Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2025:10847
2025-12-12
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ARN 24/9371
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging ziekengeld, afwijzing aanvraag ziekengeld, artikel 19aa Ziektewet, artikel 19 ZW.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2017:1228 Centrale Raad van Beroep 22-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2022:2658 Centrale Raad van Beroep 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.149 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9371
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) per 2 april 2024 (de datum in geding 1) en de afwijzing van de aanvraag voor ziekengeld per 4 april 2024 (de datum in geding 2). Eiser is het niet eens met de beëindiging en de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd en de aanvraag voor ziekengeld terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit 1 van 1 maart 2024 heeft het UWV het ziekengeld van eiser per de datum in geding 1 beëindigd.
2.1.
Met het primaire besluit 2 van 24 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld per de datum in geding 2 afgewezen.
3. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op de bezwaren van eiser is het UWV bij die besluiten gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Eiser is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser is vanaf 1 juli 2022 werkzaam geweest als operator bij [naam bedrijf] B.V. voor gemiddeld 30,41 uur per week. Op 3 februari 2023 heeft hij zich ziek gemeld.
4.1.
Per 3 februari 2023 heeft het UWV aan eiser ziekengeld toegekend.
4.2.
Met het primaire besluit 1 van 1 maart 2024 heeft het UWV - in het kader van een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) - het ziekengeld van eiser per de datum in geding 1 beëindigd, omdat hij op 2 februari 2024 meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur kan verdienen. Aan dit besluit liggen de rapporten van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] van 7 februari 2024 en de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] van 27 februari 2024 ten grondslag. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 februari 2024.
4.3.
Vervolgens heeft het UWV aan eiser per 2 april 2024 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
4.4.
Op 6 april 2024 heeft eiser zich per de datum in geding 2 (opnieuw) ziek gemeld.
4.5.
Met het primaire besluit 2 van 24 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld per datum in geding 2 afgewezen. Aan dit besluit ligt het rapport van de arts E. [arts] van 23 juli 2024 ten grondslag.
4.6.
Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 is het UWV bij de primaire besluiten 1 en 2 gebleven. Aan dit besluit liggen de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] van 27 november 2024 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [arbeidsdeskundige 2] van 5 december 2024 ten grondslag. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in de FML van 27 november 2024.
Beëindiging ziekengeld per 2 april 2024
5. Volgens eiser heeft hij een fors aantal medische klachten, waaronder een neusaandoening waardoor hij veel last heeft van neusbloedingen. Hij heeft last van kaak- en dermatologische klachten. Het UWV heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn medische beperkingen. Als gevolg van zijn klachten acht eiser zich ook niet in staat om één of meer van de geduide functies te verrichten. Daarnaast vindt hij dat hij die functies niet kan verrichten om arbeidskundige argumenten.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de verzekerde die op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld heeft indien hij (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser niet geschikt is voor zijn werk als operator. In geschil is of eiser per de datum in geding 1 in staat is om met arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur te verdienen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Het beroep van eiser geeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] heeft alle naar voren gebrachte klachten, te weten recidiverende bloedneuzen, conjunctivitis, tumor in de kaak (reuscelgranuloom), hemorroïden, chronische sinusitis, uitslag op de rug en angstaanvallen op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Volgens [verzekeringsarts 1] heeft eiser een goed ingevuld dagverhaal. Hij functioneert goed op alle niveaus. [verzekeringsarts 1] geeft aan dat eiser niet voldoet aan de criteria voor geen benutbare mogelijkheden (GBM). Er is namelijk geen sprake van opname in een ziekenhuis of instelling, bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid of een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op zowel micro-, meso-, en macroniveau. Hervatting in werk is vanuit therapeutisch oogpunt zelfs wenselijk. Eiser is wel beperkt ten aanzien van zwaar fysiek werk, zoals tillen en dragen en veel bukken. Daarnaast moet hij niet in een stoffige omgeving werken. In verband met medicatiegebruik is hij ook beperkt voor beroepsmatig chaufferen. Andere beperkingen zijn niet te beargumenteren, aldus [verzekeringsarts 1].
Na kennis te hebben genomen van het dossier en de in bezwaar overgelegde informatie uit de behandelend sector concludeert verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] dat er aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen. Gezien de neusbloedingen en de huidproblemen moet eiser niet worden blootgesteld aan hitte en koude en is hij ook niet geschikt voor werk waarbij sprake is van veelvuldig en langdurig contact met vloeistoffen. Het gebruik van Oxazepam maakt dat eiser, naast het niet geschikt zijn voor het beroepsmatig besturen van motorvoertuigen, ook is aangewezen op een werksituatie zonder verhoogd persoonlijk risico. De belastbaarheid van eiser is door [verzekeringsarts 2] vastgelegd in de FML van 27 november 2024.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende gemotiveerd dat er geen reden is om eiser verdergaand beperkt te achten. Eiser heeft in beroep geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om aan de medische beoordeling te twijfelen. De omstandigheid dat eiser zich niet in staat voelt om te werken is daarvoor onvoldoende.
