Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:1410

2026-02-26 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ARN 25_4685
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-02-26
Publicatiedatum
2026-02-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25_4685
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Het college heeft terecht geen maatwerkvoorziening toegekend voor de ondersteuning en de begeleiding door de echtgenoot.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.351 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 25/4685

uitspraak van de enkelvoudige kamer van


in de zaak tussen





[eiseres]
uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. K. Wevers),



en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college
(gemachtigde: mr. E. Soepenberg).




Procesverloop


Bij besluit van 26 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres tot verstrekking van een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), te weten: individuele begeleiding te verstrekken door [naam echtgenoot] met behulp van een persoonsgebonden budget (pgb), afgewezen.



In het besluit van 18 september 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het college heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en beslist dat aan eiseres alsnog de maatwerkvoorziening Basis Begeleiding voor 3 uur per week in de vorm van zorg in natura (ZIN), wordt toegekend. Voor het overige heeft het college geen maatwerkvoorziening toegekend, omdat eiseres hiervoor gebruikelijke hulp kan ontvangen van haar echtgenoot.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verder is de echtgenoot van eiseres verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen



Totstandkoming van het bestreden besluit

1. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.



1.1.
Eiseres heeft zich op 24 juni 2024 bij het college gemeld voor maatschappelijke ondersteuning. Op 17 juli 2024 heeft het keukentafelgesprek plaatsgevonden. Hierna is het primaire besluit genomen.



1.2.

In bezwaar is op verzoek van het college een medisch onderzoek verricht door [naam arts], arts bij [naam bedrijf]. Het advies is op 19 maart 2025 aan het college verzonden. Het advies houdt, kort samengevat, het volgende in. Volgens de arts is eiseres niet in staat haar problemen, die worden veroorzaakt door haar medisch beeld, zelf op te lossen.
Eiseres is aangewezen op begeleiding voor zowel regievoerende als praktische aangelegenheden. Voor de regievoerende ondersteuning is eiseres aangewezen op 3 uur planbare ondersteuning per week. Voor de praktische ondersteuning, waaronder begrepen het meegaan naar afspraken en het opbouwen van nieuwe sociale activiteiten, is 4 uur per week noodzakelijk, waarvan 3 uur planbaar is.
Daarnaast is voor de ondersteuning bij sociale interactie 3,5 uur per week aan niet-planbare zorg noodzakelijk.
De totale ondersteuningsbehoefte is daarmee 10 uur en 30 minuten per week. De vraag of van de echtgenoot van eiseres verwacht mag worden dat hij (een deel van) deze ondersteuning als gebruikelijke hulp verleent, moet door het college worden beantwoord, aldus de arts.




1.3.
Hierna is het bestreden besluit genomen.



Het geschil

2. Tussen partijen is in geschil of de beperkingen van eiseres in de zelfredzaamheid of participatie met de toegekende maatwerkvoorziening voldoende worden gecompenseerd. Meer concreet is in geschil of het college zich terecht op het standpunt stelt dat van de echtgenoot van eiseres verwacht mag worden dat hij gebruikelijke hulp verleent, waarmee de beperkingen van eiseres in de zelfredzaamheid en/of participatie worden gecompenseerd.




2.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college de stappen 1 tot en met 3 van het door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontwikkelde stappenplan juist en zorgvuldig heeft doorlopen. Evenmin is tussen partijen in geschil dat het medisch onderzoek, dat in dat kader door [naam bedrijf] is verricht, zorgvuldig en volledig is geweest. Eiseres kan zich dan ook vinden in de door [naam bedrijf] vastgestelde totale ondersteuningsbehoefte van 10 uur en 30 minuten per week.



2.2.
Tussen partijen is wel in geschil of het college voldoende heeft onderzocht of de eigen mogelijkheden van eiseres, in het bijzonder de gebruikelijke hulp toereikend zijn om de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen (stap 4, de zogenaamde ‘aftrekposten’).


2.2.1.

