Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:1671
2026-03-04
Civiel recht; Verbintenissenrecht
458409
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incident onbevoegdheid. Aanvaring op de Rijn in Duitsland. Bevoegde rechter. Herziene Rijnvaartakte heeft voorrang boven EEX-Verordening op grond van art. 71 EEX-Verordening. Rijnvaartrechtbank Gelderland / locatie Arnhem niet bevoegd kennis te nemen van geschil op grond van art. 34 en 35 Herziene Rijnvaartakte.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2013:858
- ECLI:NL:HR:2011:BO9673 Hoge Raad 11-02-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.501 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458409 / HA ZA 25-439
Vonnis in incidenten van 4 maart 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MOTORPASSAGIERSSCHIP DE ZONNEBLOEM B.V.,
2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
NATIONALE VERENIGING DE ZONNEBLOEM,
allebei gevestigd te Breda,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het bevoegdheidsincident,
verwerende partijen in het voorwaardelijk ingestelde vrijwaringsincident
hierna gezamenlijk te noemen: De Zonnebloem,
advocaat: mr. J.J. van de Velde te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AVICIA SHIPPING B.V.,
gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het bevoegdheidsincident,
eisende partij in het voorwaardelijk ingestelde vrijwaringsincident,
hierna te noemen: Avicia,
advocaat: mr. H.W. ten Katen te Rotterdam.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 1 april 2025, uitgebracht tegen 29 oktober 2025,
de akte houdende overlegging producties bij dagvaarding van 29 oktober 2025,
de akte aanvulling grondslag, tevens akte vermindering van eis van 29 oktober 2025,
de incidentele conclusie strekkende tot (1) de onbevoegdheid van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem op grond van art. 11 Rv en (2) voorwaardelijke incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring op grond van art. 210 Rv van 10 december 2025,
de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens antwoordakte in het vrijwaringsincident van 4 februari 2026,
de akte houdende overlegging producties van de zijde van Avicia van 4 februari 2026.
Vervolgens is vonnis bepaald in de incidenten.
2. Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
Motorpassagierschip De Zonnebloem B.V. is eigenaar van het motorpassagierschip De Zonnebloem. Avicia is eigenaar van het binnenvaartschip Servia. Op 29 maart 2025 zijn deze schepen tegen elkaar aan gevaren op de Rijn bij Voerde (Noordrijn-Westfalen, Duitsland). Daardoor is schade ontstaan. De Zonnebloem vordert in deze procedure onder meer dat de rechtbank Avicia veroordeelt haar schade te vergoeden.
3Het bevoegdheidsincident
3.1.
Avicia werpt een bevoegdheidsincident op. Zij vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen kennis te nemen. Zij licht die vordering als volgt toe. De aanvaring heeft plaatsgevonden in Duitsland ter hoogte van kilometerraai 809. Daarom is volgens Avicia het Rijnvaartgerecht Duisburg-Ruhrort exclusief bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Dat leidt zij af uit art. 34 lid 2 onder c en art. 35 van de Herziene Rijnvaartakte. Nederland en Duitsland hebben de Herziene Rijnvaartakte allebei ondertekend.
3.2.
Avicia betoogt voorts het volgende. De internationale, materiële en territoriale rechterlijke bevoegdheid om te oordelen over ongevallen op de Rijn wordt in de Herziene Rijnvaartakte exclusief geregeld. Die regeling heeft volgens Avicia voorrang boven de EEX-Verordening. Dat leidt zij af uit art. 351 van het Werkingsverdrag, waarin staat dat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die zijn gesloten vóór 1 januari 1958 tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, niet worden aangetast door de bepalingen van de Verdragen (waarmee wordt gedoeld op het Werkingsverdrag en het EU-Verdrag). De Herziene Rijnvaartakte is een dergelijke overeenkomst.
3.3.
Avicia beroept zich voorts op art. 71 van de EEX-Verordening. Het eerste lid daarvan bepaalt dat deze verordening onverlet laat verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen. Avicia citeert hetgeen in art. 71 is opgenomen in lid 2 onder a en het slot.
