Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:2412
2026-02-25
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11678607 CV EXPL 25-1218
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Leaseovereenkomst, elektronische handtekening.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6520 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.493 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11678607 \ CV EXPL 25-1218
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eiser in conventie/verweerder in reconventie] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
gemachtigde: mr. J. Rietman (VD&P juristen),
tegen
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , H.O.D.N. [gedaagd bedrijf],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie] ,
gemachtigde: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025,- de akte van [eiser in conventie] met productie,- de akte van [gedaagde in conventie] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
Zoals al is overwogen in het tussenvonnis gaat het in deze zaak om de afwikkeling van de lease van een auto. Volgens [eiser in conventie] heeft [gedaagde in conventie] een auto geleaset en heeft hij hier nooit voor betaald. [eiser in conventie] heeft de overeenkomst ontbonden en vordert nu ontbindingsschade op grond van de overeenkomst.
2.2.
[gedaagde in conventie] voert aan dat hij de overeenkomst niet (elektronisch) heeft ondertekend en ook nooit een auto van [eiser in conventie] heeft gebruikt. Volgens [gedaagde in conventie] is er misbruik gemaakt van zijn identiteit. Er bestaat volgens hem geen overeenkomst tussen hem en [eiser in conventie] .
[eiser in conventie] heeft verwezen naar de schriftelijke overeenkomst van 12 oktober 2022 die volgens haar door [gedaagde in conventie] digitaal is ondertekend. [gedaagde in conventie] ontkent dat hij de overeenkomst digitaal heeft ondertekend. In het tussenvonnis is bepaald dat [eiser in conventie] moet bewijzen dat de elektronische ondertekening van [gedaagde in conventie] afkomstig is.
2.3.
De vorderingen van [eiser in conventie] zullen worden afgewezen, omdat niet vast komt te staan dat [gedaagde in conventie] de leaseovereenkomst heeft ondertekend en daardoor ook niet dat er tussen hen een overeenkomst bestaat.
3De beoordeling
in conventie
De bewijsopdracht
3.1.
In het tussenvonnis is [eiser in conventie] toegelaten te bewijzen dat de elektronische handtekening van de leaseovereenkomst afkomstig is van [gedaagde in conventie] . [eiser in conventie] heeft daarna een akte genomen en een productie overgelegd. [gedaagde in conventie] heeft hierop gereageerd en betoogt dat [eiser in conventie] niet is geslaagd in het leveren van het bewijs.
De elektronische handtekening op de leaseovereenkomst
3.2.
De kantonrechter stelt voorop dat de betrouwbaarheid van een elektronische handtekening moet worden beoordeeld op grond van artikel 3:15a Burgerlijk Wetboek (BW). Een geavanceerde handtekening zoals bedoeld in dat artikel en zoals hier aan de orde, heeft alleen dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening als daarvoor een methode voor ondertekening is gebruikt die voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en gelet op alle overige omstandigheden van het geval. Het ligt op de weg van [eiser in conventie] om feiten en omstandigheden aan te voeren die de conclusie kunnen dragen dat de methode in dit specifieke geval voldoende betrouwbaar was. Gelet op de beschermingsgedachte achter artikel 3:15a BW moet [eiser in conventie] daarom voldoende inzicht verschaffen in het proces van totstandkoming van de overeenkomst met [gedaagde in conventie] door middel van de elektronische handtekening.
3.3.
[eiser in conventie] heeft in haar akte het proces beschreven rondom de totstandkoming van leaseovereenkomsten. Zij stelt in haar akte dat [gedaagde in conventie] van ‘Twikey’ per e-mail een uitnodiging heeft ontvangen om de iDIN-verificatie uit te voeren. Hierbij zou het e-mailadres zijn gebruikt dat [gedaagde in conventie] heeft opgegeven bij de intermediair ( [email-adres] ). Vervolgens heeft [gedaagde in conventie] volgens [eiser in conventie] op hetzelfde e-mailadres een e-mail van ‘Contract-to-sign’ met de leaseovereenkomst ontvangen en heeft hij op ‘ondertekenen’ geklikt. Daarna heeft [gedaagde in conventie] een nieuwe e-mail ontvangen met een verificatiecode, die moest worden ingevuld bij de contractondertekening, aldus [eiser in conventie] . [gedaagde in conventie] betwist dat hij de leaseovereenkomst (elektronisch) heeft ondertekend. Hij betwist dat [eiser in conventie] zijn identiteit heeft geverifieerd via iDIN en dat hij de e-mails heeft ontvangen.