Eiseres kan zich er niet in vinden dat zij een deel van haar ondersteuningsbehoefte moet invullen met behulp van gebruikelijke hulp door haar echtgenoot (stap 4).
Verder kan eiseres zich er niet in vinden dat de maatwerkvoorziening deels in de vorm van ZIN is toegekend (stap 5). Tot slot kan eiseres zich niet vinden in de aan het bestreden besluit verbonden voorwaarde dat zij samen met de andere gezinsleden systeemtherapie moet gaan volgen.




Toetsingskader


3. In artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat gebruikelijke hulp de hulp is die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.


Artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de mogelijkheden van de cliënt onderzoekt om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren.



Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.



Artikel 2.3.6, eerste lid, bepaalt dat het college aan de cliënt een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, als de cliënt dit wenst.
Het tweede lid bepaalt dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, als:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;
c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.



Beoordeling door de rechtbank





Gebruikelijke hulp eerst!


4. Uit artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 volgt dat het college niet gehouden is tot verstrekking van een maatwerkvoorziening als de cliënt, in dit geval: eiseres, de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (ook) met gebruikelijke hulp kan verminderen of wegnemen.




4.1.

Van de echtgenoot wordt zowel op grond van de Wmo 2015 als op grond van artikel 81 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verwacht dat hij zo nodig gebruikelijke hulp verleent. Onder gebruikelijke hulp wordt niet alleen begrepen het (volledig) overnemen van (zware) huishoudelijke taken, zoals schoonmaken en het doen van de wekelijkse boodschappen maar ook ondersteuning bij of het overnemen van de administratie, begeleiding buitenshuis naar bijvoorbeeld de huisarts en sport- en schoolactiviteiten van de kinderen, vervoer en (persoonlijke) verzorging, naast financiële ondersteuning en het overnemen van (een deel van) de opvoedtaken van de kinderen.
De rechtbank vindt hiervoor onder meer steun in vaste rechtspraak van de CRvB en andere, van overheidswege, verschenen publicaties. Ook in de Beleidsregels Wmo gemeente Arnhem 2020 (de Beleidsregels) wordt er van uitgegaan, dat dit onder gebruikelijke hulp, te verlenen door de echtgenoot, moet worden begrepen.
Van de echtgenoot mag worden verwacht dat deze gebruikelijke hulp wordt verleend naast een (voltijds) baan en zo nodig ten koste van ‘eigen activiteiten’ (ter ontspanning), tenzij er aantoonbaar sprake is van (dreigende) overbelasting.




4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de medisch adviseur de zorg- en ondersteuningstaken van de echtgenoot voldoende in kaart gebracht. De medisch adviseur heeft op goede gronden geconcludeerd dat de echtgenoot in staat is om aan eiseres gebruikelijke hulp voor wat betreft de (onplanbare) ondersteuning en begeleiding te verlenen. Hij heeft geen aanknopingspunten voor (dreigende) overbelasting van de echtgenoot kunnen vaststellen. Dat de echtgenoot daadwerkelijk in staat is om de ondersteuning en begeleiding te bieden vindt bevestiging in het dossier.



4.3.
Dat, zoals eiseres stelt, zij volledig is aangewezen op begeleiding en ondersteuning door haar echtgenoot en hij die niet kan of wil verlenen als zij daarvoor geen zorg bij hem inkoopt met behulp van een pgb, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat alleen al de huwelijkse verplichting uit artikel 81 van Boek 1 van het BW hieraan in de weg staat. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de te verlenen hulp niet gebruikelijk is. Evenmin is aannemelijk geworden dat de echtgenoot, ondanks zijn werkervaring in de zorg de hulp niet kan verlenen, omdat deze zijn kennis en kunde overstijgt en/of dat de echtgenoot medisch wordt overbelast als hij de (huishoudelijke) taken overneemt. Gelet hierop zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de medisch adviseur.



4.4.
Het voorgaande brengt met zich dat het college terecht geen maatwerkvoorziening heeft toegekend voor de ondersteuning en de begeleiding door de echtgenoot.



4.5.

