Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2024:9897
2024-04-11
Civiel recht; Personen- en familierecht
/05/415607/FZ RK 23-603 en C/05/425561/FZ RK 23-2918
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking. Echtscheiding met nevenvoorzieingen. Partijen verzoeken een deelbeslissing over vier vermogensbestanddelen, die al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoren bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. Wettelijk bewijsvermoeden in artikel artikel 1:141 lid 3 BW is onvoldoende weerlegd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.916 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/415607/FZ RK 23-603 (echtscheiding) enC/05/425561/FZ RK 23-2918 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Datum uitspraak: 11 april 2024
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[naam man]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker, hierna te noemen de man,
advocaat: mr. H.J. Scholten in Doetinchem,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster, hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. I.M.H. Bloemen in Elst.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Dit verdere procesverloop blijkt uit:
de tussenbeschikking van deze rechtbank van 12 januari 2024;
de akte uitlating van de man naar aanleiding van de gewijzigde verzoeken van de vrouw, met bijlagen;
de journaalberichten van mr. Scholten van 26 februari 2024, met bijlagen;
de akte wijziging verzoeken en overlegging producties van de vrouw.
1.2.
Bij de hiervoor genoemde tussenbeschikking is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op grond van artikel 843a Rv, zijn partijen verzocht zich uiterlijk tien dagen voor de nader te plannen mondelinge behandeling uit te laten zoals in randnummers 4.3 en 4.5 van die beschikking is overwogen en is iedere verdere beslissing in de procedure aangehouden.
1.3.
Op 7 maart 2024 is de behandeling van zaak op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
1.4.
[het kind] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2Gewijzigde verzoeken
2.1.
De vrouw heeft haar verzoeken onder VI, VII en X gewijzigd/aangevuld. Zij verzoekt nu:
VI. de woning gelegen aan de [adres 5] toe te delen aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde, met bepaling dat de vrouw gerechtigd is om ten aanzien van de door haar aan de man te betalen overbedelingsvordering (ter grootte van de helft van de overwaarde) een beroep op verrekening te doen met het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
VII. te verklaren voor recht dat het volledige vermogen van de man tussen partijen overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW verrekend moet worden, bestaande uit in ieder geval (doch daartoe niet beperkt):
het pand aan de [adres 1] ;
het pand aan de [adres 2] ;
de woning aan de [adres 4] ;
de aandelen in [holding 1] BV en de in deze onderneming achtergebleven (niet-uitgekeerde) winsten
bankrekeningen;
Auto’s (Audi A6 kenteken [kentkennummer] , Triumph Stag, VW Kever, Mercedes, trekker Ferguson, Unimog)
X. te bepalen dat een onafhankelijke deskundige de tussen partijen op grond van artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW te verrekenen som dient vast te stellen, waaronder de waarde van het aandelenkapitaal en niet uitgekeerde ondernemingswinsten, met het verzoek de verrekening door de rechtbank vast te stellen overeenkomstig de door de deskundige te bepalen som, en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de door de rechtbank vastgestelde te verrekenen som.
2.2.
De man heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de gewijzigde verzoeken van de vrouw.
2.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.
3De beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
3.1.
Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2.
Ondanks het feit dat alleen een concept ouderschapsplan is overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen kunnen worden ontvangen in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding. Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken, is duidelijk geworden dat tussen partijen sprake is van een moeizame verstandhouding en communicatie. Het lukt partijen daarom niet om (constructief) over [het kind] te overleggen en in zijn belang afspraken te maken. De rechtbank zal daarom beslissingen nemen in het belang van [het kind] .
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
Omdat aan de overige wettelijke formaliteiten wordt voldaan en beide partijen de echtscheiding verzoeken, spreekt de rechtbank die uit.
Aanhechten concept ouderschapsplan
3.4.
Op grond van artikel 819 Rv kan de rechtbank onderling getroffen regelingen geheel of gedeeltelijk in de beschikking opnemen. Het opnemen van een concept ouderschapsplan is niet mogelijk. De rechtbank verklaart de man daarom niet-ontvankelijk in dit verzoek.
Hoofdverblijfplaats
3.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij haar vast te stellen, toe. De man is het daar tenslotte mee eens en de rechtbank is niet gebleken dat het belang van [het kind] zich tegen de toewijzing van dit verzoek verzet.
Kinder- en partneralimentatie
3.6.
Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat de kinder- en partneralimentatie zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn vastgesteld, ook definitief kunnen worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook zo beslissen en het oorspronkelijk meer of anders door de vrouw verzochte afwijzen.
Voortgezet gebruik
3.7.
Aangezien de man kan instemmen met het verzoek van de vrouw tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, wijst de rechtbank het verzoek toe.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarde ten overstaan van een notaris
3.8.
De man heeft dit verzoek op de (regie)zitting ingetrokken. Hij heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel. De rechtbank verklaart de man dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Verklaring voor recht
3.9.
Op de zitting hebben beide partijen aangegeven dat zij graag een (deel)beslissing van de rechtbank wensen over de vraag of de aandelen van de man in [holding 1] B.V., de panden van de man aan de [adres 2 & 3] , de woning van de man aan de [adres 4] en de eenmanszaak [bedrijf 2] van de vrouw tot het te verrekenen vermogen behoren. De rechtbank overweegt als volgt.
3.10.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen gehuwd in een gemeenschap van inboedel en elke andere (huwelijks)gemeenschap is uitgesloten. In artikel 11 zijn partijen een periodiek verrekenbeding overeengekomen, inhoudende:
“De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 8, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishoudingen aan premies of koopsommen voor een levens- of ongevallenverzekering (als bedoeld in artikel 10) – ongeacht met welk doel een verzekering is gesloten - overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd”.
3.11.
Partijen zijn het erover eens dat zij tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden. Op grond van artikel 1:141, lid 3, BW wordt bij het einde van het huwelijk het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
3.12.
De stelling van de man dat op grond van artikel 12 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden de tweede afdeling van titel 8 van boek 1 BW, en daarmee artikel 1:141 BW, zou zijn uitgesloten, passeert de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde. De man heeft deze stelling pas eerst op de zitting ingenomen en heeft daarbij verder onvoldoende onderbouwd hoe artikel 12 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden zich verhoudt tot het toen geldende en geregelde wettelijk deelgenootschap in de tweede afdeling van titel 8 van boek 1 BW en de wetswijziging die in 2002 heeft plaatsgevonden en betrekking heeft op deze afdeling.
3.13.
De rechtbank gaat aldus uit van het bewijsvermoeden dat in artikel 1:141, lid 3, BW is neergelegd. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en aannemelijk te maken dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan de weerlegging van het bewijsvermoeden van artikel 1:141, lid 3, BW zekere eisen mogen worden gesteld. In het geval dat de stelling dat bepaalde vermogensbestanddelen niet zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden door de verrekeningsgerechtigde voldoende is betwist, mag worden verwacht dat de verrekeningsplichtige afdoende onderbouwt hoe hij deze vermogensbestanddelen heeft verkregen.
3.14.
Met inachtneming van het hiervoor geschetste toetsingskader, zal de rechtbank hierna per vermogensbestanddeel waarover partijen een (deel)beslissing wensen, beoordelen in hoeverre het vermogensbestanddeel naar het oordeel van de rechtbank tot het te verrekenen vermogen behoort.
Aandelen van de man in [holding 1] B.V.
3.15.
Partijen zijn het erover eens dat de aandelen van de man in [holding 1] B.V. op de peildatum, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, aanwezig waren. De vrouw beroept zich op het hiervoor uitgewerkte wettelijk bewijsvermoeden, zodat het vervolgens aan de man is om te stellen en aannemelijk te maken dat de aandelen in [holding 1] B.V. niet zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de man daarin niet is geslaagd en dat de aandelen in [holding 1] B.V. dus tot het te verrekenen vermogen behoren.
3.16.
De man stelt dat de onderneming, die hij in 1994 is gestart met zijn vader in de vorm van een V.O.F., op 1 januari 2004 geruisloos is ingebracht in de besloten vennootschappen [holding 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. en dat de aandelen van zijn vader in de loop der jaren aan hem zijn overgedragen. Hiermee geeft de man echter geen inzicht in de wijze waarop de aandelen in [holding 1] B.V. zijn verkregen en hoe deze zijn gefinancierd. Bovendien heeft de man op de zitting desgevraagd verklaard dat zijn vader jaarlijks, via de accountant, een bedrag overgemaakt krijgt voor de overdracht van zijn aandelen aan de man. Ook op dit punt heeft de man geen inzicht gegeven in de wijze waarop hij deze jaarlijkse betalingen verricht, vanuit welke middelen en of deze al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoorden. Nu de man het wettelijk bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarde van de aandelen tussen partijen verrekend moet worden.
