7.3.
Eiseres verzoekt de rechtbank om een hernieuwde expertise en de benoeming van een onafhankelijke psychiater waarbij deze ook informatie opvraagt bij de behandelende sector.
7.4.
Bij brieven van 13 mei 2024 en 16 mei 2024 heeft eiseres aangevoerd dat zij inmiddels een WIA-uitkering heeft toegekend gekregen met ingang van 10 februari 2024. Zij is van mening dat de rapportage van de verzekeringsarts [naam arts 4] van 26 februari 2024, die ten grondslag ligt aan die beslissing, ook relevant is voor deze procedure. Er zijn meer beperkingen aangenomen, waaronder een urenbeperking van 4 uur per dag en maximaal 16 uur per week. Het is namelijk aannemelijk dat de beperkingen in de belastbaarheid in persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden per 10 februari 2024 ook aanwezig waren op de datum in geding in deze procedure van 2 juni 2021. Ook heeft zij de brief van 2 mei 2024 van Overwaal overgelegd, waarin wordt ingegaan op haar klachten, de diagnose en behandeling. Deze informatie is relevant omdat het gaat om klachten die al speelden op de datum in geding.
8. Het UWV blijft bij het standpunt dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is en om die reden per de datum in geding niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Het UWV verwijst daarvoor onder meer naar de rapportage in bezwaar van 16 maart 2023 van [naam arts 3] en zijn aanvullende rapportages in beroep.
8.1.
In zijn aanvullende rapporten in beroep van 7 december 2022 en 2 januari 2023 geeft [naam arts 3] aan niet te begrijpen wat de gemachtigde van eiseres bedoelt met een foute diagnose in het rapport van Psyon. Hij ziet geen verschil van inzicht omdat (ook) Psyon concludeert dat er sprake is van een angststoornis en een depressieve stoornis. Hij ziet ook niet welke aangenomen beperkingen tekort zouden schieten. De ingebrachte medische informatie geeft [naam arts 3] geen aanleiding om zijn standpunt te wijzigen. Wel heeft hij de FML op 2 januari 2023 iets aangepast. De toelichting bij item 1.8.3 werd ‘conform instructie’ verplaatst naar item 1.8.1.
8.2.
[naam arts 3] geeft in zijn aanvullende rapporten van 20 april 2023, 5 juni 2023 en 27 mei 2024 aan dat de ernst van de claim van eiseres in het onderzoek bij Psyon niet kon worden geobjectiveerd. Dit had deels te maken met onderpresteren van eiseres tijdens het testonderzoek. In ieder geval kon geen persoonlijkheidsstoornis of neurobiologische ontwikkelingsstoornis worden geobjectiveerd. In bezwaar legt eiseres de klemtoon (weer) op het niet (alleen) naar buiten kunnen gaan. Deze angst kon echter in het onderzoek bij Psyon niet worden geobjectiveerd. De beperkingen van eiseres zijn echter niet alleen vastgesteld op basis van de rapportage van Psyon. Ook de bevindingen van de bedrijfsarts en die tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts zijn bij het onderzoek betrokken. De door eiseres ingebrachte brief van de huisarts van 8 maart 2023 geeft geen aanleiding om de beperkingen aan te scherpen: het UWV houdt rekening met de energetische beperking van eiseres; zij is belastbaar voor maximaal 32 uur per week. Een druk huishouden naast het werk geeft geen aanleiding voor een grotere arbeidsduurbeperking. Er zijn al forse beperkingen aangenomen. Er is op geen enkele manier een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM) te onderbouwen. Verder is de conclusie van de verzekeringsarts [naam arts 4] per 9 januari 2024 volgens [naam arts 3] niet van toepassing op de situatie op de datum in geding. Hij heeft overleg gehad met [naam arts 4]; zij heeft in haar rapportage bedoeld aan te geven dat de situatie van eiseres op haar spreekuur van 10 januari 2024 duidelijk was verslechterd en er een opname aanstaande was. [naam arts 4] heeft expliciet aangegeven dat zij de situatie per 9 januari 2024 bespreekt en dat die zeker niet van toepassing is per 2 juni 2021.
9. In de heropeningsbeslissing van 15 juli 2024 heeft de rechtbank aangegeven dat
bij haar, op basis van de in beroep door eiseres overgelegde stukken, twijfel is ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling van de (verzekerings)artsen van het UWV, met name ten aanzien van de psych(iatr)ische klachten van eiseres. Het UWV gaat alleen uit van een angststoornis / paniekstoornis. De overige, door Overwaal genoemde bijkomende diagnoses, zijn niet overgenomen. Mogelijk bestaat daarover (toch) een verschil van inzicht. Ook zouden de rapportages van [naam arts 4] mogelijk wel relevant kunnen zijn voor deze procedure omdat [naam arts 4] alle diagnoses van Overwaal overneemt (welke diagnoses in de brief van 29 juni 2022 al waren genoemd). Het kan niet uitgesloten worden dat deze problematiek zich al voordeed op de datum in geding. Uit de rapportages van [naam arts 4] blijkt namelijk geenszins dat de situatie van eiseres is verslechterd. Deze duiden er eerder op dat de situatie van eiseres – ondanks de ingezette behandeling – de afgelopen periode niet veranderd is. De rechtbank heeft daarom de eerder genoemde onafhankelijke deskundigen benoemd om te rapporteren over de zaak van eiseres.
Wat vindt de rechtbank van de deskundigenrapportage?
10. In de deskundigenrapportage is door de deskundigen als volgt gerapporteerd.
De psychiatrische samenvatting, beschouwing en diagnostische overwegingen van de deskundige [naam psychiater 1] luiden als volgt:
“(…) Op basis van onderhavig onderzoek kan gesteld worden dat op de datum in geding, zijnde 02-06-2021, in diagnostische zin werd voldaan aan de criteria van een paniekstoornis (…) met agorafobie (…). Er was immers sprake van terugkerende en plotseling opkomende paniekaanvallen (…). Daarbij worden op basis van onderhavig onderzoek voldoende aanwijzingen gezien om te stellen dat erop de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis, eenmalige episode, licht van ernst (…). Een sterk vermijdende coping speelt een grote rol in het klachtenbeeld. De aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis, waarover in de behandelend sector wordt gesproken, is echter onvoldoende te onderbouwen gezien de aanwezige angst- en stemmingsproblemen, maar ook gezien het feit dat onderzochte tot haar uitval naar behoren heeft kunnen functioneren op meerdere levensgebieden, ondanks de aanwezigheid van klachten. Wel kan op de datum in geding gesproken worden van een stoornis in het gebruik van alcohol, licht van ernst (...), waarbij onderzochte dagelijks meerdere glazen alcohol gebruikte, voornamelijk om haar angstige gevoelens hiermee te kunnen dempen. Ook dit kan gezien worden als een vermijdende en tekortschietende coping.
Hoewel onderzochte rapporteert vanaf jonge leeftijd dwangklachten te hebben en er in de behandelend sector gesproken wordt van een obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis), kan deze diagnose op basis van onderhavig onderzoek niet bevestigd worden. (…) Onderzochte rapporteert dwangklachten te hebben, echter op de datum in geding worden geen specifieke obsessies en/of compulsies gerapporteerd en wordt geen tijdrovend karakter hiervan gemeld. Een andere angststoornis, zoals een sociale angststoornis of ongespecificeerde angststoornis, zoals in de behandelend sector worden genoemd, kan niet worden gesteld; de angstklachten die onderzochte rapporteert en die diffuus zijn, kunnen worden gevangen in de diagnoses paniekstoornis en depressieve stoornis. Voor de eerder overwogen ADHD worden bij onderhavig onderzoek eveneens onvoldoende aanwijzingen gezien (…). In de actuele situatie wordt nog altijd voldaan aan de criteria voor een paniekstoornis, agorafobie en een stemmingsstoornis. De stoornis in alcoholmisbruik (…) is heden in remissie (…). De licht verhoogde score op de symptoomvaliditeitstaak wordt in de diagnostische overweging meegewogen; wellicht zou er enigszins sprake kunnen zijn van het aanzetten van de klachten, echter gezien de geobjectiveerde afwijkingen bij psychiatrisch onderzoek, in combinatie met de medische gegevens en de anamnese, is de vastgestelde problematiek mijns inziens gerechtvaardigd (…)”.
De verzekeringsgeneeskundige samenvatting, beschouwing en diagnostische overwegingen van [naam arts 1] luiden als volgt:
“(…) Overwegingen ten aanzien van de diagnose
Bij psychiatrisch onderzoek blijkt dat er op de datum in geding, zijnde 02-06-2021, in diagnostische zin werd voldaan aan de criteria van een paniekstoornis met agorafobie. Daarbij worden (…) voldoende aanwijzingen gezien om te stellen dat er op de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis, eenmalige episode, licht van ernst (…). Een sterk vermijdende coping speelt een grote rol in het klachtenbeeld. De aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis (…) is echter onvoldoende te onderbouwen gezien de aanwezige angst- en stemmingsproblemen, maar ook gezien het feit dat onderzochte tot haar uitval naar behoren heeft kunnen functioneren op meerdere levensgebieden, ondanks de aanwezigheid van klachten. Wel kan op de datum in geding gesproken worden van een stoornis in het gebruik van alcohol, licht van ernst (...), waarbij onderzochte dagelijks meerdere glazen alcohol gebruikte, voornamelijk om haar angstige gevoelens hiermee te kunnen dempen. Ook dit kan gezien worden als een vermijdende en tekortschietende coping (...).
Overwegingen ten aanzien van de belastbaarheid
Vanwege de bij het psychiatrisch onderzoek gebleken paniekstoornis, agorafobie en lichte depressieve stoornis was onderzochte op de datum in geding zijnde 2 juni 2021, beperkt belastbaar. Er was echter geen sprake van een situatie van Geen benutbare mogelijkheden (GBM). Er waren geen ernstige beperkingen in het concentreren en verdelen van de aandacht of in het herinneren. Onderzochte vermeed wel veel activiteiten en situaties, zonder dat er sprake was van een gestoord ziekte of zelfinzicht. De vermijdende coping van onderzochte leidde tot een vergaande passiviteit, ook ten aanzien van de zorg voor huishouden en gezin. Er kan echter niet gesproken worden van een beperking in het zelfstandig en doelmatig handelen, op grond van een ernstig psychiatrische aandoening of een verstandelijke beperking. Evenmin was onderzochte op de datum in geding, of actueel, opgenomen, bedlegerig of ADL zorg afhankelijk. Wel was onderzochte aangewezen op werk dat rekening hield met beperkingen en specifieke voorwaarden ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid.
In het persoonlijk functioneren was onderzochte aangewezen op een voorspelbare werksituatie met een vaste werkplek, niet veelvuldig wisselende collega’s, en overwegend duidelijke en vaststaande werkzaamheden. Zij kon vanwege haar angststoornissen niet flexibel omgaan met sterk wisselende taken, uitvoeringsomstandigheden, of met veel wisselingen in werkplek of collega’s. Veel drukte in de werkomgeving zou ook voor angstklachten kunnen zorgen. Een zeer drukke, afleidende werkomgeving wordt afgeraden.
Dit geldt ook voor veelvuldige onverwachte storingen en onderbrekingen die stressvol en beangstigend konden zijn voor onderzochte.
Het werken onder een hoge tijdsdruk en prestatiedruk kon onderzochte vanwege haar angst en depressie niet aan. Een enkele deadline was haalbaar per dagdeel, maar ten aanzien van werk met veelvuldige deadlines en piek drukte was onderzochte beperkt.
In het sociaal functioneren was onderzochte beperkt in het hanteren van emoties van anderen en in de conflicthantering. Doordat onderzochte angstig en somber was, kon zij emoties van anderen niet goed aan. In verband daarmee, en vanwege de problemen in het contact met wisselende personen, was zij aangewezen op werk waarin geen veelvuldig rechtstreeks klantcontact voorkomt. Telefonisch of schriftelijk was wel mogelijk. Enkele korte contacten zouden wel kunnen.
De rechtstreekse intensieve verzorging van patiënten of hulpbehoevenden was eveneens te belastend. Vanwege haar angst en vermijding vond onderzochte het moeilijk om haar eigen emoties en behoeftes tijdig en adequaat kenbaar te maken. Een lichte beperking op het uiten van de eigen emoties is daarom van toepassing. Tenslotte was onderzochte beperkt belastbaar ten aanzien van leidinggevende taken. Grote verantwoordelijkheden of mensen aansturen kon ze niet aan. (…)
Naast de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren is er een indicatie voor een lichte beperking in de duurbelastbaarheid. Deze is gebaseerd op het lage energieniveau ten gevolge van somberheid, een slechte eetlust, gewichtsverlies, een slechtere slaapkwaliteit met veel piekeren. Onderzochte was door deze factoren energetisch enigszins verminderd belastbaar. Anderzijds zou werk haar de nodige structuur, ritme en afleiding van haar klachten hebben kunnen geven. Ter behoud van dagritme en structuur, rekening houdend met alle aangegeven beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, was onderzochte gemiddeld 6 tot 8 uur per dag en gemiddeld 30-32 uur per week belastbaar.
Conclusies
Onderzochte was op de datum in geding op enkele punten meer beperkt dan door UWV is aangenomen. Zij was vanwege de gebleken psychopathologie beperkt in staat tot het hanteren van emoties van anderen, en aangewezen op werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten of medepatiënten (…)”.