Dat de echtgenoot door het niet toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb aan eiseres zich na 18 september 2025 genoodzaakt heeft gezien buitenshuis te gaan werken om een inkomen te verwerven en hij daardoor niet beschikbaar is op de onplanbare momenten maakt het voorgaande niet anders. Het gaat immers om de situatie op 18 september 2025 (de datum in geding).
De echtgenoot van eiseres werkte op dat moment nog niet buitenshuis en was op dat moment in feite 24 uur per dag, 7 dagen per week beschikbaar voor de planbare en onplanbare zorg.



4.5.1.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Tijdens de zitting heeft de echtgenoot van eiseres opgemerkt dat hij per week zo’n 18 tot 24 uur buitenshuis werkt, gemiddeld 6 uur per werkdag verspreid over de dag.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op de momenten dat haar echtgenoot niet thuis is hem niet kan bereiken voor het verlenen van onplanbare zorg die niet kan worden uitgesteld. Voor de planbare zorg, de onplanbare zorg op niet-werkdagen en de onplanbare zorg op de werkdagen die wel kan worden uitgesteld zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende andere momenten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld het moment dat de kinderen al naar bed zijn en eiseres en haar echtgenoot nog wakker zijn, het weekeinde of de tijd dat de echtgenoot overdag thuis is. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals tijdens de zitting is aangegeven, eiseres zelfstandig in staat is de kinderen dagelijks dan wel regelmatig naar school te brengen. Deze taak komt dus niet op de echtgenoot neer.




ZIN in plaats van pgb.

5. In navolging van het advies van de medisch adviseur heeft het college voor de begeleiding die eiseres nodig heeft bij het meegaan naar afspraken en het opbouwen van een nieuwe sociale activiteit (de planbare praktische ondersteuning) een maatwerkvoorziening (Basis Begeleiding voor 3 uur per week) in de vorm van ZIN toegekend.





5.1.

Volgens het college kan deze maatwerkvoorziening niet in de vorm van een pgb, waarmee eiseres de noodzakelijke begeleiding bij haar echtgenoot kan inkopen, worden verstrekt. Dan zou namelijk voorbij worden gegaan aan het doel van de maatwerkvoorziening, die erop gericht is om eiseres zelfstandiger (dat wil zeggen: minder afhankelijk van haar echtgenoot) te maken.
De rechtbank begrijpt hieruit dat het college zich op het standpunt stelt dat onvoldoende is gewaarborgd dat de maatwerkvoorziening, als deze in de vorm van een pgb wordt toegekend, doeltreffend wordt verstrekt. Eiseres heeft dat onvoldoende (gemotiveerd) weersproken. Dat eiseres stelt PTSS te hebben en daarom meer, en niet minder, op haar echtgenoot is aangewezen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt.




5.2.

Voorts heeft eiseres zich, naar het oordeel van de rechtbank, niet voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom de levering van deze maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb een passende ondersteuning betreft. Zo heeft eiseres niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij het doel, dat met deze maatwerkvoorziening moet worden bereikt, daadwerkelijk kan bereiken met of door begeleiding van haar echtgenoot.
Dat eiseres weigert om deze maatwerkvoorziening af te nemen zolang deze in de vorm van ZIN wordt toegekend, brengt niet met zich dat zij voldoende heeft gemotiveerd dat de levering in de vorm van een pgb (wel) een passende ondersteuning betreft. Het staat eiseres immers vrij om een door het college toegekende maatwerkvoorziening te weigeren als deze, volgens eiseres, niet (volledig) aansluit op haar behoefte. Dat staat echter los van de wijze van financiering van de volgens het college noodzakelijke maatwerkvoorziening ter compensatie van het verlies aan zelfredzaamheid en participatie.
Het uitgangspunt van de wetgever is immers dat ZIN en een pgb gelijkwaardige alternatieven voor de toe te kennen maatwerkvoorziening zijn.




5.3.
De rechtbank merkt nog het volgende op. Dat uit het medisch advies zou volgen dat de uren die aan de begeleiding buitenshuis, waarop deze maatwerkvoorziening ziet, buiten of bovenop de totale ondersteuningsbehoefte van 10,5 uren per week is de rechtbank niet gebleken. Sterker nog, uit het advies, zoals dat ook door eiseres in het beroepschrift is geciteerd, volgt dat deze uren (aan praktische ondersteuning) deel uitmaken van de totale ondersteuningsbehoefte.