Volgens Avicia vormen de bevoegdheidsregels van de Herziene Rijnvaartakte een lex specialis ten opzichte van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening en hebben de regels uit de Herziene Rijnvaartakte daarom voorrang op die uit de EEX-Verordening.
3.4.
Avicia stelt verder dat zij een procedure is gestart bij het Rheinschifffahrtsgericht Duisburg-Ruhrort nadat De Zonnebloem de onderhavige procedure was begonnen. De Zonnebloem heeft in die zaak het standpunt ingenomen dat die rechter niet bevoegd is. In hoger beroep heeft het Rheinschifffahrtsobergericht Keulen in een uitspraak van 6 november 2025 overwogen dat het zijn uitspraak niet zal aanhouden omdat het Amtsgericht Duisburg-Ruhrort bij uitsluiting bevoegd is. Het Rheinschifffahrtsobergericht baseert zijn oordeel over de bevoegheid van het Amtsgericht op de Herziene Rijnvaartakte, die voorrang heeft op de EEX-Verordening (art. 71 EEX-Verordening).
3.5.
De Zonnebloem neemt in de dagvaarding het standpunt in dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, als Rijnvaartrechtbank bevoegd is om van de vordering kennis te nemen gelet op de plaats van de aanvaring. Wat die plaats is, staat niet in de dagvaarding. In de akte aanvulling grondslag staat dat wel, namelijk Duitsland.
3.6.
In het incident neemt De Zonnebloem dan ook een ander standpunt in. Volgens haar heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat Avicia in Nederland is gevestigd. Zij beroept zich op art. 4 lid 1 van de EEX-Verordening, waarin het uitgangspunt is opgenomen dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. De Zonnebloem erkent dat in de Herziene Rijnvaartakte staat dat de bevoegdheid tot kennisneming van burgerlijke zaken in geschillen over aanvaringen op de Rijn berust bij de Rijnvaartrechtbank van de plaats waar de schade is veroorzaakt (art. 34 en 35 Herziene Rijnvaartakte). Zij wijst evenwel op een arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013. Uit dat arrest leidt zij af dat art. 71 EEX-Verordening zo moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een verdrag over een bijzonder onderwerp dat door de EEX-Verordening onverlet wordt gelaten (in dit geval dus de Herziene Rijnvaartakte), wordt uitgelegd op een manier die de eerbiediging van de doelstellingen en beginselen die aan deze verordening ten grondslag liggen, niet waarborgt onder ten minste even gunstige voorwaarden als die waarin deze verordening voorziet. De Zonnebloem beroept zich in dit verband op punt 15 van de considerans van de EEX-Verordening, waar staat:
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. (...)
Volgens De Zonnebloem zou de eerbiediging van de doelstellingen en beginselen die aan deze verordening ten grondslag liggen, niet worden gewaarborgd als de Herziene Rijnvaartakte zo wordt uitgelegd dat uitsluitend bevoegd zou zijn de Rijnvaartrechtbank van de plaats waar de schade is veroorzaakt. De Zonnebloem wijst er voorts op dat in de Herziene Rijnvaartakte niet staat dat de daar aangewezen rechter exclusief bevoegd is. Daaruit leidt zij af dat de Herziene Rijnvaartakte niet de mogelijkheid uitsluit dat de (Rijnvaart)rechtbank van de woonplaats van gedaagde bevoegd is. Daarom is volgens haar de EEX-Verordening van toepassing. Zij concludeert dat de Nederlandse rechter, te lezen als de Nederlandse Rijnvaartrechtbank, krachtens art. 4 lid 1 EEX-Verordening rechtsmacht heeft, al staat in art. 34 en 35 Herziene Rijnvaartakte niet dat de (Rijnvaart)rechtbank van de woonplaats van gedaagde bevoegd is.