De beantwoording van vraag 2 (samengevat: zijn er beperkingen voor het verrichten van arbeid op 2 juni 2021?) komt vrijwel woordelijk overeen met het hiervoor opgenomen citaat uit de beschouwing en diagnostische overwegingen van [naam arts 1] . De vragen 3a en 3b zijn als volgt beantwoord:
“Vraag 3a:
Is de vastlegging van de medische belastbaarheid op uw vakgebied in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 december 2021 juist?
Antwoord 3a:
In overwegende mate is deze FML juist vastgesteld. Enkele aanvullende beperkingen zijn nodig.
Vraag 3b:
Zo nee:
- op welke onderdelen niet?
- waarom niet?
- wat is dan de belastbaarheid op die onderdelen (…).
Antwoord 3b:
Onderzochte was op de datum in geding op enkele punten meer beperkt dat door het UWV is aangenomen. Zij was vanwege gebleken psychopathologie beperkt in staat tot
- het hanteren van emoties van anderen, en
- aangewezen op werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten
- aangewezen op werk zonder veelvuldige rechtstreekse en intensieve contacten met patiënten (…).”
10.1.
In reactie op de stelling van eiseres dat er ook (of meer) beperkingen hadden moeten worden aangenomen vanwege de agorafobie, heeft [naam arts 1] in haar brief van 27 januari 2026 aangegeven:
“Eiseres stelt zich op het standpunt dat ik bij mijn beoordeling van de belastbaarheid onvoldoende rekening heb gehouden met de agorafobie.
Dat weerspreek ik, en wel om de volgende reden: Bij agorafobie is het (behandel)advies: exposure (blootstelling). Het doel is: doorbreken van de vermijding.
Indien ik als arts zou zeggen: het lukt u niet, of alleen met heel veel moeite, blijft u maar thuis, dan zou ik mee gaan in de vermijding. Dit zou leiden tot “iatrogene schade”. Om het doorbreken van de vermijding te ondersteunen, zijn in de arbeid wel uitgebreide beperkingen aangenomen, zoals t.a.v. sterk wisselende taken, uitvoeringsomstandigheden, of met veel wisselingen in werkplek of collega’s, en veel drukte in de werkomgeving (…).”
11. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt.
11.1.
[naam psychiater 1] is benoemd als onafhankelijke deskundige. Het is aan haar om, vanuit haar professionele deskundigheid, te beoordelen of zij informatie mist om te kunnen adviseren omtrent de vraagstelling. Kennelijk vond zij dat niet en beschikte zij over voldoende informatie om haar deskundig medisch oordeel te geven. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze inschatting. Uit de rapportage volgt ook niet dat er ergens twijfel of onduidelijkheid over bestond bij haar. Daarom valt niet in te zien waarom het opvragen van aanvullende informatie bij Pro Persona zinvol of noodzakelijk zou zijn. Dat zij tot een ander medisch oordeel komt dan de professionals die eiseres al jaren behandelen, maakt dit niet anders.
[naam psychiater 1] heeft gerapporteerd dat de huidige klachten van eiseres grotendeels vergelijkbaar zijn als op de datum in geding. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van eiseres, om de deskundige te vragen om bij Pro Persona informatie op te vragen omtrent het ziektebeeld en de diagnose per datum in geding, en – naar de rechtbank aanneemt aanvullend te rapporteren – te honoreren.
11.1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het deskundigenrapport dat [naam psychiater 1] zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Er is een uitgebreide anamnese afgenomen. Alle beschikbare medische informatie, waaronder die van de behandelaars van eiseres en die van de (verzekerings)artsen van het UWV zijn door [naam psychiater 1] kenbaar bij de beoordeling betrokken, alsook de bevindingen tijdens het onderzoek. In het deskundigenrapport heeft zij inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hoe zij tot de gestelde diagnoses is gekomen. Zij heeft goed toegelicht waarom zij bepaalde, door de behandelaars van eiseres, gestelde (bijkomende) diagnoses niet overneemt. De door eiseres tegen dit rapport aangevoerde bezwaren vormen geen aanleiding de conclusies van deze deskundige niet te volgen.
11.2.
Ook [naam arts 1] heeft haar oordeel over de belastbaarheid van eiseres inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd en ook waarom er aanvullende beperkingen noodzakelijk zijn ten opzichte van de FML van 3 december 2021.
11.2.1.
Eiseres stelt dat de deskundige de agorafobie onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van haar belastbaarheid. Volgens haar is haar situatie namelijk hetzelfde als de situatie van de betrokkene waar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2011 over gaat. [naam arts 1] heeft evenwel in haar brief van 27 januari 2026 nader toegelicht waarom zij het standpunt van eiseres niet deelt. Die toelichting komt er op neer dat het meegaan in de angst van eiseres om naar buiten te gaan juist gecontra-indiceerd is en er dat er daarom geen aanleiding is voor het aannemen van extra beperkingen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om dit medisch oordeel voor onjuist te houden. Eiseres heeft geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om daar aan te twijfelen. De omstandigheid dat eiseres op de datum in geding nog geen exposuretherapie had (gehad) betekent niet dat exposure – of het niet-meegaan in de vermijding – niet aangewezen was.
11.2.2.
De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB kan niet slagen, alleen al gelet op het feit dat geenszins kan worden vastgesteld dat de situatie van de daarin genoemde betrokkene hetzelfde is als die van eiseres. De enkele omstandigheid dat er in beide gevallen sprake is van agorafobie, is onvoldoende. Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid dat een paniekstoornis met agorafobie in alle gevallen niet verenigbaar is met regelmatige werkzaamheden buitenshuis. Bovendien is die uitspraak gedaan op basis van een medisch oordeel dat in 2011 is gegeven. Het is de rechtbank niet bekend of nu, ruim 15 jaar later, in de medische wetenschap op dezelfde manier wordt aangekeken tegen agorafobie en de beperkingen in de belastbaarheid die daaruit (kunnen) voortvloeien als toen.
11.2.3.
Ook de rapportage van [naam arts 4] leidt niet tot een ander oordeel, omdat die rapportage ziet op een andere datum in geding. Bovendien baseert [naam arts 4] haar oordeel mede op de informatie van Overwaal. [naam psychiater 1] heeft, zoals hierboven al overwogen, voldoende gemotiveerd waarom zij tot een ander medisch oordeel komt dan Overwaal.
11.3.
Gezien het voorgaande volgt de rechtbank het oordeel van de door haar benoemde deskundigen.
Wat voor gevolgen hebben de conclusies van de deskundigen voor het bestreden besluit?
12. Uit de deskundigenrapportage volgt dat er op de datum in geding bij eiseres sprake was van een paniekstoornis, agorafobie en lichte depressieve stoornis (eenmalige episode). Er was dus niet alleen sprake van een paniekstoornis, zoals [naam arts 2] en [naam arts 3] (in eerste instantie) hebben gesteld. Anderzijds konden de (bijkomende) diagnoses van Overwaal ook niet geheel worden onderschreven. Expliciet wordt benoemd dat een obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis) of een andere angststoornis (zoals een sociale angststoornis of ongespecificeerde angststoornis) niet konden worden vastgesteld en een persoonlijkheidsstoornis evenmin. [naam psychiater 1] gaat niet in op de vraag of er sprake is van PTSS, zodat de rechtbank aanneemt dat ook daar volgens haar geen sprake van is, anders zou zij dat – neemt de rechtbank aan –hebben gesteld. De deskundige heeft verder genoemd dat eiseres een eenmalige lichte depressie heeft, terwijl Overwaal spreekt van een persisterende depressie.
13. Uit de omstandigheid dat de (verzekerings)artsen niet alle diagnoses hebben betrokken bij hun beoordeling, volgt niet dat alleen al om die reden moet worden aangenomen dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen. De diagnose is immers niet (alleen) bepalend voor de aan te nemen beperkingen. Het gaat er om of er voldoende beperkingen zijn aangenomen, gelet op de medische situatie van eiseres.
14. Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft [naam arts 3] aanvullend gerapporteerd op 3 maart 2025. Hij heeft de door [naam arts 1] voorgestelde aanvullende beperkingen toegevoegd aan de FML van 3 december 2021. Het gaat om beperkingen ten aanzien van het hanteren van emoties van anderen, het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten en op werk zonder veelvuldige rechtstreekse en intensieve contacten met patiënten. De belastbaarheid van eiseres per de datum in geding is vastgelegd in de FML van 4 maart 2025. Daarna heeft hij de FML nog een keer aangepast op 23 juli 2025. Nu [naam arts 3], naar aanleiding van de deskundigenrapportage, in beroep meer beperkingen heeft aangenomen, betekent dit dat de beperkingen van eiseres niet helemaal juist zijn vastgesteld. De beroepsgrond, dat eiseres meer beperkt is dan aangenomen, slaagt om die reden.
14.1.
Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
15. De rechtbank zal om proceseconomische redenen beoordelen of er aanleiding bestaat om toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is ook in beroep namelijk onder de 35% gebleven en de aanpassing van de FML heeft niet geleid tot een wijziging van het besluit. De rechtbank zal daarom beoordelen of eiseres meer beperkt is dan aangenomen in de FML van 23 juli 2025 en, zo nee, of eiseres de in beroep geduide functies kan verrichten.
Zijn er voldoende beperkingen aangenomen in de FML van 23 juli 2025?
16. Eiseres heeft in haar brieven van 20 maart 2023, 16 april 2025, 20 oktober 2025 en 17 februari 2026, aangegeven dat [naam arts 3] het onderzoek, de diagnostische overwegingen en de beperkingen in de belastbaarheid uit het deskundigenonderzoek niet voldoende heeft vertaald in de FML van (4 maart 2025 en van) 23 juli 2025. Er hadden meer beperkingen aangenomen moeten worden in verband met haar agorafobie. De deskundige heeft aangegeven dat eiseres (ook) is aangewezen op een vaste werkplek en niet veelvuldig wisselen van collega’s en dit is door [naam arts 3] niet overgenomen in de FML. Ook heeft hij geen beperking gegeven bij het aantal uren per dag. In de deskundigenrapportage wordt aangegeven dat zij gemiddeld 6 uur per dag en gemiddeld 30 uur per week belastbaar is.
16.1.
Naar aanleiding van de deskundigenrapportage en de reacties daarop van eiseres, heeft [naam arts 3] de door [naam arts 1] voorgestelde aanpassingen doorgevoerd in de FML. In zijn aanvullende rapportage van 25 februari 2025 heeft hij de FML aangepast in rubriek 1 en 2. Deze FML is gedateerd op 4 maart 2025.
Met betrekking tot de opmerking van eiseres dat in de FML niet is verwerkt dat zij (ook) is aangewezen op een vaste werkplek en niet veelvuldig wisselen van collega’s, merkt [naam arts 3] in zijn rapportage van 28 juli 2025 op dat de deskundige de(ze) consequenties van de agorafobie niet heeft geconcretiseerd in de beantwoording van vraag 2 en vraag 3b. Niettemin heeft hij naar aanleiding hiervan aan de FML, gedateerd 23 juli 2025, toegevoegd dat eiseres is aangewezen op een vaste werkplek en een voorspelbare werksituatie.
[naam arts 3] geeft in zijn aanvullende rapportages van 28 juli 2025 en 26 november 2025 aan dat hij geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen vanwege de agorafobie. Door de agorafobie ervaart eiseres klachten als zij naar buiten gaat. De consequentie is dat zij dan zo nodig begeleiding kan inschakelen. Op de datum in geding begaf zij zich wel buiten de deur met enige moeite, onder druk van haar man. Het is dus per se niet zo dat eiseres door haar agorafobie niet op het werk kan komen. Zijn uitgangspunt blijft daarom dat eiseres met begeleiding naar buiten kon en dus ook op haar werk kon komen. Wel heeft hij in de FML van 23 juli 2025 bij item 2.10 (sociaal functioneren, vervoer) toegevoegd dat eiseres op dat punt beperkt is: zij kan niet zelfstandig reizen, met als toevoeging “belanghebbende kan zo nodig een beroep doen op begeleiding bij het reizen”.
16.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of er voldoende beperkingen zijn aangenomen vanwege de agorafobie. Vaststaat dat [naam arts 3] alle aanvullende beperkingen die [naam arts 1] heeft geadviseerd (bij de beantwoording van vraag 3b), heeft overgenomen. Het gaat om de beperkingen: hanteren van emoties van anderen, werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten en werk zonder veelvuldige rechtstreekse en intensieve contacten met patiënten. De vraag rijst of er nog meer aanvullende beperkingen aangenomen hadden moeten worden.
16.2.1.
