Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:3944
2026-05-21
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
AWB-24_9025 T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze tussenuitspraak gaat over het niet inwilligen van het openbaarmakingsverzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank doet een tussenuitspraak om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2014:385 Raad van State 12-02-2014
- ECLI:NL:RVS:2016:1387 Raad van State 25-05-2016
- ECLI:NL:RVS:2014:385 Raad van State 12-02-2014
- ECLI:NL:RVS:2016:1387 Raad van State 25-05-2016
- ECLI:NL:RVS:2023:4515 Raad van State 06-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:367 Raad van State 31-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:922 Raad van State 08-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2013:CA2877 Raad van State 12-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.695 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9025 T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Financiën
(gemachtigde: mr. T.G.H. Spruyt).
Samenvatting
1. Deze tussenuitspraak gaat over het niet inwilligen van het openbaarmakingsverzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van de staatssecretaris.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank doet een tussenuitspraak om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. De staatssecretaris heeft met het besluit van 29 februari 2024 een openbaarmakingsverzoek van eiser niet ingewilligd.
2.1.
Met de beslissing op bezwaar van 18 november 2024 is de staatssecretaris, onder aanvulling van de motivering, deels bij het besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris vergezeld van mr. S de Glee.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de beslissing op bezwaar
3. Eiser heeft op 15 juni 2023 verzocht om openbaarmaking van documenten bij en onder de Belastingdienst in de periode 2015 tot nu betreffende ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken, waaronder de ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken zelve (i.c. uitspraken van rechterlijk instanties, zoals rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad), notities, memo’s over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken.
3.1.
De staatssecretaris heeft met het besluit van 29 februari 2024 het verzoek niet ingewilligd. Volgens hem zijn er namelijk geen door eiser gevraagde documenten bij het ministerie van Financiën en de Belastingdienst aangetroffen in het kader van het Woo-verzoek. Ten aanzien van het eerste gedeelte van het Woo-verzoek stelt de staatssecretaris dat rechterlijke uitspraken worden geacht – van rechtswege – openbaar te zijn. Ten aanzien van het tweede gedeelte betreffende de openbaarmaking van notities en memo's over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken in de periode van 1 januari 2015 tot de datum van de indiening van het verzoek zijn er volgens de staatssecretaris bij de inventarisatie geen documenten aangetroffen die vallen onder de reikwijdte van het verzoek. Hierbij is gezocht in het intern archiefsysteem Digidoc, de relevante e-mailinboxen, de intranetpagina’s, de netwerkschijven, de ConnectPeople community (intranet), de directory op de Q-schijf (netwerkschijf) en de (eigen) relevante emailinboxen van de voorzitters van de kennisgroepen van de Belastingdienst en het team Landelijke Coördinatie. De zoektermen die gebruikt zijn, zijn: niet gepubliceerde rechtspraak, ongepubliceerde rechtspraak in Belastingzaken, ongepubliceerde rechtspraak/uitspraak, gebruik van ongepubliceerde rechtspraak, memo/nota ongepubliceerde rechtspraak en niet gepubliceerde uitspraken.
3.2.
Met de beslissing op bezwaar van 18 november 2024 is de staatssecretaris, onder aanvulling van de motivering, ten aanzien van het eerste gedeelte van het verzoek bij zijn besluit gebleven. Ten aanzien van het tweede gedeelte van het verzoek wordt gesteld dat eiser tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat hij het verzoek om openbaarmaking van documenten in de bezwaarprocedure wil afbakenen tot niet-gepubliceerde rechtspraak over goed koopmansgebruik en vennootschapsbelasting. Daarom behoeft volgens de staatssecretaris het tweede gedeelte van het verzoek geen bespreking.
Omvang van het geschil
4. De rechtbank stelt vast dat de door de minister gehanteerde zoektermen als zodanig niet in geschil zijn. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het Woo-verzoek ziet op (notities en memo’s over) ongepubliceerde uitspraken over goed koopmansgebruik en vennootschapsbelasting die buiten fiscale dossiers om gedeeld zijn binnen de Belastingdienst.
