Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:1552
2026-02-04
Civiel recht; Verbintenissenrecht
c/05/447334 en c/05/453600
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervoersrecht. CMR-verdrag. Vervoerder aansprakelijk voor schade als gevolg van ladingdiefstal en is gehouden om schade te vergoeden tot de CMR-limiet. Geen doorbreking van de CMR-limiet.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2632 Hoge Raad 17-04-1998
- ECLI:NL:PHR:2001:AA9308 Parket bij de Hoge Raad 05-01-2001
- ECLI:NL:PHR:2001:AA9309 Parket bij de Hoge Raad 05-01-2001
- ECLI:NL:PHR:2002:AE2120 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2002
- ECLI:NL:HR:2011:BQ6079 Hoge Raad 28-10-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.429 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer hoofdzaak: C/05/447334 / HZ ZA 25-34 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/05/453600/HZ ZA 25/170
Vonnis van 4 februari 2026
in de hoofdzaak van
COSMETIZE B.V.,
te Harderwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Cosmetize,
advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens en mr. M.C. Nass,
tegen
[naam gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak 1] B.V,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] ,
advocaat: mr. J. Mulder.
en
in de vrijwaringszaak van
[naam gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak 1] B.V,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] ,
advocaat: mr. J. Mulder,
tegen
[naam gedaagde in vrijwaringszaak] b.v.
te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde in vrijwaringszaak] ,
advocaat: mr. Van den Nouwland.
1De procedure in de hoofdzaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De procedure in de vrijwaringszaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2025
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Cosmetize is fabrikant van cosmetica.
3.2.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde in vrijwaringszaak] zijn transportbedrijven die zich bezig houden met het wegvervoer.
3.3.
Cosmetize maakt al geruime tijd veelvuldig gebruik van de transportdienstverlening van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] . Zij heeft daartoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten met [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) waarbij zij door middel van een persoonlijke toegang in het digitale portaal van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] opdrachten voor de transport van haar cosmetica producten plaatst.
3.4.
Cosmetize heeft [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] via voornoemd portaal opdracht gegeven om twee europallets met mascara en concealers over de weg te vervoeren van een locatie te Lelystad (Nederland) naar de koper van deze partij, RainPharma HQ te Herent (België). De partij moest op woensdag 11 september 2024 worden opgehaald en op vrijdag 13 september 2024 tussen 12:00 en 17:00 worden afgeleverd. De partij had een inkoopwaarde van € 64.652,10 en een winkelwaarde van € 575.209,50. Bij het plaatsen van deze opdracht heeft Cosmetize geen nadere instructies aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] gegeven met betrekking tot de uitvoering van het transport anders dan dat de lading op vrijdagmiddag na 12:00 uur moest worden afgeleverd. Op de vrachtbrief wordt geen vermelding gemaakt van de waarde van de lading.
3.5.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] heeft deze opdracht uitbesteed aan [gedaagde in vrijwaringszaak] . [gedaagde in vrijwaringszaak] heeft de partij op 11 september 2024 opgehaald in Lelystad en vervoerd naar haar eigen loods in [vestigingsplaats] . Daar heeft zij de pallets in een schuifzeiltrailer (tautliner) geladen samen met elf andere zendingen, zodat sprake was van zogenoemd ‘groupage transport’. De geladen trailer heeft in de nacht van 11 op 12 september 2024 overgestaan op het terrein van [gedaagde in vrijwaringszaak] .
3.6.
Het vervoer vanaf het terrein van [gedaagde in vrijwaringszaak] naar Herent heeft [gedaagde in vrijwaringszaak] verder uitbesteed aan [de chauffeur] te [vestigingsplaats] . Op 12 september 2024 heeft de chauffeur van [de chauffeur] (hierna: de chauffeur) de geladen trailer meegenomen waarna hij delen van zijn lading heeft gelost op diverse adressen in Nederland en België.
3.7.
Tussen 12 september 2024 17:47 uur en 13 september 2024 7:43 uur heeft de vrachtwagencombinatie geparkeerd gestaan op een onbewaakte parkeerplaats aan de Boulevard Millénium in La Louvière te België. De chauffeur had de cabine afgesloten en de trailer vergrendeld, maar niet afgesloten met een slot. Aan het begin van de avond heeft de chauffeur een nabijgelegen restaurant bezocht. Om 20:30 uur heeft de chauffeur in het restaurant afgerekend en daarna heeft hij in de cabine van de vrachtwagen overnacht.
