Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2025:2778

2025-01-06 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/05/440688 / HA RK 24-139
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2025-01-06
Publicatiedatum
2025-04-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/440688 / HA RK 24-139
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek gelasten voorlopig getuigenverhoor toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.359 tekens)
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND


Team kanton en handelsrecht



Zittingsplaats Arnhem



zaaknummer / rekestnummer: C/05/440688 / HA RK 24-139




Beschikking van 6 januari 2025




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[verzoekster]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. M.A. Oostendorp te Velp,



tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[verweerder 1]
,
(hierna: [verweerder 1] )
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [verweerder 2],

(hierna: [verweerder 2] )
wonende te [woonplaats] ,
verweerders,
advocaat mr. J. Stikkelbroeck te Amsterdam.






1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift van 30 augustus 2024, met 5 producties;


de oproepbrieven van 26 september 2024;


het verweerschrift van 5 december 2024, met 4 bijlagen;


de mondelinge behandeling van 9 december 2024, waar zijn verschenen:


namens verzoekster: [naam 1] (hierna: [naam 1] ), financieel directeur, bijgestaan door mr. Oostendorp;



[verweerder 2] en, namens [verweerder 1] : [naam 2] (hierna: [naam 2] ), bestuurder, bijgestaan door mr. Stikkelbroeck;


de spreekaantekeningen van mr. Oostendorp.





1.2.
Tenslotte is beschikking bepaald.





2De feiten

2.1.
Op 11 maart 2024 hebben verweerders de aandelen in [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) verkocht en geleverd aan verzoekster. De verkoopprijs bedroeg € 2.365.126,00. De op één na beste klant van [bedrijf 1] was [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Voorafgaand aan de verkoop heeft verzoekster, aan de hand van door verweerders aangeleverde informatie, due dilligence onderzoek uitgevoerd en zijn door/namens verzoekster en verweerders diverse gesprekken over de verkoop gevoerd. In de koopovereenkomst is de aansprakelijkheid van verweerders ter zake van de informatieverstrekking aan verzoekster uitgesloten dan wel beperkt, behoudens bedrog in de zin van artikel 3:44 BW. Onderdeel van de koopovereenkomst is een forumkeuze, op grond waarvan deze rechtbank bevoegd is voor de beoordeling van geschillen.



2.2.
Bij brief van 12 september 2023 aan [bedrijf 1] heeft [bedrijf 2] de door haar en [bedrijf 1] gesloten mantelovereenkomst tussentijds per direct beëindigd.





3Het geschil

3.1.
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 187 Rv zal bevelen. Verzoekster heeft aan haar verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De opzeggingsbrief van [bedrijf 2] maakte geen onderdeel uit van de dataroom en daarmee van de due dilligence. Evenmin zijn voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst door verweerders over die brief mededelingen aan verzoekster gedaan. Verweerders hebben zich - door de opzegging van [bedrijf 2] voor verzoekster te verzwijgen, waardoor de wel verstrekte informatie misleidend en onjuist was - schuldig gemaakt aan bedrog in de zin van artikel 3:44 BW, zodat zij op grond van de koopovereenkomst aansprakelijk zijn voor de schade die daarvan het gevolg is. Als verzoekster van de opzeggingsbrief had geweten, dan had zij de koopovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden gesloten; [bedrijf 2] was immers goed voor circa 11% van de omzet van [bedrijf 1] . Het is van belang dat vast komt te staan welke informatie wel en welke informatie niet door verweerders met verzoekster is gedeeld voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst. Verzoekster heeft - voorafgaand aan het starten van een bodemprocedure tegen verweerders - recht op en belang bij het horen van de bij de totstandkoming van de koopovereenkomst betrokken personen. Verzoekster heeft de volgende personen als te horen getuigen genoemd:



[naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] (hierna: [naam 4] ), medewerkers van het bij de verkoopovereenkomst betrokken accountants-/advieskantoor;



[verweerder 2] ;



[naam 5] (hierna: [naam 5] ), voormalig medewerker van verzoekster;



[naam 6] , directeur-grootaandeelhouder van verzoekster;



[naam 1] .