[naam arts 1] heeft in haar beschouwing aangegeven dat eiseres aangewezen is op een voorspelbare werksituatie met een vaste werkplek, niet veelvuldig wisselende collega’s, en overwegend duidelijke en vaststaande werkzaamheden, als ook dat zij gemiddeld 6 tot 8 uur per dag en gemiddeld 30-32 uur per week belastbaar is. Zij heeft bij de beantwoording van vraag 3b evenwel niet aangegeven dat de FML op die punten aangevuld moet worden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [naam arts 1] van mening is dat daar in de FML van 3 december 2021 al voldoende rekening mee werd gehouden. Dat is ook niet onlogisch. In die FML was onder persoonlijk functioneren 1.8. (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren) onder 2 namelijk al aangegeven dat eiseres was aangewezen op een voorspelbare werkomgeving, “kan niet of nauwelijks flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, namelijk…Toelichting: een werkdag moet in grote lijnen voorspelbaar en gestructureerd zijn zonder veel onverwachte wendingen of wisselingen”. Naar het oordeel van de rechtbank past de beschouwing van [naam arts 1] daar in. De overweging dat eiseres is aangewezen op een vaste werkplek en geen veelvuldig wisselende collega’s past binnen de toelichting in de FML “zonder veel onverwachte wendingen of wisselingen”. Bovendien heeft [naam arts 3] desondanks later alsnog aan de FML van 23 juli 2025 expliciet toegevoegd dat eiseres is aangewezen op een vaste werkplek en een voorspelbare werksituatie. De rechtbank is van oordeel dat de beperkingen van eiseres op dit punt voldoende terugkomen in de FML van 23 juli 2025.
16.2.2.
Verder heeft [naam arts 1] , zoals eiseres terecht opmerkt, bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven dat eiseres gemiddeld 6 uur per dag en gemiddeld 30 uur per week belastbaar is. Zij heeft onder de beantwoording van vraag 3b evenwel niet gesteld dat de FML van 3 december 2021 op dit punt tekort schiet en aangepast moet worden. De reden daarvoor is te vinden in haar onderzoeksbevindingen. Daar is zij iets minder stellig en schrijft zij dat eiseres gemiddeld 6 tot 8 uur per dag en gemiddeld 30-32 uur per week belastbaar is. Zij heeft niet geschreven dat eiseres maximaal 6 uur per dag kan werken. De rechtbank kan daarom volgen dat [naam arts 3] geen aanleiding heeft gezien om een urenbeperking (van 6 of van 6-8 uur) per dag aan te nemen. Eiseres kan, ook in de visie van [naam arts 1] , wel 8 uur per dag werken, mits het niet meer wordt dan 30 tot 32 uur per week.
16.2.3.
[naam arts 1] heeft in de opmerkingen van eiseres geen aanleiding gezien om aanvullende beperkingen toe te voegen vanwege de agorafobie. De rechtbank volgt dit oordeel (dat volgt uit overweging 11.3). [naam arts 3] geeft in zijn aanvullende rapportages van 28 juli 2025 en 26 november 2025 aan dat (ook) hij geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen vanwege de agorafobie. Door de agorafobie ervaart eiseres klachten als zij naar buiten gaat. De consequentie is dat zij dan zo nodig begeleiding kan inschakelen. Op de datum in geding begaf zij zich wel buiten de deur met enige moeite, onder druk van haar man. Het is dus per se niet zo dat eiseres door haar agorafobie niet op het werk kan komen. Zijn uitgangspunt blijft daarom dat eiseres met begeleiding naar buiten kon en dus ook op haar werk kon komen. Hij heeft in de FML van 23 juli 2025 niettemin, ondanks dat [naam arts 1] dat niet heeft geadviseerd, bij item 2.10 (sociaal functioneren, vervoer) toch aangegeven dat eiseres op dat punt beperkt is: zij kan niet zelfstandig reizen, met als toevoeging “belanghebbende kan zo nodig een beroep doen op begeleiding bij het reizen”.
De rechtbank is van oordeel dan [naam arts 3] inzichtelijk en navolgbaar, mede in het licht van de beantwoording van de vragen door de deskundigen, heeft gemotiveerd waarom eiseres naar haar werk kan komen ondanks de agorafobie.
16.3.
De conclusie is dan ook dat de belastbaarheid van eiseres juist is vastgelegd in de FML van 23 juli 2025. De beroepsgrond van eiseres, dat zij meer beperkt is, slaagt daarom niet.
17. Uit het voorgaande volgt dat eiseres geacht moet worden de functies te kunnen vervullen die in overeenstemming zijn met haar belastbaarheid, zoals die is neergelegd in de FML van 23 juli 2025.
Is eiseres in staat de geduide functies te verrichten?
18. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat de geduide functies niet passend voor haar zijn.
Zijn de in de primaire fase (en bezwaar gehandhaafde) geduide functies passend?
19. Het arbeidskundig onderzoek van het UWV is (in eerste instantie) vastgelegd in het rapport van arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige 1] van 20 december 2021. Eiseres wordt in staat geacht de door hem genoemde functies te verrichten. Dit standpunt ligt ook ten grondslag aan het bestreden besluit.
In reactie op de arbeidskundige gronden van eiseres in het beroepschrift van 29 oktober 2022, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam arbeidsdeskundige 2] een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek gedaan. In haar rapportage van 10 januari 2023 heeft zij de door [naam arbeidsdeskundige 1] geduide functies verworpen. Zij heeft wel drie nieuwe functies en twee reservefuncties geduid. Dit heeft geleid tot de conclusie dat eiseres wel iets meer arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen, maar dat het arbeidsongeschiktheidspercentage nog steeds ruim onder de 35% blijft.
19.1.
De rechtbank stelt vast dat [naam arbeidsdeskundige 2] in haar eerste rapportage in beroep, die van 10 januari 2023, al had vastgesteld dat de eerder door [naam arbeidsdeskundige 1] geduide functies niet passend waren. Zij heeft vervolgens, na het deskundigenonderzoek, in haar rapportage van 5 maart 2025 geconcludeerd dat de door haar op 10 januari 2023 geduide functies ook niet passend waren op de datum in geding. Het bestreden besluit, dat er op neer komt dat de door [naam arbeidsdeskundige 1] geduide functies passend zijn, is ook om deze reden onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond van eiseres, dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden, slaagt alleen al om die reden.
19.2.
Er zijn in beroep tot twee keer toe nieuwe functies geduid, namelijk op 10 januari 2023 en op 5 maart 2025. De rechtbank zal om proceseconomische redenen beoordelen of de belastbaarheid van eiseres ook in de laatstelijk geduide functies wordt overschreden, zoals eiseres stelt. Omdat de door [naam arbeidsdeskundige 1] én de in de rapportage van 10 januari 2023 geduide functies zijn vervallen, zal de rechtbank niet ingaan op hetgeen eiseres daarover en over de rapportage van [naam arbeidsdeskundige 1] naar voren heeft gebracht.
Zijn de in beroep, in de rapportage van 5 maart 2025, geduide functies passend?
20. Na het deskundigenonderzoek en de daarop gevolgde aanvullende rapportages van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, heeft eiseres in haar brieven van 20 maart 2025 en 16 april 2025 aangevoerd dat haar belastbaarheid ook in de nieuwe geduide functies wordt overschreden vanwege de overschrijding van het aantal uren per dag. De functie met SBC-code 11120 lader losser is een functie van 8 uur per dag. Dit komt niet overeen met 6 uur per dag, zoals de deskundige heeft aangegeven. Verder ziet eiseres niet hoe zij met haar agorafobie haar werk zou kunnen bereiken en zelfstandig werkzaamheden zou kunnen verrichten.
Eiseres heeft in haar brief van 20 oktober 2025 aangevoerd dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden. De primaire arbeidsdeskundige heeft haar alleen telefonisch de uitslag van de schatting medegedeeld en niet de inhoud van de functies met haar besproken. De beoordeling heeft alleen plaatsgevonden op basis van dossieronderzoek, zonder eiseres te hebben gezien.
20.1.
Nadat [naam arts 3] de FML van 4 maart 2025 heeft opgesteld, heeft [naam arbeidsdeskundige 2] onderzocht of de eerder, op 10 januari 2023, door haar geduide functies nog passend zijn. In haar rapportage van 5 maart 2025 geeft zij aan dat dit voor een aantal van die functies niet meer het geval is. Door het vervallen van die functies, blijven van de toen geselecteerde functies er onvoldoende over. Zij heeft CBBS opnieuw geraadpleegd en kon voldoende (deels andere) geschikte functies vinden binnen dezelfde SBC-codes. Volgens haar zijn de volgende functies voor eiseres geschikt op de datum in geding:
machinaal metaalbewerker (excl. Bankwerk), SBC-code 264122; functie productiemedewerker metaalbewerking functienummers 3489.079.013/015/011;
lader, losser, SBC-code 111220; functie medewerker logistiek, functienummers 9251.0001.007/008/006 en
huishoudelijk medewerker gebouwen, SBC-code 111334; functie schoonmaker, functienummer 9821.0009.017/018
20.2.
Naar aanleiding van de aanscherping van de FML op 23 juli 2025, heeft [naam arbeidsdeskundige 2] wederom gekeken of deze functies nog passend zijn. In haar rapportage van 29 juli 2025 schrijft zij dat de belastbaarheid van eiseres in geen van de door haar geduide functies wordt overschreden op het item 2.10.1 (vervoer). Eiseres kan immers een beroep doen op begeleiding bij het reizen van en naar de werkplek. Ook vallen deze functies binnen de beperking 2.12.6 (aangewezen op een vaste werkplek). De werksituatie dient voorspelbaar te zijn (geen wisselende omstandigheden). In de functienummers van de functie machinaal metaalbewerker voert men eenvoudige taken uit, werkt men alleen en zelfstandig aan een weefgetouw. In de functienummers van de functie lader, losser voert men voortdurend eenvoudige uitvoerende taken uit op het niveau van basisonderwijs. Men werkt in een vaste werkomgeving in het magazijn waar de materialen verzameld worden voor schriftelijk onderwijs. Steeds herhalende eenvoudige taken, geen wisselende omstandigheden. In de functies schoonmaker, vallend onder de functie huishoudelijk medewerker gebouwen, werkt men alleen en maakt men volgens een vaststaand schema een kantoorruimte schoon; vaste werkplek en zeer voorspelbare werkzaamheden.
20.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de belastbaarheid van eiseres in de in beroep (laatstelijk) geduide functies niet wordt overschreden. Hieronder zal worden uitgelegd waarom dat zo is.
20.3.1.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiseres ondanks haar agorafobie, geacht wordt arbeid te kunnen verrichten en dat zij functies kan vervullen die in overeenstemming zijn met de FML van 23 juli 2025. Uit die FML volgt dat eiseres met begeleiding naar haar werk kan gaan. Dat zij dit niet als een optie ziet, betekent niet dat zij objectief medisch gezien niet kan werken of niet naar haar werk zou kunnen gaan. In dit verband wordt opgemerkt dat uit de rapportages van [naam arts 3] volgt dat eiseres op de datum in geding (met moeite) wel naar buiten ging.
20.3.2.
In de FML is geen urenbeperking per dag neergelegd. Eiseres kan 6 tot 8 uur per dag werken. Dat volgt ook uit de deskundigenrapportage (zie ook overweging 16.2.1.). Er geldt alleen een urenbeperking per week; namelijk gemiddeld ongeveer 30 uren per week tot 32 uren per week. Dit betekent dat als eiseres in een functie van 8 uur per dag moet werken, daarmee haar belastbaarheid niet zonder meer wordt overschreden. Dit is alleen anders als dit (ook) betekent dat zij meer dan 30 tot 32 uren per week moet werken. Dat is in de geduide functies niet het geval, ook niet in geduide functienummers van SBC-code 11120 (lader losser).
In de functies met functienummers 3489.079.013/015/011, functie productiemedewerker metaalbewerking behorende tot de functie machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk), SBC-code 264122, wordt maximaal 5 uur per dag gewerkt en respectievelijk maximaal 24 uur /18 uur /11 uur in de week.
In de functies medewerker logistiek, functienummers 9251.0001.007/008/006, (SBC-code 111220) wordt maximaal 8 uur per dag gewerkt en respectievelijk maximaal (afgerond) 25 uur /19 uur/15 uur in de week.
In de functie schoonmaker, functienummer 9821.0009.017/018 (functie huishoudelijk medewerker gebouwen, SBC-code 111334) wordt maximaal 5 uur per dag gewerkt en respectievelijk maximaal (afgerond) 25 uur /23 uur in de week.
20.3.3.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd in haar brief van 20 oktober 2025 geeft (ook) geen aanleiding om de laatste rapportages van [naam arbeidsdeskundige 2] voor onjuist te houden. Verder moet de arbeidskundige bezwaar en beroep met zijn/haar kennis van (onder meer) het CBBS en bestaande functies, beoordelen of iemand in staat is om bepaalde functies uit te voeren met inachtneming van hetgeen staat beschreven in de rapportage van de (verzekerings)artsen en de beperkingen die zijn neergelegd in de geldende FML. Voor die beoordeling is het niet nodig om de betrokkene te zien. De arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) moet immers uitgaan van de (juistheid van de) FML en de informatie van de (verzekerings)arts(en) van het UWV omtrent de belastbaarheid. Hij dient zich geen eigen oordeel te vormen over de beperkingen tot het verrichten van arbeid. De enkele omstandigheid dat de arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) eiseres niet hebben gezien, betekent daarom niet dat hun professionele oordeel onjuist is.
20.3.4.
De beroepsgrond dat de onder 20.1 genoemde functies niet passend zijn, slaagt daarom niet.
Wat betekent het voorgaande voor het bestreden besluit?