3.8.
Op 13 september 2024 om 7:43 uur heeft de chauffeur voornoemde parkeerplaats verlaten en tijdens het eerste losadres van die dag heeft hij ontdekt dat de twee europallets van Cosmetize waren leeggehaald. Daarop heeft de chauffeur contact opgenomen met de planner van [gedaagde in vrijwaringszaak] en zijn werkgever, [de chauffeur] , om melding te doen van diefstal.
3.9.
Per brief van 18 september 2024 heeft Cosmetize [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 65.000,00 wegens schending van de op de vervoerder rustende zorgplicht om -kort gezegd- de lading tijdens het transport veilig te houden (hierna: de aansprakelijkstelling). Op dezelfde dag heeft [de chauffeur] aangifte gedaan van diefstal bij de Nederlandse politie.
3.10.
Per brief van 1 oktober 2024 heeft Cosmetize [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] nogmaals gesommeerd om over te gaan tot betaling van de door haar gestelde schade.
3.11.
Per bericht van 2 oktober 2024 heeft de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] , TVM verzekeringen N.V. (hierna: TVM), op de aansprakelijkstelling gereageerd. In deze brief heeft TVM zich op het standpunt gesteld dat de aansprakelijkheid van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] op grond van artikel 23 lid 3 van het CMR beperkt is tot 8,33 SDR per kilogram gewicht van de verloren lading, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 508,13. Verdere aansprakelijkheid heeft TVM van de hand gewezen.
3.12.
[gedaagde in vrijwaringszaak] heeft middels een creditfactuur van 20 augustus 2025 een bedrag van € 510,42 aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] voldaan, zijnde de door haar berekende som van de CMR-limiet inclusief rente. Dit bedrag is vervolgens middels een creditfactuur van 10 september 2025 doorbetaald door [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] aan Cosmetize.
4Het geschil
in de hoofdzaak
4.1.
Cosmetize vordert - samengevat en na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht verklaart dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] is tekortgeschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, althans dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] de op haar als vervoerder rustende verplichtingen heeft geschonden,
II. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] veroordeelt tot betaling aan Cosmetize, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ten titel van schadevergoeding, van een bedrag van € 64.652,10, althans tot betaling van zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, althans van een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
III. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.775,00,
IV. de toegewezen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom op grond van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), te rekenen telkens vanaf de datum van de eerste aansprakelijkstelling, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie bepaalt, tot aan de dag van volledige betaling,
V. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] veroordeelt tot betaling van de proceskosten (waaronder de nakosten) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] de proceskosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis aan Cosmetize heeft voldaan.
4.2.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cosmetize, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cosmetize, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cosmetize in de proceskosten en de wettelijke rente over de proceskosten indien Cosmetize deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving voldoet.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
4.4.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] vordert - samengevat - dat [gedaagde in vrijwaringszaak] wordt veroordeeld om aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] te betalen datgene waartoe [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in vrijwaringszaak] in de proceskosten van de vrijwaring, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten indien [gedaagde in vrijwaringszaak] deze betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis verricht. Verder vordert [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] een verklaring voor recht dat [gedaagde in vrijwaringszaak] aansprakelijk is voor alle schade en kosten vanwege de schade vanwege de vermissing van de zending cosmetica.
4.5.
[gedaagde in vrijwaringszaak] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] in de proceskosten.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in de hoofdzaak
Toepasselijk recht en bevoegdheid rechtbank
5.1.
Omdat sprake is van grensoverschrijdend vervoer over de weg van Nederland naar België is het CMR dwingendrechtelijk van toepassing op de vervoersovereenkomst tussen Cosmetize en [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] (artikel 1 CMR). Dit betekent dat het aansprakelijkheidsregime zoals dit is neergelegd in het CMR de rechtsverhouding tussen partijen beheerst en het toetsingskader vormt voor de beoordeling van de vorderingen van Cosmetize.
5.2.
