Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2023:7542
Inhoudsindicatie
Gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk (tuinkamer en tuinhuis). Ontbinding vanwege gebreken. Opdrachtgever heeft met een deskundigenrapport onderbouwd dat het werk (de tuinkamer) gebreken vertoont (lekkage). De aannemer is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. De aannemer heeft niet voldoende onderbouwd dat ontbinding vanwege de geringe aard van de tekortkoming niet gerechtvaardigd was. Opdrachtgever heeft de aannemingsovereenkomst daarom terecht ontbonden. De aannemer is gehouden tot terugbetaling van de aanschafprijs en tot herstel van de woning en het terras in de oude toestand. Ook het tuinhuis vertoont gebreken. De aannemer is in verzuim en na omzetting gehouden tot betaling van vervangende schadevergoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.078 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 10300043 \ CV EXPL 23-661 \ 53331 \ 51710
uitspraak van 13 september 2023
vonnis
in de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
gemachtigde mr. H.W. Leemans
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde partij
gemachtigde mr. M.J.W. Hoek
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 1 maart 2023 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Op 5 juni 2023 is een mondelinge behandeling gehouden.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] heeft op 7 maart 2020 een order geplaatst voor een tuinkamer ten bedrage van € 15.053,- (incl. btw) en voor een tuinhuis ten bedrage van € 6.669,29 (incl. btw).
2.2.
Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de tuinkamer en het tuinhuis voor een totaalbedrag van € 21.000,- (incl. btw) worden geplaatst.
2.3.
De werkzaamheden zijn gestart op 18 juni 2020.
2.4.
Bij e-mail van 18 juni 2020 heeft [eiser] aan [gedaagde] zorgen geuit over een aantal zaken die zien op de tuinkamer en schade ontstaan aan het stucwerk van de buitenmuur van de woning.
2.5.
Hierna heeft er een uitgebreide communicatie plaatsgevonden over vermeende gebreken aan de tuinkamer en het tuinhuis, waarbij ook nieuwe vermeende gebreken zijn gemeld.
2.6.
Op 9 november 2021 heeft op verzoek van [eiser] een expertise plaatsgevonden door CED Nederland, waarvan op 27 januari 2022 rapport is opgemaakt.
2.7.
[gedaagde] heeft een contra-expertise laten verrichten door Bouwkundig Keuringsbureau Zeeland (BKZ), waarvan op 1 juni 2022 rapport is opgemaakt.
3De vordering en het verweer
3.1.
[eiser] vordert, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I voor recht te verklaren dat:
a. de overeenkomst van 7 maart 2020 ter zake de tuinkamer buitengerechtelijk is ontbonden;
b. [eiser] ter zake het defecte stucwerk een bedrag van € 900,- (incl. btw) met [gedaagde] mag verrekenen;
II [gedaagde] te veroordelen tot het binnen vier weken na de datum van het te wijzen vonnis demonteren van de tuinkamer, het aansluitend zorgdragen voor herstel van de woning en het
terras in oorspronkelijke staat zoals die was voor plaatsing van de tuinkamer door ter zake kundige derden;
III te bepalen dat [gedaagde] voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen een dwangsom zal verbeuren van € 500,- per dag tot een maximum van € 25.000,-;
IV [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:
a. € 15.053,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2022 tot aan de datum van volledige betaling;
b. € 850,- aan vervangende schadevergoeding voor herstel van de gebreken aan het tuinhuis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2022 tot aan de datum van volledige betaling:
c. € 1.459,87 ter zake de deskundigenkosten van CED, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2022 tot aan de datum van volledige betaling;
d. € 1.130,18 aan buitengerechtelijke incassokosten;
e. de proceskosten waaronder nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [gedaagde] na betekening van het te wijzen vonnis met voldoening van deze kosten in verzuim is tot aan de dag van volledige betaling.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de afgeleverde zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden. De tuinkamer en het tuinhuis vertonen gebreken. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ex artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu [gedaagde] de gebreken zoals tijdig door [eiser] aan [gedaagde] gemeld – en waarvoor [gedaagde] als aannemer aansprakelijk is – niet ex artikel 7:759 BW binnen een redelijke termijn heeft weggenomen.