21. Uit het voorgaande volgt dat de beperkingen van eiseres in beroep alsnog juist zijn vastgesteld en dat zij in staat moet worden geacht de functies te verrichten die door [naam arbeidsdeskundige 2] zijn geduid in de rapportage van 5 maart 2025. De mate van arbeidsongeschiktheid is door deze in haar rapportage van 29 juli 2025 dan ook terecht vastgesteld op 18,86%, zijnde minder dan 35%. Het UWV handhaaft daarom op juiste gronden het bestreden besluit.
21.1.
Het UWV heeft de in 14.1 en 19.1 gesignaleerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken in het bestreden besluit voldoende hersteld met de aanvullende rapportages van [naam arts 3] en [naam arbeidsdeskundige 2].
Het verzoek om schadevergoeding
22. Eiseres heeft ter zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
22.1.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot het moment waarop de einduitspraak in beroep is gedaan.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
22.2.
Eiseres heeft haar bezwaarschrift op 24 december 2021 ingediend. Dat betekent dat de redelijke termijn op 25 december 2023 is overschreden. Uitgaande van een uitspraak per vandaag betekent dat, dat de redelijke termijn met bijna tweeënhalf jaar is overschreden. Er is niet gebleken van omstandigheden die deze lange behandelingsduur rechtvaardigen. De omstandigheid dat er een deskundigenonderzoek is gelast door de rechtbank, merkt de rechtbank niet als een degelijke omstandigheid aan. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 2.500.
22.3.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. Het bestreden besluit is van 25 maart 2022. Dit betekent dat het UWV tijdig heeft beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is uitsluitend aan de rechtbank toe te rekenen. Dat betekent dat de Staat de immateriële schadevergoeding volledig zal moeten vergoeden.
Conclusie en gevolgen
23. Uit hetgeen onder 21.1 is overwogen volgt dat het UWV de gebreken in het bestreden besluit voldoende heeft hersteld in beroep. De rechtbank zal deze gebreken passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiseres door deze gebreken niet is benadeeld. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is namelijk ruim onder de 35% gebleven en zij komt om die reden niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
24. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten moet vergoeden.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Daarnaast komt voor vergoeding in aanmerking de door eiseres gemaakte reiskosten voor een bedrag van € 14,80. De totale kosten bedragen dan € 2.802 + € 14,80 =
€ 2.816,80.
26. Ook heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze vergoeding moet de Staat betalen.
26.1.
De proceskosten voor het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op een bedrag van
€ 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934,- per punt). De rechtbank veroordeelt de Staat tot het betalen van dit bedrag.
Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50 voor het beroep aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten voor het beroep van eiseres tot een bedrag van € 2.816,80;
veroordeelt de Staat tot het betalen van € 2.500 aan schadevergoeding aan eiseres en
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres voor het verzoek tot schadevergoeding tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Er zat een onvolledige kopie in het dossier.
Artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Zie de beleidsregel van 8 juli 2014, Staatscourant 2014, 20210.
ECLI:NL:TGZCTG:2022:192 en AB 2023/26.
Pagina 7 van het rapport van 3 december 2021.
[naam arts 3] is arts. Hij heeft in deze zaak in bezwaar en in beroep diverse rapportages uitgebracht. Alle rapporten zijn gecontrasigneerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, [naam arts 5]. Voor de leesbaarheid van de uitspraak zet de rechtbank dat er niet steeds bij en wordt volstaan met deze noot.
Pagina 18 van de Standaard.
Het item 1.8.1. luidt nu: “ja de klant is aangewezen op werk waarbij hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen, namelijk…Toelichting: niet in een kantoortuin waar meerdere telefoons afgaan en gebeld wordt en de radio aanstaat. Een basaal niveau van geluidsprikkels is wel mogelijk”. En bij item 1.8.3. staat “ja, de klant is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, namelijk…. Toelichting: als dit belanghebbende afleid van haar routine”.
In deze rapportage staat 2 juni 2023 als datum in geding genoemd. De rechtbank gaat er vanuit dat het genoemde jaartal een verschrijving betreft, omdat verderop in de rapportage het juiste jaartal (2021) wordt genoemd.
Pagina 29 en 30 van het deskundigenrapport.
Pagina 32 en 33 van het deskundigenrapport.
Pagina 36 van het deskundigenrapport.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 januari 2016, (ECLI:NL:CRVB:2016:323).
ECLI:NL:CRVB:2011:BU3215.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB, zie onder meer de uitspraak van 26 maart 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:357).
Eerder is de FML ook aangepast, maar het ging hier slechts om een verschuiving van de toelichting van het ene naar een ander item. Het hield geen verband met (een ander standpunt over) de belastbaarheid van eiseres.
Pagina 33 van het deskundigenrapport.
Omdat die functies zijn komen te vervallen, noemt de rechtbank deze niet.
Omdat ook die functies later zijn komen te vervallen, noemt de rechtbank die niet.
Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.
Enkele reis met de trein [plaats] -Arnhem, 2e klas, vol tarief: € 3,70. Voor beide zittingen maakt dit 4 x € 3,70 = € 14,80.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/2309
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A.C. van Etten),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J.M. Marquenie).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV (in bezwaar) te weinig beperkingen heeft aangenomen en functies heeft geduid die de belastbaarheid van eiseres overschreden (overwegingen 14, 14.1 en 19.1). Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Omdat het UWV deze gebreken in beroep heeft hersteld en de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft, passeert de rechtbank deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (overweging 23). Het beroep is daarom ongegrond. Wel krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Ook moet haar griffierecht worden vergoed. Daarnaast krijgt eiseres een schadevergoeding omdat de redelijke termijn voor het doen van deze uitspraak fors is overschreden (overweging 22.3). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 21 december 2021 afgewezen. Eiseres is op 2 juni 2021 (hierna: de datum in geding) namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt. Met het bestreden besluit van 25 maart 2022 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Op de zitting is het onderzoek geschorst. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om het complete verslag van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) van 15 november 2021, dat deel uitmaakt van de door Psyon verrichte expertise, toe te zenden en om te reageren op de recent door eiseres overgelegde stukken.
2.2.1.
Het UWV heeft bij brieven van 25 april 2023, 13 juni 2023 en 29 mei 2024 laten weten dat de recent overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft voor een andere beslissing. Het UWV verwijst daarvoor naar de bijgevoegde aanvullende rapportages van de arts bezwaar en beroep van respectievelijk 20 april 2023, 5 juni 2023 en 27 mei 2024.
2.2.2.
Van eiseres zijn brieven ontvangen van 22 mei 2023, 13 mei 2024 (met bijlagen) en van 16 mei 2024 (met bijlage).
2.3.
De behandeling is voortgezet op de zitting van 17 juni 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
Bij beslissing van 15 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat bij de rechtbank twijfel is ontstaan over de juistheid van de beoordeling door het UWV. Vervolgens heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast bij beslissing van 28 augustus 2024. Daarbij zijn [naam psychiater 1] , psychiater, en [naam arts 1] , verzekeringsarts, – beiden verbonden aan WPEX – als deskundigen benoemd.
2.5.
De deskundigen hebben gerapporteerd op 18 februari 2025. De rechtbank heeft deze deskundigenrapportage ook op die dag ontvangen.
2.5.1.
Bij brief van 13 maart 2025 heeft het UWV aangegeven dat het deskundigenbericht aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) is daarom aangepast op 4 maart 2025. Toch leidt dit niet tot een andere beslissing omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 35% blijft. Bij de brief zijn aanvullende rapportages van de arts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (ADBB) van respectievelijk 3 en 5 maart 2025 gevoegd. Het UWV heeft dit standpunt herhaald in brieven van 1 april 2025 en 6 augustus 2025 (met een aanvullende rapportage van de arts bezwaar en beroep en ADBB van respectievelijk 28 en 29 juli 2025).
2.5.2.
Eiseres heeft gereageerd bij brieven van 20 maart 2025, 16 april 2025, 30 juni 2025 en 20 oktober 2025.
2.5.3.
Bij brief van 4 december 2025 heeft rechtbank de deskundige [naam arts 1] gevraagd te reageren op de brieven van eiseres, waarin zij stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de agorafobie.
2.5.4.
Bij brief van 20 januari 2026 heeft het UWV laten weten geen aanleiding te zien om het standpunt te wijzigen. Bijgevoegd is een aanvullende rapportage van de arts bezwaar en beroep van 26 november 2025.
2.5.5.
Bij brief van 27 januari 2026 heeft de deskundige [naam arts 1] een nadere reactie gegeven op het standpunt van eiseres. De deskundige heeft aangegeven dat zij geen aanleiding ziet om de rapportage aan te passen.
2.5.6.
Eiseres heeft bij brief van 17 februari 2026 een reactie gegeven op de brief van het UWV van 26 november 2025 en die van de deskundige van 27 januari 2026.
2.6.
Uit de brief van eiseres van 17 februari 2026 en de brief van het UWV van 19 februari 2026 volgt dat zij niet zullen verschijnen op de geplande zitting van 3 maart 2026. De rechtbank begrijpt dat partijen met laatst genoemde brieven toestemming geven om de zaak verder op de stukken en zonder nadere zitting af te doen.
De rechtbank heeft partijen daarop medegedeeld dat de zitting geen doorgang zou vinden. Daarna is het onderzoek gesloten.
2.7.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is vanaf 16 december 2002 voor gemiddeld 23,91 uur per week werkzaam geweest als meewerkend voordame bij [naam hotel] . Op 5 juni 2019 heeft eiseres zich ziekgemeld als gevolg van een keelontsteking.
3.1.
Bij besluit van 8 juni 2021 is aan eiseres met ingang van 2 juni 2021 een voorschot op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 22 juni 2021 is aan eiseres met ingang van 2 juni 2021 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend.
3.2.
Bij het primaire besluit heeft het UWV aan eiseres met ingang van 2 juni 2021 een WIA-uitkering geweigerd.
3.3.
In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De reden hiervoor is dat eiseres op de datum in geding minder dan 35% – namelijk 16,71% – arbeidsongeschikt is. In beroep is dat bijgesteld naar 18,86%. Hieraan liggen een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag. De voor eiseres vastgestelde medische belastbaarheid is verwoord in de FML.
3.4.
Op 12 januari 2022 heeft eiseres een nieuwe ziekmelding gedaan vanuit de Werkloosheidswet. Bij besluit van 14 april 2022 is aan eiseres per 13 april 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
Bij besluit van 7 maart 2024 is aan eiseres een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend met ingang van 10 februari 2024 tot en met 3 april 2025 omdat zij 80-100% arbeidsongeschikt is.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van een niet-tijdige beoordeling van het recht op een WIA-uitkering?
4. Eiseres voert aan dat het onbegrijpelijk is dat in bezwaar niet tevens werd beoordeeld of zij per latere datum (op basis van haar toegenomen fysieke klachten) in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering. Volgens eiseres is er sprake van een late (niet aan haar te wijten) beoordeling van het recht op de WIA-uitkering (in de beslissing van 21 december 2021 werd haar recht op uitkering met ingang van 2 juni 2021 beoordeeld). Was de beslissing op de WIA-aanvraag tijdig genomen, dan had eiseres zich met haar klachten direct ziek kunnen melden bij haar WW-uitkering. Deze mogelijkheid is haar nu ontnomen, terwijl er wel nieuwe beperkingen in haar belastbaarheid bij zijn gekomen, aldus eiseres.
4.1.
Eiseres heeft deze beroepsgrond ingetrokken op de zitting van 24 maart 2023 zodat de rechtbank deze beroepsgrond niet hoeft te bespreken.
Is het medisch onderzoek van het UWV en van Psyon zorgvuldig geweest?
5. Eiseres is van mening dat het medisch onderzoek van de (verzekerings)artsen van het UWV en van Psyon onzorgvuldig is geweest. Zij hebben ten onrechte geen informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog, bij wie zij twee jaar onder behandeling is geweest en die haar heeft doorverwezen naar Overwaal, of bij de huisarts. Eiseres heeft daar juist op aangedrongen. In de standaard van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) is ook vastgelegd dat een dergelijke wens gehonoreerd moet worden indien een cliënt daarop aandringt. Zij beroept zich in dit verband ook op een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 23 november 2022.
Over het onderzoek en het rapport van Psyon geeft eiseres aan dat zij het rapport lang vindt; het bevat moeilijke woorden en ze begrijpt het niet helemaal. In het NPO, dat deel uitmaakt van dat onderzoek, wordt onvoldoende gemotiveerd waarop is gebaseerd dat er sprake is van een gestoorde symptoomvaliditeitstest en van onderpresteren. De opbouw van het onderzoek van Psyon is ook onduidelijk.
