Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:2644
2026-03-06
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/5001/11774458
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Koop van gereedschapswagen en trilplaat. Beroep op dwaling wordt verworpen. Toewijzing vordering.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.520 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11774458 \ CV EXPL 25-1990
Vonnis van 6 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser] h.o.d.n. [eisend bedrijf]
zaakdoende te [vestigingsplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [de eiser]
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
tegen
1. de vennootschap onder firma v.o.f. [naam gedaagd vennootschap] h.o.d.n. [naam gedaagd bedrijf]
gevestigd te [vestigingsplaats]
en haar vennoten:2. [naam gedaagde vennoot 1]
wonende te [woonplaats]3. [naam gedaagde vennoot 2]
wonende te [woonplaats]4. [naam gedaagde vennoot 3]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partijen
hierna samen te noemen: [de gedaagde]
gemachtigde: mr. M.T. Somohardjo.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek met productie 1;- de akte uitlaten productie van [de eiser] .
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de eiser] drijft een onderneming die zich onder meer richt op de groothandel van gereedschappen en ijzerwaren. [de gedaagde] drijft een hoveniersbedrijf.
2.2.
Op 5 april 2024 komt tussen partijen een koopovereenkomst tot stand op grond waarvan [de eiser] aan [de gedaagde] een gereedschapswagen (met gereedschap) en een trilplaat heeft geleverd tegen betaling van een koopsom van € 4.356,00 inclusief btw. Partijen hebben een rekening ondertekend met rekeningnummer 2024-0018, waarop de geleverde zaken vermeld staan.
2.3.
Bij brief van 11 april 2024 heeft [de gedaagde] klachten geuit over de geleverde zaken en [de eiser] aangemaand binnen 14 dagen de koopovereenkomst correct na te komen of met een passende oplossing te komen. In de brief staat, voor zover thans van belang:
(..)
Ik heb de volgende klachten:
Op het gereedschap zit al speling, dit is niet wat we wensen en verwachten van deugdelijk gereedschap.
De trilplaat is niet wat we verwachten, we hebben liever twee trilplaten van Wacker.
Zaterdag 6 april jl. heeft u de trilplaat geleverd en hebben we aangegeven dat we niet tevreden zijn over de gereedschapswagen. We hebben aangegeven dat het niet deugdelijke spullen zijn, maar u gaf aan dat na van loop van tijd eventueel wat gereedschap vervangen kan worden omdat we garantie hebben.
Donderdag 11 april jl. hebben we nogmaals telefonisch aangegeven dat we niet tevreden zijn. U gaf aan dat we de gereedschappen een tijdje moesten gebruiken (..). Mocht het gereedschap nog niet goed zijn, dan hebben we garantie en kunnen bepaalde tangen vervangen worden.
Vervolgens hebben we tijdens het telefoongesprek u gevraagd om de gereedschapswagen en de trilplaat terug te nemen en een offerte aan te bieden voor twee trilplaten van Wacker, maar hier wilde u niet op in gaan.
(..)
Wij zullen onze betaling opschorten. (..)
2.4.
[de eiser] heeft zich vervolgens tot het incassokantoor Credifin gewend. Laatstgenoemde heeft bij e-mail van 22 mei 2024 [de gedaagde] gesommeerd binnen 5 dagen een bedrag van € 4.977,76 te betalen.
2.5.
Diezelfde dag heeft de gemachtigde van [de gedaagde] (DAS) een e-mail aan [de eiser] gestuurd, met daarin onder meer:
(..)
Cliënte stelt dat u onjuiste informatie heeft gegeven over het gereedschap en de trilplaat. Met u zijn de wensen van cliënte duidelijk besproken. U heeft echter zaken geleverd die niet de eigenschappen bezitten die daadwerkelijk zijn besproken. Vanwege de onjuiste informatie van uw kant vernietig ik hierbij de overeenkomst op grond van dwaling (zie artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek). Cliënte zal u het bedrag van € 3.600,00 exclusief niet betalen en u kunt het gereedschap en de trilplaat komen ophalen.