3.4.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [eiser in conventie] niet is geslaagd te bewijzen dat de elektronische handtekening op de leaseovereenkomst afkomstig is van [gedaagde in conventie] . [eiser in conventie] heeft in haar akte namelijk slechts de algemene gang van zaken geschetst rondom het sluiten van leaseovereenkomsten en daarbij onder meer het algemene iDIN-verificatieproces uiteengezet. Op de door [eiser in conventie] ingebrachte screenshots zijn de namen ‘ [standaardnaam 1] ’ en ‘ [standaardnaam 2] ’ zichtbaar en daaruit blijkt niet dat de identiteit van [gedaagde in conventie] is geverifieerd. In het verlengde daarvan blijkt uit de beschrijving van [eiser in conventie] niet dat de elektronische handtekening op de leaseovereenkomst daadwerkelijk afkomstig is van [gedaagde in conventie] .
3.5.
Hoewel [eiser in conventie] ook stelt dat de e-mails van Twikey en Contract-to-Sign beide zijn verzonden aan hetzelfde e-mailadres ( [email-adres] ), heeft zij deze e-mails niet overgelegd. Daarbij merkt de kantonrechter op dat [gedaagde in conventie] er terecht op wijst dat er op de door [eiser in conventie] overgelegde productie (een screenshot van een online omgeving waarop de namen en e-mailadressen van de contractspartijen zijn weergegeven) het vakje ‘verificatie’ niet is aangevinkt. Dat betekent dat [eiser in conventie] met deze productie niet heeft aangetoond dat er in het geval van [gedaagde in conventie] daadwerkelijk persoonsverificatie, via iDIN of op een andere manier, heeft plaatsgevonden. Het feit dat [eiser in conventie] beschikt over een kopie van het rijbewijs en de (zakelijke) bankpas van [gedaagde in conventie] doet daar niet aan af. [gedaagde in conventie] heeft in dit verband namelijk aangevoerd dat hij op 19 oktober 2022 bij de RDW aangifte van vermissing van zijn rijbewijs heeft gedaan en op 15 november 2022 bij de politie aangifte van identiteitsfraude heeft gedaan.
3.6.
[eiser in conventie] heeft ook geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht die haar stelling kunnen ondersteunen dat de gebruikte methode van digitaal ondertekenen betrouwbaar is, bijvoorbeeld dat bij aflevering van de auto de identiteit van [gedaagde in conventie] is gecontroleerd. [eiser in conventie] heeft wel aangevoerd dat de betreffende autodealer ‘normaal gesproken’ een identiteitscontrole uitvoert, maar [eiser in conventie] heeft geen stukken overgelegd of ander bewijs ingebracht waaruit blijkt dat dat in het geval van [gedaagde in conventie] ook daadwerkelijk is gebeurd. Aldus kan er kan niet worden vastgesteld dat de handtekening op de leaseovereenkomst in deze zaak voldoende betrouwbaar is.
3.7.
Kortom, de kantonrechter acht niet bewezen dat [eiser in conventie] de leaseovereenkomst met [gedaagde in conventie] heeft gesloten. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser in conventie] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
3.8.
[eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conventie] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.442,50
(2,5 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.586,50.
in reconventie
BKR-registratie
3.9.
In reconventie vordert [gedaagde in conventie] om [eiser in conventie] te veroordelen de BKR-registratie ongedaan te (laten) maken. Hoewel [eiser in conventie] in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren, heeft zij dit niet gedaan. Dat betekent dat deze vordering als onbetwist zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
3.10.
[eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op de samenhang met de vordering in conventie, worden de proceskosten van [gedaagde in conventie] begroot op:
- salaris gemachtigde
€
87,00
(2 punten × factor 0,5 x € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
130,50.
4De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser in conventie] af,
4.2.
veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten van € 1.586,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
4.3.
veroordeelt [eiser in conventie] tot het (laten) verwijderen van de BKR-registratie op naam van [gedaagde in conventie] ten aanzien van de auto,
4.4.
veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten van € 130,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
SG
Zie ook: Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6520.