Op grond van artikel 31 lid 1 sub a CMR jo 99 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen, omdat de vestigingsplaats van gedaagde binnen het arrondissement van deze rechtbank is gelegen en gesteld noch gebleken is dat partijen een afwijkende forumkeuze hebben gemaakt.
Aansprakelijkheid [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak]
5.3.
Cosmetize stelt dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] aansprakelijk is voor het verlies van de lading tijdens het uitgevoerde transport.
5.4.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] erkent dat de lading cosmetica tijdens het transport verloren is gegaan als gevolg van diefstal, maar betwist aansprakelijk te zijn voor de ontstane schade. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] wijst daarbij op de keuze van Cosmetize om de lading voor een goedkoop tarief te laten meegaan met groupagezending in plaats van exclusief vervoer. Verder had Cosmetize volgens [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] melding moeten maken van de hoge waarde van de lading en nadere instructies moeten verstrekken ten behoeve van het vervoer, zoals bijvoorbeeld bewaakt parkeren bij overnachting en het gebruik van een kastenwagen in plaats van een huifoplegger. Dit had volgens [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] wel op de weg gelegen van Cosmetize, gelet op de hoge (markt)waarde van de lading en vanwege het feit dat deze van woensdag tot vrijdag op transport zou zijn. Verder betwist zij dat Cosmetize schade in eigen vermogen heeft geleden.
5.5.
Het CMR kent een abstract vorderingsrecht toe aan de afzender, zodat Cosmetize geen schade in eigen vermogen hoeft te hebben geleden om [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] als vervoerder aan te kunnen spreken. Uit artikel 17 lid 1 CMR volgt dat de vervoerder in beginsel aansprakelijk is voor -onder meer- verlies van de lading, welke is ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als sprake is van vervoerdersovermacht op grond van artikel 17 lid 2 CMR dan wel één van de in lid 4 genoemde excepties. Voorts bepaalt artikel 17 lid 5 CMR dat indien de vervoerder niet aansprakelijk is voor sommige van de factoren, die de schade hebben veroorzaakt, hij slechts aansprakelijk is in evenredigheid tot de mate, waarin de factoren waarvoor hij ingevolge artikel 17 CMR aansprakelijk is, tot de schade hebben bijgedragen.
5.6.
In artikel 17 lid 2 CMR staat dat de vervoerder bevrijd is van aansprakelijkheid als de schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. In dat geval komt de vervoerder een beroep op overmacht toe. De Hoge Raad heeft in het arrest Oegema/AMEV (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2632) een nadere invulling gegeven van het begrip vervoerdersovermacht, namelijk dat de vervoerder zich in geval van verlies van de lading tijdens het vervoer slechts met succes op de ontheffing van aansprakelijkheid van artikel 17 lid 2 CMR kan beroepen als hij aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen.
5.7.
Gesteld noch gebleken is dat aan voornoemd criterium wordt voldaan, terwijl ook geen beroep is gedaan op de in artikel 17 lid 4 genoemde excepties. Nu gesteld noch gebleken is dat het verlies van de lading is veroorzaakt door een andere factor, dan de diefstal, is ook artikel 17 lid 5 in deze zaak niet van toepassing.
5.8.
Gelet op het voorgaande, is [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] op grond van artikel 17 lid 1 CMR aansprakelijk jegens Cosmetize voor het verlies van de verloren lading cosmetica.
Geen doorbreking van de kilolimitering ex art. 23 lid 3 CMR
5.9.
Cosmetize stelt zich daarnaast op het standpunt dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] haar volledige schade moet vergoeden. Volgens haar is artikel 23 lid 3 CMR, waaruit volgt dat de aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade of diefstal aan de lading in beginsel beperkt is tot 8,33 SDR per kilogram van het gewicht van de verloren lading, niet van toepassing. Zij beroept zich daarbij op artikel 29 CMR waarin is bepaald dat de vervoerder geen beroep kan doen op -onder meer- voornoemde aansprakelijkheidsbeperking als de schade voortspruit uit opzet of daaraan gelijk te stellen schuld van de vervoerder of van (hulp)personen waarvoor deze aansprakelijk is.
5.10.