Het onderzoek van Psyon
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het in eerste instantie aan de (verzekerings)artsen (van het UWV) is om zich te vergewissen van de zorgvuldigheid van het onderzoek van Psyon. Het UWV heeft namelijk opdracht gegeven voor dit onderzoek. De (verzekerings)artsen hebben geen aanleiding gezien om het onderzoek voor onzorgvuldig, onduidelijk of onvoldoende overtuigend te houden. Afgezien daarvan ziet ook de rechtbank geen aanleiding om het medisch onderzoek van Psyon voor onzorgvuldig te houden. Er is door Psyon ten behoeve van het onderzoek geen nadere informatie opgevraagd bij de behandelaar van eiseres. Kennelijk vond de rapporteur dat niet nodig om tot een goed advies te kunnen komen. Er is ook niet gebleken dat eiseres bij Psyon heeft aangedrongen op het opvragen van informatie bij haar behandelaar. (Dat heeft zij bij de arts bezwaar en beroep wel gedaan). Zij heeft wel toestemming gegeven om dat te doen, maar dat is iets anders. Het moge zo zijn dat eiseres kennelijk een nadere toelichting had gewild ten aanzien van het medisch oordeel van Psyon dat er sprake is van een gestoorde symptoomvaliditeitstest en van onderpresteren, maar het ontbreken van die toelichting en het niet vermelden welke testen zijn gebruikt, is voor de rechtbank geen reden om het onderzoek om die reden voor onzorgvuldig te houden. Er zijn namelijk geen indicaties dat deze bevinding, dat er sprake was van een gestoorde symptoomvaliditeitstest en van onderpresteren, onjuist is geweest.
Ook in de opmerkingen van eiseres ten aanzien van de opstelling van het rapport ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan tijdens het onderzoek of dat er sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het onderzoek van Psyon voor eiseres zwaar was en de rapportage voor haar onduidelijk.
Het onderzoek van de verzekeringsartsen van het UWV
5.2.
Verzekeringsarts [naam arts 2] (hierna: [naam arts 2]) heeft het dossier en de ontvangen informatie bestudeerd. Hiernaast heeft hij eiseres onderzocht tijdens een spreekuur op 10 september 2021, telefonisch overlegd met de bedrijfsarts op 10 september 2021 en telefonisch contact gehad met eiseres op 3 december 2021 naar aanleiding van de expertiserapportage van Psyon. Ook heeft hij bij zijn beoordeling de medische informatie van de bedrijfsarts van 16 februari 2021 (met bijlagen) betrokken. Hiernaast heeft [naam arts 2] eiseres aangemeld voor een expertise bij Psyon, waaruit de rapporten zijn voortgekomen van psychiater [naam psychiater 2] en psycholoog [naam psycholoog 1] van 17 november 2021 en een neuropsychologisch onderzoek (NPO) van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] van 15 november 2021. De reden hiervoor was dat de werkgever van eiseres het advies van de bedrijfsarts, om een expertise aan te vragen niet heeft opgevolgd. Ook [naam arts 2] vond deze expertise nodig omdat er sprake is van (een) multipele / complexe psychi(atri)sche aandoeningen en een goed overzicht van de problematiek, de behandelmogelijkheden en de prognose ontbrak.
5.2.1.
[naam arts 2] heeft naar het oordeel van de rechtbank een zeer grondig onderzoek gedaan. Niet valt in te zien wat er onzorgvuldig is geweest aan dit onderzoek. De omstandigheid dat eiseres zich niet in de medische rapportage kan vinden, maakt dit niet anders.
5.3.
Arts bezwaar en beroep [naam arts 3] (hierna: [naam arts 3]) heeft in bezwaar dossierstudie verricht. Bij zijn beoordeling heeft hij het primaire dossier betrokken, waaronder het rapport van Psyon, de bezwaren op medisch gebied in het bezwaarschrift en overgelegde medische stukken (een brief van GZ-psycholoog [naam psycholoog 2] van Raadthuys GGZ van 13 september 2021 en een aanwijzing voor een bezoek aan locatie Rijnstate ziekenhuis van 7 december 2021). Ook heeft hij betrokken een telefoonnotitie inzake een telefonisch contact tussen eiseres en medewerker bezwaar op 31 januari 2022 en een brief van eiseres van 20 februari 2022 in reactie op deze telefoonnotitie. Volgens [naam arts 3] heeft [naam arts 2] reeds een psychiatrische expertise aangevraagd bij Psyon. Omdat de beperkingen met de informatie uit de rapportage van Psyon duidelijk zijn, vervalt volgens [naam arts 3] de noodzaak om ook nog informatie bij de behandelend sector op te vragen. Eiseres mag natuurlijk ook te allen tijde zelf relevante informatie inbrengen, aldus [naam arts 3].
5.3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook het onderzoek door [naam arts 3] in bezwaar niet onzorgvuldig geweest. Hij mocht op zijn eigen professionele oordeel afgaan dat de beperkingen duidelijk waren en dat meer informatie vanuit de behandelend sector niet van toegevoegde waarde zou zijn. Eiseres had immers ook al medische informatie ingebracht. Het beroep van eiseres op de Lisv-standaard, slaagt niet. Deze standaard gold niet meer ten tijde van de beoordeling. Deze is vervangen door de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Daarin wordt niet voorgeschreven dat een verzekeringsarts informatie moet opvragen als daarop wordt aangedrongen. Volgens de Standaard is aanvullend onderzoek of het opvragen van aanvullende informatie geboden bij twijfel of onduidelijkheid en die was er kennelijk niet. Eiseres kon ook eigener beweging medische informatie inbrengen. Dat heeft zij in bezwaar en in beroep ook gedaan.
5.3.2.
Ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 23 november 2022 waar eiseres naar verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten de vraag of het toetsingskader in tuchtzaken hetzelfde is als in procedures als de onderhavige, volgt uit deze uitspraak niet dat een verzekeringsarts altijd medische informatie moet opvragen bij de behandelaar (al dan niet omdat de betrokkene daar om vraagt). In de desbetreffende zaak had de betrokkene in haar persoonlijke verhaal melding gedaan van onderzoeken en behandelingen door diverse specialisten die zij had ondergaan. Deze bleken niet (of onvoldoende) uit de beschikbare medische informatie en waren wel relevant. Om díe reden oordeelde het Centraal Tuchtcollege dat de deskundige aanvullende medische informatie had moeten opvragen en dat ten onrechte niet had gedaan. Deze situatie doet zich hier niet voor. Het was immers bekend dat eiseres een behandeling onderging en daarover zaten ook brieven in het dossier.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er voldoende beperkingen aangenomen door het UWV?
6. Eiseres heeft naast de psychi(atri)sche klachten ook lichamelijke klachten. Het geschil gaat uitsluitend over de geestelijke gezondheid van eiseres en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De rechtbank zal daarom verder niet ingaan op de fysieke klachten van eiseres en de daaruit voortkomende (en aangenomen) beperkingen.
7. Eiseres stelt dat de beperkingen die voortvloeien uit haar geestelijke gezondheidstoestand onjuist zijn vastgesteld. Daartoe voert zij onder meer het volgende aan.
7.1.
Eiseres is psychisch snel uit evenwicht. Zij heeft angsten, paniekaanvallen en onrust. Eiseres slaapt slecht, is snel overprikkeld en durft niet alleen naar buiten. Er is sprake van dwangmatigheid. Zij staat op de wachtlijst voor intensieve behandeling bij Overwaal, Expertisecentrum Angst, Dwang en PTSS (hierna: “Overwaal”). Tijdens de intakeprocedure zijn de diagnoses paniekstoornis met gegeneraliseerde angststoornis, agorafobie, sociale angststoornis, obsessieve compulsieve stoornis (OCS), posttraumatische stressstoornis (PTSS) en persisterende depressie gesteld. Dit is in belangrijke mate afwijkend van de conclusies van de psychiater van Psyon, wiens rapportage aan de beoordeling door de (verzekerings)artsen van het UWV ten grondslag is gelegd, aldus eiseres. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de brief van de GZ-psycholoog/ gedragstherapeut [naam psycholoog/gedragstherapeut] van 29 juni 2022 van Overwaal. In haar brief van 16 maart 2023 licht eiseres haar standpunt toe: zowel Psyon als Overwaal concluderen dat er sprake is van een angststoornis en een depressieve stoornis. Het verschil zit in de DSM-classificatie. Overwaal noemt de paniekstoornis als hoofddiagnose en stelt als bijkomende diagnosen agorafobie, obsessieve-compulsieve stoornis en een GAF van 45.
7.2.
Eiseres is het oneens met de belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met haar disbalans, haar angst om het huis te verlaten. Zij is niet in staat haar grenzen te bewaken. Energetisch is eiseres niet in staat om 32 uur per week te werken. Er is geen rekening gehouden met de recuperatietijd. Uit de brief van de huisarts van 8 maart 2023 blijkt welke beperkingen eiseres ondervindt ten gevolge van de angstklachten en dwanghandelingen. Eiseres is nu onder behandeling omdat zij door haar angst- en paniekstoornis niet naar buiten durft.
7.3.
Eiseres verzoekt de rechtbank om een hernieuwde expertise en de benoeming van een onafhankelijke psychiater waarbij deze ook informatie opvraagt bij de behandelende sector.
7.4.
Bij brieven van 13 mei 2024 en 16 mei 2024 heeft eiseres aangevoerd dat zij inmiddels een WIA-uitkering heeft toegekend gekregen met ingang van 10 februari 2024. Zij is van mening dat de rapportage van de verzekeringsarts [naam arts 4] van 26 februari 2024, die ten grondslag ligt aan die beslissing, ook relevant is voor deze procedure. Er zijn meer beperkingen aangenomen, waaronder een urenbeperking van 4 uur per dag en maximaal 16 uur per week. Het is namelijk aannemelijk dat de beperkingen in de belastbaarheid in persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden per 10 februari 2024 ook aanwezig waren op de datum in geding in deze procedure van 2 juni 2021. Ook heeft zij de brief van 2 mei 2024 van Overwaal overgelegd, waarin wordt ingegaan op haar klachten, de diagnose en behandeling. Deze informatie is relevant omdat het gaat om klachten die al speelden op de datum in geding.
8. Het UWV blijft bij het standpunt dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is en om die reden per de datum in geding niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Het UWV verwijst daarvoor onder meer naar de rapportage in bezwaar van 16 maart 2023 van [naam arts 3] en zijn aanvullende rapportages in beroep.
8.1.
In zijn aanvullende rapporten in beroep van 7 december 2022 en 2 januari 2023 geeft [naam arts 3] aan niet te begrijpen wat de gemachtigde van eiseres bedoelt met een foute diagnose in het rapport van Psyon. Hij ziet geen verschil van inzicht omdat (ook) Psyon concludeert dat er sprake is van een angststoornis en een depressieve stoornis. Hij ziet ook niet welke aangenomen beperkingen tekort zouden schieten. De ingebrachte medische informatie geeft [naam arts 3] geen aanleiding om zijn standpunt te wijzigen. Wel heeft hij de FML op 2 januari 2023 iets aangepast. De toelichting bij item 1.8.3 werd ‘conform instructie’ verplaatst naar item 1.8.1.
8.2.
[naam arts 3] geeft in zijn aanvullende rapporten van 20 april 2023, 5 juni 2023 en 27 mei 2024 aan dat de ernst van de claim van eiseres in het onderzoek bij Psyon niet kon worden geobjectiveerd. Dit had deels te maken met onderpresteren van eiseres tijdens het testonderzoek. In ieder geval kon geen persoonlijkheidsstoornis of neurobiologische ontwikkelingsstoornis worden geobjectiveerd. In bezwaar legt eiseres de klemtoon (weer) op het niet (alleen) naar buiten kunnen gaan. Deze angst kon echter in het onderzoek bij Psyon niet worden geobjectiveerd. De beperkingen van eiseres zijn echter niet alleen vastgesteld op basis van de rapportage van Psyon. Ook de bevindingen van de bedrijfsarts en die tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts zijn bij het onderzoek betrokken. De door eiseres ingebrachte brief van de huisarts van 8 maart 2023 geeft geen aanleiding om de beperkingen aan te scherpen: het UWV houdt rekening met de energetische beperking van eiseres; zij is belastbaar voor maximaal 32 uur per week. Een druk huishouden naast het werk geeft geen aanleiding voor een grotere arbeidsduurbeperking. Er zijn al forse beperkingen aangenomen. Er is op geen enkele manier een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM) te onderbouwen. Verder is de conclusie van de verzekeringsarts [naam arts 4] per 9 januari 2024 volgens [naam arts 3] niet van toepassing op de situatie op de datum in geding. Hij heeft overleg gehad met [naam arts 4]; zij heeft in haar rapportage bedoeld aan te geven dat de situatie van eiseres op haar spreekuur van 10 januari 2024 duidelijk was verslechterd en er een opname aanstaande was. [naam arts 4] heeft expliciet aangegeven dat zij de situatie per 9 januari 2024 bespreekt en dat die zeker niet van toepassing is per 2 juni 2021.
9. In de heropeningsbeslissing van 15 juli 2024 heeft de rechtbank aangegeven dat
bij haar, op basis van de in beroep door eiseres overgelegde stukken, twijfel is ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling van de (verzekerings)artsen van het UWV, met name ten aanzien van de psych(iatr)ische klachten van eiseres. Het UWV gaat alleen uit van een angststoornis / paniekstoornis. De overige, door Overwaal genoemde bijkomende diagnoses, zijn niet overgenomen. Mogelijk bestaat daarover (toch) een verschil van inzicht. Ook zouden de rapportages van [naam arts 4] mogelijk wel relevant kunnen zijn voor deze procedure omdat [naam arts 4] alle diagnoses van Overwaal overneemt (welke diagnoses in de brief van 29 juni 2022 al waren genoemd). Het kan niet uitgesloten worden dat deze problematiek zich al voordeed op de datum in geding. Uit de rapportages van [naam arts 4] blijkt namelijk geenszins dat de situatie van eiseres is verslechterd. Deze duiden er eerder op dat de situatie van eiseres – ondanks de ingezette behandeling – de afgelopen periode niet veranderd is. De rechtbank heeft daarom de eerder genoemde onafhankelijke deskundigen benoemd om te rapporteren over de zaak van eiseres.