Panden van de man aan de [adres 2 & 3]
3.17.
Ten aanzien van deze vermogensbestanddelen zijn partijen het ook eens dat die op de peildatum aanwezig waren. Ook ten aanzien van deze panden geldt in de basis het voornoemde bewijsvermoeden, inhoudende dat de panden tot het te verrekenen vermogen behoren.
3.18.
De man stelt dat de panden in 2011 zakelijk zijn aangekocht en in 2016 in privé aan hem zijn overgedragen. De koopsom van deze panden is door de man voldaan door middel van verrekening van twee vorderingen. Te weten een vordering in rekening-courant van de man op de [holding 1] B.V. en een vordering van de man wegens (gedeeltelijke) terugbetaling van het door hem op de aandelen gestorte bedrag blijkens een akte van statutenwijziging (kapitaalvermindering). Na verrekening van de twee voornoemde vorderingen resteerde er een bedrag van € 105.783,00 ter zake van de koopsom. Ter voldoening van het voornoemde restantbedrag heeft [holding 1] B.V. een hypothecaire lening afgesloten. In de notariële akte doet [holding 1] B.V. afstand van haar vordering op de man tot betaling van de restant koopprijs, waartegenover zij een vordering uit hoofde van geldlening stelt.
3.19.
De man heeft niet onderbouwd waarom de onstane vorderingen in rekening-courant en vanwege de aandelen van de man op de onderneming niet tot het te verrekenen vermogen zouden behoren en in het verlengde hiervan de panden ook niet. De man volstaat met de stelling dat het gaat om zakelijke vorderingen, maar dit maakt niet dat de vorderingen niet tot het te verrekenen vermogen behoren, zoals hiervoor ook is overwogen in het kader van de onderneming zelf. Het had op de weg van de man gelegen deze stelling nader te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten concludeert de rechtbank dat de man er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de panden aan de [adres 2 & 3] niet tot het te verrekenen vermogen behoren.
De woning van de man aan de [adres 4]
3.20.
Partijen zijn het erover eens dat deze woning op de peildatum aanwezig was, zodat deze woning gelet op het bewijsvermoeden in beginsel tot het te verrekenen vermogen behoort.
3.21.
De man stelt dat hij deze woning, die oorspronkelijk aan de ouders van de man toebehoorde, vooruitlopend op de erfenis en bij uitsluitingsclausule geregeld in het testament van zijn ouders, heeft verkregen. Hierbij is deze woning aan de man overgedragen, waarbij hij de koopprijs aan zijn ouders schuldig is gebleven en waartegenover door zijn een ouders een geldlening is gesteld. De ouders van de man wonen op dit moment in de desbetreffende woning. Zij hebben een maandelijkse huurverplichting aan de man, welke huur door de man wordt verrekend met de schuld die hij nog aan zijn ouders heeft uit hoofde van de koop van het pand. Er vinden geen feitelijke geldstromen plaats, maar door de verrekening, wordt de schuld aan de ouders van de man wel maandelijks lager.
3.22.
De rechtbank stelt allereerst voorop dat een uitsluitingsclausule in het testament van de ouders van de man geen werking kan hebben op een verkrijging waarbij de ouders van de man nog in leven zijn. Los daarvan, zou iedere nalatenschap (ook die zonder uitsluitingsclausule) buiten de werking van het verrekenbeding vallen, zodat het al dan niet bestaan van een uitsluitingsclausule in een testament voor de beantwoording van de vraag of het pand tot het te verrekenen vermogen irrelevant is.
3.23.
Op grond van artikel 1:133, tweede lid, BW heeft de verplichting tot verrekening geen betrekking op vermogen dat bij gift is verkregen. Voor zover de rechtbank in de stellingen van de man zou lezen dat hij meent deze woning geschonken te hebben gekregen, is de rechtbank
van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een gift. Weliswaar stelt de man dat sprake is van een fiscale constructie als voorschot op de erfenis waarbij er feitelijk geen geldstromen tussen de ouders van de man en de man over en weer gaan en dat zijn ouders hem de maandelijkse huurbetalingen schenken, maar de rechtbank kan dat niet vaststellen.
3.24.