[gedaagde] is meermalen in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen. [gedaagde] is daar niet in geslaagd. Per brief van 7 juli 2022 is de overeenkomst voor wat betreft de tuinkamer buitengerechtelijk ontbonden en is voor wat betreft de gebreken aan het tuinhuis vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW aangezegd. Voorts is [gedaagde] volgens [eiser] gehouden tot vergoeding van de schade die aan het stucwerk is ontstaan.
3.3.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4De beoordeling
4.1.
Vooropgesteld wordt dat partijen een gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk zijn overeengekomen, waarvan het zwaartepunt ligt bij aanneming van werk. Het belangrijkste kader wordt daarom gevormd door de bepalingen van titel 7.12 BW.
Verjaring
4.2.
[gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de vorderingen zijn verjaard in de zin van artikel 7:23 lid 2 en 7:761 BW. [eiser] betwist dat de vordering is verjaard.
4.3.
In artikel 7:23 lid 2 BW is voor zover thans van belang, bepaald dat rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Op grond van artikel 7:761 lid 1 BW geldt in zaken betreffende overeenkomsten van aanneming van werk een verjaringstermijn van twee jaar voor vorderingen wegens een gebrek in het opgeleverde werk. Deze termijn vangt aan op het moment dat de opdrachtgever heeft geprotesteerd ter zake een gebrek in het opgeleverde werk.
4.4.
Uit de stellingen van partijen en de processtukken blijkt niet dat de tuinkamer en het tuinhuis zijn opgeleverd. Het beroep van [gedaagde] op artikel 7:761 lid 1 BW strandt hierop. Dit artikel heeft het immers over ‘een gebrek in het opgeleverde werk’. [gedaagde] kan evenmin een geslaagd beroep doen op artikel 7:23 lid 2 BW. Uit de dagvaarding met bijgevoegde producties blijkt dat [eiser] reeds op 18 juni 2020, de dag dat de werkzaamheden zijn gestart, vermeende gebreken heeft gemeld en nadien zich nieuw voordoende gebreken direct heeft gemeld. [gedaagde] is in elk geval tot 16 september 2021 bezig geweest om gebreken te herstellen. Zodra een gebrek zich opnieuw voordeed heeft [eiser] daarvan aan [gedaagde] melding gedaan. [eiser] heeft dus niet twee jaar stilgezeten. Hij heeft de gebreken laten onderzoeken en [gedaagde] daarna per brief aansprakelijk gesteld, alvorens tot dagvaarden over te gaan. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] niet zijn verjaard.
(Partiele) ontbinding
4.5.
Beoordeeld moet worden of het door [eiser] gedane beroep op ontbinding van de overeenkomst voor wat betreft de tuinkamer slaagt.
4.6.
In artikel 6:265 lid 1 BW is bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
De schuldeiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar. Het is aan de schuldenaar om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling.
In artikel 6:265 lid 2 BW is bepaald dat - voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is - de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
4.7.
Niet in geschil is dat de tuinkamer de nodige gebreken vertoont. Zowel CED als BKZ hebben de navolgende gebreken aan de tuinkamer geconstateerd:
- lekkage bij regenval ter plaatse van de aansluiting van het dak van de tuinkamer
op de (bestaande) achtergevel van de woning;
- een inpandige goot die bij regenval overloopt;
- een niet-sluitend slot van de schuifdeuren van de tuinkamer;
- kromme stijlen van de aluminium schuifdeuren;
- de schroefpalen (fundering) die niet op een lijn zijn aangebracht.
CED heeft voorts nog geconstateerd dat de rubberen glasprofielen openstaan en in geval van regen en wind water doorlaten.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichting om een deugdelijke tuinkamer af te leveren. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] [gedaagde] bij e-mail van 9 september 2020 tot en met 24 september 2020 de gelegenheid heeft geboden om de lekkages kosteloos te herstellen. Vaststaat dat de lekkages tot op heden niet zijn verholpen zodat [gedaagde] in elk geval ten aanzien van dit gebrek aan de tuinkamer in verzuim is geraakt. Dat betekent dat [eiser] bevoegd was om de overeenkomst voor zover deze ziet op de tuinkamer te ontbinden, behoudens voor zover de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding en haar rechtsgevolgen niet rechtsvaardigen.
4.9.
[gedaagde] stelt dat ontbinding niet is gerechtvaardigd gelet op de lage kosten die volgens BKZ zijn gemoeid met het verhelpen van de gebreken.