5.4.
Eiser moet daarom per de datum in geding 1 in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 27 november 2024.
6. Het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV is vastgelegd in de rapporten van de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] van 27 februari 2024 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [arbeidsdeskundige 2] van 5 december 2024. Eiser wordt in staat geacht de volgende functies te verrichten: assemblagemedewerker elektrotechnische producten (sbc-code 267041), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) en medewerker linnenkamer (sbc-code 372040). Hiernaast is een extra functie geduid: inpakker (handmatig) (sbc-code 111190).
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV in het rapport van Gill voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser niet overschrijdt. Nu eiser daar niets tegenover heeft gesteld, heeft de rechtbank geen reden om aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen.
6.2.
Het voorgaande betekent dat het UWV het ziekengeld van eiser terecht per de datum in geding 1 heeft beëindigd.
Afwijzing aanvraag ziekengeld per 4 april 2024
7. Hierna is de vraag aan de orde of het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld per de datum in geding 2 terecht heeft afgewezen. Daartoe is het volgende wettelijke kader van belang. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
7.1.
Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – nadat het ziekengeld na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 19aa, eerste lid en onder b, van de ZW na 52 weken is geëindigd – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies - gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen - is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van de nieuwe ziekmelding van eiser per de datum in geding 2 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] in het rapport van 27 november 2024 vastgesteld dat de medische beperkingen van eiser sinds de eerdere EZWb niet zijn toegenomen. De rechtbank verwijst daartoe ook naar het rapport van de arts [arts] van 23 juli 2024. Daarin staat dat eiser zelf heeft aangegeven dat er feitelijk geen verandering is in zijn klachten ten opzichte van de EZWb. Hiermee is dan gegeven dat de bij de EZWb geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding 2 voor eiser geschikt zijn. Dit betekent dat eiser op die datum geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid (dat zijn de geduide functies), als bedoeld in artikel 19 van de ZW.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd per 2 april 2024 en de aanvraag voor ziekengeld terecht heeft afgewezen per 4 april 2024. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1228.
Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.
Zie de uitspraak van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9371
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) per 2 april 2024 (de datum in geding 1) en de afwijzing van de aanvraag voor ziekengeld per 4 april 2024 (de datum in geding 2). Eiser is het niet eens met de beëindiging en de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd en de aanvraag voor ziekengeld terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit 1 van 1 maart 2024 heeft het UWV het ziekengeld van eiser per de datum in geding 1 beëindigd.
2.1.
Met het primaire besluit 2 van 24 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld per de datum in geding 2 afgewezen.
3. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op de bezwaren van eiser is het UWV bij die besluiten gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Eiser is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser is vanaf 1 juli 2022 werkzaam geweest als operator bij [naam bedrijf] B.V. voor gemiddeld 30,41 uur per week. Op 3 februari 2023 heeft hij zich ziek gemeld.
4.1.
Per 3 februari 2023 heeft het UWV aan eiser ziekengeld toegekend.
4.2.
Met het primaire besluit 1 van 1 maart 2024 heeft het UWV - in het kader van een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) - het ziekengeld van eiser per de datum in geding 1 beëindigd, omdat hij op 2 februari 2024 meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur kan verdienen. Aan dit besluit liggen de rapporten van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] van 7 februari 2024 en de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] van 27 februari 2024 ten grondslag. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 februari 2024.
4.3.
Vervolgens heeft het UWV aan eiser per 2 april 2024 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
4.4.
Op 6 april 2024 heeft eiser zich per de datum in geding 2 (opnieuw) ziek gemeld.
4.5.
Met het primaire besluit 2 van 24 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld per datum in geding 2 afgewezen. Aan dit besluit ligt het rapport van de arts E. [arts] van 23 juli 2024 ten grondslag.
4.6.
Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 is het UWV bij de primaire besluiten 1 en 2 gebleven. Aan dit besluit liggen de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] van 27 november 2024 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [arbeidsdeskundige 2] van 5 december 2024 ten grondslag. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in de FML van 27 november 2024.