3.7.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het voorwerp van het onderhavige geschil is aansprakelijkheid voor schade als gevolg van een aanvaring op de Rijn buiten het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. Op grond van de art. 34 en 35 van de Herziene Rijnvaartakte is een andere dan deze rechtbank bevoegd daarover te oordelen, omdat de schade niet in het gebied van deze rechtbank is veroorzaakt. Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 35 e.v. van de Herziene Rijnvaartakte leidt de rechtbank af dat deze bevoegdheidsregels exclusief zijn. De Herziene Rijnvaartakte is daarmee een verdrag als bedoeld in art. 71 van de EEX-Verordening. Toepassing van deze bevoegdheidsregels uit de Herziene Rijnvaartakte op deze wijze doet geen afbreuk aan de doelstellingen en beginselen die ten grondslag liggen aan de EEX-Verordening. Aanvaringen op de Rijn als omschreven in art. 34, aanhef en onder II, onderdeel c, Herziene Rijnvaartakte kunnen namelijk op een lijn worden gesteld met de duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil wettigt dat de bevoegdheid van de rechter wordt gegrond op iets anders dan de woonplaats van de gedaagde, zoals genoemd in de considerans van de EEX-Verordening onder 15. Dat is zo omdat de Herziene Rijnvaartakte beoogt te voorzien in een zo eenvoudig en zo snel mogelijke procedure en omdat de rechter van de plaats waar de aanvaring heeft plaatsgevonden het best op de hoogte is van de situatie ter plaatse en daarom het best is toegerust om te oordelen over aansprakelijkheid voor schade als gevolg van die aanvaring. De conclusie is dat er geen grond is om de bevoegdheidsbepaling uit de Herziene Rijnvaartakte niet met voorrang boven de EEX-Verordening op deze wijze toe te passen.
3.8.
De rechtbank acht het voor het wijzen van haar vonnis niet noodzakelijk dat het Hof van Justitie een prejudiciële vraag op dit punt beantwoordt, zoals De Zonnebloem verzoekt. Zij zal daarom geen prejudiciële vraag stellen (art. 267 van het Werkingsverdrag).
3.9.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het geschil.
3.10. De Zonnebloem zal in het ongelijk worden gesteld in het bevoegdheidsincident. Daarom zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak en van het incident.
4. Het vrijwaringsincident
4.1. Voor het geval dat deze rechtbank zou oordelen dat zij bevoegd is om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen, vordert Avicia bij incident dat de rechtbank haar zal toestaan derde partijen in vrijwaring op te roepen.
4.2. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. De voorwaarde waaronder Avicia de incidentele vordering instelt, treedt daarom niet in. De rechtbank zal daarom niet over die incidentele vordering oordelen.
4.3. De voorwaarde waaronder Avicia het vrijwaringsincident heeft opgeworpen, treedt niet in omdat De Zonnebloem Avicia heeft betrokken in een procedure voor deze rechtbank, terwijl deze rechtbank niet bevoegd is. Daarom zal de rechtbank geen oordeel geven over het incident. Omdat geen van beide partijen kan worden beschouwd als in het ongelijk gesteld, moet een proceskostenveroordeling achterwege blijven.
5. De beslissing
in het bevoegdheidsincident
5.1. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering,
5.2. veroordeelt De Zonnebloem hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Avicia begroot op € 653,00 aan salaris voor de advocaat (een punt, tarief II),
5.3. verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4. veroordeelt De Zonnebloem hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Avicia begroot op nihil,
in het voorwaardelijke vrijwaringsincident
5.5. verstaat dat de voorwaarde waaronder Avicia het vrijwaringsincident heeft opgeworpen, niet is ingetreden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
Herziene Rijnvaartakte, Mannheim, 17 oktober 1868
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome, 25 maart 1957
Verdrag betreffende de Europese Unie, Maastricht, 7 februari 1992
Zie de incidentele conclusie onder 4 en onder 12. De volledige tekst van art. 71 luidt:
“1. Deze verordening laat onverlet verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.
2. Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:
a) deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bij zonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 28 van deze verordening toe;
b) beslissingen die een gerecht van een lidstaat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, worden in de andere lidstaten overeenkomstig de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd.
Indien een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen vinden die voorwaarden toepassing. In elk geval kunnen de bepalingen van deze verordening betreffende erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen worden toegepast.”