4.10.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. CED heeft bij haar onderzoek videobeelden van de lekkages bekeken en geconstateerd dat zich lekkages voordoen ter plaatse van de aansluiting van het dak van de tuinkamer op de (bestaande) achtergevel van de woning. Dit gebrek kan volgens CED veroorzaakt worden doordat de afstand van het dak van de tuinkamer tot de achtergevel te groot is als gevolg van foutief inmeten. Volgens CED dient de tuinkamer volledig te worden gedemonteerd en opnieuw te worden opgebouwd. CED heeft weliswaar ook geconstateerd dat het kitwerk op ondeugdelijke en provisorische wijze is aangebracht, maar de conclusie over de noodzakelijke wijze van herstel impliceert dat volgens CED herstel van (alleen) het kitwerk onvoldoende is om het gebrek te verhelpen. De kosten van demontage en herbouw zijn door CED – inclusief het opnieuw leveren en aanbrengen van beschadigde en niet meer passende onderdelen – begroot op € 4.000,-.
BKZ gaat er vanuit dat de oorzaak van de lekkage ter plaatse van de aansluiting van het dak van de tuinkamer op de (bestaande) achtergevel is gelegen in het kitwerk. BKZ heeft het verhelpen van deze lekkage begroot op € 175,- (incl. btw, materiaal en arbeidsloon). Uit het rapport van BKZ blijkt niet dat BKZ daadwerkelijk heeft onderzocht of de oorzaak voor de lekkage is gelegen in het kitwerk. Opgemerkt is: “volgens dhr. [eiser] lekt het nog aan de rechterzijde van de muuraansluiting ” en overwogen is “t.a.v. van de klachten over lekkage adviseren wij om het kitwerk nog eens langs te lopen.” De kantonrechter stelt vast dat het kitwerk op deze plek in elk geval al een keer, namelijk op 27 juli 2020, is hersteld. Blijkens de servicefactuur van de op deze dag door [gedaagde] verrichte herstelwerkzaamheden is toen de muurplaat opnieuw goed ingekit. Kennelijk heeft het opnieuw kitten de lekkage op deze plek niet kunnen verhelpen. Daarom kan er niet zonder meer vanuit gegaan worden dat de oorzaak voor de lekkage op deze plek is gelegen in ondeugdelijk kitwerk. Voorts is BKZ in het geheel niet ingegaan op de constatering in het rapport van CED dat de afstand van het dak van de tuinkamer tot de achtergevel te groot is. In dat licht bezien heeft [gedaagde] niet voldoende onderbouwd dat de lekkage ter plaatse van de aansluiting van het dak van de tuinkamer op de (bestaande) achtergevel van de woning een tekortkoming van geringe aard betreft die met weinig kosten kan worden verholpen.
[eiser] was daarom reeds vanwege dit gebrek bevoegd om de overeenkomst bij brief van 7 juli partieel te ontbinden. In het midden kan daarom blijven of de overige gebreken aan de tuinkamer een partiele ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen.
4.11.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter de onder 3.1. onder I a gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst van 7 maart 2020 is ontbonden voor zover deze zag op de levering en plaatsing van de tuinkamer, afgeven. De ontbinding heeft partijen bevrijd van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen voor zover die zien op de levering en plaatsing van de tuinkamer. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Dit betekent dat [gedaagde] de tuinkamer moet demonteren en moet zorgdragen voor herstel van de woning en het terras in oorspronkelijke staat zoals die was voor plaatsing van de tuinkamer. De vordering van [eiser] als vermeld onder 3.1. onder II wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter geen grondslag ziet om te bepalen dat [gedaagde] daarvoor ter zake deskundige derden moet inschakelen. Ook de vordering onder III zal worden toegewezen, nu tegen het opleggen van een dwangsom geen separaat verweer is gevoerd.
Onbetwist is dat de ongedaanmakingsverplichting inhoudt dat de aanschafprijs van € 15.053,- (incl. btw) aan [eiser] moet worden geretourneerd. De vordering van [eiser] als vermeld onder 3.1., IV onder a wordt derhalve eveneens toegewezen. De wettelijke rente zal als gevorderd vanaf 22 juli 2022 worden toegewezen.
Stucwerk
4.12.