5.4.
Het college heeft dan ook terecht geweigerd deze maatwerk in de vorm van een pgb toe te kennen.



Verbinden van (overige) voorwaarden aan de toekenning van de maatwerkvoorziening

6. In het bestreden besluit heeft het college tot slot nog opgemerkt dat het college van mening is dat, gezien het advies van de medisch adviseur, binnen het gehele gezin systeemtherapie dient te worden ingezet voor ondersteuning bij de interactie en communicatie binnen het gezin en dat in dat geval de echtgenoot van eiseres daarvoor ook geen gebruikelijke hulp meer hoeft te verlenen, anders dan het onderhouden van contact met een gezin-/systeembehandelaar.




6.1.
Alleen al gelet op de bewoordingen van het bestreden besluit kan niet worden aangenomen, dat aan de toekenning van de maatwerkvoorziening de voorwaarde van het volgen van systeemtherapie is verbonden. Anders gezegd, aan eiseres is een maatwerkvoorziening (Basis Begeleiding voor 3 uur per week) toegekend, in te gaan zodra een beschikbare zorgverlener is gevonden. Dat de looptijd van deze maatwerkvoorziening pas ingaat zodra eiseres een beschikbare (professionele) hulpverlener heeft gevonden, acht de rechtbank met het oog op de wachttijden in de zorg niet onzorgvuldig. Eiseres heeft gewoonweg recht op de maatwerkvoorziening, of zij hiervan nu gebruik wil maken of niet. Het college kan haar dat recht niet ontzeggen als eiseres niet ook (tegelijkertijd) met de rest van het gezin systeemtherapie zou volgen.



6.2.
Voor zover het college aan de toegekende maatwerkvoorziening wel de (opschortende) voorwaarde heeft willen verbinden, dat eiseres geen recht heeft op de maatwerkvoorziening als zij niet deelneemt aan systeemtherapie, dan overweegt de rechtbank dat het college deze voorwaarde niet aan de maatwerkvoorziening heeft mogen verbinden. Door het stellen van deze voorwaarde wordt eiseres wordt afhankelijk gemaakt van de medewerking van anderen. In dit geval van de andere leden binnen het gezin(ssysteem). Eiseres beschikt als ouder wel over de mogelijkheden of middelen om die anderen tot medewerking of deelname aan systeemtherapie te verplichten (dwingen), maar daarmee is niet gezegd dat de systeemtherapie dan zal slagen.


6.2.1.
De rechtbank heeft uit het medisch advies niet begrepen dat systeemtherapie noodzakelijk is voor de passende ondersteuning in het dagelijks functioneren op regievoerend en praktisch terrein, die eiseres volgens de medische adviseur moet ontvangen.


Dat het, zoals het college tijdens de zitting heeft herhaald, vanwege de complexe gezinssituatie en onderlinge dynamiek niet alleen wenselijk maar ook verstandig is dat alle (nog thuiswonende) gezinsleden gezamenlijk in (systeem)therapie gaan, begrijpt en onderschrijft de rechtbank, maar dat maakt het voorgaande niet anders.







Conclusie en gevolgen


7. Het college heeft terecht beslist dat eiseres een (aanzienlijk) deel van haar ondersteuningsbehoefte kan invullen met de door haar echtgenoot te verlenen gebruikelijke hulp. Verder heeft het college terecht beslist dat eiseres voor de rest van haar ondersteuningsbehoefte gebruik kan maken van de toegekende maatwerkvoorziening in de vorm van ZIN. Het college was niet gehouden deze in vorm van een pgb toe te kennen. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het beroep is dan ook ongegrond. Eiseres heeft geen recht op een vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht.





BeslissingDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.


Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.


Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraken: 5 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2721;
10 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3243; 14 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:823.


De Richtlijn gebruikelijke hulp.


Parlementaire Geschiedenis, Tweede Kamer 2013/2014, 33841, nummer 103 (amendement).