Staat vaste rechtspraak in de weg aan openbaarmaking van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken?
5. Eiser betoogt dat de mondelinge behandeling in belastingzaken, behalve als het gaat om een fiscale boete, in beginsel niet openbaar is. Het dictum wordt wel in het openbaar uitgesproken. Daartegenover staat volgens eiser dan weer dat de rechter voor het verstrekken van uitspraken in belastingzaken aan anderen dan procespartijen een machtiging moet verlenen. Eiser betoogt dat de uitkomst van de vaste rechtspraak in het algemeen, maar in het bijzonder voor uitspraken in het belastingrecht onbevredigend is. Eiser betoogt daarbij dat in belastingzaken, gelet op artikel 27c (lees 27g) en 30 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), niet gezegd kan worden dat deze uitspraken zonder nadere wettelijke regeling reeds openbaar zijn. Volgens eiser gaan de genoemde uitspraken dan ook niet op voor ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken.
5.1.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat uitspraken openbaar zijn, zodat de Woo daarop niet van toepassing is. Voor zover het ongepubliceerde uitspraken betreft is dat omdat op grond van artikel 121 van de Grondwet de uitspraak in het openbaar geschiedt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris de ongepubliceerde uitspraken in belastingzaken niet openbaar hoefde te maken, omdat ze dat reeds zijn. De plicht tot openbaarmaking op grond van de Woo heeft namelijk geen betrekking op informatie die al openbaar is.
5.2.
Daar komt bij dat een reactie op een verzoek om stukken openbaar te maken die al openbaar zijn, niet op rechtsgevolg is gericht en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Informatie die openbaar is, kan namelijk niet nogmaals openbaar gemaakt worden. Een reactie van een bestuursorgaan met de mededeling dat informatie openbaar is, is geen besluit, maar een mededeling van feitelijke aard. Dit betekent dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen dit onderdeel niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
5.3.
Omdat uit deze rechtspraak volgt dat ook ongepubliceerde uitspraken openbaar zijn, hoeft de vraag of de artikelen 27g, 30 en/of 67 van de Awr in de weg staan aan openbaarmaking door de Belastingdienst van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken niet beantwoord te worden. Deze artikelen zien namelijk enerzijds op de vraag of het mogelijk is om een afschrift van de uitspraak te krijgen en anderzijds op de fiscale geheimhoudingsplicht, en hebben geen invloed op de openbaarheid van de uitspraak zelf. Dit neemt niet weg dat de rechtbank inziet dat het daadwerkelijk inzicht krijgen in de openbare ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken ingewikkeld kan zijn.
Is het Woo-verzoek ten onrechte afgebakend tot de ongepubliceerde rechtspraak over goed koopmanschap en de vennootschapsbelasting?
6. Eiser betoogt dat de staatssecretaris zijn verzoek ten onrechte heeft afgebakend tot de ongepubliceerde rechtspraak over goed koopmanschap en de vennootschapsbelasting. Hierdoor is volgens eiser de staatssecretaris ten onrechte niet ingegaan op het tweede gedeelte van zijn verzoek dat ziet op documenten zoals notitie en memo’s over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken. Eiser stelt dat als gevolg hiervan de staatssecretaris ten onrechte in de beslissing op bezwaar geen aandacht heeft besteed aan de desbetreffende bezwaargronden van eiser en in het verlengde daarvan ten onrechte geen nieuwe zoekslag is uitgevoerd.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft er namelijk een nieuwe zoekslag plaatsgevonden voor wat betreft het tweede gedeelte van het Woo-verzoek. De staatssecretaris erkent dat hij deze beperking van het Woo-verzoek ten onrechte uit de uitlatingen van eiser heeft afgeleid.
6.2.
De staatssecretaris is daarom ten onrechte in het bestreden besluit niet meer ingegaan op dit deel van het verzoek. Zoals uit 6.1 volgt heeft de staatssecretaris inmiddels wel een zoekslag naar notities en memo's over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken verricht. De rechtbank ziet in het licht van finale geschillenbeslechting aanleiding deze nadere zoekslag te beoordelen. De resultaten van die zoekslag zijn neergelegd in het verweerschrift.