(..)
2.6.
Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft Credifin het verweer van [de gedaagde] van de hand gewezen en [de gedaagde] gesommeerd de vordering van [de eiser] binnen een week te betalen. Daarbij is in de mail vermeld (letterlijk):
(..)
Uw client heeft de goederen ten tijde van de aankoop gezien en voor akkoord bevonden.
U geeft aan dat uw client van mening is dat de producten non conform zijn, enige onderbouwing ontbreekt. Client betwist niet werkende producten te hebben geleverd dan wel zaken geleverd te hebben die niet de eigenschappen bezitten die zijn besproken. Daarnaast heeft client gewezen op de garantie welke uw client in kan roepen in geval van een toekomstig defect.
Kortom: Client ziet geen reden de goederen terug te nemen dan wel de vorering te matigen.
2.7.
De gemachtigden hebben nog nader gecorrespondeerd en hun standpunten gehandhaafd.
2.8.
[de eiser] heeft bij e-mail van 29 januari 2025 aangeboden als minnelijke schikking de hoofdsom te verlagen naar € 4.000, te vermeerderen met de eerder aangezegde rente en buitengerechtelijke kosten. [de gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3Het geschil
3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om [de gedaagde] te veroordelen aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 5.464,00 (bestaande uit € 4.356,00 aan hoofdsom,
€ 560,60 aan buitengerechtelijke kosten en € 547,40 aan wettelijke rente tot 13 juni 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2025, met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de eiser] heeft op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst zaken aan [de gedaagde] geleverd. Ondanks aanmaning heeft [de gedaagde] de koopsom niet betaald. Zij is daarom de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Beoordeeld dient te worden of [de gedaagde] de koopsom aan [de eiser] dient te betalen, hetgeen [de eiser] stelt en [de gedaagde] betwist.
4.2.
[de gedaagde] heeft een beroep op dwaling gedaan. Op grond van artikel 6:228 BW is voor een geslaagd beroep op dwaling vereist dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken op grond waarvan de overeenkomst is aangegaan en dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Verder is vereist dat zich één van de drie in artikel 6:228 lid 1 BW genoemde gevallen voordoet, kort weergegeven:
a. a) de wederpartij heeft een onjuiste inlichting gegeven,
b) de wederpartij heeft een mededelingsplicht geschonden,
c) er is sprake van wederzijdse dwaling.
[de gedaagde] is van mening dat [de eiser] onjuiste mededelingen heeft gedaan over het geleverde gereedschap, zodat het in deze zaak gaat om sub a.
4.3.
[de gedaagde] draagt de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast ten aanzien van de onjuiste voorstelling van zaken (de dwaling als zodanig), het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en die onjuiste voorstelling en ten aanzien van het zich voordoen van de onjuiste mededeling.
4.4.
[de eiser] betwist dat hij onjuiste mededelingen heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. [de gedaagde] heeft de gereedschapswagen vooraf bekeken, dus zij wist wat zij kocht. Daarnaast is een lichte speling niet ongebruikelijk bij gereedschap en maakt dit het niet onbruikbaar. Ook heeft [de eiser] aan [de gedaagde] meegedeeld dat onderdelen vervangen konden worden met een beroep op garantie. Ten aanzien van de trilplaat stelt [de eiser] dat deze conform de overeenkomst is geleverd. Aangezien [de eiser] gemotiveerd betwist dat sprake is van de gestelde onjuiste voorstelling van zaken, is het aan [de gedaagde] om haar stellingen nader te onderbouwen. Hier ontbreekt het aan. [de gedaagde] heeft enkel gesteld dat [de eiser] ‘positieve uitlatingen’ heeft gedaan en dat de geleverde zaken niet conform ‘die positieve uitlatingen’ zijn, maar zij heeft onbenoemd gelaten wat de concrete mededelingen van [de eiser] zijn geweest en op welke onderdelen de geleverde zaken afwijken van de positieve mededelingen. Ook de specifieke wensen die zij zou hebben uitgesproken ten aanzien van de trilplaat zijn niet nader onderbouwd. Daarnaast valt uit de brieven van
11 april 2024 (productie 2 bij dagvaarding) en van 22 mei 2024 (productie 4) niet te herleiden wat [de gedaagde] precies van [de eiser] verwachtte. Zij heeft [de eiser] aangemaand de verplichtingen uit de overeenkomst na te komen, maar ook daarbij is onbenoemd gelaten wat er dan precies van [de eiser] werd verwacht. Omdat [de gedaagde] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, kan niet vastgesteld worden dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op grond van een onjuiste voorstelling van zaken (dwaling). Dit betekent dat [de gedaagde] zich niet met succes op dwaling kan beroepen en de buitengerechtelijke vernietiging (zoals ingeroepen bij de brief van 22 mei 2024, productie 4) blijft daarom zonder rechtsgevolg. De koopovereenkomst tussen partijen is dan ook in tact gebleven.
