Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2025:221

2025-01-22 Civiel recht 11339623
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2025-01-22
Publicatiedatum
2025-01-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11339623
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onvoldoende onderbouwing van vermeende contante betaling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.463 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: 11339623 \ CV EXPL 24-7948




Vonnis van 22 januari 2025




in de zaak van





[eiser]

,
te [Plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: P.A.C.M. van den Broek,



tegen





[gedaagde 1]
en [gedaagde 2],
te [Plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna samen te noemen: gedaagden,
procederend in persoon.





1Het verdere procesverloop


1.1.
Dit blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 oktober 2024
- de akte overlegging producties van [eiser] .



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. [eiser] is toen samen met zijn gemachtigde verschenen. Gedaagden zijn, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Op de zitting heeft [eiser] zijn standpunt nader toegelicht en heeft hij antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Van hetgeen ter zitting is behandeld is door de griffier aantekening gehouden.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.










2De feiten


2.1.

[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van gedaagden een feest georganiseerd.



2.2.
Op 6 juni 2023 heeft [eiser] gedaagden een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.500,00.



2.3.

[eiser] heeft gedaagden meerdere keren per e-mail gesommeerd om tot betaling over te gaan.



2.4.
Gedaagden hebben bij e-mail van 10 december 2023 aangeven dat zij de betaling op 21 juni 2023 hebben overgemaakt aan [eiser] .



2.5.
Gedaagden hebben op 4 april 2024, na telefonisch contact met de incassogemachtigde van [eiser] , een betalingsregeling getroffen. Zij zijn deze regeling niet nagekomen.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een bedrag van € 1.846,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.500,00 vanaf 17 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.



3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in opdracht en voor rekening van gedaagden een feest heeft georganiseerd. Gedaagden hebben het gefactureerde bedrag van € 1.500,00, ondanks sommatie, onbetaald gelaten. Om die reden zijn gedaagden de buitengerechtelijke incassokosten van € 225,00 verschuldigd, alsook een bedrag van € 121,69 aan rente berekend tot 17 september 2024 omdat zij in verzuim verkeren.



3.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Tussen partijen is in geschil de vraag of gedaagden de door [eiser] gestuurde factuur ter hoogte van € 1.500,00 hebben voldaan.



4.2.
Gedaagden stellen in dat verband dat zij het gefactureerde bedrag op 9 juni 2023 tussen 15:00 uur en 17:00 uur contant aan een kale werknemer hebben overhandigd en dat bij de transactie verder niemand aanwezig was. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat hij de enige kale werknemer is op de werkvloer en dat hij nimmer een contante betaling in ontvangst heeft genomen. Ook heeft [eiser] , onder overlegging van een werkrooster, aangevoerd dat het niet zo kan zijn geweest dat er op de dag van de vermeende betaling, naast de kale werknemer, niemand aanwezig was op de werkvloer. Uit het rooster volgt immers dat er die dag meerdere mensen aan het werk waren.



4.3.
Gedaagden hebben, door niet te verschijnen ter zitting, het verweer van [eiser] onweersproken gelaten. De kantonrechter is hiermee voor de vraag gesteld of gedaagden, tegenover de betwisting zijdens [eiser] , toch voldoende hebben gesteld om toegelaten te kunnen worden tot het leveren van bewijs voor hun stelling dat zij hebben betaald. Die vraag wordt ontkennend beantwoord.



4.4.
Het door gedaagden ingenomen standpunt dat zij de factuur contant hebben betaald strookt immers niet met hun e-mailbericht van 10 december 2023 waarin zij stellen dat zij het gefactureerde bedrag op 21 juni 2023 per bank hebben overgemaakt aan [eiser] . Ook strookt de stelling van gedaagden niet met de door hen op 4 april 2024 getroffen betalingsregeling. Deze omstandigheden, mede bezien in het licht van de onweersproken gelaten gemotiveerde betwisting van [eiser] dat contant is betaald, doet de kantonrechter tot de conclusie komen dat gedaagden onvoldoende hebben gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.



4.5.
Dat betekent dat gedaagden hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.500,00. De gevorderde wettelijke rente berekend tot 17 september 2024 van een bedrag van € 121,69 zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.



4.6.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan gedaagden een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 225,00 toegewezen.



4.7.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:









- kosten van de dagvaarding


€


114,71







- griffierecht


€


248,00







- salaris gemachtigde


€


408,00


(2 punten × € 204,00)




Totaal


€


770,71











4.8.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.846,69, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over
€ 1.500,00, met ingang van 17 september 2024, tot de dag van volledige betaling,




5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 770,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op
22 januari 2025.


53854 / 26396