Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:2646

2026-03-06 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/5004/11853954
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-03-06
Publicatiedatum
2026-04-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
K/5004/11853954
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tandartsrekening. Voldoende onderbouwd is dat patiënt wist van risico op loslatende tanden bij de gekozen behandeling. Toewijzing vordering.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.499 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Nijmegen



Zaaknummer: 11853954 \ CV EXPL 25-2406




Vonnis van 6 maart 2026




in de zaak van





[naam eiser] , TEVENS HANDELEND ONDER DE NAAM [naam eisend bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: P.M.C. Tjepkema,



tegen





[naam gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 augustus 2025
- de e-mail van 27 januari 2026 van de kant van [de eiser] , met productie 7
- de twee ter zitting door eiser overgelegde producties
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Daarna is vonnis bepaald.






2Het geschil


2.1.

[de eiser] vordert bij dagvaarding dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.654,60, bestaande uit € 1.273,58 aan hoofdsom, € 231,16 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 149,86 aan wettelijke rente tot en met 5 augustus 2025. Verder vordert [de eiser] de wettelijke rente over € 1.273,58 vanaf 6 augustus 2025 en de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na vonnisdatum.


2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eiser] zijn vordering verminderd met € 425,00 (betaald op 6 augustus 2025) en € 1.001,84 (betaald op 26 augustus 2025). [de gedaagde] heeft bij de betalingen de opmerking geplaatst dat hij onder protest betaalt.



2.3.

[de eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij op 13 september 2023 in opdracht en voor rekening van [de gedaagde] tandheelkundige werkzaamheden heeft verricht. [de eiser] stelt dat [de gedaagde] twee etsbruggen geplaatst wenste te krijgen en dat hij [de gedaagde] heeft gewezen op het risico dat de tandjes eruit zouden kunnen vallen, omdat [de gedaagde] koos voor een bepaalde behandeling. Ondanks het advies voor het plaatsen van een brug of een implantaat, koos [de gedaagde] ervoor om de etsbruggen op de door hem gewenste wijze te laten plaatsen. Vervolgens liet de etsbrug vrij snel daarna los, waarna [de eiser] deze op 4 oktober 2024 kosteloos heeft teruggeplaatst. Omdat [de gedaagde] ondanks sommatie niet is overgegaan tot het betalen van de behandelingskosten, is hij naast de wettelijke rente ook de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, aldus [de eiser] .



2.4.

[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [de eiser] . Volgens [de gedaagde] heeft de behandelend tandarts, de heer [medewerker eisend bedrijf] , toegezegd dat de behandeling een resultaat voor langere termijn zou geven. Na een week viel echter al één kroon uit. Deze is weer teruggeplaatst maar na twee weken zat hij weer los. Ook de tweede kroon is eruit gevallen en was daarna onvindbaar. [de gedaagde] betwist dat hij is gewaarschuwd dat de kronen eruit zouden kunnen vallen. Verder voert [de gedaagde] aan dat hij meerdere mails heeft gestuurd naar [de eiser] , maar dat daarop nooit een reactie is gekomen. Pas in november 2024 kwam een reactie in de vorm van een betalingsherinnering. Tot slot voert [de gedaagde] aan dat hij het factuurbedrag met rente en dagvaardingskosten onder protest heeft betaald. [de gedaagde] wenst dit bedrag terug te krijgen.



2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






3De beoordeling


3.1.

[de gedaagde] erkent dat hij opdracht heeft gegeven voor het plaatsen van twee etsbruggen. Vaststaat dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door een tandarts in opleiding, de heer [medewerker eisend bedrijf] (hierna: [medewerker eisend bedrijf] ). Dat [medewerker eisend bedrijf] in opleiding was ten tijde van het plaatsen van de etsbruggen, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. [de eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling immers gesteld dat [medewerker eisend bedrijf] de werkzaamheden onder zijn supervisie heeft verricht en [de gedaagde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Deze stelling van [de eiser] strookt overigens met hetgeen is vermeld op de patiëntenkaart, die als productie 7 ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding is gebracht. Daarbij komt dat [medewerker eisend bedrijf] al een gecertificeerd tandarts in Turkije was.



3.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de eiser] voldoende gesteld en onderbouwd dat [de gedaagde] voldoende is voorgelicht over de tandheelkundige behandeling. De verschillende opties zijn besproken en [de gedaagde] heeft deze opties begrepen. [de gedaagde] betwist dit en wijst op een mogelijke taalachterstand, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de gedaagde] precies kan navertellen welke opties aan hem zijn gepresenteerd. Deze technische informatie heeft hij kennelijk wel begrepen, maar de waarschuwing zou dan niet begrepen zijn. Dit acht de kantonrechter niet aannemelijk. [de gedaagde] heeft na voorlichting gekozen voor etsbruggen en niet een (volledige) brug (dit vond [de gedaagde] niet mooi) of een implantaat (dit was veel duurder). [de eiser] heeft onweersproken gesteld dat de etsbruggen op verzoek van [de gedaagde] daarna uit esthetisch oogpunt ook nog zijn aangepast, zodat de klemmen minder zichtbaar waren, hetgeen een nog brozer resultaat gaf. De stelling dat [de gedaagde] is gewezen op de risico’s van het aanbrengen en aanpassen van de etsbruggen strookt eveneens met de omschrijving op de patiëntenkaart en is gezien het voorgaande door [de gedaagde] onvoldoende weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] bewust gekozen voor het plaatsen van aangepaste etsbruggen en daarmee het risico aanvaard dat de tanden los konden komen. Van een wanprestatie door [de eiser] is dan ook geen sprake. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het verweer van [de gedaagde] niet slaagt, zodat de behandelingskosten van € 1.273,58 toewijsbaar zijn.



3.3.
De verschenen rente van € 149,86 tot en met 5 augustus 2025 is niet betwist, zodat deze toewijsbaar is.



3.4.

[de eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat aanmaning niet overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. Aan [de gedaagde] is geen termijn gegeven van (minimaal) veertien dagen, ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning, om aan de betalingsverplichting te voldoen.



3.5.
Uit het voorgaande volgt dat, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW – verrichte betalingen strekken eerst in mindering op rente (en kosten) – het volgende bedrag toewijsbaar is:












Hoofdsom


€


1.273,58







Verschenen wettelijke rente t/m 5 augustus 2025


€


149,86







Subtotaal


€


1.423,44







Af: betaling 6 augustus 2025
Af: betaling 26 augustus 2025


€
€


425,00
1.001,84







Totaal


€


3,40


-








3.6.

[de gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


146,14







- griffierecht


€


257,00







- salaris gemachtigde


€


434,00


(2 punten × € 217,00)




- nakosten


€


108,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


945,64











3.7.
Het onder rov. 3.5 berekende bedrag van € 3,40 strekt in mindering op de begrote proceskosten, zodat nog een bedrag resteert van € 942,24.



3.8.
De gevorderde wettelijke rente over de resterende proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.









4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 942,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.2.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.















































858/560