Niet in geschil is dat er bij plaatsing van de tuinkamer schade aan het stucwerk is ontstaan. [eiser] heeft op grond van een door hem opgevraagde offerte gesteld dat de kosten van herstel € 900,- bedragen. [gedaagde] heeft gesteld dat het stucwerk al voor de werkzaamheden in slechte staat verkeerde en dat aansprakelijkheid voor de kwaliteit van het stucwerk is geëxonereerd. [gedaagde] heeft echter nagelaten deze stellingen te onderbouwen, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen, nu [eiser] dit heeft bestreden. Voorts geldt dat, naar [eiser] terecht heeft tegengeworpen, het gelet op artikel 7:754 BW op de weg van [gedaagde] lag om in dat geval te waarschuwen voor ongeschiktheid van het stucwerk.
Niet in geschil is dat [eiser] een bedrag van € 1.500,- nog niet had betaald. Voorts heeft [gedaagde] voor de kantonrechter niet bestreden dat de kosten voor herstel € 900,- bedragen. Gelet daarop zal de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] ter zake het defecte stucwerk een bedrag van € 900,- (incl. btw) met [gedaagde] mag verrekenen (3.1., I onder b) worden toegewezen.
Vervangende schadevergoeding
4.13.
Beoordeeld moet worden of [eiser] voor wat betreft het tuinhuis aanspraak kan maken op vervangende schadevergoeding.
4.14.
CED heeft geconstateerd dat de houten deur van het tuinhuis scheef is gemonteerd en vanzelf dichtvalt en dat de EPDM-dakbedekking slordig dan wel oneven is aangebracht.
CED heeft voorts geconstateerd dat één van de twee PVC hemelwaterafvoeren niet op beugels is vastgezet en dat het afvoergat op een afwijkende plaats is gemaakt.
CED heeft de kosten voor herstel van de deur begroot op € 350,-. Ten aanzien van de EPDM-dakbedekking heeft CED geadviseerd om deze te controleren op stormbestedigheid en zonodig opnieuw te verlijmen met de ondergrond. De kosten van het controleren en verlijmen zijn door CED begroot op € 250,- .Ten aanzien van de PVC hemelwaterafvoer die niet op beugels is vastgezet en het afvoergat dat op een afwijkende plaats is gemaakt heeft CED geoordeeld dat dit een visueel storend gebrek betreft, waarvoor geldt dat herstel economisch en technisch gezien niet verantwoord is. Volgens CED is sprake van een waardevermindering van € 250,-.
4.15.
[eiser] heeft haar vordering tot betaling van € 850,- aan vervangende schadevergoeding niet in haar dagvaarding gespecificeerd. Aangezien het totaal van de door CED ten aanzien van het tuinhuis begrote kosten € 850,- bedraagt, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] aan haar vordering tot betaling van € 850,-, aan vervangende schadevergoeding de hiervoor vermelden door CED geconstateerde gebreken ten grondslag legt.
4.16.
BKZ heeft geconstateerd dat de houten deur van het tuinhuis is verzakt. De EPDM-dakbedekking is volgens BKZ correct aangebracht, maar vertoont wel minimale oneffenheden. BKZ constateert voorts kiervorming in het blokhutprofiel.
De kosten voor het herstellen van de deur bedragen volgens BKZ € 200,- (incl. btw, materiaal en arbeidsloon). Voor de oneffenheden in de EPDM is volgens BKZ geen herstel nodig. De kosten van herstel van de kiervorming bedragen volgens BKZ € 50,- (incl. btw, materiaal en arbeidsloon).
4.17.
Artikel 6:87 lid 1 BW bepaalt dat voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, de verbintenis tot nakoming wordt omgezet in een vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is met zijn verbintenis tot nakoming en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.
4.18.
Bij e-mail van 3 mei 2021 heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om binnen 14 dagen over te gaan tot herstel van, voor zover thans van belang, de schuurdeur. In deze e-mail is tevens bericht dat aanspraak gemaakt wordt op vervangende schadevergoeding voor zover herstel niet binnen 14 dagen plaats vindt. [gedaagde] is niet binnen deze termijn tot herstel overgegaan en verkeert daarom in ten aanzien van de schuurdeur in verzuim. De kantonrechter acht de door BKZ begrootte € 200,- aan herstelkosten toewijsbaar, omdat niet gebleken is dat het meer moet kosten. CED heeft in zijn rapport opgemerkt dat ten einde inzicht te krijgen in de exacte kosten, geadviseerd wordt om een offerte op te vragen bij een erkend veranda-tuinkamerbedrijf. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] dit heeft gedaan.