Cosmetize heeft gesteld dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] bewust roekeloos heeft gehandeld. Zij wijst daarbij op het feit dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] het vervoer heeft uitbesteed aan een derde waarbij [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] heeft verzuimd om nadere veiligheidsinstructies te geven aan de ingeschakelde ondervervoerder. Dit had volgens Cosmetize wel op de weg gelegen van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] , omdat uit de door Cosmetize gegeven omschrijving van de te vervoeren partij zou hebben gebleken dat het ging om cosmetica. Voor [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] zou duidelijk moeten zijn geweest dat de lading naar zijn aard en omvang diefstalgevoelig was, aldus Cosmetize. Verder wijst Cosmetize op de keuze voor het gebruik van een schuifzeiltrailer, zijnde een half open trailer, terwijl het vervoer van cosmetica in een dergelijke trailer en het parkeren op een onbewaakt parkeerterrein in strijd is met de richtlijn “Diefstalpreventie in het wegvervoer”. Deze richtlijn is ontwikkeld vanuit het Verbond van Verzekeraars in de transportverzekeringsbranche en daarin is het vervoer van cosmetica opgenomen in de hoogste risicocategorie voor diefstal. Daar komt volgens Cosmetize nog bij dat vaststaat dat de chauffeur de vrachtwagencombinatie in ieder geval voor meer dan 2,5 uur in de avond heeft achtergelaten op de onbewaakte parkeerplaats en gedurende de nacht aldaar heeft laten overstaan zonder dat hij de trailer met een slot heeft afgesloten.
5.11.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] betwist dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.
5.12.
De Hoge Raad heeft in de zogenaamde 5 januari arresten bepaald dat sprake is van bewuste roekeloosheid wanneer de vervoerder het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar hij zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden.
5.13.
Uit deze maatstaf blijkt dat in de eerste plaats als drempelvoorwaarde geldt dat moet komen vast te staan dat aan het overstaan van de vrachtwagencombinatie op het betreffende parkeerterrein in de gegeven omstandigheden gevaar voor diefstal was verbonden en dat de objectief vast te stellen kans dat de lading zou worden gestolen aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren.
5.14.
Cosmetize stelt dat aan voornoemd criterium wordt voldaan en dat de kans op diefstal objectief kan worden vastgesteld op groter dan 50%, maar heeft dit niet met objectief verifieerbare cijfers onderbouwd. Cosmetize heeft ter zitting verklaard dat zij voor het vervoer van haar cosmeticaproducten al zes of zeven jaar gebruik maakt van de transportdiensten van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] heeft onweersproken gesteld dat dit transport meerdere partijen per week omvat. Dat zou met zich brengen dat er pas sprake zou zijn van een objectief vast te stellen kans als in ieder geval zes van de tien keer dat het transport op die manier wordt uitgevoerd, sprake is van diefstal. Nu [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] onweersproken heeft gesteld dat er nooit eerder een lading is gestolen, is reeds op die grond geen sprake van doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking. Overigens is ook helemaal niet onderbouwd gesteld dat de chauffeur zich, wetende dat de kans op diefstal groot is, niet van zijn gedrag heeft laten weerhouden.
5.15.
Omdat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] de vergoeding ex artikel 23 lid 3 CMR reeds aan Cosmetize heeft voldaan, heeft Cosmetize geen vordering meer op [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] uit hoofde van diens aansprakelijkheid als vervoerder voor de gestolen lading. Dit betekent dat Cosmetize geen belang meer heeft bij de door haar onder 4.1 onder I gevorderde verklaring voor recht en dat ook haar overige vorderingen zullen worden afgewezen.
Proceskosten
5.16.
Cosmetize is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.764,00
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de vrijwaringszaak
5.18.
Nu de vorderingen in de hoofdzaak zijn afgewezen, moeten de vorderingen in de vrijwaringszaak worden afgewezen zonder dat deze nog bespreking behoeven.
5.19.
Omdat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] zelfstandig het risico draagt van de proceskosten van de in vrijwaring opgeroepen partij, zal zij de proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] moeten betalen. De proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
6De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
6.1.
wijst het gevorderde af,
6.2.
veroordeelt Cosmetize in de proceskosten van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Cosmetize niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt Cosmetize tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] ,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak
6.5.
wijst het gevorderde af,
6.6.
veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] in de proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.6 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
GW/KH
Convention relative au Contrat de Transport International de Marchandises par Route (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg).
