Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:2638
2026-03-13
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11773536 \ CV EXPL 25-1970 tussenvonnis 2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Inzageverzoek bankafschriften o.g.v. artikel 194 Rv. Kantonrechter wijst dit verzoek vooralsnog alleen t.a.v. een van de twee gedaagden toe.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.197 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11773536 \ CV EXPL 25-1970
Vonnis van 13 maart 2026
in de zaak van
1BOGERD EXPLOITATIE B.V.,
2. AGORA THEATER EXPLOITATIE B.V.,
3. [naam eisend bedrijf in conventie / gedaagde in voorwaardelijke reconventie],
allen gevestigd te Druten,
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in voorwaardelijke reconventie,
tegen
1 [naam gedaagde in conventie 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink,2. [naam gedaagde in conventie 2 / eiser in voorwaardelijke reconventie],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. P.J.A. Plattel.
Partijen zullen hierna enerzijds Bogerd, Agora en [eiser 3] , tezamen Bogerd c.s., worden genoemd en anderzijds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 januari 2026- de akte van [gedaagde 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
In het tussenvonnis van 23 januari 2026 is [gedaagde 2] in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een antwoordakte op de op 5 december 2025 namens Bogerd c.s. ingediende akte aanvulling grondslag, wijziging van eis en vermeerdering van eis. [gedaagde 2] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
2.2.
In zijn antwoordakte heeft [gedaagde 2] verweer gevoerd tegen het verstrekken van zijn bankafschriften als gevorderd door Bogerd c.s. Volgens [gedaagde 2] bestaan er gewichtige redenen aan zijn kant die zich verzetten tegen de inzage. Het inzageverzoek ziet op verstrekking van persoonlijke en financiële gegevens en toewijzing daarvan zou een schending opleveren van de privacy van [gedaagde 2] . Hij betoogt dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van waarheidsvinding in rechte. De vermeende verrijking van [gedaagde 2] zal immers al blijken uit het inzien van de afschriften van de bankrekeningen van [gedaagde 1] en de minderjarige zoon, waar [gedaagde 2] niet over beschikt en welke [gedaagde 1] heeft toegezegd te zullen verstrekken. Het verstrekken van zijn bankgegevens is dan niet noodzakelijk, aldus [gedaagde 2] .
2.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het inzageverzoek van Bogerd c.s. is gebaseerd op artikel 194 Rv. Op basis van dat wetsartikel moet de partij die om inzage verzoekt voldoen aan het vereiste van voldoende belang. Voldoende belang kan ontbreken als de gegevens waarvan inzage wordt verzocht ook bij de wederpartij kunnen worden opgevraagd. Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken indien verzocht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten (lid 2 sub b). Onder gewichtige redenen vallen in ieder geval persoonlijke, medische en financiële gegevens en vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Van gewichtige redenen kan ook sprake zijn als de bescherming van persoonsgegevens van derden niet kan worden gewaarborgd, bijvoorbeeld doordat deze niet voor het geschil ter zake doende gegevens niet of niet eenvoudig kunnen worden weggelakt of zwartgemaakt. Het hangt van de concrete omstandigheden af in hoeverre een gewichtige reden van degene die over informatie beschikt, zwaarder moet wegen dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en partijen over alle relevante informatie beschikken die van belang is voor de oplossing van hun geschil.
2.4.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 2] aldus, dat hij het belang van Bogerd c.s. bij inzage van zijn bankrekeningen ter discussie stelt. In dit stadium van de procedure ziet de kantonrechter, mede gelet op dit verweer, aanleiding om in eerste instantie alleen over te gaan tot toewijzing van het inzageverzoek ten aanzien van [gedaagde 1] . Zoals overwogen in het tussenvonnis kunnen de stukken waarvan inzage wordt gevorderd voor Bogerd c.s. van belang zijn voor de onderbouwing van hun vorderingen, omdat op basis daarvan meer duidelijkheid kan worden verschaft over de geldstromen en de besteding van de onttrokken bedragen. Mogelijk wordt dat belang echter al (deels) gediend door inzage in de bankafschriften van [gedaagde 1] en de minderjarige zoon. Op basis van die stukken zal duidelijk kunnen worden of Bogerd c.s. (alsnog) voldoende belang heeft bij verstrekking van de bankafschriften van [gedaagde 2] en zo ja, om welke gegevens het dan nog gaat. Het is aan Bogerd c.s. om haar belang bij inzage van nadere stukken van [gedaagde 2] te duiden.
