Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2024:4657

2024-06-21 Strafrecht 05.247689.23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2024-06-21
Publicatiedatum
2024-07-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05.247689.23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak seksueel misbruik minderjarige stiefdochter bij gebrek aan steunbewijs. Niet voldaan aan bewijsminimum. Vordering bp niet-ontvankelijk.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.365 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Zutphen



Parketnummer: 05.247689.23
Datum uitspraak : 21 juni 2024



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte]
,
geboren op [geboortedag 1] 1967 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] .



Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat in Zutphen.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
7 juni 2024.






1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met
24 november 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] (gemeente [gemeente] ), althans in Nederland,
met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorende tot zijn gezin,
althans een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige,
te weten zijn stiefdochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd,
die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten

- het zoenen, althans kussen van (het lichaam van) die [slachtoffer] en/of
- het laten betasten en/of aftrekken van zijn penis door die [slachtoffer] en/of
- het zich aftrekken in bijzijn van die [slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) het klaarkomen/ejaculeren op het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het (met zijn, verdachtes, vinger(s)/hand en/of tong) betasten van de
schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of
tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, tong tussen en/of over de schaamlippen van die

[slachtoffer] en/of
- het trachten te brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] ,

althans het brengen/duwen van het hoofd van die [slachtoffer] richting zijn,
verdachtes, penis en/of

- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen
van die [slachtoffer] .




2De standpunten


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.



De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.





3Overwegingen ten aanzien van het bewijs


De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één persoon naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.



De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Dit betekent dat - in een zaak als deze, waarin de verdachte het tenlastegelegde ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten seksuele handelingen c.q. het verweten seksueel misbruik - de rechter (onder meer) moet beoordelen of er voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer in het dossier aanwezig is.



Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Wel is vereist dat de verklaringen van het slachtoffer op specifieke punten bevestiging zien in ander bewijsmateriaal, in de zin van bewijs uit een andere bron, en dat tussen een en ander een niet te ver verwijderd verband bestaat.



Verdachte ontkent zich aan het tenlastegelegde schuldig te hebben gemaakt.



De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of de voor verdachte belastende verklaring van aangeefster [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt dat hetgeen getuigen [getuige 1] (de moeder van aangeefster) en [getuige 2] (de oma van aangeefster) hebben verklaard ter bevestiging van de verklaringen van aangeefster, afkomstig is van aangeefster zelf en dus uit dezelfde bron komt, dan wel in een te ver verwijderd verband staat met het tenlastegelegde. Hun verklaringen kunnen daarom niet worden aangemerkt als het vereiste steunbewijs in de zin van artikel 342, tweede lid, Sv. Bewijs uit andere bron dat de belastende verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen ondersteunt, ontbreekt. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. Bij gebrek aan wettig (en overtuigend) bewijs zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.





4De beoordeling van de civiele vordering


Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 15.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




Overweging van de rechtbank

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.





5De beslissing


De rechtbank:



 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;



 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;



 bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.











Dit vonnis is gewezen door mr. J. Steenbrink, voorzitter, mr. M.J. Ouweneel en
mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juni 2024.

Mr. Steenbrink is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.