Is deze nadere zoekslag zorgvuldig geweest?
7. Eiser betoogt dat de zoekslag die alsnog heeft plaatsgevonden niet zorgvuldig is. Volgens eiser is de nieuwe zoekslag ten onrechte beperkt tot twee locaties, er is volgens eiser namelijk alleen opnieuw gezocht in Digidoc en de netwerkschijven van het ministerie. Door slechts op twee van de zeven locaties opnieuw te zoeken is de zoekslag volgens eiser onzorgvuldig. Daarnaast is met de nieuwe zoekslag alleen gezocht binnen het ministerie van Financiën en niet bij de Belastingdienst. Ook is volgens eiser ten onrechte alleen computermatig gezocht, terwijl de aard van het onderwerp zich bij uitstek leent voor navraag bij (relevante) personen. Daar komt bij dat niet is gezocht in de notulen van de kennisgroep Winstbepaling (KG WP), volgens eiser de moeder der kennisgroepen van zijn Woo-verzoek. Tot slot betoogt eiser dat de kans reëel is dat een zorgvuldige zoekslag wél documenten oplevert die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Hij verwijst daarbij naar een document dat recent openbaar is geworden naar aanleiding van een Woo-verzoek van een ander.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak moet een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
7.2.
De rechtbank beoordeelt eerst of de zoekslag voldoende inzichtelijk is gemaakt door de staatssecretaris. In het besluit op het Woo-verzoek staat dat is gezocht in het intern archiefsysteem Digidoc, de relevante e-mailinboxen, de intranetpagina’s en de netwerkschijven. Daarnaast is door alle voorzitters van de kennisgroepen van de Belastingdienst en het team Landelijke Coördinatie gezocht in de ConnectPeople community (intranet), de directory op de Q-schijf (netwerkschijf), en de (eigen) relevante emailinboxen. Naar aanleiding van het beroepschrift is er opnieuw gezocht op dezelfde zoektermen en daarbij de nieuwe zoektermen: ‘niet-gepubliceerde, uitspraak’ en ‘rechtspraak’ in de notulen van de kennisgroepen: Belastingplicht en Kwalificatie Rechtsvormen (KG BP&KRV), Deelnemingsvrijstelling (KG DVS), Bijzondere Winstbepalingen Vennootschapsbelasting (KG BWB), Reorganisatiefaciliteiten en fiscale eenheden (KG RFE) en Internationaal Belastingrecht Vennootschapsbelasting (KG IBR-VPB), in Digidoc en op de netwerkschijven van het ministerie.
7.2.1.
Op de zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd toegelicht dat niet in alle locaties uit het besluit op het Woo-verzoek opnieuw is gezocht. Dit omdat het verzoek ziet op notities en memo’s over ongepubliceerde rechtspraak en dergelijke stukken bij uitstek worden opgeslagen in Digidoc of de netwerkschijven en het onlogisch is om die op het intranet op te slaan. In aanloop naar de zitting is wel nog navraag gedaan bij de voorzitter van de kennisgroep Winstbepaling. Volgens de staatssecretaris werkt deze kennisgroep niet met notulen en heeft de voorzitter te kennen gegeven dat hem geen ongepubliceerde rechtspraak bekend is.
7.3.
De beroepsgrond van eiser slaagt. De staatssecretaris heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke locaties is gezocht. In dit licht is het relevant dat eiser zijn verzoek heeft gericht op documenten die berusten bij en onder de Belastingdienst. Het is aan de minister om zijn onderzoek te verrichten bij relevante organisatieonderdelen die de documenten onder zich zouden kunnen hebben. Het is denkbaar dat de verzochte informatie bij de uitvoeringsorganisatie van de Belastingdienst berust. De zoekslag is onvoldoende inzichtelijk omdat onduidelijk is of er gezocht is op de netwerkschijven en digidoc van de Belastingdienst zelf. Zover niet is gezocht op deze locaties van de Belastingdienst zelf dient ook op deze locaties opnieuw gezocht te worden. Daarnaast moet de staatssecretaris ook opnieuw zoeken in de locatie ConnectPeople community (intranet). Anders dan de staatssecretaris stelt, leidt de rechtbank uit het verweerschrift af dat er relevante forumdiscussies plaatsvinden op ConnectPeople. Dit maakt ConnectPeople een locatie waar de door eiser verzochte informatie vindbaar kan zijn. De stelling van eiser dat er opnieuw navraag gedaan had moeten worden bij de kennisgroepen volgt de rechtbank niet omdat de notulen van deze kennisgroepen al zijn doorzocht. Verder is op zitting gebleken dat de kennisgroep Winstbepaling niet met notulen werkt en dat de voorzitter van deze kennisgroep persoonlijk is bevraagd.