4.5.
[de gedaagde] stelt voorts nog dat de geleverde zaken niet compleet zijn en verwijst ter onderbouwing daarvan naar productie 1 bij dupliek. Buiten dat deze stelling tardief is en uit de correspondentie tussen partijen niet blijkt dat [de gedaagde] eerder heeft geklaagd over het ontbreken van onderdelen, kan op grond van enkel de foto’s, en de betwisting van [de eiser] in dit kader, niet vastgesteld worden of [de eiser] heeft nagelaten alle afgesproken zaken te leveren. Omdat [de gedaagde] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, moet het er voor worden gehouden dat [de eiser] alle afgesproken zaken aan [de gedaagde] heeft geleverd.
4.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een koopsom van € 4.356,00 zijn overeengekomen. [de eiser] heeft de zaken aan [de gedaagde] geleverd, als gevolg waarvan [de gedaagde] gehouden is de koopsom te betalen. De hoofdsom wordt daarom toegewezen.
4.7.
[de eiser] vordert in het petitum van de dagvaarding de wettelijke rente. De kantonrechter constateert uit de stellingen van [de eiser] hij de wettelijke handelsrente heeft bedoeld te vorderen. De wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) is uitsluitend van toepassing op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, dat wil zeggen de geldelijke tegenprestatie voor de op grond van de handelsovereenkomst geleverde goederen of diensten. Tussen partijen is sprake van een handelsovereenkomst en vast staat dat [de gedaagde] de hoofdsom niet heeft betaald. De wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen zoals gevorderd.
4.8.
De gevorderde wettelijke (handels)rente over de reeds verschenen rente wordt afgewezen omdat daar geen grondslag voor is gesteld of gebleken.
4.9.
[de eiser] vordert € 560,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. Vast staat dat [de gedaagde] de vordering van [de eiser] niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft betaald, als gevolg waarvan zij op grond van artikel 6:96 lid 4 BW buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Daar komt bij dat [de eiser] kosten heeft moeten maken om zijn betaling te ontvangen. Ook is het van belang dat [de eiser] dan wel zijn gemachtigde [de gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de hoofdsom te betalen. Het gevorderde bedrag is conform het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en wordt gelet op het voorgaande daarom toegewezen.
4.10.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar omdat deze kosten niet de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst betreffen, zoals geoordeeld onder r.o. 4.7. Wel wordt de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) toegewezen over de buitengerechtelijke incassokosten. Die rente wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet gesteld of gebleken is dat [de eiser] deze schade (kosten) per een eerdere datum heeft geleden.
4.11.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,49
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
900,00
(2,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.427,49
4.12.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [de eiser] dit vordert en [de gedaagde] hier geen (kenbaar) verweer tegen heeft gevoerd.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] , dus de v.o.f. en haar vennoten, om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 4.903,40 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over € 4.356,00 met ingang van 13 juni 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] , dus de v.o.f. en haar vennoten, om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 560,60 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 13 juni 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.427,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
6 maart 2026.