Dagvaarding 23
Dagvaarding 3, 5, 7
Akte aanvulling grondslag 5
HvJ EU 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:858)
Conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident 5 en 6
Art. 36 Herziene Rijnvaartakte, vgl. ECLI:RBROT:2020:5478 rov. 5.8
Vgl. Hof van Justitie EU 3 april 2014 (C-438/12) rov. 41
Vgl. ECLI:NL:HR:2011:BO9673 rov. 5.2
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458409 / HA ZA 25-439
Vonnis in incidenten van 4 maart 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MOTORPASSAGIERSSCHIP DE ZONNEBLOEM B.V.,
2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
NATIONALE VERENIGING DE ZONNEBLOEM,
allebei gevestigd te Breda,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het bevoegdheidsincident,
verwerende partijen in het voorwaardelijk ingestelde vrijwaringsincident
hierna gezamenlijk te noemen: De Zonnebloem,
advocaat: mr. J.J. van de Velde te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AVICIA SHIPPING B.V.,
gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het bevoegdheidsincident,
eisende partij in het voorwaardelijk ingestelde vrijwaringsincident,
hierna te noemen: Avicia,
advocaat: mr. H.W. ten Katen te Rotterdam.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 1 april 2025, uitgebracht tegen 29 oktober 2025,
de akte houdende overlegging producties bij dagvaarding van 29 oktober 2025,
de akte aanvulling grondslag, tevens akte vermindering van eis van 29 oktober 2025,
de incidentele conclusie strekkende tot (1) de onbevoegdheid van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem op grond van art. 11 Rv en (2) voorwaardelijke incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring op grond van art. 210 Rv van 10 december 2025,
de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens antwoordakte in het vrijwaringsincident van 4 februari 2026,
de akte houdende overlegging producties van de zijde van Avicia van 4 februari 2026.
Vervolgens is vonnis bepaald in de incidenten.
2. Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
Motorpassagierschip De Zonnebloem B.V. is eigenaar van het motorpassagierschip De Zonnebloem. Avicia is eigenaar van het binnenvaartschip Servia. Op 29 maart 2025 zijn deze schepen tegen elkaar aan gevaren op de Rijn bij Voerde (Noordrijn-Westfalen, Duitsland). Daardoor is schade ontstaan. De Zonnebloem vordert in deze procedure onder meer dat de rechtbank Avicia veroordeelt haar schade te vergoeden.
3Het bevoegdheidsincident
3.1.
Avicia werpt een bevoegdheidsincident op. Zij vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen kennis te nemen. Zij licht die vordering als volgt toe. De aanvaring heeft plaatsgevonden in Duitsland ter hoogte van kilometerraai 809. Daarom is volgens Avicia het Rijnvaartgerecht Duisburg-Ruhrort exclusief bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Dat leidt zij af uit art. 34 lid 2 onder c en art. 35 van de Herziene Rijnvaartakte. Nederland en Duitsland hebben de Herziene Rijnvaartakte allebei ondertekend.
3.2.
Avicia betoogt voorts het volgende. De internationale, materiële en territoriale rechterlijke bevoegdheid om te oordelen over ongevallen op de Rijn wordt in de Herziene Rijnvaartakte exclusief geregeld. Die regeling heeft volgens Avicia voorrang boven de EEX-Verordening. Dat leidt zij af uit art. 351 van het Werkingsverdrag, waarin staat dat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die zijn gesloten vóór 1 januari 1958 tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, niet worden aangetast door de bepalingen van de Verdragen (waarmee wordt gedoeld op het Werkingsverdrag en het EU-Verdrag). De Herziene Rijnvaartakte is een dergelijke overeenkomst.
3.3.
Avicia beroept zich voorts op art. 71 van de EEX-Verordening. Het eerste lid daarvan bepaalt dat deze verordening onverlet laat verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen. Avicia citeert hetgeen in art. 71 is opgenomen in lid 2 onder a en het slot.
Volgens Avicia vormen de bevoegdheidsregels van de Herziene Rijnvaartakte een lex specialis ten opzichte van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening en hebben de regels uit de Herziene Rijnvaartakte daarom voorrang op die uit de EEX-Verordening.
3.4.