2.5.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter nu alleen [gedaagde 1] veroordelen tot het verstrekken van inzage in haar bankafschriften en die van de minderjarige zoon als gevorderd door Bogerd c.s. Omdat [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen indiening van die stukken ziet de kantonrechter geen reden een dwangsom te verbinden aan deze veroordeling.
Bogerd c.s. zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij akte te laten weten en nader te onderbouwen of zij na het inzien van die stukken hun inzageverzoek ten aanzien van [gedaagde 2] handhaven en zo ja, op welke wijze (onverkort of gewijzigd). Hierbij dienen Bogerd c.s. de volgens hen relevante bankafschriften te overleggen. Zo nodig zal [gedaagde 2] daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren voordat de kantonrechter een verdere beslissing over het inzageverzoek ten aanzien van [gedaagde 2] neemt.
2.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in (voorwaardelijke) reconventie
2.7.
In afwachting van het verdere verloop van de procedure in conventie wordt iedere verdere beslissing op de (voorwaardelijke) eis in reconventie aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis inzage in en afschrift van de bankafschriften aan Bogerd c.s. te verstrekken van:
alle bankrekeningen die op haar naam staan en waar zij rekeninghouder van is, waaronder maar niet beperkt tot de rekening met nummer [bankrekeningnummer 1] , beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met 1 juli 2025;
alle bankrekeningen waarvan zij mede rekeninghouder is (en/of rekening), beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met 1 juli 2025;
de bankrekening die op naam staat van de minderjarige zoon van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zijnde [zoon gedaagden] , met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met 12 december 2024,
met dien verstande dat de bankafschriften op geen enkele wijze (gedeeltelijk) mogen worden afgedekt en evenmin (gedeeltelijk) mogen worden zwartgemaakt;
3.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor het nemen van een akte uitlating door Bogerd c.s., zoals hiervoor overwogen in 2.5;
3.3.
verklaart de veroordeling onder 3.1. uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
41245 \ 560
Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 51/52.
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11773536 \ CV EXPL 25-1970
Vonnis van 13 maart 2026
in de zaak van
1BOGERD EXPLOITATIE B.V.,
2. AGORA THEATER EXPLOITATIE B.V.,
3. [naam eisend bedrijf in conventie / gedaagde in voorwaardelijke reconventie],
allen gevestigd te Druten,
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in voorwaardelijke reconventie,
tegen
1 [naam gedaagde in conventie 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink,2. [naam gedaagde in conventie 2 / eiser in voorwaardelijke reconventie],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. P.J.A. Plattel.
Partijen zullen hierna enerzijds Bogerd, Agora en [eiser 3] , tezamen Bogerd c.s., worden genoemd en anderzijds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 januari 2026- de akte van [gedaagde 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
In het tussenvonnis van 23 januari 2026 is [gedaagde 2] in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een antwoordakte op de op 5 december 2025 namens Bogerd c.s. ingediende akte aanvulling grondslag, wijziging van eis en vermeerdering van eis. [gedaagde 2] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
2.2.
In zijn antwoordakte heeft [gedaagde 2] verweer gevoerd tegen het verstrekken van zijn bankafschriften als gevorderd door Bogerd c.s. Volgens [gedaagde 2] bestaan er gewichtige redenen aan zijn kant die zich verzetten tegen de inzage. Het inzageverzoek ziet op verstrekking van persoonlijke en financiële gegevens en toewijzing daarvan zou een schending opleveren van de privacy van [gedaagde 2] . Hij betoogt dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van waarheidsvinding in rechte. De vermeende verrijking van [gedaagde 2] zal immers al blijken uit het inzien van de afschriften van de bankrekeningen van [gedaagde 1] en de minderjarige zoon, waar [gedaagde 2] niet over beschikt en welke [gedaagde 1] heeft toegezegd te zullen verstrekken. Het verstrekken van zijn bankgegevens is dan niet noodzakelijk, aldus [gedaagde 2] .