40140 \ 560
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11774458 \ CV EXPL 25-1990
Vonnis van 6 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser] h.o.d.n. [eisend bedrijf]
zaakdoende te [vestigingsplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [de eiser]
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
tegen
1. de vennootschap onder firma v.o.f. [naam gedaagd vennootschap] h.o.d.n. [naam gedaagd bedrijf]
gevestigd te [vestigingsplaats]
en haar vennoten:2. [naam gedaagde vennoot 1]
wonende te [woonplaats]3. [naam gedaagde vennoot 2]
wonende te [woonplaats]4. [naam gedaagde vennoot 3]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partijen
hierna samen te noemen: [de gedaagde]
gemachtigde: mr. M.T. Somohardjo.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek met productie 1;- de akte uitlaten productie van [de eiser] .
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de eiser] drijft een onderneming die zich onder meer richt op de groothandel van gereedschappen en ijzerwaren. [de gedaagde] drijft een hoveniersbedrijf.
2.2.
Op 5 april 2024 komt tussen partijen een koopovereenkomst tot stand op grond waarvan [de eiser] aan [de gedaagde] een gereedschapswagen (met gereedschap) en een trilplaat heeft geleverd tegen betaling van een koopsom van € 4.356,00 inclusief btw. Partijen hebben een rekening ondertekend met rekeningnummer 2024-0018, waarop de geleverde zaken vermeld staan.
2.3.
Bij brief van 11 april 2024 heeft [de gedaagde] klachten geuit over de geleverde zaken en [de eiser] aangemaand binnen 14 dagen de koopovereenkomst correct na te komen of met een passende oplossing te komen. In de brief staat, voor zover thans van belang:
(..)
Ik heb de volgende klachten:
Op het gereedschap zit al speling, dit is niet wat we wensen en verwachten van deugdelijk gereedschap.
De trilplaat is niet wat we verwachten, we hebben liever twee trilplaten van Wacker.
Zaterdag 6 april jl. heeft u de trilplaat geleverd en hebben we aangegeven dat we niet tevreden zijn over de gereedschapswagen. We hebben aangegeven dat het niet deugdelijke spullen zijn, maar u gaf aan dat na van loop van tijd eventueel wat gereedschap vervangen kan worden omdat we garantie hebben.
Donderdag 11 april jl. hebben we nogmaals telefonisch aangegeven dat we niet tevreden zijn. U gaf aan dat we de gereedschappen een tijdje moesten gebruiken (..). Mocht het gereedschap nog niet goed zijn, dan hebben we garantie en kunnen bepaalde tangen vervangen worden.
Vervolgens hebben we tijdens het telefoongesprek u gevraagd om de gereedschapswagen en de trilplaat terug te nemen en een offerte aan te bieden voor twee trilplaten van Wacker, maar hier wilde u niet op in gaan.
(..)
Wij zullen onze betaling opschorten. (..)
2.4.
[de eiser] heeft zich vervolgens tot het incassokantoor Credifin gewend. Laatstgenoemde heeft bij e-mail van 22 mei 2024 [de gedaagde] gesommeerd binnen 5 dagen een bedrag van € 4.977,76 te betalen.
2.5.
Diezelfde dag heeft de gemachtigde van [de gedaagde] (DAS) een e-mail aan [de eiser] gestuurd, met daarin onder meer:
(..)
Cliënte stelt dat u onjuiste informatie heeft gegeven over het gereedschap en de trilplaat. Met u zijn de wensen van cliënte duidelijk besproken. U heeft echter zaken geleverd die niet de eigenschappen bezitten die daadwerkelijk zijn besproken. Vanwege de onjuiste informatie van uw kant vernietig ik hierbij de overeenkomst op grond van dwaling (zie artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek). Cliënte zal u het bedrag van € 3.600,00 exclusief niet betalen en u kunt het gereedschap en de trilplaat komen ophalen.
(..)