Avicia stelt verder dat zij een procedure is gestart bij het Rheinschifffahrtsgericht Duisburg-Ruhrort nadat De Zonnebloem de onderhavige procedure was begonnen. De Zonnebloem heeft in die zaak het standpunt ingenomen dat die rechter niet bevoegd is. In hoger beroep heeft het Rheinschifffahrtsobergericht Keulen in een uitspraak van 6 november 2025 overwogen dat het zijn uitspraak niet zal aanhouden omdat het Amtsgericht Duisburg-Ruhrort bij uitsluiting bevoegd is. Het Rheinschifffahrtsobergericht baseert zijn oordeel over de bevoegheid van het Amtsgericht op de Herziene Rijnvaartakte, die voorrang heeft op de EEX-Verordening (art. 71 EEX-Verordening).
3.5.
De Zonnebloem neemt in de dagvaarding het standpunt in dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, als Rijnvaartrechtbank bevoegd is om van de vordering kennis te nemen gelet op de plaats van de aanvaring. Wat die plaats is, staat niet in de dagvaarding. In de akte aanvulling grondslag staat dat wel, namelijk Duitsland.
3.6.
In het incident neemt De Zonnebloem dan ook een ander standpunt in. Volgens haar heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat Avicia in Nederland is gevestigd. Zij beroept zich op art. 4 lid 1 van de EEX-Verordening, waarin het uitgangspunt is opgenomen dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. De Zonnebloem erkent dat in de Herziene Rijnvaartakte staat dat de bevoegdheid tot kennisneming van burgerlijke zaken in geschillen over aanvaringen op de Rijn berust bij de Rijnvaartrechtbank van de plaats waar de schade is veroorzaakt (art. 34 en 35 Herziene Rijnvaartakte). Zij wijst evenwel op een arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013. Uit dat arrest leidt zij af dat art. 71 EEX-Verordening zo moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een verdrag over een bijzonder onderwerp dat door de EEX-Verordening onverlet wordt gelaten (in dit geval dus de Herziene Rijnvaartakte), wordt uitgelegd op een manier die de eerbiediging van de doelstellingen en beginselen die aan deze verordening ten grondslag liggen, niet waarborgt onder ten minste even gunstige voorwaarden als die waarin deze verordening voorziet. De Zonnebloem beroept zich in dit verband op punt 15 van de considerans van de EEX-Verordening, waar staat:
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. (...)
Volgens De Zonnebloem zou de eerbiediging van de doelstellingen en beginselen die aan deze verordening ten grondslag liggen, niet worden gewaarborgd als de Herziene Rijnvaartakte zo wordt uitgelegd dat uitsluitend bevoegd zou zijn de Rijnvaartrechtbank van de plaats waar de schade is veroorzaakt. De Zonnebloem wijst er voorts op dat in de Herziene Rijnvaartakte niet staat dat de daar aangewezen rechter exclusief bevoegd is. Daaruit leidt zij af dat de Herziene Rijnvaartakte niet de mogelijkheid uitsluit dat de (Rijnvaart)rechtbank van de woonplaats van gedaagde bevoegd is. Daarom is volgens haar de EEX-Verordening van toepassing. Zij concludeert dat de Nederlandse rechter, te lezen als de Nederlandse Rijnvaartrechtbank, krachtens art. 4 lid 1 EEX-Verordening rechtsmacht heeft, al staat in art. 34 en 35 Herziene Rijnvaartakte niet dat de (Rijnvaart)rechtbank van de woonplaats van gedaagde bevoegd is.
