Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2025:2150
2025-03-12
Strafrecht
05-288151-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art 6.1.16 Sv: verzoek tot schorsing executie van politierechtervonnis. Is dat vonnis onherroepelijk? Beperkte taak voorzieningenrechter, vooruitlopend op eventuele beslissing gerechtshof over ontvankelijkheid hoger beroep.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.079 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-288151-24
raadkamernummer : 25-006042
datum : 12 maart 2025
beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek op grond van artikel 6:1:16 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verblijvend in de PI [verblijfplaats] te [plaats] ,
hierna te noemen: verzoekster.
Advocaat: mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Ede.
Feiten
Verzoekster is bij vonnis van 25 november 2024 bij verstek door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 4 weken voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Tegen dat vonnis heeft verzoekster op 30 december 2024 hoger beroep ingesteld. De tenuitvoerlegging van het vonnis is gestart op 10 maart 2025; verzoekster heeft zich gemeld bij PI [verblijfplaats] en is sindsdien gedetineerd.
Procedure
Het verzoek is op 6 maart 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 12 maart 2025 het verzoek in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft verzoekster, de advocaat en de officier van justitie op zitting gehoord.
Verzoek
Op grond van artikel 6:1:16 Sv mag geen beslissing ten uitvoer worden gelegd zolang daartegen enig rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, daarop is beslist. Door hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geschorst of opgeschort. Dat is niet het geval als naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel heeft aangewend, en na zijn verhoor, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank anders bepaalt.
Het verzoek houdt in dat de rechtbank zal bepalen dat de executie van de opgelegde gevangenisstraf wordt opgeschort, totdat onherroepelijk op het door verzoekster aangewende rechtsmiddel is beslist.
Namens verzoekster is aangevoerd dat zij bezwaar heeft ingediend tegen de beslissing om zich op 10 maart 2025 te melden bij de PI [verblijfplaats] . Verzoekster meent dat het standpunt van het openbaar ministerie dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dus het vonnis van 25 november 2024 onherroepelijk is geworden, onjuist is. De ontvankelijkheidsvraag dient door het gerechtshof te worden beantwoord en niet door het openbaar ministerie.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Beoordeling
Verzoekster is gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter van 24 november 2024. Op dezelfde dag heeft de politierechter bij verstek vonnis gewezen. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding voor deze zitting op 9 september 2024 op het politiebureau aan verzoekster in persoon is uitgereikt na afloop van het verhoor. Ingevolge artikel 366 Sv hoeft het veroordelend vonnis dan niet afzonderlijk te worden betekend. In dat geval wordt immers verondersteld dat betrokkene op de hoogte is van datum en tijdstip van de terechtzitting.
De termijn voor het instellen van hoger beroep is daarom gestart de dag na het uitspreken van het vonnis, dus op 25 november 2024. Deze termijn bedraagt twee weken. Bij gebreke van het tijdig instellen van hoger beroep, is op 10 december 2024 het vonnis onherroepelijk geworden. Het hoger beroep is op 30 december 2024, ruim twee weken na de termijn en dus te laat, ingesteld. Dat verzoekster, zoals zij stelt, pas op 27 december 2024 op de hoogte is geraakt van de uitspraak, doet daar niet aan af, In iedere geval is niet toen pas de appèltermijn gaan lopen.
Het gerechtshof bepaalt uiteindelijk of het hoger beroep op tijd is ingesteld, zoals de raadsman terecht betoogt. Maar als de regeling en de feiten duidelijk zijn, zoals hier het geval is, kan de rechtbank niet zomaar de executie van de opgelegde straf schorsen . De rechtbank zal op basis van de thans voorliggende stukken moeten beoordelen of er dringende redenen zijn om te veronderstellen dat het gerechtshof te zijner tijd zal beslissen dat het hoger beroep wel op tijd is ingesteld. Die dringende redenen ziet de rechtbank niet. Het verzoek tot schorsing van de executie wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van G.C.F.J. Derkx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-288151-24
raadkamernummer : 25-006042
datum : 12 maart 2025
beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek op grond van artikel 6:1:16 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verblijvend in de PI [verblijfplaats] te [plaats] ,
hierna te noemen: verzoekster.
Advocaat: mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Ede.
Feiten
Verzoekster is bij vonnis van 25 november 2024 bij verstek door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 4 weken voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Tegen dat vonnis heeft verzoekster op 30 december 2024 hoger beroep ingesteld. De tenuitvoerlegging van het vonnis is gestart op 10 maart 2025; verzoekster heeft zich gemeld bij PI [verblijfplaats] en is sindsdien gedetineerd.
Procedure
Het verzoek is op 6 maart 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 12 maart 2025 het verzoek in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft verzoekster, de advocaat en de officier van justitie op zitting gehoord.
Verzoek
Op grond van artikel 6:1:16 Sv mag geen beslissing ten uitvoer worden gelegd zolang daartegen enig rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, daarop is beslist. Door hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geschorst of opgeschort. Dat is niet het geval als naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel heeft aangewend, en na zijn verhoor, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank anders bepaalt.
Het verzoek houdt in dat de rechtbank zal bepalen dat de executie van de opgelegde gevangenisstraf wordt opgeschort, totdat onherroepelijk op het door verzoekster aangewende rechtsmiddel is beslist.
Namens verzoekster is aangevoerd dat zij bezwaar heeft ingediend tegen de beslissing om zich op 10 maart 2025 te melden bij de PI [verblijfplaats] . Verzoekster meent dat het standpunt van het openbaar ministerie dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dus het vonnis van 25 november 2024 onherroepelijk is geworden, onjuist is. De ontvankelijkheidsvraag dient door het gerechtshof te worden beantwoord en niet door het openbaar ministerie.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Beoordeling
Verzoekster is gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter van 24 november 2024. Op dezelfde dag heeft de politierechter bij verstek vonnis gewezen. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding voor deze zitting op 9 september 2024 op het politiebureau aan verzoekster in persoon is uitgereikt na afloop van het verhoor. Ingevolge artikel 366 Sv hoeft het veroordelend vonnis dan niet afzonderlijk te worden betekend. In dat geval wordt immers verondersteld dat betrokkene op de hoogte is van datum en tijdstip van de terechtzitting.
De termijn voor het instellen van hoger beroep is daarom gestart de dag na het uitspreken van het vonnis, dus op 25 november 2024. Deze termijn bedraagt twee weken. Bij gebreke van het tijdig instellen van hoger beroep, is op 10 december 2024 het vonnis onherroepelijk geworden. Het hoger beroep is op 30 december 2024, ruim twee weken na de termijn en dus te laat, ingesteld. Dat verzoekster, zoals zij stelt, pas op 27 december 2024 op de hoogte is geraakt van de uitspraak, doet daar niet aan af, In iedere geval is niet toen pas de appèltermijn gaan lopen.
Het gerechtshof bepaalt uiteindelijk of het hoger beroep op tijd is ingesteld, zoals de raadsman terecht betoogt. Maar als de regeling en de feiten duidelijk zijn, zoals hier het geval is, kan de rechtbank niet zomaar de executie van de opgelegde straf schorsen . De rechtbank zal op basis van de thans voorliggende stukken moeten beoordelen of er dringende redenen zijn om te veronderstellen dat het gerechtshof te zijner tijd zal beslissen dat het hoger beroep wel op tijd is ingesteld. Die dringende redenen ziet de rechtbank niet. Het verzoek tot schorsing van de executie wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van G.C.F.J. Derkx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.