2.6.
Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft Credifin het verweer van [de gedaagde] van de hand gewezen en [de gedaagde] gesommeerd de vordering van [de eiser] binnen een week te betalen. Daarbij is in de mail vermeld (letterlijk):
(..)
Uw client heeft de goederen ten tijde van de aankoop gezien en voor akkoord bevonden.
U geeft aan dat uw client van mening is dat de producten non conform zijn, enige onderbouwing ontbreekt. Client betwist niet werkende producten te hebben geleverd dan wel zaken geleverd te hebben die niet de eigenschappen bezitten die zijn besproken. Daarnaast heeft client gewezen op de garantie welke uw client in kan roepen in geval van een toekomstig defect.
Kortom: Client ziet geen reden de goederen terug te nemen dan wel de vorering te matigen.
2.7.
De gemachtigden hebben nog nader gecorrespondeerd en hun standpunten gehandhaafd.
2.8.
[de eiser] heeft bij e-mail van 29 januari 2025 aangeboden als minnelijke schikking de hoofdsom te verlagen naar € 4.000, te vermeerderen met de eerder aangezegde rente en buitengerechtelijke kosten. [de gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3Het geschil
3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om [de gedaagde] te veroordelen aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 5.464,00 (bestaande uit € 4.356,00 aan hoofdsom,
€ 560,60 aan buitengerechtelijke kosten en € 547,40 aan wettelijke rente tot 13 juni 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2025, met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de eiser] heeft op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst zaken aan [de gedaagde] geleverd. Ondanks aanmaning heeft [de gedaagde] de koopsom niet betaald. Zij is daarom de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Beoordeeld dient te worden of [de gedaagde] de koopsom aan [de eiser] dient te betalen, hetgeen [de eiser] stelt en [de gedaagde] betwist.
4.2.
[de gedaagde] heeft een beroep op dwaling gedaan. Op grond van artikel 6:228 BW is voor een geslaagd beroep op dwaling vereist dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken op grond waarvan de overeenkomst is aangegaan en dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Verder is vereist dat zich één van de drie in artikel 6:228 lid 1 BW genoemde gevallen voordoet, kort weergegeven:
a. a) de wederpartij heeft een onjuiste inlichting gegeven,
b) de wederpartij heeft een mededelingsplicht geschonden,
c) er is sprake van wederzijdse dwaling.
[de gedaagde] is van mening dat [de eiser] onjuiste mededelingen heeft gedaan over het geleverde gereedschap, zodat het in deze zaak gaat om sub a.
4.3.
[de gedaagde] draagt de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast ten aanzien van de onjuiste voorstelling van zaken (de dwaling als zodanig), het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en die onjuiste voorstelling en ten aanzien van het zich voordoen van de onjuiste mededeling.
4.4.
[de eiser] betwist dat hij onjuiste mededelingen heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. [de gedaagde] heeft de gereedschapswagen vooraf bekeken, dus zij wist wat zij kocht. Daarnaast is een lichte speling niet ongebruikelijk bij gereedschap en maakt dit het niet onbruikbaar. Ook heeft [de eiser] aan [de gedaagde] meegedeeld dat onderdelen vervangen konden worden met een beroep op garantie. Ten aanzien van de trilplaat stelt [de eiser] dat deze conform de overeenkomst is geleverd. Aangezien [de eiser] gemotiveerd betwist dat sprake is van de gestelde onjuiste voorstelling van zaken, is het aan [de gedaagde] om haar stellingen nader te onderbouwen. Hier ontbreekt het aan. [de gedaagde] heeft enkel gesteld dat [de eiser] ‘positieve uitlatingen’ heeft gedaan en dat de geleverde zaken niet conform ‘die positieve uitlatingen’ zijn, maar zij heeft onbenoemd gelaten wat de concrete mededelingen van [de eiser] zijn geweest en op welke onderdelen de geleverde zaken afwijken van de positieve mededelingen. Ook de specifieke wensen die zij zou hebben uitgesproken ten aanzien van de trilplaat zijn niet nader onderbouwd. Daarnaast valt uit de brieven van
11 april 2024 (productie 2 bij dagvaarding) en van 22 mei 2024 (productie 4) niet te herleiden wat [de gedaagde] precies van [de eiser] verwachtte. Zij heeft [de eiser] aangemaand de verplichtingen uit de overeenkomst na te komen, maar ook daarbij is onbenoemd gelaten wat er dan precies van [de eiser] werd verwacht. Omdat [de gedaagde] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, kan niet vastgesteld worden dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op grond van een onjuiste voorstelling van zaken (dwaling). Dit betekent dat [de gedaagde] zich niet met succes op dwaling kan beroepen en de buitengerechtelijke vernietiging (zoals ingeroepen bij de brief van 22 mei 2024, productie 4) blijft daarom zonder rechtsgevolg. De koopovereenkomst tussen partijen is dan ook in tact gebleven.