7.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de zoekslag onvoldoende inzichtelijk is en dat de zoekslag die de staatssecretaris heeft gemaakt niet volledig is geweest. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle documenten waar het Woo-verzoek op ziet, naar boven zijn gekomen. Dat betekent dat de nadere zoekslag onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en/of dat het in het verweerschrift hierover ingenomen standpunt onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
8. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
8.1.
De rechtbank ziet aanleiding om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen met inachtneming van deze tussenuitspraak. Dat herstellen kan met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van (een gedeelte van) het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de staatssecretaris de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Om de gebreken te herstellen, moet de staatssecretaris concreet het volgende doen:
de staatssecretaris moet inzichtelijk maken op welke netwerkschijven en delen van digidoc is gezocht (bij zowel het ministerie van Financiën als de Belastingdienst);
als er niet met de nieuwe zoektermen is gezocht op de netwerkschijven en digidoc bij de Belastingdienst moet dit alsnog gebeuren;
de staatssecretaris moet opnieuw zoeken op de locatie ConnectPeople community.
8.2.
De staatssecretaris moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de staatssecretaris gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de staatssecretaris. In beginsel, ook in de situatie dat de staatssecretaris de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.3.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
8.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt de staatssecretaris op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de staatssecretaris in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de staatssecretaris als hij gebruikmaakt van deze mogelijkheid;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. A.S. Gaastra en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
De minister verwijst naar ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:385 en ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1387.
Dit blijkt uit wat op de zitting is besproken.
Zie ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:385 en ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1387.
ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4515.
Vergelijk ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, onder 5.1.
Vergelijk ABRvS 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:922, onder 4.4.2.
ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9025 T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Financiën
(gemachtigde: mr. T.G.H. Spruyt).
Samenvatting
1. Deze tussenuitspraak gaat over het niet inwilligen van het openbaarmakingsverzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van de staatssecretaris.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank doet een tussenuitspraak om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. De staatssecretaris heeft met het besluit van 29 februari 2024 een openbaarmakingsverzoek van eiser niet ingewilligd.
2.1.
Met de beslissing op bezwaar van 18 november 2024 is de staatssecretaris, onder aanvulling van de motivering, deels bij het besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris vergezeld van mr. S de Glee.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de beslissing op bezwaar
3. Eiser heeft op 15 juni 2023 verzocht om openbaarmaking van documenten bij en onder de Belastingdienst in de periode 2015 tot nu betreffende ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken, waaronder de ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken zelve (i.c. uitspraken van rechterlijk instanties, zoals rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad), notities, memo’s over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken.
3.1.
De staatssecretaris heeft met het besluit van 29 februari 2024 het verzoek niet ingewilligd. Volgens hem zijn er namelijk geen door eiser gevraagde documenten bij het ministerie van Financiën en de Belastingdienst aangetroffen in het kader van het Woo-verzoek. Ten aanzien van het eerste gedeelte van het Woo-verzoek stelt de staatssecretaris dat rechterlijke uitspraken worden geacht – van rechtswege – openbaar te zijn. Ten aanzien van het tweede gedeelte betreffende de openbaarmaking van notities en memo's over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken in de periode van 1 januari 2015 tot de datum van de indiening van het verzoek zijn er volgens de staatssecretaris bij de inventarisatie geen documenten aangetroffen die vallen onder de reikwijdte van het verzoek. Hierbij is gezocht in het intern archiefsysteem Digidoc, de relevante e-mailinboxen, de intranetpagina’s, de netwerkschijven, de ConnectPeople community (intranet), de directory op de Q-schijf (netwerkschijf) en de (eigen) relevante emailinboxen van de voorzitters van de kennisgroepen van de Belastingdienst en het team Landelijke Coördinatie. De zoektermen die gebruikt zijn, zijn: niet gepubliceerde rechtspraak, ongepubliceerde rechtspraak in Belastingzaken, ongepubliceerde rechtspraak/uitspraak, gebruik van ongepubliceerde rechtspraak, memo/nota ongepubliceerde rechtspraak en niet gepubliceerde uitspraken.