De rechtbank beschikt slechts over één pagina (pagina 2) van de leveringsakte. Hierin staat, kort gezegd en voor zover relevant, opgenomen dat (a) de verkoper (de ouders van de man) afstand doet van zijn vordering tot betaling van de koopprijs van € 182.500 waartegenover hij een vordering bedingt ten laste van de koper (de man) gelijk aan de koopprijs van de woning, (b) de koper (de man) daarmee instemt en (c) dat de verkoper en koper hun onderlinge rechtsverhouding met betrekking tot de onder (a) bedoelde schuld bij afzonderlijke onderhandse akte zullen regelen. De man heeft nagelaten de betreffende onderhandse akte te over leggen. Dit had wel op zijn weg gelegen, gelet op de eisen die worden gesteld om het bewijsvermoeden te ontkrachten en de vrouw betwist dat de maandelijkse huurbetalingen als schenking plaatsvinden. De rechtbank heeft dan ook geen inzicht in de wijze waarop de geldlening tijdens het huwelijk (voor een deel) is afgelost. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat op de geldlening is afgelost door middel van de maandelijkse huurbetalingen, nu dit in ieder geval tussen partijen niet in geschil is. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden voor het begrip netto inkomen aangesloten bij het inkomensbegrip als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Op grond van artikel 3 en artikel 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behoren ook huurinkomsten, zijnde inkomsten uit vermogen, tot inkomen dat verrekend had moeten worden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook de woning van de man aan de [adres 4] tot het te verrekenen vermogen behoort.
Eenmanszaak [bedrijf 2] van de vrouw
3.25.
De man stelt dat deze eenmanszaak op de peildatum aanwezig was en in beginsel tot het te verrekenen vermogen behoort. De vrouw heeft dit op de zitting betwist. De man heeft vervolgens nagelaten zijn stelling nader te onderbouwen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat op de peildatum voornoemde eenmanszaak aanwezig was en tot het te verrekenen vermogen behoort.
Slotsom
3.26.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, verklaart zij hierna voor recht dat de aandelen van de man in [holding 1] B.V., de panden van de man aan de [adres 2 & 3] en de woning van de man aan de [adres 4] tot het te verrekenen vermogen behoren.
Verdeling echtelijke woning
3.27.
De vrouw verzoekt om toedeling van de echtelijke woning aan de [adres 5] , met bepaling dat zij gerechtigd is om ten aanzien van de door haar aan de man te betalen overbedelingsvordering een beroep op verrekening te doen met het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.28.
Hoewel de man formeel geen verzoek in zijn petitum tot toedeling van de echtelijke woning aan hem heeft opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat uit zijn processtuk voldoende kan worden afgeleid dat hij dit verzoek heeft willen doen en dat de vrouw dit ook zo heeft kunnen begrijpen.
3.29.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de echtelijke woning aanhouden. De beantwoording van de vraag welke partij in staat is om de toedeling van de echtelijke woning aan hem of haar te financieren, hangt immers samen met (de omvang van) verrekeningsvordering die op grond van de huwelijkse voorwaarden nog moet plaatsvinden. Het ligt voor de hand om de gehele afwikkeling van wat partijen over en weer te verrekenen en verdelen hebben tegelijk te laten plaatsvinden.
Voortgang procedure
3.30.
Zoals op de zitting is besproken, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om binnen twee weken na vandaag, in onderling overleg een deskundige in te schakelen die de aandelen van de man in [holding 1] B.V. moet taxeren. Indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, zal de rechtbank overgaan tot een deskundigenbenoeming voor de waardering van de aandelen. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in onderling overleg de woning aan de [adres 4] en de panden aan de [adres 2 & 3] zullen laten taxeren.
3.31.
Voor zover partijen in een later stadium willen dat de rechtbank de (volledige) verrekening vaststelt op grond van de huwelijkse voorwaarden, verwacht de rechtbank dat ieder van partijen een vermogensopstelling aan de rechtbank zullen toesturen, met onderliggende bewijsstukken.
3.32.
Iedere verdere beslissing houdt de rechtbank aan tot 25 april 2024 pro forma.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] ;
4.2.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [het kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] bij de vrouw;
4.3.
bepaalt dat de man, met ingang van vandaag, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 692 per maand aan de vrouw moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.4.
bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw € 3.499 per maand aan de vrouw moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.5.
bepaalt dat de vrouw, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de echtelijke woning aan [adres 5] bewoont, tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden voort te zetten;
4.6.
verklaart voor recht dat in ieder geval tot het te verrekenen vermogen behoort:
de aandelen van de man in [holding 1] B.V.;
de panden van de man aan de [adres 2 & 3] ;
de woning van de man aan de [adres 4] ;
4.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing over de echtscheiding;
4.8.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder II en III;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie;
4.10.
houdt iedere verdere beslissing aan tot 25 april 2024 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, mr. E.J. Swiers en mr. M. Gruiters, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Verhoef, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2024.