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11678607 \ CV EXPL 25-1218
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eiser in conventie/verweerder in reconventie] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
gemachtigde: mr. J. Rietman (VD&P juristen),
tegen
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , H.O.D.N. [gedaagd bedrijf],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie] ,
gemachtigde: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025,- de akte van [eiser in conventie] met productie,- de akte van [gedaagde in conventie] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
Zoals al is overwogen in het tussenvonnis gaat het in deze zaak om de afwikkeling van de lease van een auto. Volgens [eiser in conventie] heeft [gedaagde in conventie] een auto geleaset en heeft hij hier nooit voor betaald. [eiser in conventie] heeft de overeenkomst ontbonden en vordert nu ontbindingsschade op grond van de overeenkomst.
2.2.
[gedaagde in conventie] voert aan dat hij de overeenkomst niet (elektronisch) heeft ondertekend en ook nooit een auto van [eiser in conventie] heeft gebruikt. Volgens [gedaagde in conventie] is er misbruik gemaakt van zijn identiteit. Er bestaat volgens hem geen overeenkomst tussen hem en [eiser in conventie] .
[eiser in conventie] heeft verwezen naar de schriftelijke overeenkomst van 12 oktober 2022 die volgens haar door [gedaagde in conventie] digitaal is ondertekend. [gedaagde in conventie] ontkent dat hij de overeenkomst digitaal heeft ondertekend. In het tussenvonnis is bepaald dat [eiser in conventie] moet bewijzen dat de elektronische ondertekening van [gedaagde in conventie] afkomstig is.
2.3.
De vorderingen van [eiser in conventie] zullen worden afgewezen, omdat niet vast komt te staan dat [gedaagde in conventie] de leaseovereenkomst heeft ondertekend en daardoor ook niet dat er tussen hen een overeenkomst bestaat.
3De beoordeling
in conventie
De bewijsopdracht
3.1.
In het tussenvonnis is [eiser in conventie] toegelaten te bewijzen dat de elektronische handtekening van de leaseovereenkomst afkomstig is van [gedaagde in conventie] . [eiser in conventie] heeft daarna een akte genomen en een productie overgelegd. [gedaagde in conventie] heeft hierop gereageerd en betoogt dat [eiser in conventie] niet is geslaagd in het leveren van het bewijs.
De elektronische handtekening op de leaseovereenkomst
3.2.
De kantonrechter stelt voorop dat de betrouwbaarheid van een elektronische handtekening moet worden beoordeeld op grond van artikel 3:15a Burgerlijk Wetboek (BW). Een geavanceerde handtekening zoals bedoeld in dat artikel en zoals hier aan de orde, heeft alleen dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening als daarvoor een methode voor ondertekening is gebruikt die voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en gelet op alle overige omstandigheden van het geval. Het ligt op de weg van [eiser in conventie] om feiten en omstandigheden aan te voeren die de conclusie kunnen dragen dat de methode in dit specifieke geval voldoende betrouwbaar was. Gelet op de beschermingsgedachte achter artikel 3:15a BW moet [eiser in conventie] daarom voldoende inzicht verschaffen in het proces van totstandkoming van de overeenkomst met [gedaagde in conventie] door middel van de elektronische handtekening.
3.3.
[eiser in conventie] heeft in haar akte het proces beschreven rondom de totstandkoming van leaseovereenkomsten. Zij stelt in haar akte dat [gedaagde in conventie] van ‘Twikey’ per e-mail een uitnodiging heeft ontvangen om de iDIN-verificatie uit te voeren. Hierbij zou het e-mailadres zijn gebruikt dat [gedaagde in conventie] heeft opgegeven bij de intermediair ( [email-adres] ). Vervolgens heeft [gedaagde in conventie] volgens [eiser in conventie] op hetzelfde e-mailadres een e-mail van ‘Contract-to-sign’ met de leaseovereenkomst ontvangen en heeft hij op ‘ondertekenen’ geklikt. Daarna heeft [gedaagde in conventie] een nieuwe e-mail ontvangen met een verificatiecode, die moest worden ingevuld bij de contractondertekening, aldus [eiser in conventie] . [gedaagde in conventie] betwist dat hij de leaseovereenkomst (elektronisch) heeft ondertekend. Hij betwist dat [eiser in conventie] zijn identiteit heeft geverifieerd via iDIN en dat hij de e-mails heeft ontvangen.