Wat vindt de rechtbank van de deskundigenrapportage?
10. In de deskundigenrapportage is door de deskundigen als volgt gerapporteerd.
De psychiatrische samenvatting, beschouwing en diagnostische overwegingen van de deskundige [naam psychiater 1] luiden als volgt:
“(…) Op basis van onderhavig onderzoek kan gesteld worden dat op de datum in geding, zijnde 02-06-2021, in diagnostische zin werd voldaan aan de criteria van een paniekstoornis (…) met agorafobie (…). Er was immers sprake van terugkerende en plotseling opkomende paniekaanvallen (…). Daarbij worden op basis van onderhavig onderzoek voldoende aanwijzingen gezien om te stellen dat erop de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis, eenmalige episode, licht van ernst (…). Een sterk vermijdende coping speelt een grote rol in het klachtenbeeld. De aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis, waarover in de behandelend sector wordt gesproken, is echter onvoldoende te onderbouwen gezien de aanwezige angst- en stemmingsproblemen, maar ook gezien het feit dat onderzochte tot haar uitval naar behoren heeft kunnen functioneren op meerdere levensgebieden, ondanks de aanwezigheid van klachten. Wel kan op de datum in geding gesproken worden van een stoornis in het gebruik van alcohol, licht van ernst (...), waarbij onderzochte dagelijks meerdere glazen alcohol gebruikte, voornamelijk om haar angstige gevoelens hiermee te kunnen dempen. Ook dit kan gezien worden als een vermijdende en tekortschietende coping.
Hoewel onderzochte rapporteert vanaf jonge leeftijd dwangklachten te hebben en er in de behandelend sector gesproken wordt van een obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis), kan deze diagnose op basis van onderhavig onderzoek niet bevestigd worden. (…) Onderzochte rapporteert dwangklachten te hebben, echter op de datum in geding worden geen specifieke obsessies en/of compulsies gerapporteerd en wordt geen tijdrovend karakter hiervan gemeld. Een andere angststoornis, zoals een sociale angststoornis of ongespecificeerde angststoornis, zoals in de behandelend sector worden genoemd, kan niet worden gesteld; de angstklachten die onderzochte rapporteert en die diffuus zijn, kunnen worden gevangen in de diagnoses paniekstoornis en depressieve stoornis. Voor de eerder overwogen ADHD worden bij onderhavig onderzoek eveneens onvoldoende aanwijzingen gezien (…). In de actuele situatie wordt nog altijd voldaan aan de criteria voor een paniekstoornis, agorafobie en een stemmingsstoornis. De stoornis in alcoholmisbruik (…) is heden in remissie (…). De licht verhoogde score op de symptoomvaliditeitstaak wordt in de diagnostische overweging meegewogen; wellicht zou er enigszins sprake kunnen zijn van het aanzetten van de klachten, echter gezien de geobjectiveerde afwijkingen bij psychiatrisch onderzoek, in combinatie met de medische gegevens en de anamnese, is de vastgestelde problematiek mijns inziens gerechtvaardigd (…)”.
De verzekeringsgeneeskundige samenvatting, beschouwing en diagnostische overwegingen van [naam arts 1] luiden als volgt:
“(…) Overwegingen ten aanzien van de diagnose
Bij psychiatrisch onderzoek blijkt dat er op de datum in geding, zijnde 02-06-2021, in diagnostische zin werd voldaan aan de criteria van een paniekstoornis met agorafobie. Daarbij worden (…) voldoende aanwijzingen gezien om te stellen dat er op de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis, eenmalige episode, licht van ernst (…). Een sterk vermijdende coping speelt een grote rol in het klachtenbeeld. De aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis (…) is echter onvoldoende te onderbouwen gezien de aanwezige angst- en stemmingsproblemen, maar ook gezien het feit dat onderzochte tot haar uitval naar behoren heeft kunnen functioneren op meerdere levensgebieden, ondanks de aanwezigheid van klachten. Wel kan op de datum in geding gesproken worden van een stoornis in het gebruik van alcohol, licht van ernst (...), waarbij onderzochte dagelijks meerdere glazen alcohol gebruikte, voornamelijk om haar angstige gevoelens hiermee te kunnen dempen. Ook dit kan gezien worden als een vermijdende en tekortschietende coping (...).
Overwegingen ten aanzien van de belastbaarheid
Vanwege de bij het psychiatrisch onderzoek gebleken paniekstoornis, agorafobie en lichte depressieve stoornis was onderzochte op de datum in geding zijnde 2 juni 2021, beperkt belastbaar. Er was echter geen sprake van een situatie van Geen benutbare mogelijkheden (GBM). Er waren geen ernstige beperkingen in het concentreren en verdelen van de aandacht of in het herinneren. Onderzochte vermeed wel veel activiteiten en situaties, zonder dat er sprake was van een gestoord ziekte of zelfinzicht. De vermijdende coping van onderzochte leidde tot een vergaande passiviteit, ook ten aanzien van de zorg voor huishouden en gezin. Er kan echter niet gesproken worden van een beperking in het zelfstandig en doelmatig handelen, op grond van een ernstig psychiatrische aandoening of een verstandelijke beperking. Evenmin was onderzochte op de datum in geding, of actueel, opgenomen, bedlegerig of ADL zorg afhankelijk. Wel was onderzochte aangewezen op werk dat rekening hield met beperkingen en specifieke voorwaarden ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid.
In het persoonlijk functioneren was onderzochte aangewezen op een voorspelbare werksituatie met een vaste werkplek, niet veelvuldig wisselende collega’s, en overwegend duidelijke en vaststaande werkzaamheden. Zij kon vanwege haar angststoornissen niet flexibel omgaan met sterk wisselende taken, uitvoeringsomstandigheden, of met veel wisselingen in werkplek of collega’s. Veel drukte in de werkomgeving zou ook voor angstklachten kunnen zorgen. Een zeer drukke, afleidende werkomgeving wordt afgeraden.
Dit geldt ook voor veelvuldige onverwachte storingen en onderbrekingen die stressvol en beangstigend konden zijn voor onderzochte.
Het werken onder een hoge tijdsdruk en prestatiedruk kon onderzochte vanwege haar angst en depressie niet aan. Een enkele deadline was haalbaar per dagdeel, maar ten aanzien van werk met veelvuldige deadlines en piek drukte was onderzochte beperkt.
In het sociaal functioneren was onderzochte beperkt in het hanteren van emoties van anderen en in de conflicthantering. Doordat onderzochte angstig en somber was, kon zij emoties van anderen niet goed aan. In verband daarmee, en vanwege de problemen in het contact met wisselende personen, was zij aangewezen op werk waarin geen veelvuldig rechtstreeks klantcontact voorkomt. Telefonisch of schriftelijk was wel mogelijk. Enkele korte contacten zouden wel kunnen.
De rechtstreekse intensieve verzorging van patiënten of hulpbehoevenden was eveneens te belastend. Vanwege haar angst en vermijding vond onderzochte het moeilijk om haar eigen emoties en behoeftes tijdig en adequaat kenbaar te maken. Een lichte beperking op het uiten van de eigen emoties is daarom van toepassing. Tenslotte was onderzochte beperkt belastbaar ten aanzien van leidinggevende taken. Grote verantwoordelijkheden of mensen aansturen kon ze niet aan. (…)
Naast de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren is er een indicatie voor een lichte beperking in de duurbelastbaarheid. Deze is gebaseerd op het lage energieniveau ten gevolge van somberheid, een slechte eetlust, gewichtsverlies, een slechtere slaapkwaliteit met veel piekeren. Onderzochte was door deze factoren energetisch enigszins verminderd belastbaar. Anderzijds zou werk haar de nodige structuur, ritme en afleiding van haar klachten hebben kunnen geven. Ter behoud van dagritme en structuur, rekening houdend met alle aangegeven beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, was onderzochte gemiddeld 6 tot 8 uur per dag en gemiddeld 30-32 uur per week belastbaar.
Conclusies
Onderzochte was op de datum in geding op enkele punten meer beperkt dan door UWV is aangenomen. Zij was vanwege de gebleken psychopathologie beperkt in staat tot het hanteren van emoties van anderen, en aangewezen op werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten of medepatiënten (…)”.
De beantwoording van vraag 2 (samengevat: zijn er beperkingen voor het verrichten van arbeid op 2 juni 2021?) komt vrijwel woordelijk overeen met het hiervoor opgenomen citaat uit de beschouwing en diagnostische overwegingen van [naam arts 1] . De vragen 3a en 3b zijn als volgt beantwoord:
“Vraag 3a:
Is de vastlegging van de medische belastbaarheid op uw vakgebied in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 december 2021 juist?
Antwoord 3a:
In overwegende mate is deze FML juist vastgesteld. Enkele aanvullende beperkingen zijn nodig.
Vraag 3b:
Zo nee:
- op welke onderdelen niet?
- waarom niet?
- wat is dan de belastbaarheid op die onderdelen (…).
Antwoord 3b:
Onderzochte was op de datum in geding op enkele punten meer beperkt dat door het UWV is aangenomen. Zij was vanwege gebleken psychopathologie beperkt in staat tot
- het hanteren van emoties van anderen, en
- aangewezen op werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten
- aangewezen op werk zonder veelvuldige rechtstreekse en intensieve contacten met patiënten (…).”
10.1.
In reactie op de stelling van eiseres dat er ook (of meer) beperkingen hadden moeten worden aangenomen vanwege de agorafobie, heeft [naam arts 1] in haar brief van 27 januari 2026 aangegeven:
“Eiseres stelt zich op het standpunt dat ik bij mijn beoordeling van de belastbaarheid onvoldoende rekening heb gehouden met de agorafobie.
Dat weerspreek ik, en wel om de volgende reden: Bij agorafobie is het (behandel)advies: exposure (blootstelling). Het doel is: doorbreken van de vermijding.
Indien ik als arts zou zeggen: het lukt u niet, of alleen met heel veel moeite, blijft u maar thuis, dan zou ik mee gaan in de vermijding. Dit zou leiden tot “iatrogene schade”. Om het doorbreken van de vermijding te ondersteunen, zijn in de arbeid wel uitgebreide beperkingen aangenomen, zoals t.a.v. sterk wisselende taken, uitvoeringsomstandigheden, of met veel wisselingen in werkplek of collega’s, en veel drukte in de werkomgeving (…).”
11. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt.
11.1.
[naam psychiater 1] is benoemd als onafhankelijke deskundige. Het is aan haar om, vanuit haar professionele deskundigheid, te beoordelen of zij informatie mist om te kunnen adviseren omtrent de vraagstelling. Kennelijk vond zij dat niet en beschikte zij over voldoende informatie om haar deskundig medisch oordeel te geven. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze inschatting. Uit de rapportage volgt ook niet dat er ergens twijfel of onduidelijkheid over bestond bij haar. Daarom valt niet in te zien waarom het opvragen van aanvullende informatie bij Pro Persona zinvol of noodzakelijk zou zijn. Dat zij tot een ander medisch oordeel komt dan de professionals die eiseres al jaren behandelen, maakt dit niet anders.
[naam psychiater 1] heeft gerapporteerd dat de huidige klachten van eiseres grotendeels vergelijkbaar zijn als op de datum in geding. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van eiseres, om de deskundige te vragen om bij Pro Persona informatie op te vragen omtrent het ziektebeeld en de diagnose per datum in geding, en – naar de rechtbank aanneemt aanvullend te rapporteren – te honoreren.
11.1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het deskundigenrapport dat [naam psychiater 1] zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Er is een uitgebreide anamnese afgenomen. Alle beschikbare medische informatie, waaronder die van de behandelaars van eiseres en die van de (verzekerings)artsen van het UWV zijn door [naam psychiater 1] kenbaar bij de beoordeling betrokken, alsook de bevindingen tijdens het onderzoek. In het deskundigenrapport heeft zij inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hoe zij tot de gestelde diagnoses is gekomen. Zij heeft goed toegelicht waarom zij bepaalde, door de behandelaars van eiseres, gestelde (bijkomende) diagnoses niet overneemt. De door eiseres tegen dit rapport aangevoerde bezwaren vormen geen aanleiding de conclusies van deze deskundige niet te volgen.
11.2.
Ook [naam arts 1] heeft haar oordeel over de belastbaarheid van eiseres inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd en ook waarom er aanvullende beperkingen noodzakelijk zijn ten opzichte van de FML van 3 december 2021.
11.2.1.
Eiseres stelt dat de deskundige de agorafobie onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van haar belastbaarheid. Volgens haar is haar situatie namelijk hetzelfde als de situatie van de betrokkene waar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2011 over gaat. [naam arts 1] heeft evenwel in haar brief van 27 januari 2026 nader toegelicht waarom zij het standpunt van eiseres niet deelt. Die toelichting komt er op neer dat het meegaan in de angst van eiseres om naar buiten te gaan juist gecontra-indiceerd is en er dat er daarom geen aanleiding is voor het aannemen van extra beperkingen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om dit medisch oordeel voor onjuist te houden. Eiseres heeft geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om daar aan te twijfelen. De omstandigheid dat eiseres op de datum in geding nog geen exposuretherapie had (gehad) betekent niet dat exposure – of het niet-meegaan in de vermijding – niet aangewezen was.