3.2.
Verweerders verzetten zich tegen inwilliging van het verzoek en hebben daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De opzeggingsbrief van [bedrijf 2] maakte onderdeel uit van de dataroom en daarmee van de due dilligence en daarover zijn voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst door verweerders aan verzoekster mededelingen gedaan. Onderdeel van de dataroom was een document waarin (onder meer) is aangegeven dat de einddatum van de met [bedrijf 2] gesloten mantelovereenkomst 1 november 2025 is. Uit verklaringen van [naam 3] en [naam 4] blijkt dat dat document op 15 december 2023 door/namens verweerders en verzoekster is besproken. De situatie ten aanzien van [bedrijf 2] is ook nadien diverse malen door/namens verweerders en verzoekster besproken. Met het verzoek maakt verzoekster misbruik van recht (artikel 3:13 BW), omdat sprake is van een fishing expedition; uit de door verweerders gestelde feiten en omstandigheden blijkt dat voor de verwijten van verzoekster geen begin van bewijs bestaat en dat deze ongegrond zijn, maar waarvoor verzoekster kennelijk hoopt alsnog een basis te creëren. De indruk bestaat dat verzoekster [verweerder 2] - medewerker van [bedrijf 1] (en daarmee van verzoekster) - wil intimideren. Verzoekster betwijfelt kennelijk zijn integriteit, maar hij was slechts zijdelings bij de verkooponderhandelingen betrokken. Verder heeft verzoekster bij haar verzoek onvoldoende belang (artikel 3:303 BW), omdat de feiten die verzoekster aandraagt op zichzelf reeds onvoldoende zijn voor de onderbouwing van haar mogelijke rechtsvorderingen; omdat niets is verzwegen, kán geen sprake zijn van bedrog. Daarbij komt dat het causaal verband ontbreekt; het al dan niet bestaan van de betreffende mantelovereenkomst was niet van invloed op de verkoopprijs en kan dat - gelet op het voorgaande en de inhoud van de koopovereenkomst - ook achteraf niet meer zijn. Moeilijk valt in te zien waarom verzoekster een voorlopig getuigenverhoor nodig zou hebben om te onderzoeken wat ‘haar eigen mensen’ te verklaren hebben; verzoekster weet dat al en die personen kunnen hun verklaringen gewoon op papier zetten zonder ieders kostbare zittingstijd te verdoen. [naam 3] en [naam 4] hebben al schriftelijk verklaard en de standpunten van verweerders zijn ook bekend. Opvallend is dat [naam 2] niet door verzoekster als getuige is genoemd, terwijl hij alle verkooponderhandelingen heeft gevoerd. Als het verzoek toewijsbaar is, dan zou juist hij gehoord moeten worden. Er is geen aanleiding om te denken dat de getuigen anders zullen verklaren dan zij al gedaan hebben. Het verzoek moet worden afgewezen althans deels worden afgewezen. Verweerders verzoeken verzoekster in de proceskosten te veroordelen.



3.3.
Op de stellingen van verzoekster en verweerders zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.





4De beoordeling

4.1.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank het volgende voorop. Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen. Het voorlopig getuigenverhoor strekt er zodoende toe om, op betrekkelijk eenvoudige wijze en binnen afzienbare tijd, bewijs te verkrijgen van de feiten en stellingen die verzoekster aan haar vordering(en) in de eventuele bodemprocedure ten grondslag wil leggen.



4.2.
Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is in beginsel toewijsbaar, tenzij het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten, het verzoek strijdig is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), of het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopige getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.