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/415607/FZ RK 23-603 (echtscheiding) enC/05/425561/FZ RK 23-2918 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Datum uitspraak: 11 april 2024
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[naam man]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker, hierna te noemen de man,
advocaat: mr. H.J. Scholten in Doetinchem,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster, hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. I.M.H. Bloemen in Elst.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Dit verdere procesverloop blijkt uit:
de tussenbeschikking van deze rechtbank van 12 januari 2024;
de akte uitlating van de man naar aanleiding van de gewijzigde verzoeken van de vrouw, met bijlagen;
de journaalberichten van mr. Scholten van 26 februari 2024, met bijlagen;
de akte wijziging verzoeken en overlegging producties van de vrouw.
1.2.
Bij de hiervoor genoemde tussenbeschikking is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op grond van artikel 843a Rv, zijn partijen verzocht zich uiterlijk tien dagen voor de nader te plannen mondelinge behandeling uit te laten zoals in randnummers 4.3 en 4.5 van die beschikking is overwogen en is iedere verdere beslissing in de procedure aangehouden.
1.3.
Op 7 maart 2024 is de behandeling van zaak op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
1.4.
[het kind] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2Gewijzigde verzoeken
2.1.
De vrouw heeft haar verzoeken onder VI, VII en X gewijzigd/aangevuld. Zij verzoekt nu:
VI. de woning gelegen aan de [adres 5] toe te delen aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde, met bepaling dat de vrouw gerechtigd is om ten aanzien van de door haar aan de man te betalen overbedelingsvordering (ter grootte van de helft van de overwaarde) een beroep op verrekening te doen met het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
VII. te verklaren voor recht dat het volledige vermogen van de man tussen partijen overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW verrekend moet worden, bestaande uit in ieder geval (doch daartoe niet beperkt):
het pand aan de [adres 1] ;
het pand aan de [adres 2] ;
de woning aan de [adres 4] ;
de aandelen in [holding 1] BV en de in deze onderneming achtergebleven (niet-uitgekeerde) winsten
bankrekeningen;
Auto’s (Audi A6 kenteken [kentkennummer] , Triumph Stag, VW Kever, Mercedes, trekker Ferguson, Unimog)
X. te bepalen dat een onafhankelijke deskundige de tussen partijen op grond van artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW te verrekenen som dient vast te stellen, waaronder de waarde van het aandelenkapitaal en niet uitgekeerde ondernemingswinsten, met het verzoek de verrekening door de rechtbank vast te stellen overeenkomstig de door de deskundige te bepalen som, en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de door de rechtbank vastgestelde te verrekenen som.
2.2.
De man heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de gewijzigde verzoeken van de vrouw.
2.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.
3De beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
3.1.
Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2.
Ondanks het feit dat alleen een concept ouderschapsplan is overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen kunnen worden ontvangen in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding. Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken, is duidelijk geworden dat tussen partijen sprake is van een moeizame verstandhouding en communicatie. Het lukt partijen daarom niet om (constructief) over [het kind] te overleggen en in zijn belang afspraken te maken. De rechtbank zal daarom beslissingen nemen in het belang van [het kind] .
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
Omdat aan de overige wettelijke formaliteiten wordt voldaan en beide partijen de echtscheiding verzoeken, spreekt de rechtbank die uit.
Aanhechten concept ouderschapsplan
3.4.
Op grond van artikel 819 Rv kan de rechtbank onderling getroffen regelingen geheel of gedeeltelijk in de beschikking opnemen. Het opnemen van een concept ouderschapsplan is niet mogelijk. De rechtbank verklaart de man daarom niet-ontvankelijk in dit verzoek.
Hoofdverblijfplaats
3.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij haar vast te stellen, toe. De man is het daar tenslotte mee eens en de rechtbank is niet gebleken dat het belang van [het kind] zich tegen de toewijzing van dit verzoek verzet.
Kinder- en partneralimentatie
3.6.
Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat de kinder- en partneralimentatie zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn vastgesteld, ook definitief kunnen worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook zo beslissen en het oorspronkelijk meer of anders door de vrouw verzochte afwijzen.
Voortgezet gebruik
3.7.