11.2.2.
De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB kan niet slagen, alleen al gelet op het feit dat geenszins kan worden vastgesteld dat de situatie van de daarin genoemde betrokkene hetzelfde is als die van eiseres. De enkele omstandigheid dat er in beide gevallen sprake is van agorafobie, is onvoldoende. Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid dat een paniekstoornis met agorafobie in alle gevallen niet verenigbaar is met regelmatige werkzaamheden buitenshuis. Bovendien is die uitspraak gedaan op basis van een medisch oordeel dat in 2011 is gegeven. Het is de rechtbank niet bekend of nu, ruim 15 jaar later, in de medische wetenschap op dezelfde manier wordt aangekeken tegen agorafobie en de beperkingen in de belastbaarheid die daaruit (kunnen) voortvloeien als toen.
11.2.3.
Ook de rapportage van [naam arts 4] leidt niet tot een ander oordeel, omdat die rapportage ziet op een andere datum in geding. Bovendien baseert [naam arts 4] haar oordeel mede op de informatie van Overwaal. [naam psychiater 1] heeft, zoals hierboven al overwogen, voldoende gemotiveerd waarom zij tot een ander medisch oordeel komt dan Overwaal.
11.3.
Gezien het voorgaande volgt de rechtbank het oordeel van de door haar benoemde deskundigen.
Wat voor gevolgen hebben de conclusies van de deskundigen voor het bestreden besluit?
12. Uit de deskundigenrapportage volgt dat er op de datum in geding bij eiseres sprake was van een paniekstoornis, agorafobie en lichte depressieve stoornis (eenmalige episode). Er was dus niet alleen sprake van een paniekstoornis, zoals [naam arts 2] en [naam arts 3] (in eerste instantie) hebben gesteld. Anderzijds konden de (bijkomende) diagnoses van Overwaal ook niet geheel worden onderschreven. Expliciet wordt benoemd dat een obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis) of een andere angststoornis (zoals een sociale angststoornis of ongespecificeerde angststoornis) niet konden worden vastgesteld en een persoonlijkheidsstoornis evenmin. [naam psychiater 1] gaat niet in op de vraag of er sprake is van PTSS, zodat de rechtbank aanneemt dat ook daar volgens haar geen sprake van is, anders zou zij dat – neemt de rechtbank aan –hebben gesteld. De deskundige heeft verder genoemd dat eiseres een eenmalige lichte depressie heeft, terwijl Overwaal spreekt van een persisterende depressie.
13. Uit de omstandigheid dat de (verzekerings)artsen niet alle diagnoses hebben betrokken bij hun beoordeling, volgt niet dat alleen al om die reden moet worden aangenomen dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen. De diagnose is immers niet (alleen) bepalend voor de aan te nemen beperkingen. Het gaat er om of er voldoende beperkingen zijn aangenomen, gelet op de medische situatie van eiseres.
14. Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft [naam arts 3] aanvullend gerapporteerd op 3 maart 2025. Hij heeft de door [naam arts 1] voorgestelde aanvullende beperkingen toegevoegd aan de FML van 3 december 2021. Het gaat om beperkingen ten aanzien van het hanteren van emoties van anderen, het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten en op werk zonder veelvuldige rechtstreekse en intensieve contacten met patiënten. De belastbaarheid van eiseres per de datum in geding is vastgelegd in de FML van 4 maart 2025. Daarna heeft hij de FML nog een keer aangepast op 23 juli 2025. Nu [naam arts 3], naar aanleiding van de deskundigenrapportage, in beroep meer beperkingen heeft aangenomen, betekent dit dat de beperkingen van eiseres niet helemaal juist zijn vastgesteld. De beroepsgrond, dat eiseres meer beperkt is dan aangenomen, slaagt om die reden.
14.1.
Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
15. De rechtbank zal om proceseconomische redenen beoordelen of er aanleiding bestaat om toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is ook in beroep namelijk onder de 35% gebleven en de aanpassing van de FML heeft niet geleid tot een wijziging van het besluit. De rechtbank zal daarom beoordelen of eiseres meer beperkt is dan aangenomen in de FML van 23 juli 2025 en, zo nee, of eiseres de in beroep geduide functies kan verrichten.
Zijn er voldoende beperkingen aangenomen in de FML van 23 juli 2025?
16. Eiseres heeft in haar brieven van 20 maart 2023, 16 april 2025, 20 oktober 2025 en 17 februari 2026, aangegeven dat [naam arts 3] het onderzoek, de diagnostische overwegingen en de beperkingen in de belastbaarheid uit het deskundigenonderzoek niet voldoende heeft vertaald in de FML van (4 maart 2025 en van) 23 juli 2025. Er hadden meer beperkingen aangenomen moeten worden in verband met haar agorafobie. De deskundige heeft aangegeven dat eiseres (ook) is aangewezen op een vaste werkplek en niet veelvuldig wisselen van collega’s en dit is door [naam arts 3] niet overgenomen in de FML. Ook heeft hij geen beperking gegeven bij het aantal uren per dag. In de deskundigenrapportage wordt aangegeven dat zij gemiddeld 6 uur per dag en gemiddeld 30 uur per week belastbaar is.
16.1.
Naar aanleiding van de deskundigenrapportage en de reacties daarop van eiseres, heeft [naam arts 3] de door [naam arts 1] voorgestelde aanpassingen doorgevoerd in de FML. In zijn aanvullende rapportage van 25 februari 2025 heeft hij de FML aangepast in rubriek 1 en 2. Deze FML is gedateerd op 4 maart 2025.
Met betrekking tot de opmerking van eiseres dat in de FML niet is verwerkt dat zij (ook) is aangewezen op een vaste werkplek en niet veelvuldig wisselen van collega’s, merkt [naam arts 3] in zijn rapportage van 28 juli 2025 op dat de deskundige de(ze) consequenties van de agorafobie niet heeft geconcretiseerd in de beantwoording van vraag 2 en vraag 3b. Niettemin heeft hij naar aanleiding hiervan aan de FML, gedateerd 23 juli 2025, toegevoegd dat eiseres is aangewezen op een vaste werkplek en een voorspelbare werksituatie.
[naam arts 3] geeft in zijn aanvullende rapportages van 28 juli 2025 en 26 november 2025 aan dat hij geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen vanwege de agorafobie. Door de agorafobie ervaart eiseres klachten als zij naar buiten gaat. De consequentie is dat zij dan zo nodig begeleiding kan inschakelen. Op de datum in geding begaf zij zich wel buiten de deur met enige moeite, onder druk van haar man. Het is dus per se niet zo dat eiseres door haar agorafobie niet op het werk kan komen. Zijn uitgangspunt blijft daarom dat eiseres met begeleiding naar buiten kon en dus ook op haar werk kon komen. Wel heeft hij in de FML van 23 juli 2025 bij item 2.10 (sociaal functioneren, vervoer) toegevoegd dat eiseres op dat punt beperkt is: zij kan niet zelfstandig reizen, met als toevoeging “belanghebbende kan zo nodig een beroep doen op begeleiding bij het reizen”.
16.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of er voldoende beperkingen zijn aangenomen vanwege de agorafobie. Vaststaat dat [naam arts 3] alle aanvullende beperkingen die [naam arts 1] heeft geadviseerd (bij de beantwoording van vraag 3b), heeft overgenomen. Het gaat om de beperkingen: hanteren van emoties van anderen, werk zonder veelvuldige rechtstreekse contacten met klanten en werk zonder veelvuldige rechtstreekse en intensieve contacten met patiënten. De vraag rijst of er nog meer aanvullende beperkingen aangenomen hadden moeten worden.
16.2.1.
[naam arts 1] heeft in haar beschouwing aangegeven dat eiseres aangewezen is op een voorspelbare werksituatie met een vaste werkplek, niet veelvuldig wisselende collega’s, en overwegend duidelijke en vaststaande werkzaamheden, als ook dat zij gemiddeld 6 tot 8 uur per dag en gemiddeld 30-32 uur per week belastbaar is. Zij heeft bij de beantwoording van vraag 3b evenwel niet aangegeven dat de FML op die punten aangevuld moet worden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [naam arts 1] van mening is dat daar in de FML van 3 december 2021 al voldoende rekening mee werd gehouden. Dat is ook niet onlogisch. In die FML was onder persoonlijk functioneren 1.8. (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren) onder 2 namelijk al aangegeven dat eiseres was aangewezen op een voorspelbare werkomgeving, “kan niet of nauwelijks flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, namelijk…Toelichting: een werkdag moet in grote lijnen voorspelbaar en gestructureerd zijn zonder veel onverwachte wendingen of wisselingen”. Naar het oordeel van de rechtbank past de beschouwing van [naam arts 1] daar in. De overweging dat eiseres is aangewezen op een vaste werkplek en geen veelvuldig wisselende collega’s past binnen de toelichting in de FML “zonder veel onverwachte wendingen of wisselingen”. Bovendien heeft [naam arts 3] desondanks later alsnog aan de FML van 23 juli 2025 expliciet toegevoegd dat eiseres is aangewezen op een vaste werkplek en een voorspelbare werksituatie. De rechtbank is van oordeel dat de beperkingen van eiseres op dit punt voldoende terugkomen in de FML van 23 juli 2025.
16.2.2.
Verder heeft [naam arts 1] , zoals eiseres terecht opmerkt, bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven dat eiseres gemiddeld 6 uur per dag en gemiddeld 30 uur per week belastbaar is. Zij heeft onder de beantwoording van vraag 3b evenwel niet gesteld dat de FML van 3 december 2021 op dit punt tekort schiet en aangepast moet worden. De reden daarvoor is te vinden in haar onderzoeksbevindingen. Daar is zij iets minder stellig en schrijft zij dat eiseres gemiddeld 6 tot 8 uur per dag en gemiddeld 30-32 uur per week belastbaar is. Zij heeft niet geschreven dat eiseres maximaal 6 uur per dag kan werken. De rechtbank kan daarom volgen dat [naam arts 3] geen aanleiding heeft gezien om een urenbeperking (van 6 of van 6-8 uur) per dag aan te nemen. Eiseres kan, ook in de visie van [naam arts 1] , wel 8 uur per dag werken, mits het niet meer wordt dan 30 tot 32 uur per week.
16.2.3.
[naam arts 1] heeft in de opmerkingen van eiseres geen aanleiding gezien om aanvullende beperkingen toe te voegen vanwege de agorafobie. De rechtbank volgt dit oordeel (dat volgt uit overweging 11.3). [naam arts 3] geeft in zijn aanvullende rapportages van 28 juli 2025 en 26 november 2025 aan dat (ook) hij geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen vanwege de agorafobie. Door de agorafobie ervaart eiseres klachten als zij naar buiten gaat. De consequentie is dat zij dan zo nodig begeleiding kan inschakelen. Op de datum in geding begaf zij zich wel buiten de deur met enige moeite, onder druk van haar man. Het is dus per se niet zo dat eiseres door haar agorafobie niet op het werk kan komen. Zijn uitgangspunt blijft daarom dat eiseres met begeleiding naar buiten kon en dus ook op haar werk kon komen. Hij heeft in de FML van 23 juli 2025 niettemin, ondanks dat [naam arts 1] dat niet heeft geadviseerd, bij item 2.10 (sociaal functioneren, vervoer) toch aangegeven dat eiseres op dat punt beperkt is: zij kan niet zelfstandig reizen, met als toevoeging “belanghebbende kan zo nodig een beroep doen op begeleiding bij het reizen”.
De rechtbank is van oordeel dan [naam arts 3] inzichtelijk en navolgbaar, mede in het licht van de beantwoording van de vragen door de deskundigen, heeft gemotiveerd waarom eiseres naar haar werk kan komen ondanks de agorafobie.
16.3.
De conclusie is dan ook dat de belastbaarheid van eiseres juist is vastgelegd in de FML van 23 juli 2025. De beroepsgrond van eiseres, dat zij meer beperkt is, slaagt daarom niet.
17. Uit het voorgaande volgt dat eiseres geacht moet worden de functies te kunnen vervullen die in overeenstemming zijn met haar belastbaarheid, zoals die is neergelegd in de FML van 23 juli 2025.
Is eiseres in staat de geduide functies te verrichten?
18. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat de geduide functies niet passend voor haar zijn.
Zijn de in de primaire fase (en bezwaar gehandhaafde) geduide functies passend?
19. Het arbeidskundig onderzoek van het UWV is (in eerste instantie) vastgelegd in het rapport van arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige 1] van 20 december 2021. Eiseres wordt in staat geacht de door hem genoemde functies te verrichten. Dit standpunt ligt ook ten grondslag aan het bestreden besluit.
In reactie op de arbeidskundige gronden van eiseres in het beroepschrift van 29 oktober 2022, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam arbeidsdeskundige 2] een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek gedaan. In haar rapportage van 10 januari 2023 heeft zij de door [naam arbeidsdeskundige 1] geduide functies verworpen. Zij heeft wel drie nieuwe functies en twee reservefuncties geduid. Dit heeft geleid tot de conclusie dat eiseres wel iets meer arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen, maar dat het arbeidsongeschiktheidspercentage nog steeds ruim onder de 35% blijft.