4.3.
De rechtbank zal eerst beoordelen of verzoekster in voldoende mate een rechtens te respecteren belang bij haar verzoek heeft. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoekster voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst bekend was (of behoorde te zijn) met de tussentijdse, directe beëindiging van de mantelovereenkomst door [bedrijf 2] . Volgens verweerders staat inmiddels in voldoende mate vast dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord (wat volgens verweerders betekent dat verzoekster geen rechtsvordering op hen heeft). De rechtbank volgt verweerders daarin niet. Daarmee is in de gegeven omstandigheden sprake van een situatie waarvoor een voorlopig getuigenverhoor zich bij uitstek leent. Daarbij komt dat verzoekster heeft onderbouwd dat en waarom de in haar verzoek genoemde getuigen over de door haar gestelde feiten en omstandigheden kunnen verklaren. Weliswaar omvat het procesdossier verklaringen van een aantal bij de totstandkoming van de koopovereenkomst betrokken personen, maar dit laat onverlet dat de bewijskracht van een door een getuige onder ede afgelegde verklaring wezenlijk anders is dan een andersoortige verklaring. Daarbij komt dat getuigen onder ede mogelijk anders of meer verklaren dan zij anderszins zouden doen of dan zij reeds hebben gedaan (hetgeen ook geldt ten aanzien de personen van wie het procesdossier geen verklaring bevat). In elk geval kan en mag op de uitkomsten van de voorlopige getuigenverhoren niet vooruit worden gelopen. Wat het door verweerders gestelde ontbreken van causaal verband betreft, geldt dat de beoordeling daarvan in deze verzoekschriftprocedure niet voorligt. Het voorgaande betekent dat verzoekster bij haar verzoek in voldoende mate een rechtens te respecteren belang heeft. Dit geldt ook ten aanzien van het (voorwaardelijke) aanbod van verweerders om [naam 2] als getuige op te roepen.



4.4.
Wat het door verweerders gestelde misbruik van recht betreft, is de rechtbank van oordeel dat verweerders geen of onvoldoende concrete aanknopingspunten hebben gegeven om te kunnen oordelen dat daarvan sprake is. Naast hetgeen hiervoor reeds is overwogen, geldt dat de omstandigheid dat een voorlopig getuigenverhoor in meerdere opzichten belastend kan zijn voor betrokkenen, niet dermate zwaarwegend is dat het verzoek daarop moet afstuiten. Bovendien geldt dat deze procedure mogelijk een (naar verwachting voor verzoekster en verweerders niet minder belastende) bodemprocedure voorkomt. Het voorlopig getuigenverhoor vindt bovendien niet plaats buiten verweerders om. Ook verweerders kunnen daarin - bijvoorbeeld door het bevragen van getuigen - een actieve bijdrage leveren aan het proces van waarheidsvinding. Dat [verweerder 2] een medewerker van [bedrijf 1] is, en dus zakelijk gezien in een afhankelijke positie van verzoekster verkeert, vormt in de gegeven omstandigheden geen zwaarwichtig bezwaar waarop het verzoek afstuit.



4.5.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek aan de daarvoor geldende vereisten voldoet en dat de verweren van verweerders op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond bieden om het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat het verzoek toewijsbaar is.



4.6.
Het aantal getuigen dat zal worden gehoord zal, om redenen van doelmatigheid, in eerste instantie worden beperkt tot vijf. Daarna zal de rechter-commissaris, verzoekster en verweerders gehoord hebbende, beoordelen of er aanleiding is nog meer getuigen te horen.



4.7.
Voor een proceskostenveroordeling is in deze procedure geen aanleiding.



4.8.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 45 minuten duurt (voor de eerste getuige wordt rekening gehouden met 60 minuten). De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.



4.9.
Verzoekster en verweerders moeten er op voorbereid zijn dat de rechter na afloop van de getuigenverhoren een mondelinge behandeling op diezelfde zitting kan bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, gelegenheid te geven stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of verzoekster en verweerders het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.





5De beslissing
De rechtbank


5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,



5.2.
bepaalt dat in eerste instantie niet meer dan vijf getuigen zullen worden gehoord,



5.3.
benoemt mr. S.A. van den Toorn tot rechter-commissaris,



5.4.
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Arnhem aan de Walburgstraat 2 - 4,



5.5.
bepaalt dat verzoekster binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van verzoekster en verweerders en hun advocaten in de maanden februari 2025 tot en met april 2025 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,



5.6.
bepaalt dat verzoekster uiterlijk op 20 januari 2025 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan verweerders moet doen toekomen.


Deze beschikking is op 6 januari 2025 gegeven door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. I.W.M. Olthof.