Vgl. HR 5 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9308 en HR 5 januari 2001, ECLI: ECLI:NL:PHR:2001:AA9309.
Zie: de conclusie van AG Strikwerda bij HR 11 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2120.
Zie: HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6079 (Zegveld/ZLTO).
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer hoofdzaak: C/05/447334 / HZ ZA 25-34 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/05/453600/HZ ZA 25/170
Vonnis van 4 februari 2026
in de hoofdzaak van
COSMETIZE B.V.,
te Harderwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Cosmetize,
advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens en mr. M.C. Nass,
tegen
[naam gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak 1] B.V,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] ,
advocaat: mr. J. Mulder.
en
in de vrijwaringszaak van
[naam gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak 1] B.V,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] ,
advocaat: mr. J. Mulder,
tegen
[naam gedaagde in vrijwaringszaak] b.v.
te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde in vrijwaringszaak] ,
advocaat: mr. Van den Nouwland.
1De procedure in de hoofdzaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De procedure in de vrijwaringszaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2025
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Cosmetize is fabrikant van cosmetica.
3.2.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde in vrijwaringszaak] zijn transportbedrijven die zich bezig houden met het wegvervoer.
3.3.
Cosmetize maakt al geruime tijd veelvuldig gebruik van de transportdienstverlening van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] . Zij heeft daartoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten met [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) waarbij zij door middel van een persoonlijke toegang in het digitale portaal van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] opdrachten voor de transport van haar cosmetica producten plaatst.
3.4.
Cosmetize heeft [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] via voornoemd portaal opdracht gegeven om twee europallets met mascara en concealers over de weg te vervoeren van een locatie te Lelystad (Nederland) naar de koper van deze partij, RainPharma HQ te Herent (België). De partij moest op woensdag 11 september 2024 worden opgehaald en op vrijdag 13 september 2024 tussen 12:00 en 17:00 worden afgeleverd. De partij had een inkoopwaarde van € 64.652,10 en een winkelwaarde van € 575.209,50. Bij het plaatsen van deze opdracht heeft Cosmetize geen nadere instructies aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] gegeven met betrekking tot de uitvoering van het transport anders dan dat de lading op vrijdagmiddag na 12:00 uur moest worden afgeleverd. Op de vrachtbrief wordt geen vermelding gemaakt van de waarde van de lading.
3.5.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] heeft deze opdracht uitbesteed aan [gedaagde in vrijwaringszaak] . [gedaagde in vrijwaringszaak] heeft de partij op 11 september 2024 opgehaald in Lelystad en vervoerd naar haar eigen loods in [vestigingsplaats] . Daar heeft zij de pallets in een schuifzeiltrailer (tautliner) geladen samen met elf andere zendingen, zodat sprake was van zogenoemd ‘groupage transport’. De geladen trailer heeft in de nacht van 11 op 12 september 2024 overgestaan op het terrein van [gedaagde in vrijwaringszaak] .
3.6.
Het vervoer vanaf het terrein van [gedaagde in vrijwaringszaak] naar Herent heeft [gedaagde in vrijwaringszaak] verder uitbesteed aan [de chauffeur] te [vestigingsplaats] . Op 12 september 2024 heeft de chauffeur van [de chauffeur] (hierna: de chauffeur) de geladen trailer meegenomen waarna hij delen van zijn lading heeft gelost op diverse adressen in Nederland en België.
3.7.
Tussen 12 september 2024 17:47 uur en 13 september 2024 7:43 uur heeft de vrachtwagencombinatie geparkeerd gestaan op een onbewaakte parkeerplaats aan de Boulevard Millénium in La Louvière te België. De chauffeur had de cabine afgesloten en de trailer vergrendeld, maar niet afgesloten met een slot. Aan het begin van de avond heeft de chauffeur een nabijgelegen restaurant bezocht. Om 20:30 uur heeft de chauffeur in het restaurant afgerekend en daarna heeft hij in de cabine van de vrachtwagen overnacht.
3.8.