4.5.
[de gedaagde] stelt voorts nog dat de geleverde zaken niet compleet zijn en verwijst ter onderbouwing daarvan naar productie 1 bij dupliek. Buiten dat deze stelling tardief is en uit de correspondentie tussen partijen niet blijkt dat [de gedaagde] eerder heeft geklaagd over het ontbreken van onderdelen, kan op grond van enkel de foto’s, en de betwisting van [de eiser] in dit kader, niet vastgesteld worden of [de eiser] heeft nagelaten alle afgesproken zaken te leveren. Omdat [de gedaagde] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, moet het er voor worden gehouden dat [de eiser] alle afgesproken zaken aan [de gedaagde] heeft geleverd.
4.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een koopsom van € 4.356,00 zijn overeengekomen. [de eiser] heeft de zaken aan [de gedaagde] geleverd, als gevolg waarvan [de gedaagde] gehouden is de koopsom te betalen. De hoofdsom wordt daarom toegewezen.
4.7.
[de eiser] vordert in het petitum van de dagvaarding de wettelijke rente. De kantonrechter constateert uit de stellingen van [de eiser] hij de wettelijke handelsrente heeft bedoeld te vorderen. De wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) is uitsluitend van toepassing op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, dat wil zeggen de geldelijke tegenprestatie voor de op grond van de handelsovereenkomst geleverde goederen of diensten. Tussen partijen is sprake van een handelsovereenkomst en vast staat dat [de gedaagde] de hoofdsom niet heeft betaald. De wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen zoals gevorderd.
4.8.
De gevorderde wettelijke (handels)rente over de reeds verschenen rente wordt afgewezen omdat daar geen grondslag voor is gesteld of gebleken.
4.9.
[de eiser] vordert € 560,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. Vast staat dat [de gedaagde] de vordering van [de eiser] niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft betaald, als gevolg waarvan zij op grond van artikel 6:96 lid 4 BW buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Daar komt bij dat [de eiser] kosten heeft moeten maken om zijn betaling te ontvangen. Ook is het van belang dat [de eiser] dan wel zijn gemachtigde [de gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de hoofdsom te betalen. Het gevorderde bedrag is conform het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en wordt gelet op het voorgaande daarom toegewezen.
4.10.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar omdat deze kosten niet de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst betreffen, zoals geoordeeld onder r.o. 4.7. Wel wordt de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) toegewezen over de buitengerechtelijke incassokosten. Die rente wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet gesteld of gebleken is dat [de eiser] deze schade (kosten) per een eerdere datum heeft geleden.
4.11.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,49
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
900,00
(2,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.427,49
4.12.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [de eiser] dit vordert en [de gedaagde] hier geen (kenbaar) verweer tegen heeft gevoerd.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] , dus de v.o.f. en haar vennoten, om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 4.903,40 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over € 4.356,00 met ingang van 13 juni 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] , dus de v.o.f. en haar vennoten, om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 560,60 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 13 juni 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.427,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
6 maart 2026.
40140 \ 560