Beëindiging ziekengeld per 2 april 2024
5. Volgens eiser heeft hij een fors aantal medische klachten, waaronder een neusaandoening waardoor hij veel last heeft van neusbloedingen. Hij heeft last van kaak- en dermatologische klachten. Het UWV heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn medische beperkingen. Als gevolg van zijn klachten acht eiser zich ook niet in staat om één of meer van de geduide functies te verrichten. Daarnaast vindt hij dat hij die functies niet kan verrichten om arbeidskundige argumenten.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de verzekerde die op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld heeft indien hij (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser niet geschikt is voor zijn werk als operator. In geschil is of eiser per de datum in geding 1 in staat is om met arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur te verdienen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Het beroep van eiser geeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] heeft alle naar voren gebrachte klachten, te weten recidiverende bloedneuzen, conjunctivitis, tumor in de kaak (reuscelgranuloom), hemorroïden, chronische sinusitis, uitslag op de rug en angstaanvallen op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Volgens [verzekeringsarts 1] heeft eiser een goed ingevuld dagverhaal. Hij functioneert goed op alle niveaus. [verzekeringsarts 1] geeft aan dat eiser niet voldoet aan de criteria voor geen benutbare mogelijkheden (GBM). Er is namelijk geen sprake van opname in een ziekenhuis of instelling, bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid of een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op zowel micro-, meso-, en macroniveau. Hervatting in werk is vanuit therapeutisch oogpunt zelfs wenselijk. Eiser is wel beperkt ten aanzien van zwaar fysiek werk, zoals tillen en dragen en veel bukken. Daarnaast moet hij niet in een stoffige omgeving werken. In verband met medicatiegebruik is hij ook beperkt voor beroepsmatig chaufferen. Andere beperkingen zijn niet te beargumenteren, aldus [verzekeringsarts 1].
Na kennis te hebben genomen van het dossier en de in bezwaar overgelegde informatie uit de behandelend sector concludeert verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] dat er aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen. Gezien de neusbloedingen en de huidproblemen moet eiser niet worden blootgesteld aan hitte en koude en is hij ook niet geschikt voor werk waarbij sprake is van veelvuldig en langdurig contact met vloeistoffen. Het gebruik van Oxazepam maakt dat eiser, naast het niet geschikt zijn voor het beroepsmatig besturen van motorvoertuigen, ook is aangewezen op een werksituatie zonder verhoogd persoonlijk risico. De belastbaarheid van eiser is door [verzekeringsarts 2] vastgelegd in de FML van 27 november 2024.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende gemotiveerd dat er geen reden is om eiser verdergaand beperkt te achten. Eiser heeft in beroep geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om aan de medische beoordeling te twijfelen. De omstandigheid dat eiser zich niet in staat voelt om te werken is daarvoor onvoldoende.
5.4.
Eiser moet daarom per de datum in geding 1 in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 27 november 2024.
6. Het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV is vastgelegd in de rapporten van de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] van 27 februari 2024 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [arbeidsdeskundige 2] van 5 december 2024. Eiser wordt in staat geacht de volgende functies te verrichten: assemblagemedewerker elektrotechnische producten (sbc-code 267041), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) en medewerker linnenkamer (sbc-code 372040). Hiernaast is een extra functie geduid: inpakker (handmatig) (sbc-code 111190).
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV in het rapport van Gill voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser niet overschrijdt. Nu eiser daar niets tegenover heeft gesteld, heeft de rechtbank geen reden om aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen.
6.2.
Het voorgaande betekent dat het UWV het ziekengeld van eiser terecht per de datum in geding 1 heeft beëindigd.
Afwijzing aanvraag ziekengeld per 4 april 2024
7. Hierna is de vraag aan de orde of het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld per de datum in geding 2 terecht heeft afgewezen. Daartoe is het volgende wettelijke kader van belang. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
7.1.
Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – nadat het ziekengeld na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 19aa, eerste lid en onder b, van de ZW na 52 weken is geëindigd – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies - gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen - is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van de nieuwe ziekmelding van eiser per de datum in geding 2 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] in het rapport van 27 november 2024 vastgesteld dat de medische beperkingen van eiser sinds de eerdere EZWb niet zijn toegenomen. De rechtbank verwijst daartoe ook naar het rapport van de arts [arts] van 23 juli 2024. Daarin staat dat eiser zelf heeft aangegeven dat er feitelijk geen verandering is in zijn klachten ten opzichte van de EZWb. Hiermee is dan gegeven dat de bij de EZWb geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding 2 voor eiser geschikt zijn. Dit betekent dat eiser op die datum geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid (dat zijn de geduide functies), als bedoeld in artikel 19 van de ZW.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd per 2 april 2024 en de aanvraag voor ziekengeld terecht heeft afgewezen per 4 april 2024. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1228.
Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.
Zie de uitspraak van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.