Aangezien de man kan instemmen met het verzoek van de vrouw tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, wijst de rechtbank het verzoek toe.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarde ten overstaan van een notaris
3.8.
De man heeft dit verzoek op de (regie)zitting ingetrokken. Hij heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel. De rechtbank verklaart de man dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Verklaring voor recht
3.9.
Op de zitting hebben beide partijen aangegeven dat zij graag een (deel)beslissing van de rechtbank wensen over de vraag of de aandelen van de man in [holding 1] B.V., de panden van de man aan de [adres 2 & 3] , de woning van de man aan de [adres 4] en de eenmanszaak [bedrijf 2] van de vrouw tot het te verrekenen vermogen behoren. De rechtbank overweegt als volgt.
3.10.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen gehuwd in een gemeenschap van inboedel en elke andere (huwelijks)gemeenschap is uitgesloten. In artikel 11 zijn partijen een periodiek verrekenbeding overeengekomen, inhoudende:
“De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 8, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishoudingen aan premies of koopsommen voor een levens- of ongevallenverzekering (als bedoeld in artikel 10) – ongeacht met welk doel een verzekering is gesloten - overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd”.
3.11.
Partijen zijn het erover eens dat zij tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden. Op grond van artikel 1:141, lid 3, BW wordt bij het einde van het huwelijk het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
3.12.
De stelling van de man dat op grond van artikel 12 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden de tweede afdeling van titel 8 van boek 1 BW, en daarmee artikel 1:141 BW, zou zijn uitgesloten, passeert de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde. De man heeft deze stelling pas eerst op de zitting ingenomen en heeft daarbij verder onvoldoende onderbouwd hoe artikel 12 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden zich verhoudt tot het toen geldende en geregelde wettelijk deelgenootschap in de tweede afdeling van titel 8 van boek 1 BW en de wetswijziging die in 2002 heeft plaatsgevonden en betrekking heeft op deze afdeling.
3.13.
De rechtbank gaat aldus uit van het bewijsvermoeden dat in artikel 1:141, lid 3, BW is neergelegd. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en aannemelijk te maken dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan de weerlegging van het bewijsvermoeden van artikel 1:141, lid 3, BW zekere eisen mogen worden gesteld. In het geval dat de stelling dat bepaalde vermogensbestanddelen niet zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden door de verrekeningsgerechtigde voldoende is betwist, mag worden verwacht dat de verrekeningsplichtige afdoende onderbouwt hoe hij deze vermogensbestanddelen heeft verkregen.
3.14.
Met inachtneming van het hiervoor geschetste toetsingskader, zal de rechtbank hierna per vermogensbestanddeel waarover partijen een (deel)beslissing wensen, beoordelen in hoeverre het vermogensbestanddeel naar het oordeel van de rechtbank tot het te verrekenen vermogen behoort.
Aandelen van de man in [holding 1] B.V.
3.15.
Partijen zijn het erover eens dat de aandelen van de man in [holding 1] B.V. op de peildatum, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, aanwezig waren. De vrouw beroept zich op het hiervoor uitgewerkte wettelijk bewijsvermoeden, zodat het vervolgens aan de man is om te stellen en aannemelijk te maken dat de aandelen in [holding 1] B.V. niet zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de man daarin niet is geslaagd en dat de aandelen in [holding 1] B.V. dus tot het te verrekenen vermogen behoren.
3.16.
De man stelt dat de onderneming, die hij in 1994 is gestart met zijn vader in de vorm van een V.O.F., op 1 januari 2004 geruisloos is ingebracht in de besloten vennootschappen [holding 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. en dat de aandelen van zijn vader in de loop der jaren aan hem zijn overgedragen. Hiermee geeft de man echter geen inzicht in de wijze waarop de aandelen in [holding 1] B.V. zijn verkregen en hoe deze zijn gefinancierd. Bovendien heeft de man op de zitting desgevraagd verklaard dat zijn vader jaarlijks, via de accountant, een bedrag overgemaakt krijgt voor de overdracht van zijn aandelen aan de man. Ook op dit punt heeft de man geen inzicht gegeven in de wijze waarop hij deze jaarlijkse betalingen verricht, vanuit welke middelen en of deze al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoorden. Nu de man het wettelijk bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarde van de aandelen tussen partijen verrekend moet worden.
Panden van de man aan de [adres 2 & 3]
3.17.
Ten aanzien van deze vermogensbestanddelen zijn partijen het ook eens dat die op de peildatum aanwezig waren. Ook ten aanzien van deze panden geldt in de basis het voornoemde bewijsvermoeden, inhoudende dat de panden tot het te verrekenen vermogen behoren.