3.4.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [eiser in conventie] niet is geslaagd te bewijzen dat de elektronische handtekening op de leaseovereenkomst afkomstig is van [gedaagde in conventie] . [eiser in conventie] heeft in haar akte namelijk slechts de algemene gang van zaken geschetst rondom het sluiten van leaseovereenkomsten en daarbij onder meer het algemene iDIN-verificatieproces uiteengezet. Op de door [eiser in conventie] ingebrachte screenshots zijn de namen ‘ [standaardnaam 1] ’ en ‘ [standaardnaam 2] ’ zichtbaar en daaruit blijkt niet dat de identiteit van [gedaagde in conventie] is geverifieerd. In het verlengde daarvan blijkt uit de beschrijving van [eiser in conventie] niet dat de elektronische handtekening op de leaseovereenkomst daadwerkelijk afkomstig is van [gedaagde in conventie] .
3.5.
Hoewel [eiser in conventie] ook stelt dat de e-mails van Twikey en Contract-to-Sign beide zijn verzonden aan hetzelfde e-mailadres ( [email-adres] ), heeft zij deze e-mails niet overgelegd. Daarbij merkt de kantonrechter op dat [gedaagde in conventie] er terecht op wijst dat er op de door [eiser in conventie] overgelegde productie (een screenshot van een online omgeving waarop de namen en e-mailadressen van de contractspartijen zijn weergegeven) het vakje ‘verificatie’ niet is aangevinkt. Dat betekent dat [eiser in conventie] met deze productie niet heeft aangetoond dat er in het geval van [gedaagde in conventie] daadwerkelijk persoonsverificatie, via iDIN of op een andere manier, heeft plaatsgevonden. Het feit dat [eiser in conventie] beschikt over een kopie van het rijbewijs en de (zakelijke) bankpas van [gedaagde in conventie] doet daar niet aan af. [gedaagde in conventie] heeft in dit verband namelijk aangevoerd dat hij op 19 oktober 2022 bij de RDW aangifte van vermissing van zijn rijbewijs heeft gedaan en op 15 november 2022 bij de politie aangifte van identiteitsfraude heeft gedaan.
3.6.
[eiser in conventie] heeft ook geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht die haar stelling kunnen ondersteunen dat de gebruikte methode van digitaal ondertekenen betrouwbaar is, bijvoorbeeld dat bij aflevering van de auto de identiteit van [gedaagde in conventie] is gecontroleerd. [eiser in conventie] heeft wel aangevoerd dat de betreffende autodealer ‘normaal gesproken’ een identiteitscontrole uitvoert, maar [eiser in conventie] heeft geen stukken overgelegd of ander bewijs ingebracht waaruit blijkt dat dat in het geval van [gedaagde in conventie] ook daadwerkelijk is gebeurd. Aldus kan er kan niet worden vastgesteld dat de handtekening op de leaseovereenkomst in deze zaak voldoende betrouwbaar is.
3.7.
Kortom, de kantonrechter acht niet bewezen dat [eiser in conventie] de leaseovereenkomst met [gedaagde in conventie] heeft gesloten. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser in conventie] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
3.8.
[eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in conventie] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.442,50
(2,5 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.586,50.
in reconventie
BKR-registratie
3.9.
In reconventie vordert [gedaagde in conventie] om [eiser in conventie] te veroordelen de BKR-registratie ongedaan te (laten) maken. Hoewel [eiser in conventie] in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren, heeft zij dit niet gedaan. Dat betekent dat deze vordering als onbetwist zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
3.10.
[eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op de samenhang met de vordering in conventie, worden de proceskosten van [gedaagde in conventie] begroot op:
- salaris gemachtigde
€
87,00
(2 punten × factor 0,5 x € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
130,50.
4De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser in conventie] af,
4.2.
veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten van € 1.586,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
4.3.
veroordeelt [eiser in conventie] tot het (laten) verwijderen van de BKR-registratie op naam van [gedaagde in conventie] ten aanzien van de auto,
4.4.
veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten van € 130,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
SG
Zie ook: Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6520.