4.19.
Ten aanzien van de EPDM overweegt de kantonrechter dat [eiser] onvoldoende hard heeft gemaakt dat deze inderdaad opnieuw verlijmd moet worden, dus dat sprake is van een gebrek. De in dat verband gevorderde herstelkosten van € 250,- worden om die reden afgewezen.
4.20.
Ten aanzien van de kiervorming in het blokhuisprofiel geldt allereerst dat niet (duidelijk) is gebleken dat de bij dagvaarding gevorderde schadevergoeding daarop ziet. Verwezen wordt hier naar wat onder 4.14. en 4.15. is overwogen. Bovendien is niet gebleken dat en wanneer ten aanzien van dit gebrek verzuim is ingetreden. Voorzover [eiser] heeft beoogd om in dit verband vervangende schadevergoeding te vorderen, wordt dit afgewezen.
4.21.
[gedaagde] heeft met een beroep op artikel 6:87 lid 2 BW nog aangevoerd dat omzetting gezien haar ondergeschikte betekenis niet gerechtvaardigd is. Dit verweer faalt, omdat deze bepaling niet in de weg staat aan omzetting van een (neven)verplichting tot herstel in vervangende schadevergoeding indien de ondeugdelijkheid in de nakoming slechts een klein gebrek betreft.
4.22.
In totaal wijst de kantonrechter een bedrag van € 200,- aan vervangende schadevergoeding toe.
Waardevermindering tuinhuis
4.23.
De gevorderde waardevermindering komt, hoewel niet aan te merken als vervangende schadevergoeding, op grond van artikel 6:74 BW voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] heeft namelijk niet bestreden dat een van de PVC hemelwaterafvoeren niet op beugels is vastgezet en dat het afvoergat op een afwijkende plaats is aangebracht en hij heeft ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden dat dit als gebrek kan worden aangemerkt. BKZ is op de constateringen van CED op dit punt niet ingegaan. Het gevorderde bedrag van € 250,- zal daarom worden toegewezen.
4.24.
De wettelijke rente over de schadevergoeding wordt, als gevorderd, toegewezen vanaf 22 juli 2023.
Expertisekosten
4.25.
De gevorderde expertisekosten van € 1.459,87 zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking. De wettelijke hierover zal als gevorderd worden toegewezen vanaf 22 juli 2022.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.26.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn verweer dat [eiser] geen aanspraak kan maken op buitengerechtelijke incassokosten. De omstandigheid dat [eiser] wordt bijgestaan door een gemachtigde van DAS rechtsbijstand maakt niet dat hij geen aanspraak kan maken op buitengerechtelijke incassokosten, aangezien enkel relevant is of er incassowerkzaamheden zijn verricht. Bovendien vermeldt de polis van rechtsbijstandsverzekeraars doorgaans dat een verzekerde verplicht is de eventueel ontvangen buitengerechtelijke incassokosten af te dragen aan de verzekeraar.
Het gevorderde bedrag van € 1.130,18 bedraagt niet meer dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.27.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 132,-, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De wettelijke rente wordt op de navolgende wijze toegewezen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst van 7 maart 2020 buitengerechtelijk is ontbonden voor zover deze ziet op de levering en plaatsing van de tuinkamer;
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] de tuinkamer binnen vier weken na de datum van dit vonnis moet demonteren en aansluitend zorg moet dragen voor herstel van de woning en het
terras in oorspronkelijke staat zoals die was voor plaatsing van de tuinkamer;
5.3.
bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om aan de veroordeling onder 5.2. te voldoen een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag tot een maximum van € 25.000,-;
5.4.
verklaart voor recht dat [eiser] ter zake het defecte stucwerk een bedrag van € 900,- (incl. btw) met [gedaagde] mag verrekenen;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 16.962,87 (= € 15.053,-, + € 200,- + € 250,-+ € 1.459,87), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2022 tot aan de dag van volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.130,18 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] begroot op € 1.617,29 (€ 132,29 aan dagvaardingskosten, € 693,- aan griffierecht en € 792,- aan salaris voor de gemachtigde), te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 132,- aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormelde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.9.
verklaart de veroordelingen onder 5.2, 5.3 en 5.5 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.