3.18.
De man stelt dat de panden in 2011 zakelijk zijn aangekocht en in 2016 in privé aan hem zijn overgedragen. De koopsom van deze panden is door de man voldaan door middel van verrekening van twee vorderingen. Te weten een vordering in rekening-courant van de man op de [holding 1] B.V. en een vordering van de man wegens (gedeeltelijke) terugbetaling van het door hem op de aandelen gestorte bedrag blijkens een akte van statutenwijziging (kapitaalvermindering). Na verrekening van de twee voornoemde vorderingen resteerde er een bedrag van € 105.783,00 ter zake van de koopsom. Ter voldoening van het voornoemde restantbedrag heeft [holding 1] B.V. een hypothecaire lening afgesloten. In de notariële akte doet [holding 1] B.V. afstand van haar vordering op de man tot betaling van de restant koopprijs, waartegenover zij een vordering uit hoofde van geldlening stelt.
3.19.
De man heeft niet onderbouwd waarom de onstane vorderingen in rekening-courant en vanwege de aandelen van de man op de onderneming niet tot het te verrekenen vermogen zouden behoren en in het verlengde hiervan de panden ook niet. De man volstaat met de stelling dat het gaat om zakelijke vorderingen, maar dit maakt niet dat de vorderingen niet tot het te verrekenen vermogen behoren, zoals hiervoor ook is overwogen in het kader van de onderneming zelf. Het had op de weg van de man gelegen deze stelling nader te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten concludeert de rechtbank dat de man er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de panden aan de [adres 2 & 3] niet tot het te verrekenen vermogen behoren.
De woning van de man aan de [adres 4]
3.20.
Partijen zijn het erover eens dat deze woning op de peildatum aanwezig was, zodat deze woning gelet op het bewijsvermoeden in beginsel tot het te verrekenen vermogen behoort.
3.21.
De man stelt dat hij deze woning, die oorspronkelijk aan de ouders van de man toebehoorde, vooruitlopend op de erfenis en bij uitsluitingsclausule geregeld in het testament van zijn ouders, heeft verkregen. Hierbij is deze woning aan de man overgedragen, waarbij hij de koopprijs aan zijn ouders schuldig is gebleven en waartegenover door zijn een ouders een geldlening is gesteld. De ouders van de man wonen op dit moment in de desbetreffende woning. Zij hebben een maandelijkse huurverplichting aan de man, welke huur door de man wordt verrekend met de schuld die hij nog aan zijn ouders heeft uit hoofde van de koop van het pand. Er vinden geen feitelijke geldstromen plaats, maar door de verrekening, wordt de schuld aan de ouders van de man wel maandelijks lager.
3.22.
De rechtbank stelt allereerst voorop dat een uitsluitingsclausule in het testament van de ouders van de man geen werking kan hebben op een verkrijging waarbij de ouders van de man nog in leven zijn. Los daarvan, zou iedere nalatenschap (ook die zonder uitsluitingsclausule) buiten de werking van het verrekenbeding vallen, zodat het al dan niet bestaan van een uitsluitingsclausule in een testament voor de beantwoording van de vraag of het pand tot het te verrekenen vermogen irrelevant is.
3.23.
Op grond van artikel 1:133, tweede lid, BW heeft de verplichting tot verrekening geen betrekking op vermogen dat bij gift is verkregen. Voor zover de rechtbank in de stellingen van de man zou lezen dat hij meent deze woning geschonken te hebben gekregen, is de rechtbank
van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een gift. Weliswaar stelt de man dat sprake is van een fiscale constructie als voorschot op de erfenis waarbij er feitelijk geen geldstromen tussen de ouders van de man en de man over en weer gaan en dat zijn ouders hem de maandelijkse huurbetalingen schenken, maar de rechtbank kan dat niet vaststellen.
3.24.