3.2.
Met de beslissing op bezwaar van 18 november 2024 is de staatssecretaris, onder aanvulling van de motivering, ten aanzien van het eerste gedeelte van het verzoek bij zijn besluit gebleven. Ten aanzien van het tweede gedeelte van het verzoek wordt gesteld dat eiser tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat hij het verzoek om openbaarmaking van documenten in de bezwaarprocedure wil afbakenen tot niet-gepubliceerde rechtspraak over goed koopmansgebruik en vennootschapsbelasting. Daarom behoeft volgens de staatssecretaris het tweede gedeelte van het verzoek geen bespreking.
Omvang van het geschil
4. De rechtbank stelt vast dat de door de minister gehanteerde zoektermen als zodanig niet in geschil zijn. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het Woo-verzoek ziet op (notities en memo’s over) ongepubliceerde uitspraken over goed koopmansgebruik en vennootschapsbelasting die buiten fiscale dossiers om gedeeld zijn binnen de Belastingdienst.
Staat vaste rechtspraak in de weg aan openbaarmaking van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken?
5. Eiser betoogt dat de mondelinge behandeling in belastingzaken, behalve als het gaat om een fiscale boete, in beginsel niet openbaar is. Het dictum wordt wel in het openbaar uitgesproken. Daartegenover staat volgens eiser dan weer dat de rechter voor het verstrekken van uitspraken in belastingzaken aan anderen dan procespartijen een machtiging moet verlenen. Eiser betoogt dat de uitkomst van de vaste rechtspraak in het algemeen, maar in het bijzonder voor uitspraken in het belastingrecht onbevredigend is. Eiser betoogt daarbij dat in belastingzaken, gelet op artikel 27c (lees 27g) en 30 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), niet gezegd kan worden dat deze uitspraken zonder nadere wettelijke regeling reeds openbaar zijn. Volgens eiser gaan de genoemde uitspraken dan ook niet op voor ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken.
5.1.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat uitspraken openbaar zijn, zodat de Woo daarop niet van toepassing is. Voor zover het ongepubliceerde uitspraken betreft is dat omdat op grond van artikel 121 van de Grondwet de uitspraak in het openbaar geschiedt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris de ongepubliceerde uitspraken in belastingzaken niet openbaar hoefde te maken, omdat ze dat reeds zijn. De plicht tot openbaarmaking op grond van de Woo heeft namelijk geen betrekking op informatie die al openbaar is.
5.2.
Daar komt bij dat een reactie op een verzoek om stukken openbaar te maken die al openbaar zijn, niet op rechtsgevolg is gericht en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Informatie die openbaar is, kan namelijk niet nogmaals openbaar gemaakt worden. Een reactie van een bestuursorgaan met de mededeling dat informatie openbaar is, is geen besluit, maar een mededeling van feitelijke aard. Dit betekent dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen dit onderdeel niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
5.3.
Omdat uit deze rechtspraak volgt dat ook ongepubliceerde uitspraken openbaar zijn, hoeft de vraag of de artikelen 27g, 30 en/of 67 van de Awr in de weg staan aan openbaarmaking door de Belastingdienst van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken niet beantwoord te worden. Deze artikelen zien namelijk enerzijds op de vraag of het mogelijk is om een afschrift van de uitspraak te krijgen en anderzijds op de fiscale geheimhoudingsplicht, en hebben geen invloed op de openbaarheid van de uitspraak zelf. Dit neemt niet weg dat de rechtbank inziet dat het daadwerkelijk inzicht krijgen in de openbare ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken ingewikkeld kan zijn.