Op 13 september 2024 om 7:43 uur heeft de chauffeur voornoemde parkeerplaats verlaten en tijdens het eerste losadres van die dag heeft hij ontdekt dat de twee europallets van Cosmetize waren leeggehaald. Daarop heeft de chauffeur contact opgenomen met de planner van [gedaagde in vrijwaringszaak] en zijn werkgever, [de chauffeur] , om melding te doen van diefstal.
3.9.
Per brief van 18 september 2024 heeft Cosmetize [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 65.000,00 wegens schending van de op de vervoerder rustende zorgplicht om -kort gezegd- de lading tijdens het transport veilig te houden (hierna: de aansprakelijkstelling). Op dezelfde dag heeft [de chauffeur] aangifte gedaan van diefstal bij de Nederlandse politie.
3.10.
Per brief van 1 oktober 2024 heeft Cosmetize [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] nogmaals gesommeerd om over te gaan tot betaling van de door haar gestelde schade.
3.11.
Per bericht van 2 oktober 2024 heeft de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] , TVM verzekeringen N.V. (hierna: TVM), op de aansprakelijkstelling gereageerd. In deze brief heeft TVM zich op het standpunt gesteld dat de aansprakelijkheid van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] op grond van artikel 23 lid 3 van het CMR beperkt is tot 8,33 SDR per kilogram gewicht van de verloren lading, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 508,13. Verdere aansprakelijkheid heeft TVM van de hand gewezen.
3.12.
[gedaagde in vrijwaringszaak] heeft middels een creditfactuur van 20 augustus 2025 een bedrag van € 510,42 aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] voldaan, zijnde de door haar berekende som van de CMR-limiet inclusief rente. Dit bedrag is vervolgens middels een creditfactuur van 10 september 2025 doorbetaald door [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] aan Cosmetize.
4Het geschil
in de hoofdzaak
4.1.
Cosmetize vordert - samengevat en na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht verklaart dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] is tekortgeschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, althans dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] de op haar als vervoerder rustende verplichtingen heeft geschonden,
II. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] veroordeelt tot betaling aan Cosmetize, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ten titel van schadevergoeding, van een bedrag van € 64.652,10, althans tot betaling van zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, althans van een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
III. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.775,00,
IV. de toegewezen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom op grond van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), te rekenen telkens vanaf de datum van de eerste aansprakelijkstelling, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie bepaalt, tot aan de dag van volledige betaling,
V. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] veroordeelt tot betaling van de proceskosten (waaronder de nakosten) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] de proceskosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis aan Cosmetize heeft voldaan.
4.2.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cosmetize, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cosmetize, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cosmetize in de proceskosten en de wettelijke rente over de proceskosten indien Cosmetize deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving voldoet.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
4.4.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] vordert - samengevat - dat [gedaagde in vrijwaringszaak] wordt veroordeeld om aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] te betalen datgene waartoe [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in vrijwaringszaak] in de proceskosten van de vrijwaring, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten indien [gedaagde in vrijwaringszaak] deze betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis verricht. Verder vordert [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] een verklaring voor recht dat [gedaagde in vrijwaringszaak] aansprakelijk is voor alle schade en kosten vanwege de schade vanwege de vermissing van de zending cosmetica.
4.5.
[gedaagde in vrijwaringszaak] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] in de proceskosten.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in de hoofdzaak
Toepasselijk recht en bevoegdheid rechtbank
5.1.
Omdat sprake is van grensoverschrijdend vervoer over de weg van Nederland naar België is het CMR dwingendrechtelijk van toepassing op de vervoersovereenkomst tussen Cosmetize en [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] (artikel 1 CMR). Dit betekent dat het aansprakelijkheidsregime zoals dit is neergelegd in het CMR de rechtsverhouding tussen partijen beheerst en het toetsingskader vormt voor de beoordeling van de vorderingen van Cosmetize.
5.2.
Op grond van artikel 31 lid 1 sub a CMR jo 99 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen, omdat de vestigingsplaats van gedaagde binnen het arrondissement van deze rechtbank is gelegen en gesteld noch gebleken is dat partijen een afwijkende forumkeuze hebben gemaakt.
Aansprakelijkheid [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak]
5.3.
Cosmetize stelt dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] aansprakelijk is voor het verlies van de lading tijdens het uitgevoerde transport.