3.7.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het voorwerp van het onderhavige geschil is aansprakelijkheid voor schade als gevolg van een aanvaring op de Rijn buiten het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. Op grond van de art. 34 en 35 van de Herziene Rijnvaartakte is een andere dan deze rechtbank bevoegd daarover te oordelen, omdat de schade niet in het gebied van deze rechtbank is veroorzaakt. Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 35 e.v. van de Herziene Rijnvaartakte leidt de rechtbank af dat deze bevoegdheidsregels exclusief zijn. De Herziene Rijnvaartakte is daarmee een verdrag als bedoeld in art. 71 van de EEX-Verordening. Toepassing van deze bevoegdheidsregels uit de Herziene Rijnvaartakte op deze wijze doet geen afbreuk aan de doelstellingen en beginselen die ten grondslag liggen aan de EEX-Verordening. Aanvaringen op de Rijn als omschreven in art. 34, aanhef en onder II, onderdeel c, Herziene Rijnvaartakte kunnen namelijk op een lijn worden gesteld met de duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil wettigt dat de bevoegdheid van de rechter wordt gegrond op iets anders dan de woonplaats van de gedaagde, zoals genoemd in de considerans van de EEX-Verordening onder 15. Dat is zo omdat de Herziene Rijnvaartakte beoogt te voorzien in een zo eenvoudig en zo snel mogelijke procedure en omdat de rechter van de plaats waar de aanvaring heeft plaatsgevonden het best op de hoogte is van de situatie ter plaatse en daarom het best is toegerust om te oordelen over aansprakelijkheid voor schade als gevolg van die aanvaring. De conclusie is dat er geen grond is om de bevoegdheidsbepaling uit de Herziene Rijnvaartakte niet met voorrang boven de EEX-Verordening op deze wijze toe te passen.
3.8.
De rechtbank acht het voor het wijzen van haar vonnis niet noodzakelijk dat het Hof van Justitie een prejudiciële vraag op dit punt beantwoordt, zoals De Zonnebloem verzoekt. Zij zal daarom geen prejudiciële vraag stellen (art. 267 van het Werkingsverdrag).
3.9.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het geschil.
3.10. De Zonnebloem zal in het ongelijk worden gesteld in het bevoegdheidsincident. Daarom zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak en van het incident.
4. Het vrijwaringsincident
4.1. Voor het geval dat deze rechtbank zou oordelen dat zij bevoegd is om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen, vordert Avicia bij incident dat de rechtbank haar zal toestaan derde partijen in vrijwaring op te roepen.
4.2. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. De voorwaarde waaronder Avicia de incidentele vordering instelt, treedt daarom niet in. De rechtbank zal daarom niet over die incidentele vordering oordelen.
4.3. De voorwaarde waaronder Avicia het vrijwaringsincident heeft opgeworpen, treedt niet in omdat De Zonnebloem Avicia heeft betrokken in een procedure voor deze rechtbank, terwijl deze rechtbank niet bevoegd is. Daarom zal de rechtbank geen oordeel geven over het incident. Omdat geen van beide partijen kan worden beschouwd als in het ongelijk gesteld, moet een proceskostenveroordeling achterwege blijven.
5. De beslissing
in het bevoegdheidsincident
5.1. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering,
5.2. veroordeelt De Zonnebloem hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Avicia begroot op € 653,00 aan salaris voor de advocaat (een punt, tarief II),
5.3. verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4. veroordeelt De Zonnebloem hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Avicia begroot op nihil,
in het voorwaardelijke vrijwaringsincident
5.5. verstaat dat de voorwaarde waaronder Avicia het vrijwaringsincident heeft opgeworpen, niet is ingetreden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
Herziene Rijnvaartakte, Mannheim, 17 oktober 1868
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome, 25 maart 1957
Verdrag betreffende de Europese Unie, Maastricht, 7 februari 1992
Zie de incidentele conclusie onder 4 en onder 12. De volledige tekst van art. 71 luidt:
“1. Deze verordening laat onverlet verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.
2. Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:
a) deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bij zonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 28 van deze verordening toe;
b) beslissingen die een gerecht van een lidstaat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, worden in de andere lidstaten overeenkomstig de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd.
Indien een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen vinden die voorwaarden toepassing. In elk geval kunnen de bepalingen van deze verordening betreffende erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen worden toegepast.”
Dagvaarding 23
Dagvaarding 3, 5, 7
Akte aanvulling grondslag 5
HvJ EU 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:858)
Conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident 5 en 6
Art. 36 Herziene Rijnvaartakte, vgl. ECLI:RBROT:2020:5478 rov. 5.8
Vgl. Hof van Justitie EU 3 april 2014 (C-438/12) rov. 41
Vgl. ECLI:NL:HR:2011:BO9673 rov. 5.2