Is het Woo-verzoek ten onrechte afgebakend tot de ongepubliceerde rechtspraak over goed koopmanschap en de vennootschapsbelasting?
6. Eiser betoogt dat de staatssecretaris zijn verzoek ten onrechte heeft afgebakend tot de ongepubliceerde rechtspraak over goed koopmanschap en de vennootschapsbelasting. Hierdoor is volgens eiser de staatssecretaris ten onrechte niet ingegaan op het tweede gedeelte van zijn verzoek dat ziet op documenten zoals notitie en memo’s over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken. Eiser stelt dat als gevolg hiervan de staatssecretaris ten onrechte in de beslissing op bezwaar geen aandacht heeft besteed aan de desbetreffende bezwaargronden van eiser en in het verlengde daarvan ten onrechte geen nieuwe zoekslag is uitgevoerd.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft er namelijk een nieuwe zoekslag plaatsgevonden voor wat betreft het tweede gedeelte van het Woo-verzoek. De staatssecretaris erkent dat hij deze beperking van het Woo-verzoek ten onrechte uit de uitlatingen van eiser heeft afgeleid.
6.2.
De staatssecretaris is daarom ten onrechte in het bestreden besluit niet meer ingegaan op dit deel van het verzoek. Zoals uit 6.1 volgt heeft de staatssecretaris inmiddels wel een zoekslag naar notities en memo's over de inhoud van en/of het gebruik van ongepubliceerde rechtspraak in belastingzaken verricht. De rechtbank ziet in het licht van finale geschillenbeslechting aanleiding deze nadere zoekslag te beoordelen. De resultaten van die zoekslag zijn neergelegd in het verweerschrift.
Is deze nadere zoekslag zorgvuldig geweest?
7. Eiser betoogt dat de zoekslag die alsnog heeft plaatsgevonden niet zorgvuldig is. Volgens eiser is de nieuwe zoekslag ten onrechte beperkt tot twee locaties, er is volgens eiser namelijk alleen opnieuw gezocht in Digidoc en de netwerkschijven van het ministerie. Door slechts op twee van de zeven locaties opnieuw te zoeken is de zoekslag volgens eiser onzorgvuldig. Daarnaast is met de nieuwe zoekslag alleen gezocht binnen het ministerie van Financiën en niet bij de Belastingdienst. Ook is volgens eiser ten onrechte alleen computermatig gezocht, terwijl de aard van het onderwerp zich bij uitstek leent voor navraag bij (relevante) personen. Daar komt bij dat niet is gezocht in de notulen van de kennisgroep Winstbepaling (KG WP), volgens eiser de moeder der kennisgroepen van zijn Woo-verzoek. Tot slot betoogt eiser dat de kans reëel is dat een zorgvuldige zoekslag wél documenten oplevert die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Hij verwijst daarbij naar een document dat recent openbaar is geworden naar aanleiding van een Woo-verzoek van een ander.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak moet een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
7.2.
De rechtbank beoordeelt eerst of de zoekslag voldoende inzichtelijk is gemaakt door de staatssecretaris. In het besluit op het Woo-verzoek staat dat is gezocht in het intern archiefsysteem Digidoc, de relevante e-mailinboxen, de intranetpagina’s en de netwerkschijven. Daarnaast is door alle voorzitters van de kennisgroepen van de Belastingdienst en het team Landelijke Coördinatie gezocht in de ConnectPeople community (intranet), de directory op de Q-schijf (netwerkschijf), en de (eigen) relevante emailinboxen. Naar aanleiding van het beroepschrift is er opnieuw gezocht op dezelfde zoektermen en daarbij de nieuwe zoektermen: ‘niet-gepubliceerde, uitspraak’ en ‘rechtspraak’ in de notulen van de kennisgroepen: Belastingplicht en Kwalificatie Rechtsvormen (KG BP&KRV), Deelnemingsvrijstelling (KG DVS), Bijzondere Winstbepalingen Vennootschapsbelasting (KG BWB), Reorganisatiefaciliteiten en fiscale eenheden (KG RFE) en Internationaal Belastingrecht Vennootschapsbelasting (KG IBR-VPB), in Digidoc en op de netwerkschijven van het ministerie.