De rechtbank beschikt slechts over één pagina (pagina 2) van de leveringsakte. Hierin staat, kort gezegd en voor zover relevant, opgenomen dat (a) de verkoper (de ouders van de man) afstand doet van zijn vordering tot betaling van de koopprijs van € 182.500 waartegenover hij een vordering bedingt ten laste van de koper (de man) gelijk aan de koopprijs van de woning, (b) de koper (de man) daarmee instemt en (c) dat de verkoper en koper hun onderlinge rechtsverhouding met betrekking tot de onder (a) bedoelde schuld bij afzonderlijke onderhandse akte zullen regelen. De man heeft nagelaten de betreffende onderhandse akte te over leggen. Dit had wel op zijn weg gelegen, gelet op de eisen die worden gesteld om het bewijsvermoeden te ontkrachten en de vrouw betwist dat de maandelijkse huurbetalingen als schenking plaatsvinden. De rechtbank heeft dan ook geen inzicht in de wijze waarop de geldlening tijdens het huwelijk (voor een deel) is afgelost. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat op de geldlening is afgelost door middel van de maandelijkse huurbetalingen, nu dit in ieder geval tussen partijen niet in geschil is. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden voor het begrip netto inkomen aangesloten bij het inkomensbegrip als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Op grond van artikel 3 en artikel 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behoren ook huurinkomsten, zijnde inkomsten uit vermogen, tot inkomen dat verrekend had moeten worden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook de woning van de man aan de [adres 4] tot het te verrekenen vermogen behoort.
Eenmanszaak [bedrijf 2] van de vrouw
3.25.
De man stelt dat deze eenmanszaak op de peildatum aanwezig was en in beginsel tot het te verrekenen vermogen behoort. De vrouw heeft dit op de zitting betwist. De man heeft vervolgens nagelaten zijn stelling nader te onderbouwen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat op de peildatum voornoemde eenmanszaak aanwezig was en tot het te verrekenen vermogen behoort.
Slotsom
3.26.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, verklaart zij hierna voor recht dat de aandelen van de man in [holding 1] B.V., de panden van de man aan de [adres 2 & 3] en de woning van de man aan de [adres 4] tot het te verrekenen vermogen behoren.
Verdeling echtelijke woning
3.27.
De vrouw verzoekt om toedeling van de echtelijke woning aan de [adres 5] , met bepaling dat zij gerechtigd is om ten aanzien van de door haar aan de man te betalen overbedelingsvordering een beroep op verrekening te doen met het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.28.
Hoewel de man formeel geen verzoek in zijn petitum tot toedeling van de echtelijke woning aan hem heeft opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat uit zijn processtuk voldoende kan worden afgeleid dat hij dit verzoek heeft willen doen en dat de vrouw dit ook zo heeft kunnen begrijpen.
3.29.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de echtelijke woning aanhouden. De beantwoording van de vraag welke partij in staat is om de toedeling van de echtelijke woning aan hem of haar te financieren, hangt immers samen met (de omvang van) verrekeningsvordering die op grond van de huwelijkse voorwaarden nog moet plaatsvinden. Het ligt voor de hand om de gehele afwikkeling van wat partijen over en weer te verrekenen en verdelen hebben tegelijk te laten plaatsvinden.
Voortgang procedure
3.30.
Zoals op de zitting is besproken, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om binnen twee weken na vandaag, in onderling overleg een deskundige in te schakelen die de aandelen van de man in [holding 1] B.V. moet taxeren. Indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, zal de rechtbank overgaan tot een deskundigenbenoeming voor de waardering van de aandelen. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in onderling overleg de woning aan de [adres 4] en de panden aan de [adres 2 & 3] zullen laten taxeren.
3.31.
Voor zover partijen in een later stadium willen dat de rechtbank de (volledige) verrekening vaststelt op grond van de huwelijkse voorwaarden, verwacht de rechtbank dat ieder van partijen een vermogensopstelling aan de rechtbank zullen toesturen, met onderliggende bewijsstukken.
3.32.
Iedere verdere beslissing houdt de rechtbank aan tot 25 april 2024 pro forma.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] ;
4.2.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [het kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] bij de vrouw;
4.3.
bepaalt dat de man, met ingang van vandaag, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 692 per maand aan de vrouw moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.4.
bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw € 3.499 per maand aan de vrouw moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.5.
bepaalt dat de vrouw, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de echtelijke woning aan [adres 5] bewoont, tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden voort te zetten;
4.6.
verklaart voor recht dat in ieder geval tot het te verrekenen vermogen behoort:
de aandelen van de man in [holding 1] B.V.;
de panden van de man aan de [adres 2 & 3] ;
de woning van de man aan de [adres 4] ;
4.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing over de echtscheiding;
4.8.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder II en III;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie;
4.10.
houdt iedere verdere beslissing aan tot 25 april 2024 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, mr. E.J. Swiers en mr. M. Gruiters, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Verhoef, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2024.