2.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het inzageverzoek van Bogerd c.s. is gebaseerd op artikel 194 Rv. Op basis van dat wetsartikel moet de partij die om inzage verzoekt voldoen aan het vereiste van voldoende belang. Voldoende belang kan ontbreken als de gegevens waarvan inzage wordt verzocht ook bij de wederpartij kunnen worden opgevraagd. Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken indien verzocht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten (lid 2 sub b). Onder gewichtige redenen vallen in ieder geval persoonlijke, medische en financiële gegevens en vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Van gewichtige redenen kan ook sprake zijn als de bescherming van persoonsgegevens van derden niet kan worden gewaarborgd, bijvoorbeeld doordat deze niet voor het geschil ter zake doende gegevens niet of niet eenvoudig kunnen worden weggelakt of zwartgemaakt. Het hangt van de concrete omstandigheden af in hoeverre een gewichtige reden van degene die over informatie beschikt, zwaarder moet wegen dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en partijen over alle relevante informatie beschikken die van belang is voor de oplossing van hun geschil.
2.4.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 2] aldus, dat hij het belang van Bogerd c.s. bij inzage van zijn bankrekeningen ter discussie stelt. In dit stadium van de procedure ziet de kantonrechter, mede gelet op dit verweer, aanleiding om in eerste instantie alleen over te gaan tot toewijzing van het inzageverzoek ten aanzien van [gedaagde 1] . Zoals overwogen in het tussenvonnis kunnen de stukken waarvan inzage wordt gevorderd voor Bogerd c.s. van belang zijn voor de onderbouwing van hun vorderingen, omdat op basis daarvan meer duidelijkheid kan worden verschaft over de geldstromen en de besteding van de onttrokken bedragen. Mogelijk wordt dat belang echter al (deels) gediend door inzage in de bankafschriften van [gedaagde 1] en de minderjarige zoon. Op basis van die stukken zal duidelijk kunnen worden of Bogerd c.s. (alsnog) voldoende belang heeft bij verstrekking van de bankafschriften van [gedaagde 2] en zo ja, om welke gegevens het dan nog gaat. Het is aan Bogerd c.s. om haar belang bij inzage van nadere stukken van [gedaagde 2] te duiden.
2.5.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter nu alleen [gedaagde 1] veroordelen tot het verstrekken van inzage in haar bankafschriften en die van de minderjarige zoon als gevorderd door Bogerd c.s. Omdat [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen indiening van die stukken ziet de kantonrechter geen reden een dwangsom te verbinden aan deze veroordeling.
Bogerd c.s. zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij akte te laten weten en nader te onderbouwen of zij na het inzien van die stukken hun inzageverzoek ten aanzien van [gedaagde 2] handhaven en zo ja, op welke wijze (onverkort of gewijzigd). Hierbij dienen Bogerd c.s. de volgens hen relevante bankafschriften te overleggen. Zo nodig zal [gedaagde 2] daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren voordat de kantonrechter een verdere beslissing over het inzageverzoek ten aanzien van [gedaagde 2] neemt.
2.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in (voorwaardelijke) reconventie
2.7.
In afwachting van het verdere verloop van de procedure in conventie wordt iedere verdere beslissing op de (voorwaardelijke) eis in reconventie aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis inzage in en afschrift van de bankafschriften aan Bogerd c.s. te verstrekken van:
alle bankrekeningen die op haar naam staan en waar zij rekeninghouder van is, waaronder maar niet beperkt tot de rekening met nummer [bankrekeningnummer 1] , beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met 1 juli 2025;
alle bankrekeningen waarvan zij mede rekeninghouder is (en/of rekening), beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met 1 juli 2025;
de bankrekening die op naam staat van de minderjarige zoon van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zijnde [zoon gedaagden] , met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met 12 december 2024,
met dien verstande dat de bankafschriften op geen enkele wijze (gedeeltelijk) mogen worden afgedekt en evenmin (gedeeltelijk) mogen worden zwartgemaakt;
3.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor het nemen van een akte uitlating door Bogerd c.s., zoals hiervoor overwogen in 2.5;
3.3.
verklaart de veroordeling onder 3.1. uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
41245 \ 560
Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 51/52.