7.2.1.
Op de zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd toegelicht dat niet in alle locaties uit het besluit op het Woo-verzoek opnieuw is gezocht. Dit omdat het verzoek ziet op notities en memo’s over ongepubliceerde rechtspraak en dergelijke stukken bij uitstek worden opgeslagen in Digidoc of de netwerkschijven en het onlogisch is om die op het intranet op te slaan. In aanloop naar de zitting is wel nog navraag gedaan bij de voorzitter van de kennisgroep Winstbepaling. Volgens de staatssecretaris werkt deze kennisgroep niet met notulen en heeft de voorzitter te kennen gegeven dat hem geen ongepubliceerde rechtspraak bekend is.
7.3.
De beroepsgrond van eiser slaagt. De staatssecretaris heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke locaties is gezocht. In dit licht is het relevant dat eiser zijn verzoek heeft gericht op documenten die berusten bij en onder de Belastingdienst. Het is aan de minister om zijn onderzoek te verrichten bij relevante organisatieonderdelen die de documenten onder zich zouden kunnen hebben. Het is denkbaar dat de verzochte informatie bij de uitvoeringsorganisatie van de Belastingdienst berust. De zoekslag is onvoldoende inzichtelijk omdat onduidelijk is of er gezocht is op de netwerkschijven en digidoc van de Belastingdienst zelf. Zover niet is gezocht op deze locaties van de Belastingdienst zelf dient ook op deze locaties opnieuw gezocht te worden. Daarnaast moet de staatssecretaris ook opnieuw zoeken in de locatie ConnectPeople community (intranet). Anders dan de staatssecretaris stelt, leidt de rechtbank uit het verweerschrift af dat er relevante forumdiscussies plaatsvinden op ConnectPeople. Dit maakt ConnectPeople een locatie waar de door eiser verzochte informatie vindbaar kan zijn. De stelling van eiser dat er opnieuw navraag gedaan had moeten worden bij de kennisgroepen volgt de rechtbank niet omdat de notulen van deze kennisgroepen al zijn doorzocht. Verder is op zitting gebleken dat de kennisgroep Winstbepaling niet met notulen werkt en dat de voorzitter van deze kennisgroep persoonlijk is bevraagd.
7.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de zoekslag onvoldoende inzichtelijk is en dat de zoekslag die de staatssecretaris heeft gemaakt niet volledig is geweest. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle documenten waar het Woo-verzoek op ziet, naar boven zijn gekomen. Dat betekent dat de nadere zoekslag onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en/of dat het in het verweerschrift hierover ingenomen standpunt onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
8. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
8.1.
De rechtbank ziet aanleiding om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen met inachtneming van deze tussenuitspraak. Dat herstellen kan met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van (een gedeelte van) het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de staatssecretaris de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Om de gebreken te herstellen, moet de staatssecretaris concreet het volgende doen:
de staatssecretaris moet inzichtelijk maken op welke netwerkschijven en delen van digidoc is gezocht (bij zowel het ministerie van Financiën als de Belastingdienst);
als er niet met de nieuwe zoektermen is gezocht op de netwerkschijven en digidoc bij de Belastingdienst moet dit alsnog gebeuren;
de staatssecretaris moet opnieuw zoeken op de locatie ConnectPeople community.
8.2.
De staatssecretaris moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de staatssecretaris gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de staatssecretaris. In beginsel, ook in de situatie dat de staatssecretaris de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.3.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
8.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt de staatssecretaris op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de staatssecretaris in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de staatssecretaris als hij gebruikmaakt van deze mogelijkheid;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. A.S. Gaastra en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
De minister verwijst naar ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:385 en ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1387.
Dit blijkt uit wat op de zitting is besproken.
Zie ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:385 en ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1387.
ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4515.
Vergelijk ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, onder 5.1.
Vergelijk ABRvS 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:922, onder 4.4.2.
ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.