19.1.
De rechtbank stelt vast dat [naam arbeidsdeskundige 2] in haar eerste rapportage in beroep, die van 10 januari 2023, al had vastgesteld dat de eerder door [naam arbeidsdeskundige 1] geduide functies niet passend waren. Zij heeft vervolgens, na het deskundigenonderzoek, in haar rapportage van 5 maart 2025 geconcludeerd dat de door haar op 10 januari 2023 geduide functies ook niet passend waren op de datum in geding. Het bestreden besluit, dat er op neer komt dat de door [naam arbeidsdeskundige 1] geduide functies passend zijn, is ook om deze reden onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond van eiseres, dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden, slaagt alleen al om die reden.
19.2.
Er zijn in beroep tot twee keer toe nieuwe functies geduid, namelijk op 10 januari 2023 en op 5 maart 2025. De rechtbank zal om proceseconomische redenen beoordelen of de belastbaarheid van eiseres ook in de laatstelijk geduide functies wordt overschreden, zoals eiseres stelt. Omdat de door [naam arbeidsdeskundige 1] én de in de rapportage van 10 januari 2023 geduide functies zijn vervallen, zal de rechtbank niet ingaan op hetgeen eiseres daarover en over de rapportage van [naam arbeidsdeskundige 1] naar voren heeft gebracht.
Zijn de in beroep, in de rapportage van 5 maart 2025, geduide functies passend?
20. Na het deskundigenonderzoek en de daarop gevolgde aanvullende rapportages van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, heeft eiseres in haar brieven van 20 maart 2025 en 16 april 2025 aangevoerd dat haar belastbaarheid ook in de nieuwe geduide functies wordt overschreden vanwege de overschrijding van het aantal uren per dag. De functie met SBC-code 11120 lader losser is een functie van 8 uur per dag. Dit komt niet overeen met 6 uur per dag, zoals de deskundige heeft aangegeven. Verder ziet eiseres niet hoe zij met haar agorafobie haar werk zou kunnen bereiken en zelfstandig werkzaamheden zou kunnen verrichten.
Eiseres heeft in haar brief van 20 oktober 2025 aangevoerd dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden. De primaire arbeidsdeskundige heeft haar alleen telefonisch de uitslag van de schatting medegedeeld en niet de inhoud van de functies met haar besproken. De beoordeling heeft alleen plaatsgevonden op basis van dossieronderzoek, zonder eiseres te hebben gezien.
20.1.
Nadat [naam arts 3] de FML van 4 maart 2025 heeft opgesteld, heeft [naam arbeidsdeskundige 2] onderzocht of de eerder, op 10 januari 2023, door haar geduide functies nog passend zijn. In haar rapportage van 5 maart 2025 geeft zij aan dat dit voor een aantal van die functies niet meer het geval is. Door het vervallen van die functies, blijven van de toen geselecteerde functies er onvoldoende over. Zij heeft CBBS opnieuw geraadpleegd en kon voldoende (deels andere) geschikte functies vinden binnen dezelfde SBC-codes. Volgens haar zijn de volgende functies voor eiseres geschikt op de datum in geding:
machinaal metaalbewerker (excl. Bankwerk), SBC-code 264122; functie productiemedewerker metaalbewerking functienummers 3489.079.013/015/011;
lader, losser, SBC-code 111220; functie medewerker logistiek, functienummers 9251.0001.007/008/006 en
huishoudelijk medewerker gebouwen, SBC-code 111334; functie schoonmaker, functienummer 9821.0009.017/018
20.2.
Naar aanleiding van de aanscherping van de FML op 23 juli 2025, heeft [naam arbeidsdeskundige 2] wederom gekeken of deze functies nog passend zijn. In haar rapportage van 29 juli 2025 schrijft zij dat de belastbaarheid van eiseres in geen van de door haar geduide functies wordt overschreden op het item 2.10.1 (vervoer). Eiseres kan immers een beroep doen op begeleiding bij het reizen van en naar de werkplek. Ook vallen deze functies binnen de beperking 2.12.6 (aangewezen op een vaste werkplek). De werksituatie dient voorspelbaar te zijn (geen wisselende omstandigheden). In de functienummers van de functie machinaal metaalbewerker voert men eenvoudige taken uit, werkt men alleen en zelfstandig aan een weefgetouw. In de functienummers van de functie lader, losser voert men voortdurend eenvoudige uitvoerende taken uit op het niveau van basisonderwijs. Men werkt in een vaste werkomgeving in het magazijn waar de materialen verzameld worden voor schriftelijk onderwijs. Steeds herhalende eenvoudige taken, geen wisselende omstandigheden. In de functies schoonmaker, vallend onder de functie huishoudelijk medewerker gebouwen, werkt men alleen en maakt men volgens een vaststaand schema een kantoorruimte schoon; vaste werkplek en zeer voorspelbare werkzaamheden.
20.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de belastbaarheid van eiseres in de in beroep (laatstelijk) geduide functies niet wordt overschreden. Hieronder zal worden uitgelegd waarom dat zo is.
20.3.1.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiseres ondanks haar agorafobie, geacht wordt arbeid te kunnen verrichten en dat zij functies kan vervullen die in overeenstemming zijn met de FML van 23 juli 2025. Uit die FML volgt dat eiseres met begeleiding naar haar werk kan gaan. Dat zij dit niet als een optie ziet, betekent niet dat zij objectief medisch gezien niet kan werken of niet naar haar werk zou kunnen gaan. In dit verband wordt opgemerkt dat uit de rapportages van [naam arts 3] volgt dat eiseres op de datum in geding (met moeite) wel naar buiten ging.
20.3.2.
In de FML is geen urenbeperking per dag neergelegd. Eiseres kan 6 tot 8 uur per dag werken. Dat volgt ook uit de deskundigenrapportage (zie ook overweging 16.2.1.). Er geldt alleen een urenbeperking per week; namelijk gemiddeld ongeveer 30 uren per week tot 32 uren per week. Dit betekent dat als eiseres in een functie van 8 uur per dag moet werken, daarmee haar belastbaarheid niet zonder meer wordt overschreden. Dit is alleen anders als dit (ook) betekent dat zij meer dan 30 tot 32 uren per week moet werken. Dat is in de geduide functies niet het geval, ook niet in geduide functienummers van SBC-code 11120 (lader losser).
In de functies met functienummers 3489.079.013/015/011, functie productiemedewerker metaalbewerking behorende tot de functie machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk), SBC-code 264122, wordt maximaal 5 uur per dag gewerkt en respectievelijk maximaal 24 uur /18 uur /11 uur in de week.
In de functies medewerker logistiek, functienummers 9251.0001.007/008/006, (SBC-code 111220) wordt maximaal 8 uur per dag gewerkt en respectievelijk maximaal (afgerond) 25 uur /19 uur/15 uur in de week.
In de functie schoonmaker, functienummer 9821.0009.017/018 (functie huishoudelijk medewerker gebouwen, SBC-code 111334) wordt maximaal 5 uur per dag gewerkt en respectievelijk maximaal (afgerond) 25 uur /23 uur in de week.
20.3.3.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd in haar brief van 20 oktober 2025 geeft (ook) geen aanleiding om de laatste rapportages van [naam arbeidsdeskundige 2] voor onjuist te houden. Verder moet de arbeidskundige bezwaar en beroep met zijn/haar kennis van (onder meer) het CBBS en bestaande functies, beoordelen of iemand in staat is om bepaalde functies uit te voeren met inachtneming van hetgeen staat beschreven in de rapportage van de (verzekerings)artsen en de beperkingen die zijn neergelegd in de geldende FML. Voor die beoordeling is het niet nodig om de betrokkene te zien. De arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) moet immers uitgaan van de (juistheid van de) FML en de informatie van de (verzekerings)arts(en) van het UWV omtrent de belastbaarheid. Hij dient zich geen eigen oordeel te vormen over de beperkingen tot het verrichten van arbeid. De enkele omstandigheid dat de arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) eiseres niet hebben gezien, betekent daarom niet dat hun professionele oordeel onjuist is.
20.3.4.
De beroepsgrond dat de onder 20.1 genoemde functies niet passend zijn, slaagt daarom niet.
Wat betekent het voorgaande voor het bestreden besluit?
21. Uit het voorgaande volgt dat de beperkingen van eiseres in beroep alsnog juist zijn vastgesteld en dat zij in staat moet worden geacht de functies te verrichten die door [naam arbeidsdeskundige 2] zijn geduid in de rapportage van 5 maart 2025. De mate van arbeidsongeschiktheid is door deze in haar rapportage van 29 juli 2025 dan ook terecht vastgesteld op 18,86%, zijnde minder dan 35%. Het UWV handhaaft daarom op juiste gronden het bestreden besluit.
21.1.
Het UWV heeft de in 14.1 en 19.1 gesignaleerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken in het bestreden besluit voldoende hersteld met de aanvullende rapportages van [naam arts 3] en [naam arbeidsdeskundige 2].
Het verzoek om schadevergoeding
22. Eiseres heeft ter zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
22.1.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot het moment waarop de einduitspraak in beroep is gedaan.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
22.2.
Eiseres heeft haar bezwaarschrift op 24 december 2021 ingediend. Dat betekent dat de redelijke termijn op 25 december 2023 is overschreden. Uitgaande van een uitspraak per vandaag betekent dat, dat de redelijke termijn met bijna tweeënhalf jaar is overschreden. Er is niet gebleken van omstandigheden die deze lange behandelingsduur rechtvaardigen. De omstandigheid dat er een deskundigenonderzoek is gelast door de rechtbank, merkt de rechtbank niet als een degelijke omstandigheid aan. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 2.500.
22.3.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. Het bestreden besluit is van 25 maart 2022. Dit betekent dat het UWV tijdig heeft beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is uitsluitend aan de rechtbank toe te rekenen. Dat betekent dat de Staat de immateriële schadevergoeding volledig zal moeten vergoeden.
Conclusie en gevolgen
23. Uit hetgeen onder 21.1 is overwogen volgt dat het UWV de gebreken in het bestreden besluit voldoende heeft hersteld in beroep. De rechtbank zal deze gebreken passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiseres door deze gebreken niet is benadeeld. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is namelijk ruim onder de 35% gebleven en zij komt om die reden niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
24. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten moet vergoeden.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Daarnaast komt voor vergoeding in aanmerking de door eiseres gemaakte reiskosten voor een bedrag van € 14,80. De totale kosten bedragen dan € 2.802 + € 14,80 =
€ 2.816,80.
26. Ook heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze vergoeding moet de Staat betalen.
26.1.
De proceskosten voor het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op een bedrag van
€ 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934,- per punt). De rechtbank veroordeelt de Staat tot het betalen van dit bedrag.
Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50 voor het beroep aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten voor het beroep van eiseres tot een bedrag van € 2.816,80;
veroordeelt de Staat tot het betalen van € 2.500 aan schadevergoeding aan eiseres en
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres voor het verzoek tot schadevergoeding tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Er zat een onvolledige kopie in het dossier.
Artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Zie de beleidsregel van 8 juli 2014, Staatscourant 2014, 20210.
ECLI:NL:TGZCTG:2022:192 en AB 2023/26.
Pagina 7 van het rapport van 3 december 2021.
[naam arts 3] is arts. Hij heeft in deze zaak in bezwaar en in beroep diverse rapportages uitgebracht. Alle rapporten zijn gecontrasigneerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, [naam arts 5]. Voor de leesbaarheid van de uitspraak zet de rechtbank dat er niet steeds bij en wordt volstaan met deze noot.
Pagina 18 van de Standaard.
Het item 1.8.1. luidt nu: “ja de klant is aangewezen op werk waarbij hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen, namelijk…Toelichting: niet in een kantoortuin waar meerdere telefoons afgaan en gebeld wordt en de radio aanstaat. Een basaal niveau van geluidsprikkels is wel mogelijk”. En bij item 1.8.3. staat “ja, de klant is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, namelijk…. Toelichting: als dit belanghebbende afleid van haar routine”.
In deze rapportage staat 2 juni 2023 als datum in geding genoemd. De rechtbank gaat er vanuit dat het genoemde jaartal een verschrijving betreft, omdat verderop in de rapportage het juiste jaartal (2021) wordt genoemd.
Pagina 29 en 30 van het deskundigenrapport.
Pagina 32 en 33 van het deskundigenrapport.
Pagina 36 van het deskundigenrapport.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 januari 2016, (ECLI:NL:CRVB:2016:323).
ECLI:NL:CRVB:2011:BU3215.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB, zie onder meer de uitspraak van 26 maart 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:357).
Eerder is de FML ook aangepast, maar het ging hier slechts om een verschuiving van de toelichting van het ene naar een ander item. Het hield geen verband met (een ander standpunt over) de belastbaarheid van eiseres.
Pagina 33 van het deskundigenrapport.
Omdat die functies zijn komen te vervallen, noemt de rechtbank deze niet.
Omdat ook die functies later zijn komen te vervallen, noemt de rechtbank die niet.
Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.
Enkele reis met de trein [plaats] -Arnhem, 2e klas, vol tarief: € 3,70. Voor beide zittingen maakt dit 4 x € 3,70 = € 14,80.