5.4.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] erkent dat de lading cosmetica tijdens het transport verloren is gegaan als gevolg van diefstal, maar betwist aansprakelijk te zijn voor de ontstane schade. [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] wijst daarbij op de keuze van Cosmetize om de lading voor een goedkoop tarief te laten meegaan met groupagezending in plaats van exclusief vervoer. Verder had Cosmetize volgens [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] melding moeten maken van de hoge waarde van de lading en nadere instructies moeten verstrekken ten behoeve van het vervoer, zoals bijvoorbeeld bewaakt parkeren bij overnachting en het gebruik van een kastenwagen in plaats van een huifoplegger. Dit had volgens [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] wel op de weg gelegen van Cosmetize, gelet op de hoge (markt)waarde van de lading en vanwege het feit dat deze van woensdag tot vrijdag op transport zou zijn. Verder betwist zij dat Cosmetize schade in eigen vermogen heeft geleden.
5.5.
Het CMR kent een abstract vorderingsrecht toe aan de afzender, zodat Cosmetize geen schade in eigen vermogen hoeft te hebben geleden om [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] als vervoerder aan te kunnen spreken. Uit artikel 17 lid 1 CMR volgt dat de vervoerder in beginsel aansprakelijk is voor -onder meer- verlies van de lading, welke is ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als sprake is van vervoerdersovermacht op grond van artikel 17 lid 2 CMR dan wel één van de in lid 4 genoemde excepties. Voorts bepaalt artikel 17 lid 5 CMR dat indien de vervoerder niet aansprakelijk is voor sommige van de factoren, die de schade hebben veroorzaakt, hij slechts aansprakelijk is in evenredigheid tot de mate, waarin de factoren waarvoor hij ingevolge artikel 17 CMR aansprakelijk is, tot de schade hebben bijgedragen.
5.6.
In artikel 17 lid 2 CMR staat dat de vervoerder bevrijd is van aansprakelijkheid als de schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. In dat geval komt de vervoerder een beroep op overmacht toe. De Hoge Raad heeft in het arrest Oegema/AMEV (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2632) een nadere invulling gegeven van het begrip vervoerdersovermacht, namelijk dat de vervoerder zich in geval van verlies van de lading tijdens het vervoer slechts met succes op de ontheffing van aansprakelijkheid van artikel 17 lid 2 CMR kan beroepen als hij aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen.
5.7.
Gesteld noch gebleken is dat aan voornoemd criterium wordt voldaan, terwijl ook geen beroep is gedaan op de in artikel 17 lid 4 genoemde excepties. Nu gesteld noch gebleken is dat het verlies van de lading is veroorzaakt door een andere factor, dan de diefstal, is ook artikel 17 lid 5 in deze zaak niet van toepassing.
5.8.
Gelet op het voorgaande, is [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] op grond van artikel 17 lid 1 CMR aansprakelijk jegens Cosmetize voor het verlies van de verloren lading cosmetica.
Geen doorbreking van de kilolimitering ex art. 23 lid 3 CMR
5.9.
Cosmetize stelt zich daarnaast op het standpunt dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] haar volledige schade moet vergoeden. Volgens haar is artikel 23 lid 3 CMR, waaruit volgt dat de aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade of diefstal aan de lading in beginsel beperkt is tot 8,33 SDR per kilogram van het gewicht van de verloren lading, niet van toepassing. Zij beroept zich daarbij op artikel 29 CMR waarin is bepaald dat de vervoerder geen beroep kan doen op -onder meer- voornoemde aansprakelijkheidsbeperking als de schade voortspruit uit opzet of daaraan gelijk te stellen schuld van de vervoerder of van (hulp)personen waarvoor deze aansprakelijk is.
5.10.
Cosmetize heeft gesteld dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] bewust roekeloos heeft gehandeld. Zij wijst daarbij op het feit dat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] het vervoer heeft uitbesteed aan een derde waarbij [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] heeft verzuimd om nadere veiligheidsinstructies te geven aan de ingeschakelde ondervervoerder. Dit had volgens Cosmetize wel op de weg gelegen van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] , omdat uit de door Cosmetize gegeven omschrijving van de te vervoeren partij zou hebben gebleken dat het ging om cosmetica. Voor [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] zou duidelijk moeten zijn geweest dat de lading naar zijn aard en omvang diefstalgevoelig was, aldus Cosmetize. Verder wijst Cosmetize op de keuze voor het gebruik van een schuifzeiltrailer, zijnde een half open trailer, terwijl het vervoer van cosmetica in een dergelijke trailer en het parkeren op een onbewaakt parkeerterrein in strijd is met de richtlijn “Diefstalpreventie in het wegvervoer”. Deze richtlijn is ontwikkeld vanuit het Verbond van Verzekeraars in de transportverzekeringsbranche en daarin is het vervoer van cosmetica opgenomen in de hoogste risicocategorie voor diefstal. Daar komt volgens Cosmetize nog bij dat vaststaat dat de chauffeur de vrachtwagencombinatie in ieder geval voor meer dan 2,5 uur in de avond heeft achtergelaten op de onbewaakte parkeerplaats en gedurende de nacht aldaar heeft laten overstaan zonder dat hij de trailer met een slot heeft afgesloten.
5.11.
[gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] betwist dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.
5.12.
De Hoge Raad heeft in de zogenaamde 5 januari arresten bepaald dat sprake is van bewuste roekeloosheid wanneer de vervoerder het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar hij zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden.
5.13.
Uit deze maatstaf blijkt dat in de eerste plaats als drempelvoorwaarde geldt dat moet komen vast te staan dat aan het overstaan van de vrachtwagencombinatie op het betreffende parkeerterrein in de gegeven omstandigheden gevaar voor diefstal was verbonden en dat de objectief vast te stellen kans dat de lading zou worden gestolen aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren.
5.14.
Cosmetize stelt dat aan voornoemd criterium wordt voldaan en dat de kans op diefstal objectief kan worden vastgesteld op groter dan 50%, maar heeft dit niet met objectief verifieerbare cijfers onderbouwd. Cosmetize heeft ter zitting verklaard dat zij voor het vervoer van haar cosmeticaproducten al zes of zeven jaar gebruik maakt van de transportdiensten van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] heeft onweersproken gesteld dat dit transport meerdere partijen per week omvat. Dat zou met zich brengen dat er pas sprake zou zijn van een objectief vast te stellen kans als in ieder geval zes van de tien keer dat het transport op die manier wordt uitgevoerd, sprake is van diefstal. Nu [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] onweersproken heeft gesteld dat er nooit eerder een lading is gestolen, is reeds op die grond geen sprake van doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking. Overigens is ook helemaal niet onderbouwd gesteld dat de chauffeur zich, wetende dat de kans op diefstal groot is, niet van zijn gedrag heeft laten weerhouden.
5.15.
Omdat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] de vergoeding ex artikel 23 lid 3 CMR reeds aan Cosmetize heeft voldaan, heeft Cosmetize geen vordering meer op [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] uit hoofde van diens aansprakelijkheid als vervoerder voor de gestolen lading. Dit betekent dat Cosmetize geen belang meer heeft bij de door haar onder 4.1 onder I gevorderde verklaring voor recht en dat ook haar overige vorderingen zullen worden afgewezen.
Proceskosten
5.16.
Cosmetize is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.764,00
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de vrijwaringszaak
5.18.
Nu de vorderingen in de hoofdzaak zijn afgewezen, moeten de vorderingen in de vrijwaringszaak worden afgewezen zonder dat deze nog bespreking behoeven.
5.19.
Omdat [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] zelfstandig het risico draagt van de proceskosten van de in vrijwaring opgeroepen partij, zal zij de proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] moeten betalen. De proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
6De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
6.1.
wijst het gevorderde af,
6.2.
veroordeelt Cosmetize in de proceskosten van [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Cosmetize niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt Cosmetize tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald aan [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] ,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak
6.5.
wijst het gevorderde af,
6.6.
veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] in de proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in hoofdzaak / eiser in vrijwaringszaak] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.6 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
GW/KH
Convention relative au Contrat de Transport International de Marchandises par Route (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg).
Vgl. HR 5 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9308 en HR 5 januari 2001, ECLI: ECLI:NL:PHR:2001:AA9309.
Zie: de conclusie van AG Strikwerda bij HR 11 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2120.
Zie: HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6079 (Zegveld/ZLTO).